Posts tonen met het label neoliberalisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label neoliberalisme. Alle posts tonen
zondag 9 november 2014
Economie zal nooit meer zijn wat het geweest is
Op 30 october verscheen de Nederlandse vertaling van ‘Kapitaal in de een en twintigste eeuw’ van de Franse econoom Thomas Piketty. Het boek is in Frankrijk lauw ontvangen, maar de Engelse vertaling, een pil van 685 bladzijden, heeft geleid tot een hausse aan reacties en het boek werd een bestseller. Er lijkt een discussie te worden opengebroken, die lange tijd gesloten geweest was. Wat Piketty op basis van uitgebreide historische analyses op de agenda zet, is niet zozeer het feit, dat we in het kapitalisme puissante rijkdom naast extreme armoede kennen. Velen hebben dit waargenomen in de loop der eeuwen en daar theorien aan gewijd. De discussie die Piketty weer op de agenda zet is de vraag, of die extreme verschillen tussen arm en rijk en eventueel een verdergaande verarming van grotere delen van de bevolking het gevolg zijn van immanente systemische onvolkomenheden van het kapitalisme, van de tendenzen die het gedrag van het kapitaal en de verdeling van armoede en rijkdom bepalen, of dat het kapitalisme die onvolkomenheden niet kent, in zich een goed naar evenwichten tenderend systeem is, dat harmonisch kan functioneren waarbij externe factoren de evenwichten kunnen verstoren. In de neo-klassieke economie worden in feite externe variabelen in het systeem ingebracht, die evenwichts verstorend kunnen werken en die de verschillen tussen arm en rijk bepalen. Een tweede stroming die er impliciet van uitgaat, dat het kapitalisme op zich goed functioneert is de morele stroming, die ter discussie stelt of de tegenstelling tussen arm en rijk op zich verkeerd is. Wat is erop tegen, als maar iedereen te eten heeft? En uitwassen moeten bestreden worden door de mensen een goede moraal bij te brengen, door sociaal ondernemerschap, want ja, ook de kapitalisten moeten niet zo hebberig zijn en proberen zoveel mogelijk winst te maken. Sociale ondernemer zijn betekent, dat je sociaal voelend a la Bill Gates een deel van je fortuinen weggeeft en verdeelt onder de armen. In het verlengde daarvan liggen de initiatieven voor een sociaal kapitalisme. De 'sociale ondernemingen' schieten als paddenstoelen uit de grond. Heel andere uitgangspunten dan wanneer je het kapitalisme beschouwt als een productiesysteem van immanente onvolkomenheden, dat uit zichzelf als het ware de stagnatie van de samenleving organiseert.
Een oude gedachte
Marx analyseerde de immanente tegenstrijdigheden van het kapitalisme als systeem van productie. Centraal in zijn theorien staat de arbeidswaardeleer. Het zou te ver voeren, dat verder hier uit te leggen, maar ook in die theorie is het kapitalisme een productiesysteem dat armoede, stagnatie, oorlog en ellende produceert als uitvloeisel van de wetmatigheden in de productie. Het is onmiddellijk duidelijk dat uitgaan van de immanente onvolkomenheden van het productiesysteem zelf een adequate kritiek oplevert op de stromingen, die stagnatie zoeken in externe factoren of de moraal, of de mens als beest, dat altijd in ons sluimert. Je leidt dan de aandacht af van het feit, dat het kapitalisme als productiesysteem minstens net zo’n groot probleem is. Dat de tegenstellingen tussen arm en rijk, en de concentratie van rijkdom in handen van zeer weinigen niet zozeer het gevolg zijn van de moraal, of externe factoren, maar inherent zijn aan het kapitalistisch productiesysteem en dat dus eerst dat productiesysteem ter discussie gesteld moet worden alvorens te werken aan een rechtvaardiger maatschappij. Het is een weerlegging van de Amerikaanse droom, die verwoord dat iedereen de maarschalksstaf in zijn ransel heeft. Iedereen kan hogerop komen, als je maar wil, als je maar de goede ondernemersmentaliteit hebt. Iedereen krijgt kansen in het kapitalisme, grijp die! Nee, zegt nu Piketty, op basis van een indrukwekkende historische analyse, wanneer het kapitaal zich concentreert in handen van een steeds kleinere elite, stagneert de samenleving, neemt de sociale mobiliteit af, worden de kansen voor mensen hogerop te komen en/of zich te ontplooien minder. Het gevolg is stagnatie van de gehele maatschappij.
stagnatie en gebrek aan sociale mobiliteit
Bij steeds grotere ongelijkheid in bezit en inkomen komt er een rem op de economische groei omdat rijken hun geld nog slechts gedeeltelijk besteden in de economie en de rest oppotten. Grote ongelijkheid is een gevaar voor de democratie en politieke invloed van alle burgers: rijken kunnen de duurste advocaten en lobbyisten inhuren en met geld invloed kopen om wetten aangenomen te krijgen die zij willen. Mensen met een laag inkomen hebben geen reserves. Bij een tamelijk geringe tegenslag komen ze al in de problemen of schulden die alle tijd en energie opslokken. Mensen met weinig inkomen investeren ook minder in scholing en opleiding voor zichzelf en hun kinderen waardoor ze niet hogerop kunnen komen. Grote ongelijkheid remt de sociale mobiliteit. Maar er is ook een tendens dat de middengroepen verdwijnen. Langzaam in de loop der jaren opklimmen in de maatschappij of het bedrijf waar je werkt wordt steeds moeilijker. Het wordt steeds meer: alles of niets. Piketty is niet de eerste die op deze tendenzen gewezen heeft. Reeds de historicus Jan Romein formuleerde de wet van de remmende voorsprong: Een bedrijf of organisatie, kan een product met grote innovatieve waarde ontwikkelen en daar winsten mee maken, maar daarna in de verleiding komen op de inkomsten te blijven teren en noodzakelijke investeringen voor innovatie te veronachtzamen. In de tijd van Romein bestonden grote verschillen tussen verschillende delen van de wereld waardoor hij veronderstelde, dat dan elders de op hun lauweren rustende ondernemingen zouden worden voorbijgestreefd. Wanneer echter de concentratie van steeds meer toenemende rijkdom in handen van weinigen wereldwijd is, kan dit teren op de inkomsten algemeen worden en vernieuwende ontwikkelingen tegenhouden.
Daarmee wordt ook een kritiek geformuleerd op strategien om mensen aan de onderkant van de samenleving zelfredzaam te maken en te ontwikkelen door aan hun gedrag te sleutelen. Bijvoorbeeld de reintegratie cursussen voor werklozen, eigen kracht conferenties, etc. Werklozen ervaren aan den lijven dat het zo niet werkt, dat om een hen soms onbekende redenen of door de grote massawerkloosheid het hogerop komen niet lukt, dat er op de een of andere manier factoren in het spel zijn die dat belemmeren, die buiten henzelf liggen. Marxistische theorien waren in het verleden explosieve kritieken op de ideologie van de self made man die iedereen kan worden, op de plaats van de moraal in het discours van de verdedigers van het kapitalisme.
Piketty
En nu is er Piketty. Beslist geen marxist, hij zet zich expliciet af tegen de hiervoor genoemde arbeidswaardeleer. Ook bij Piketty tendeert het kapitalisme uiteindelijk naar een nieuw evenwicht alleen…. hier gaan vele decennia overheen. En in die periode stagneert de samenleving, de economie. En moeten miljoenen in ellende leven.
Piketty zegt zelf, dat vermogensongelijkheid helemaal niet erg is, dat het in Europa nog geen probleem is, de concentratie van vermogens, en dat we blij moeten zijn dat we zoveel vermogen hebben, er moeten hooguit kleine belastingen komen op die vermogens. Eigenlijk, zou je kunnen zeggen, trekt hij dus geen radicale politieke conclusies uit zijn eigen verhaal. Waarom doet hij dat? Is dit een bewuste strategie van hem, terwijl hij wel weet, dat het probleem veel groter is? Het is in strijd met de urgentie van de analyses in zijn boek. Hij betoogt steeds, dat hij de vrije markteconomie lief heeft en dat hij houdt van het kapitalisme en dat hij in Oost Europa geweest is tijdens de val van de muur en dat hij dacht: hoe is het mogelijk, dat mensen voor zo' n systeem kiezen, ik wil dat nooit. Hierdoor is hij voor rechts zeer moeilijk met de traditionele middelen te bestrijden. Toch heeft hij een opzienbarend boek geschreven, waarin een fundamentele kritiek wordt geleverd op het kapitalisme. Echter, hem daarop wijzen, helpt niet. ' Ik hou van het kapitalisme, zegt Piketty, ik wil het helemaal niet afschaffen. Ik lever er alleen kritiek op' . Wat is eigenlijk het doel van Piketty? Wellicht het volgende. In verschillende interviews geeft hij aan, dat we volgens hem historisch belast zijn met de tegenstellingen tussen Oost en West, met de koude oorlog, met het mislukken van het communistisch experiment in Oost-Europa. Hij geeft aan, dat we eigenlijk een beetje collectief opgehouden zijn met denken. Rechts en links zijn de afgelopen decennia met de opkomst van het neoliberalisme een soort psychologische oorlogvoering begonnen op basis van de tegenstellingen in het verleden. Piketty wil dat doorbreken.
Geen politieke strategie
Maar een politieke strategie om de hervorming van het kapitalisme door te voeren staat niet in de dikke pil van Piketty. Al op de eerste bladzijden kun je hem op een tegenstrijdigheid betrappen. Aan de ene kant zegt hij, dat de kwestie van de ongelijkheid van rijkdom, kapitaal, inkomen heeft geleid tot zelfs gewelddadige politieke conflicten en dat de wetenschap niet in staat is deze conflicten te verzachten of te modereren. Aan de andere kant stelt hij zijn hoop op die wetenschap en de democratie en dat die in staat zullen zijn de regie van de democratie over het kapitalisme te herstellen, voorzover die regie is verdwenen en dat daarom een rationele oplossing zal worden gekozen en dat de kladderedatsch die Marx voorspelde van revolutie of oorlog zal worden voorkomen. In dit verband stelt hij, dat wetenschappelijke economische inzichten al veel goed werk hebben gedaan. Wat is het nu? Kan de wetenschap ons verder helpen, of niet? En zo niet, hoe kunnen wij een verandering bewerkstelligen? Een echt nieuw antwoord zul je in het boek van Piketty niet vinden.
Piet van der Lende
Labels:
inkomenspolitiek,
macro-economie,
minimabeleid,
neoliberalisme
donderdag 4 maart 2010
Inleiding van Fernando Rodriguez op een bijeenkomst van D4 net aan de Bilderdijkstraat op donderdagavond 4 maart 2010
Let op! Dit is geen objectieve weergave
van wat Rodriguez gezegd heeft. Als ik een bepaald punt opschreef en
er schoot me iets te binnen van: o ja, dat is daarmee verbonden, dan
vermeld ik dat daarbij. En ik heb alles subjectief in mijn eigen
woorden geformuleerd. 'Gaten' in mijn geheugen over wat Rodrigues
gezegd heeft heb ik opgevuld met een interpretatie van wat hij
wellicht bedoeld heeft. Al met al is het vind ik toch wel een aardige
weergave van het besprokene in het kort.
Hij is bezig met een promotieonderzoek
naar de rol en functie van pensioenfondsen en de studie is bijna
afgerond. Hij begint zijn betoog met de volgende stelling:
Het probleem is nu veel groter dan in
1929. Denk maar aan de dreigende energieschaarste, de geo-politieke
spanningen en andere dreigende crises. We kunnen de huidige periode
volgens hem dan ook vergelijken met de periode voor de Eerste
Wereldoorlog, meer dan met de beurskrach van 1929 en andere
financiele crises.
De vraag is hoe het zover heeft kunnen
komen
Daarvoor moeten we vaststellen, dat er
sprake is van financialisation van de economische productie. Wat
houdt dit in het kort in?
- Desegmentatie. In het verleden was er een scala aan verschillende spelers in de financiele bussiness, die allemaal hun specifieke functies en taken hadden in afzonderlijke organisaties. Banken, verzekeringsinstellingen, beursvloer werkers, etc. Door een proces van schaalvergroting en het samenvoegen van functies in de financiele wereld zijn er een beperkt aantal grote spelers ontstaan, die allerlei functies in elkaar verenigen. Een bank is geen bank meer in de klassieke betekenis van het begrip, maar tevens verzekeringsmaatschappij, opereert op de beurs, valutahandel, etc. Er ontstaat zo in die instituties een onoverzichtelijke brei van activiteiten.
- Privatisering van regulerende instituties. Allerlei clubs die moeten toezien op de financiele sector zijn geprivatiseerd. Wie ziet toe op de accountancy standaarden bijvoorbeeld? Daarover worden tegenwoordig afspraken gemaakt door particuliere organisaties. Vaag herinner ik mij, dat ik daarover een tijd geleden een artikel gelezen heb in een juridisich blad over hoe de staten minder belangrijk worden en steeds meer afhankelijk worden van een soort particuliere 'overheid' die op mondiaal niveau opereert, waarbij in feite de 'ambtenaren' van die overheid de in snel tempo toenemende private advocatenkantoren zijn gevestigd in de financiele centra. Zij formuleren in het tijdperk van toenemende internationale handel en internationalisering van geldstromen contractuele en andere regels waaraan de private spelers op de wereldmarkt moeten voldoen. En dat geheel vormt een nieuwe macht tegenover de afzonderlijke staten.
- Globalisering en glocalisering. De globalisering- de internationalisering van de geldhandel en de wereldhandel betekent dat de kapitaalsstromen steeds minder aan nationale grenzen gebonden zijn. Daar wordt nog op terug gekomen. Glocalisering betekent dat zich op sommige locale plekken een concentratie bevindt van bepaalde financiele instituties. Dat zijn de financiele centra van de wereld, waarbij er een hierarchie is ontstaan van belangrijke centra (Londen, New York) en minder belangrijke centra (Amsterdam bv). Saskian Sassen heeft die ontwikkeling in haar studies geanalyseerd.
- Resultaat van die ontwikkelingen is de 'new diplomacy'. Het internationaal vrijlaten van het geld leidt tot een nieuwe diplomatie: daarbij staan niet staten tegenover elkaar, of ze werken samen of ze overleggen, maar een soort internationaal netwerk van grote spelers is ontstaan, die enerzijds zo onafhankelijk mogelijk van natiestaten proberen te worden door zich te vestigen in staten met de minste overheidsregels en de hoogste bonussen, terwijl ze anderzijds een soort nieuwe wereldorde creeren, die bij het punt van de privatisering aan de orde kwam. Daarbij ontstaan er echter ook nieuwe markt-staat coalities.
(Rodriguez heeft in zijn betoog het
aspect van dat de private instituties hun eigen wereldregels maken om
een geordend verloop van de transacties mogelijk te maken zoals dat
bij punt twee en vier aan de orde komt niet zo expliciet genoemd,
misschien is dat ook meer een ontwikkeling die in de juridische
literatuur naar voren komt dan in de strikt economische)
We kunnen de ontwikkeling van de
financialisation op nog een tweede manier benaderen. Daarbij gelden
de volgende punten:
- Er wordt meer gekeken naar de aandeelhouderswaarde. Terwijl 'vroeger' bedrijven nog wel aan een zekere lange termijnplanning deden, waarbij winsten op langere termijn werden nagestreefd, en soms op korte termijn met minder winst genoegen werd genomen, waarbij het voortbestaan van het bedrijf en het op langere termijn veroveren van markten voorop stond, is er een situatie ontstaan waarbij ten behoeve van de waarde van de aandelen op de beurs en de rendementen de korte termijn politiek op de voorgrond komt te staan. Zoveel mogelijk waardestijging van de aandelen en grote winsten op korte termijn.
- Het ontstaan van een hedonistische cultuur. Daarbij speelt het paradigma van de financiele belangen een rol. Mensen hebben niet meer de mentaliteit dat ze eerst moeten sparen om iets duurs te kopen, nee, ze lenen tegen de klippen op geld om hier en nu zoveel mogelijk te kunnen consumeren
- In het verlengde daarvan bouwen instituties, consumenten, steeds grotere schulden op, alles in het belang van grotere consumptie en voor de instituties grote winsten op korte termijn.
- De grote financiele instituties zijn dominant op de wereldmarkt. De aspecten daarvan zijn bij de eerste opsomming van financialisation aan de orde gekomen.
- Een kenmerk van de huidige situatie is ook, dat niet alleen steeds meer schulden aangegaan worden, maar dat daarbij steeds grotere risico's worden genomen en dat er voortdurend nieuwe financiele “producten' worden bedacht om grote winsten te kunnen maken. Producten staat hier tussen aanhalingstekens omdat het niet gaat om concrete goederen of zelfs geld, maar om vage (juridische) constructies van opties, aanspraken en rechten op uitbetaling in de toekomst onder bepaalde voorwaarden.
Kunnen we de 'financialisation' in
bepaalde periodes indelen, waarbij bijvoorbeeld zou kunnen blijken,
dat bepaalde ontwikkelingen in het kapitalisme steeds weer
terugkomen? Daarvoor zijn verschillende theoretische benaderingen
mogelijk.
- De theorie van de accumulatiecycli. (De lange golven). Braudel, Arrighi. Er is een lange periode vanaf de Italiaanse stads staten tot nu toe waarin lange golven van op en neergaande economische ontwikkelingen kunnen worden onderscheiden. Rodrigues zegt daarbij dat deze theoretici zich onderscheiden van de marxistische theorien omdat ze een veel langere periode in de analyse betrekken, en niet alleen het kapitalisme. Braudel deelt dan de ontwikkelingen in zijn studies in door in iedere maatschappij drie niveau's te onderscheiden voor de analyse, maar welke die niveau's waren ben ik vergeten. Wat Rodriguez niet noemt is dat Braudel een grote invloed heeft uitgeoefend op Wallerstein, met zijn systeemteorie. Er is voor het overige een omvangrijke literatuur ontstaan onder historici, oa de Franse 'structuralisten”. Nazoeken. Overigens noemt Rodriguez ook niet Kondratieff, een marxist die ook lange golven onderscheidt, maar inderdaad vanaf zeg halverwege de 18e eeuw, dus de opkomst van het kapitalisme, cycli van 60 jaar. (De Kondratieff cyclus). Onder historici bestaat volgens mij overeenstemming over het feit, dat de cycli voor die tijd in de vooral agrarische maatschappijen in Europa een ander karakter hadden. (De seculiere trend). De golfbewegingen waren toen langer en werden door diverse andere factoren beinvloed. Na afloop van zijn inleiding ontstond een discussie over de invloed van rente op kapitaal in de economie, zoals die oa door Strohalm in Utrecht wordt uitgedragen, als verklaring voor de huidige crisis. Rodriguez is het er niet mee eens dat je een centrale oorzaak op die manier kunt aanwijzen. In dit verband kwam ook het Islamitisch bankieren ter sprake. Rodriguez merkte op dat ook bij deze methode het geld lenen niet voor niets is, en dat er momenteel studie wordt gemaakt van een uiterst stabiel financieel systeem in een of ander kalifaat in het Arabisch verleden, waarvan ik de naam vergeten ben.
- Verschuiving in de machtsrelaties tussen staten en markten, de studie van de internationale politieke economie. Enkele aspecten daarvan zijn hiervoor ter sprake gekomen.
- De “schoonheidswedstrijd” van Keynes. Wat weten mensen van elkaar, hoe denken ze te reageren op gedrag van anderen, kuddegedrag, etc. Voorbeeld is dat iemand in een stadion 'brand' roept terwijl er geen brand is. Als jij naast degene staat die dat roept en je weet, dat er geen brand is, moet je toch mee in de gehele stroom van mensen verderop in het stadion, die denken dat er na de oproep wel brand is, anders word je geplet onder de voeten van anderen. Basis voor de goed functionerende economie is vertrouwen. Als mensen denken, dat banken en medemensen niet te vertrouwen zijn, dan kan er een crisis ontstaan. Het begrip kritieke massa. Keynes had zelf ook een soort “hedgefonds' zegt Rodriguez, en hij wist heel goed hoe het spel werkte.
- 'Fictief kapitaal' van Marx. In de marxistische economie bestaat de volgende analyse: Als we zeggen G= geld en M= goederen dan zijn er de volgende stadia.
G-M-G (Met goederen die je
geproduceerd hebt krijg je geld op de markt en daarmee koop je weer
goederen, die je zelf niet kunt maken of die je zelf niet hebt.)
M-G-M' (Met geld koop je goederen en
die verkoop je dan weer, om meer geld te maken) (Hier gaan de drie
delen van Das Kapital van Marx over). In het kapitalisme kunnen in
dit stadium die goederen ook arbeidskrachten zijn, die minder krijgen
dan ze aan waarde produceren. (arbeidswaardeleer)
M-M-M'. M-G-M'en M-M-M' zijn vormen
van kapitaalsaccumulatie. We zijn nu in M-M-M'gekomen. Met geld
geld kopen en daar meer geld mee maken.
- Reguleringsschool van Boyer. Dit is een neo-marxistische Franse school. Zij hebben geanalyseerd hoe het mogelijk was dat de Amerikanen hun huidige schuldpositie konden opbouwen. Zij analyseerden, dat sinds de jaren zestig de lonen in de Westerse landen gelijk zijn gebleven en dat toch de consumptie geweldig is gestegen. Dit was mogelijk door de 'financialisation' van de maatschappij. Het feit dat arbeid niet meer werd beloond en dat daarmee dus niet meer geconsumeerd kon worden leidde ertoe dat er een kredietsysteem is ontstaan dat de grotere consumptie afdekte. Wanneer dat systeem niet meer functioneert, zoals nu gebeurt, wordt het weer zichtbaar. Er is door R. ook nog iets gezegd over deze reguleringsschool en de verzorgingsstaten van de zeventiger en tachtiger jaren. Je kunt dit verbinden met een analyse van de verhouding Amerika-China en het neutraliseren van verzetsbewegingen van verarmden in het neoliberalisme. R. noemt dit niet.
Rodriguez zoemt nu in op de
geschiedenis van 1945 tot de jaren negentig.
- 1929- Werden de Glass Steagall regels ingevoerd. Banken werden zwaar gestraft en aan strenge regels onderworpen
- 1995-1971. Het Bretton Woods stelsel. Geld kon niet van het een naar het andere land, of zeer moeilijk.
- Het dollarsysteem
- 1958: ontstaan van de Eurodollar markten. Dit waren markten, waar in de dollar gehandeld werd buiten de Verenigde Staten om, waarbij landen en instituties in dollars onderling handelden. Deze markt was vooral geconcentreerd in Londen, waar een soort wild west tafereel ontstond omdat men zei: we gaan die handel niet aan banden leggen. Deze Eurodollar markt heeft in de loop der jaren een grote vlucht genomen en de 'cowboys' of de opvolgers van deze handelaren legden de basis voor het huisige systeem van financialisation.
- 1971. Ontkoppeling van het goud en de dollar.
- Vervolgens deregulering en steeds grotere kapitaalsmobiliteit.
- Privatisering, groei van de staatsschulden.
Nader inzoemen op de voorgeschiedenis
van de jaren negentig tot 2008.
- Deze periode wordt gekenmerkt door de groei van het aantal institutionele beleggers. Bij de afbouw van de traditionele welvaartsstaten zijn de claims geprivatiseerd, in particuliere ziekenfondsen, in pensioenfondsen (kapitaaldekkingsstelsel in verschillende Noord-Europese landen vs het nog steeds bestaande premiedekkingsstelsel in Zuid-Europese landen, een van de bronnen van verdeeldheid tussen de West-Europese en Zuid-Europese vakbonden vakbonden in het EVV over de politiek die op Europees niveau gevoerd moet worden). Dit heeft gigantische hoeveelheden privaat kapitaal bijeen gebracht. De reserves van deze fondsen zijn veel groter dan de reserves van de olielanden en zo.
- Groei van de securisatieschuld. Ik heb een aantekening gemaakt onder de punten dat volgens mij hierbij hoort. Centraal probleem is de grote schuldenlast van de Verenigde Staten in verhouding tot de economische productie. Ook Nederland heeft zeer grote schulden in relatie tot het Nationaal Inkomen.
- opkomst van 'originate and distribute'. Bij dit punt hoort volgens mij het betoog over de 'Special Purpose Vehicles', brievenbus maatschappijen, die in Amsterdam bijvoorbeeld volop aanwezig zijn, en die vooral sinds 1998 een sterke groei kennen. Rodriguez laat een statistiek zien van de groei van deze ontwikkeling. Het gaat daarbij om het aantal emissies naar de beurs van obligaties. Tot 1998 volgt de emissieontwikkeling de uitgave van de Nederlandse staat van staatsobligaties. Daarna bestaat die relatie niet. De uitgifte van obligaties door brievenbusmaatschappijen waarbij Nederlandse banken Nederlands geld naar de beurs brengen stijgt dan zeer sterk. De grafiek gaat na 1998 recht omhoog. De waarde van deze emissies bedraagt nu 300 miljard euro. Rodriguez tekent twee schema's om de werking van deze brievenbusmaatschappijen uit te leggen. Eerst tekent hij het schema zoals in vroeger tijden een bank in principe werkte. Huishoudens en bedrijven zetten hun geld op een bank tegen rente. Andere huishoudens en bedrijven lenen geld van die bank tegen een hogere rente. Het verschil is de winst van de bank, die voor zijn operaties afhankelijk is van vele regels van de overheid. In de nieuwe situatie -tweede schema- schuiven banken als het ware zo'n brievenbusmaatschappij, die niet aan regels onderworpen is, en waarvan de banken zeggen: daar hebben wij niets mee te maken hoor, tussen de huishoudens en bedrijven die geld sparen en huishoudens die geld lenen. De banken stoppen dan bv 30 miljard euro in zo'n brievenbusmaatschappij met 3 medewerkers. In schema:
Huishoudens lenen geld (obligaties
uitgegeven door de bank)
/
/
/
SPV---------Bank
/
/ SPV brengt obligaties naar de beurs
/
Institutionele beleggers (kopen
obligaties op de beurs)
De bank brengt via de
brievenbusmaatschappij 30 miljard euro aan obligaties naar de beurs,
die gekocht worden door institutionele beleggers. Deze kunnen behalve
van de rendementen profiteren van koerswinsten. Nederland is een van
de grootste en meest vooruitstrevende spelers op deze financiele
markten. IN Amsterdam bijvoorbeeld was voor constructies als de
bovengenoemde van de SPV's reeds een (kennis)infrastructuur aanwezig
van grote advocatenkantoren, die al tientallen jaren met het
opstellen van contracten in de financiele sector en de wereldhandel
bezig waren. De banken halen hun winsten uit oa deze SPV's door fees
in rekening te brengen voor geleverde diensten. Daar halen ze
inkomsten uit, die nu al groter zijn bij sommige banken dan inkomsten
uit andere activiteiten.
Dan de situatie in Nederland.
Je zou kunnen zeggen (daarbij worden
nieuwe grafieken getoond) dat de Nederlandse eigendomsrelaties
'transnationaliseren', dwz oa de pensioenfondsen als belangrijkste
dragers van deze ontwikkeling beleggen steeds meer en het overgrote
deel van hun reserves in buitenlandse ondernemingen. Daarbij neemt
het toepassen van 'innovatieve'producten explosief toe. De Rabobank
stelt zichzelf wel voor als een solide bank, die geen last heeft van
de kredietcrisis, maar in werkelijkheid is zij een grote speler op
deze financiele markten, vooral in Nederland, waarbij in feite veel
te veel geld wordt uitgeleend en allerlei slechte hypotheken in de
toekomst niet terugbetaald zullen kunnen worden. Er is veel te veel
geld uitgeleend. Dit betekent, dat de crisis die in Amerika begon
eigenlijk maar een klein stukje van de ontwikkelingen is, die nog tot
grote problemen zal leiden. In tegenstelling tot Amerika zijn het
hier vooral de hypotheken op de aanschaf van een huis die belangrijk
zijn. In Amerika was het veel meer gespreid over ook andere
hypotheken. In Amerika waren bijvoorbeeld de studentenleningen net zo
groot als de hypottheken op huizen. Die hypotheken werden ook
doorverkocht, waarbij de verkoper van de risico's af was. Ook veel
autoproducenten maken gebruik van kredietsystemen om geld te
verdienen, meer nog dan aan de verkoop van auto's. Veel bedrijven die
zich officieel met het concreet maken van producten bezig houden
halen hun werkelijk grote winsten uit dit kredietsysteem. (Hier
noemen VU professor) Er is bij de inleiding een kort intermezzo over
de opvattingen van rechts Amerika. Aan het verstrekken van leningen,
waaraan nauwelijks voorwaarden werden gesteld en die weer werden
doorverkocht wordt een racistische theorie verbonden. Het zou volgens
sommige Republikeinen misgegaan zijn omdat ook leningen werden
verstrekt aan negers, die door hun onverantwoorde gedrag en het
ontbreken van verantwoordelijkheidsgevoel hun leningen niet kunnen
terugbetalen en die dus de oorzaak zijn van de crisis.
Dan gaan we naar de vraag in welke fase
van de ontwikkeling we zitten.
- Je kunt qua fasen een onderscheid maken tussen Mania's, panics en crashes. De Mania was oa de situatie begin negentiger jaren, toen iedereen het had over de dotcom boom. Door de ontwikkeling van internet en een nieuwe netwerkmaatschappij zou het kapitalisme voortaan gevrijwaard blijven van crises en groeiden de bomen tot in de hemel. Volgens Rodriguez zitten we nu in de panics fase, dus de grote crash moet nog komen. In deze fase ontstaat er bij verschillende staten een onhoudbare schuldenlast en een liquiditeitscrisis, die een solvabiliteitscrisis wordt. Voorbeelden zijn Griekenland nu, Mexico in een verder verleden, Rusland, etc.
- Er ontstaan grote wisselkoersfluctuaties zoals met Oost Europa, de ontwikkelingslanden, de PIGS. De Amerikaanse FED heeft een teorie van de “ring of fire” ontwikkelt, waaruit blijkt dat de machthebbers in de financiele wereld deze problemen wel op zich af zien komen. De theorie houdt in het kort in dat net als bij de bestrijding van brand even verderop een terrein wordt platgebrand, een 'ring van vuur'wordt aangelegd, zodat als de grote brand komt er geen materiaal voorhanden is dat in brand kan vliegen en de brand stopt. Men wil naar analogie hiervan dan bij grote problemen enkele of sommige landen bewust laten crashen, failliet gaan, om grotere problemen te voorkomen. Iedereen focust zich dan daarop en later kun je dan weer proberen die landen erbovenop te helpen.
- Er zijn gevolgen voor de Macro economie. Dit is wat de afgelopen twee jaar is gebeurd met de recessie en krimp. Er ontstaat een discussie of er deflatie of hyperinflatie komt. R. zegt dat die ontwikkelingen dicht bij elkaar liggen, en wereldwijd naast elkaar kunnen voorkomen, en eigenlijk als bron dezelfde problemen hebben. Een chronische crisis heerst in Japan, waar al 20 jaar een vorm van deflatie bestaat. Ze slagen er niet in, weer uit te komen, de deflatie gaat gepaard met massawerkloosheid en grote staatsschulden. Het probleem is namelijk dat je in zo'n situatie geen 'Keynesaanse' politiek kunt voeren. Als je als staat geld in de economie pompt helpt dat niet, omdat de mensen dat geld gaan oppotten en niet uitgeven. Je weet immers bij wijze van spreken dat als je met het geld dat je hebt nog even wacht om een wasmachine te kopen, dat ie dan veel goedkoper is. Mensen gaan aanschaf van dingen dus uitstellen. Daardoor heeft Japan nu een grote staatsschuld en is niet uit de problemen. Een vand e aanwezigen merkt op dat hij in Japan is geweest en dat hij daar weinig armoede heeft gezien. Het is net zo'n land als Nederland. R. zegt echter, dat Japan 20 jaar geleden een zeer welvarend land was, dus op een hoog niveau is begonnen, en dat je er daarom nu misschien nog niet zoveel van merkt, maar dat dat in landen die armer zijn en die met dezelfde problemen zullen worden geconfronteerd dat wel het geval zal zijn. Reinier heeft de oplossing: je moet zoveel mogelijk geld bijdrukken, dan ontstaat er inflatie, worden de schulden minder waard. R. zegt dat het zo eenvoudig niet is. Tegenover die schulden staan partijen, die het geld geleend hebben, er zijn altijd twee partijen in het geding. Concreet betekent de strategie dat de gewone mensen geen inkomsten meer hebben. Zie Zimbabwe. De pensioenfondsen kunnen geen pensioenen meer uitbetalen, etc.Er ontwikkelt zich ook een discussie over de rol en betekenis van het IMF. Wanneer het IMF op een land afgestuurd wordt, zoals nu met Griekenland dreigt te gebeuren en bij de Baltische staten, dan zijn het in feite de technocraten van deze instelling die in dat land de macht overnemen. Zij zeggen dan: doe maar wat wij zeggen, qua bezuinigingen, ingrepen in de sociale zekerheid en andere belangrijke beleidsbeslissingen want ach, wij gevend e kredieten. Het zijn eigenlijk de het IMF financierende landen die de voorwaarden bepalen waarop kredieten aan landen verstrekt worden. Nederland is een belangrijke speler in het IMF en een van de strengste landen. Bos heeft bepleit dat het IMF op Griekenland afgestuurd zou worden, en heeft daar sterk voor gepleit, maar Duitsland heeft dat afgeremd. Er ontwikkelt zich een discussie over het karakter van het IMF. Het gaat er eigenlijk volgens R. niet om, dat de belangen van het land en de bevolking voorop staan, maar de belangen van de grote schuldeisers, de banken. Maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat die schulden betaald kunnen worden met voorbijzien aan andere belangen, de relatie schuldeiser schuldenaar moet verzekerd zijn. R. zegt dat de technocraten van het IMF dat eigenlijk zelf ook wel inzien en dat ze zelfs vanuit het IMF voorstellen hebben gedaan om de situatie te veranderen.
We komen in de discussie terug op een
ander punt, nl de financiele stabiliteit in de wereld, als poging om
een uitweg te vinden uit de huidige situatie. R. noemt het 'Financial
Stability Forum', met hun website www.wis.org.Een
ander punt wat in de discussie ter sprake kwam is de vraag, waarom
moet er in het kapitalisme perse economische groei zijn? Dit heeft te
maken met de onstilbare honger van de kapitaalsaccumulatie.
zondag 29 november 2009
De economische achtergronden van het neoliberalisme. Een traditionele verklaring.
Om de oorzaken te achterhalen van
de ‘neoliberale revolutie’ kunnen we terecht bij een verklaring van de economische
crises. In absolute cijfers zijn de winsten van grote bedrijven enorm, maar als
percentage van het geïnvesteerde kapitaal vertonen ook zij een neiging om
gestaag te dalen. Door de onderlinge concurrentie worden bedrijven gedwongen
steeds te investeren in nieuwe machines en productiemethoden. Er is steeds meer
kapitaal nodig. Aangezien het in het kapitalisme draait om de winst die er met
de investering van een bepaalde som kapitaal kan worden geboekt, leidt de
gestage daling van de winstvoet tot stagnatie en crisis. Mensen gaan hun
kapitaal bij een lage winstvoet steeds minder beleggen in productieve
ondernemingen en veel meer in speculatie, in vaste waarden of men zet het vast
op de bank.
Sinds ongeveer midden jaren zeventig van de vorige eeuw is
er voor het kapitaal in het Westen bijna geen mogelijkheid meer, dagelijks
opnieuw te investeren in verdere ontwikkeling, dus verbetering en uitbreiding
van de bestaande kapitaalgoederen voorraad. Er zijn sinds die tijd verminderde
mogelijkheden om tot de uitbreiding van de winstgevende investeringen te komen.
Dit had tot gevolg, dat het kapitaal uitwegen zocht om nog wel winstgevende
investeringen te kunnen doen. De jaren ’70 en ’80 zien we een verplaatsing van
productie naar lage lonen landen en als gevolg daarvan hogere winsten. De
cijfers van de kapitaalexport geven dat aan. Er is een explosie in buitenlandse
investeringen in een periode waarin in West-Europa de groeivoet lager was dan
daarvoor. In de jaren van ’45 tot ’75 was de groei 5% per jaar, daarna was hij
minder dan 3%, terwijl China een groei kende van 10%. Ook de groei van de
arbeidsproductiviteit is veel lager na ’75. Dit zijn empirische bewijzen voor
de stelling dat we in een fase van relatieve overaccumulatie zitten, hetgeen
betekent: grote hoeveelheden kapitaal die in het Westen niet winstgevend kunnen
worden geïnvesteerd in uitbreiding van de productieve investeringen. [1].
Hiervoor werd gezegd dat delen van de productie werden verplaatst naar lage lonen landen. Een tweede mogelijkheid voor het
kapitaal om een vluchtweg te zoeken is investeringen doen buiten de
productiesector, dus speculatieve mogelijkheden om winst te maken.
Men hangt aan deze ontwikkelingen wel het label van de
‘financialisation’ wat een patroon is in de ontwikkeling van de
kapitaalaccumulatie waarbij winsten gemaakt worden in de financiële sector en
niet in de concrete goederenproductie. Zo zie je in de loop van de tijd een
ontwikkeling, dat financiële ondernemingen zich een groter deel van de
winstmarges toe-eigenen ten koste van de industrie.
In 1960 werd in Amerika 16% van
de winsten behaald in de financiële sector, nu is dat 30%. In 1960 werd 46% van
de winsten behaald in de industrie, nu is dat 17%. Het gaat daarbij om
Amerikaanse bedrijven in Amerika. Er zijn dus grote verschuivingen opgetreden.
De cijfers zijn ook wel voor Europese landen terug te vinden, maar berekeningen
daar zijn moeilijker vanwege de vele landen die allemaal hun eigen gegevens
hebben.
Verder is het zo, dat ook binnen het industriële kapitaal
een steeds groter deel van de winst gemaakt wordt door financiële transacties,
wat dan niet hun core -businness is. Bijvoorbeeld door met valuta te speculeren
of het kredietsysteem van de autofabrikanten en verkopers. Dit betekent
overigens ook, dat dit belangrijke criteria zijn geworden in de strategische
besluitvorming van die ondernemingen. De doelstellingen en het strategisch
beleid worden steeds meer afgestemd op de mogelijkheden om met speculatieve
transacties geld te verdienen.
In de Verenigde Staten is de verhouding tussen financiële
transacties en niet-financiële transacties toegenomen van 10% vs 90% begin
jaren ’50 tot begin 2000 50% vs 50%. Resultaat is dat een vorm van kapitalisme
is ontstaan van het piramidespel, vooral als je ook kijkt naar de positie van
een land als Amerika in de wereld. Dit land maakt steeds meer schulden om het
systeem in gang te houden. De twee bovengenoemde punten-
vlucht van kapitaal naar goedkope lonen landen en financialisation- betekenen een mogelijkheid om de
voorwaarden voor verdere accumulatie van kapitaal te herstellen en tegelijkertijd
de mogelijkheid deels het dilemma op te lossen dat de arbeidskosten in de
westerse landen moesten worden verlaagd terwijl tegelijkertijd de voorwaarden
voor reproductie van de arbeidskracht, dus hogere lonen, in de westerse landen
in stand moesten blijven. (Alleen al vanwege het eventuele verzet dat bij
rechtstreekse verlagingen van de lonen in die landen te verwachten was) Het
betekende een nieuwe verdeling van de arbeiders langs internationale
scheidslijnen en een tijdelijke oplossing van de overaccumulatie, die met de
kredietcrisis aan een einde lijkt te zijn gekomen.
We bevinden ons thans aan het
einde van een lange golfbeweging. Je zou kunnen zeggen dat het
industrieel-technische complex dat zich vanaf de jaren twintig van de vorige
eeuw in West-Europa, Japan en de Verenigde Staten heeft ontwikkeld en dat
gebaseerd was op de automobielindustrie, de petrochemische industrie en de
vliegtuigbouw in een crisis verkeert en ophoudt de drager te zijn van andere
sectoren. Dit betekent dat zij niet de drager kunnen zijn van een nieuwe fase
in de kapitalistische expansie maar dat eerder andere sectoren naar voren
zullen komen, die zoeken naar een kapitalistisch antwoord op de klimaatcrisis.
In dit verband zijn de discussies over de mogelijkheden van groen kapitalisme
belangrijk.
Zoals gezegd bevinden we ons aan
het einde van een lange golfbeweging. Er vallen in de economische ontwikkeling
opgaande en neergaande golven te onderscheiden die zich over een langere
periode uitstrekken. Die markeren als het ware verschillende historische
perioden in het de geschiedenis van het kapitalisme. De Rus Kondratieff deed in
de jaren twintig van de twintigste eeuw onderzoek naar de lange golven in de
economie, waarbij hij onder andere de goederenprijzen en het investeringsgedrag
van ondernemers onderzocht. Hij kwam tot het inzicht dat zich vanaf ongeveer
1780 constant golfbewegingen voordeden, met een volledige cyclus van ongeveer
50 tot 60 jaar. Men spreekt bij deze golfbewegingen ook wel van de
Kondratieff-cyclus. Een golf verdeelde Kondratieff in vier perioden, die hij aanduidde
met seizoensnamen. De lente is de opbouwfase, de zomer de consolidatiefase, de
herfst is de plateau of stabilisatiefase en de winter is de liquidatie of
afbraakfase. Wat de prijsontwikkeling betreft zien we achtereenvolgens inflatie
in de lente, stagflatie in de zomer, desinflatie in de herfst en deflatie in de
winter.
Belangrijke winterperiodes waren
de Grote Depressie vanaf ongeveer 1870 en de crisis van de dertiger jaren van
de twintigste eeuw. Na 1945 waren het de drastisch veranderde
krachtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal, als gevolg van fascisme en
wereldoorlog, alsmede de toepassing van nieuwe in de oorlogsindustrie
ontwikkelde technieken die leidde tot een dusdanig herstel van de winstvoet dat
er een nieuwe periode van opgang mogelijk was. Deze opgaande periode eindigde
ongeveer halverwege de zeventiger jaren van de twintigste eeuw. We lijken thans
in een nieuwe ‘winterperiode’ te zijn aangekomen.
De vraag is, of een ‘winterperiode’ in de lange golfbeweging,
waarin we nu lijken te zitten, vanzelf weer leidt tot een nieuwe opgaande fase.
Uit studies van de lange golfbeweging blijkt dat een lange periode van opgang
op den duur als het ware vanzelf leidt tot een periode van stagnatie, maar dat
het omgekeerde niet het geval is. Het lijkt erop, dat in tegenstelling tot de
korte conjuncturele golf een lange golf in zijn neergaande fase niet vanzelf de
voorwaarden creeert voor een nieuwe periode van opgang. Enige tijd werd gedacht, en gehoopt, dat de
internet economie gecombineerd met de nieuwe markten van de landen van het
voormalige Oostblok zouden leiden tot een nieuwe opgaande lange golf. Inmiddels
is het duidelijk dat dat niet het geval is. De economische crisis van dit
moment toont aan, dat we nog steeds ‘naar beneden’ gaan. De gemiddelde
winstvoet staat sterk onder druk en er wordt koortsachtig gezocht naar
mogelijkheden om die ontwikkeling tegen te gaan.
[1] De bovenstaande gegevens
zijn ontleend aan een toespraak van Henk Overbeek op een conferentie ‘voor de
verandering’.
zaterdag 28 november 2009
Het neoliberalisme als politiek project
We kunnen vanaf ongeveer 1975 de
ontwikkeling van het neoliberale beleid zien als een algemeen kader om een
politiek antwoord te formuleren op de neergaande fase in de lange golf. (Zie hier voor de uitleg daarvan) Men probeert de ontwikkelingen tegen te gaan door een winstverhoging na te streven op
basis van het terugdringen van de variabele kosten van ondernemingen. En dat
zijn met name de kosten van de factor arbeid. Lonen, kosten voor
arbeidsvoorwaarden van de eigen werknemers, maar ook kosten die de ondernemer
indirect betaalt aan uitkeringen en belastingen die besteed worden aan algemene
voorzieningen zoals onderwijs, gezondheidszorg, pensioenen en dergelijke.
Zoveel mogelijk naar de winsten en zo min mogelijk naar de collectieve
voorzieningen, dat is het streven. [1] Deze
ontwikkeling heeft de afgelopen decennia in verschillende landen geleid tot
pogingen, te bezuinigen op de collectieve voorzieningen en de sociale
zekerheid. De arrangementen van de welvaartsstaat, die in de vijftiger jaren en
zestiger jaren werd opgebouwd, werden weer afgebroken.
Een ander kenmerk van de huidige
ontwikkelingen is wat men wel ‘globalisering’ noemt: het is een soort
verzamelbegrip waarin verschillende ontwikkelingen bij elkaar worden genomen.
Men gebruikt de term wel om aan te geven dat de massamedia, luchtvaart en de
ICT en het internet de wereld in vele opzichten kleiner hebben gemaakt. Je kunt
nu heel goedkoop op verschillende manieren communiceren met andere mensen waar
ook ter wereld. De massamedia maken het mogelijk, dat je kennis neemt van
gebeurtenissen die zich vandaag hebben afgespeeld in een heel ander deel van de
wereld. Reizen wordt goedkoper en hoge snelheidstreinen of vliegtuigen maken
het mogelijk dat je je in korte tijd over grote afstanden verplaatst.
Maar de term ‘globalisering’ wordt ook wel
gebruikt om economische veranderingen aan te duiden. Mede door technologische
ontwikkelingen zijn allerlei veranderingen in de productie van goederen en
diensten mogelijk geworden. Productieprocessen
zijn steeds meer internationaal georganiseerd. Onderdelen van een auto,
televisie of computer worden in verschillende continenten geproduceerd en
ergens anders weer in elkaar gezet. Er is sprake van de ontwikkeling van
wereldwijd georganiseerde productieketens, van grondstof tot eindproduct,
waarbij de productie in verschillende fasen van het proces in vele
verschillende landen kunnen plaatsvinden. Of deze ontwikkeling werkelijk
mondiaal is over de hele linie of dat er sprake is van een schaalvergroting en
een internationalisering waarbij de wereld meer verdeeld is in enkele grote
economische en politieke machtsblokken, staat ter discussie. De in- en uitvoer
van de EU bijvoorbeeld naar de rest van de wereld bedraagt ongeveer 10% van het
BNP in dat gebied. Duidelijk is echter wel, dat er voor steeds meer producten
sprake is van een wereldmarkt.
De rol van de grote
multinationale ondernemingen is enorm toegenomen. Zij beheersen een steeds
groter deel van de wereldproductie en wereldhandel. Kapitaal stroomt steeds
makkelijker en in steeds groter hoeveelheden van het ene deel van de aardbol
naar het andere. Regels en beperkingen op de in en uitvoer, die in vele landen
in de zeventiger jaren nog bestonden, zijn uit de weg geruimd. Dit heeft het
vrije verkeer van kapitaal en goederen mogelijk gemaakt. We kunnen echter
stellen, dat het bij deze economische veranderingen niet gaat om onontkoombare
gevolgen van een soort immanente ontwikkeling, waarop we geen invloed hebben
zoals de technologische ontwikkelingen. Het is een gevolg van politieke keuzes.
Het feit dat het technisch mogelijk is om in een supermarkt dagelijks groente,
fruit en snijbloemen van de andere kant van de wereld aan te bieden betekent
nog niet dat dit ook hoeft te gebeuren.
De theorie van de vrije concurrentie
Het neoliberalisme is ook een
opvatting over hoe meer marktwerking kan en moet worden ingevoerd. Deze
opvatting houdt in essentie het volgende in. Door concurrentie tussen ondernemingen op een
vrije markt, dus zonder tolmuren en andere beperkingen, leidt het spel van
vraag en aanbod tot een prijs van goederen en diensten die voor evenwicht
tussen die twee zorgt en op die wijze wordt via een zelfregulerend
prijsmechanisme, als het waren buiten de wil van individuele aanbieders en
vragers om, alles waar ook ter wereld geproduceerd op de meest efficiente en
effectieve manier. Dit leidt tot de stijging van welvaart, welzijn en rijkdom
voor iedereen, althans op die manier worden de voorwaarden daartoe geschapen.
We hebben hiervoor gezien, dat
het terugdringen van de loonkosten voor de ondernemers en bezuinigingen op de
collectieve uitgaven van de staat naast het bevorderen van globalisering
belangrijke maatregelen zijn die onderdeel uitmaken van het neoliberalisme als
politiek project. De zich wijzigende rol van de staat ten opzichten van de
economie op basis van de neoliberale doctrine leidt ook tot pogingen meer
marktwerking in te voeren op terreinen, die voordien het exclusief terrein van
de staat waren. Dus privatisering van overheidsdiensten en ook weer afbouw van
de collectieve sector. De afbouw van de
collectieve sector betekent overigens
niet altijd, dat in de verschillende landen de uitgaven van de staat als
percentage van het BNP afnemen. Er vindt eerder een verschuiving plaats van
collectieve arrangementen die het leven en de bestaanszekerheid van de burgers
moeten beschermen naar uitgaven die –ten behoeve van grote ondernemingen-
noodzakelijk zijn om de productie van die ondernemingen soepel te laten
verlopen, met name investeringen in de infra-structuur.
Een ander aspect van de zich
wijzigende rol van de staat in het neoliberalisme is de wijze, waarop omgegaan
wordt met mensen die in de ratrace van de economie niet mee kunnen komen. Het nastreven van het ideaal van de vrije markt blijkt namelijk
allerminst te leiden tot meer welvaart en welzijn voor iedereen. Er is in de
voormalige welvaartsstaten van het westen sprake van een chronische
massawerkloosheid, waarbij door de afbouw van de collectieve arrangementen in
de sociale zekerheid miljoenen geen baan hebben en ook geen uitkering, waardoor
ze een beroep moeten doen op de charitas, familieleden, partners of het
informele circuit’, criminaliteit inbegrepen. De negatieve ontwikkelingen leidden
vooralsnog niet tot een fundamentele herziening van de neoliberale doctrine en
van het vrije marktdenken, integendeel, men ging ervan uit dat de ‘vrije
marktwerking nog niet rigoreus genoeg was doorgevoerd, en dat het feit, dat
velen niet meekunnen in de concurrentiestrijd van allen tegen allen die tot
meer welvaart leidt, aan henzelf te wijten is. Van deze mensen moet dus het
gedrag worden gewijzigd, door hen onder druk te zetten en te dwingen de
flexibele arbeid in de nieuwe economie te vervullen. Dit leidt tot de gigantische
uitbreiding van het gevangenissysteem en andere disciplinaire maatregelen,
zoals in Europa aan het begin van de negentiger jaren het principe van het
sociale panopticum. Elders ga ik aan de hand van een boek van Kurt
Wyss nader in op de achtergronden van deze ontwikkeling. Waarom gaan de
bestuurders door met het beleid, terwijl de doelstellingen die ze zeggen na te
streven niet worden gehaald?
Zo zien we dat het neoliberalisme
een combinatie is van invoering van nieuwe technologien, terugdringen kosten
factor arbeid, globalisering, een herdefiniering van de rol van de staat,
opvoering van concurrentie tussen mensen, ondernemingen en andere organisaties,
verdedigd op basis van een bepaalde doctrine, nl die van de vrije marktwerking,
die men overal wil invoeren. Doel van dit beleid is het verhogen van de
winstvoet in een neergaande periode van de lange golf in de economie. We hebben
hiervoor gesteld, dat het kapitaal een vluchtweg zocht in investeringen buiten
de productiesector, dus speculatieve mogelijkheden om winst te maken. Hierbij
zie je, dat het politieke project van het neoliberalisme en de economische
ontwikkelingen in elkaar grijpen. Het neoliberalisme zorgde voor deregulering
van de kapitaalmarkten, die het kapitaal een vluchtweg bood.
[1] Zie voor een korte
beschrijving van het neoliberalisme en de rol van Europa daarin ook ‘ Hun
Europa en het onze’ blz 16/17
vrijdag 27 november 2009
Het begin van de neoliberale revolutie
Waar ligt
het begin van de neoliberale revolutie?. Net als veel andere schrijvers
positioneert Richard Sennett het begin van de neoliberale revolutie in de
zeventiger jaren van de twintigste eeuw, toen er een einde kwam aan het
zogenaamde Bretton-Woods systeem.[1] De Overeenkomst
van Bretton Woods was een akkoord in 1944 gesloten tussen 44 landen dat
getekend werd in het dorp Bretton Woods in de Verenigde Staten. Dit leidde tot
de oprichting van het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en het
opnieuw invoeren van de goudstandaard. Het Bretton-Woodssysteem bestond er
onder andere uit dat de waarde van alle nationale valuta gekoppeld werd aan die
van de dollar en de dollar op zijn beurt gekoppeld werd aan het goud tegen een
vaste pariteit (35 dollar per ounce). Hiermee werd de dollar dan nu ook
officieel de belangrijkste munt ter wereld. Tijdens de Vietnam oorlog verloren
veel landen echter het vertrouwen in de Amerikaanse economie; zij gingen hun
munteenheden weer koppelen aan het goud, door goud op te kopen. Daarbij maakten
ze de vaste koers van hun valuta ten opzichte van de dollar ongedaan. In maart
1973 zagen de Amerikanen zich genoodzaakt de goudstandaard los te laten,
waarmee een einde kwam aan het systeem van Bretton-Woods, en landen gingen over
op koersen de los van elkaar konden fluctueren. Gigantische speculaties met
valuta werden mogelijk. Verder werden allerlei barrières voor de investering
van nationaal kapitaal over de grenzen opgeruimd.
Er kwam daardoor een enorm surplus aan investeringskapitaal vrij. Kapitaal dat in lokale of nationale ondernemingen en banken had vastgezeten kon veel gemakkelijker over de wereld worden verplaatst. In de olierijke landen in het Midden Oosten, bij banken, en bij de nieuw opkomende economiën in Zuid-Oost Azie popelde men om te investeren in nieuwe winstgevende activiteiten. In de jaren tachtig en negentig werd dit gevolgd door de activiteiten van grote pensioenfondsen en kleine investeerders, die eveneens op zoek waren naar nieuwe investeringsmogelijkheden.
Er kwam daardoor een enorm surplus aan investeringskapitaal vrij. Kapitaal dat in lokale of nationale ondernemingen en banken had vastgezeten kon veel gemakkelijker over de wereld worden verplaatst. In de olierijke landen in het Midden Oosten, bij banken, en bij de nieuw opkomende economiën in Zuid-Oost Azie popelde men om te investeren in nieuwe winstgevende activiteiten. In de jaren tachtig en negentig werd dit gevolgd door de activiteiten van grote pensioenfondsen en kleine investeerders, die eveneens op zoek waren naar nieuwe investeringsmogelijkheden.
Dat de oorsprong van de hier genoemde
ontwikkelingen in de zeventiger jaren ligt blijkt ook uit andere gegevens. In
1977 verscheen in Nederland een boek naar aanleiding van de
bedrijfssociologische studiedagen in dat jaar. [2]
In dit boek wordt geconstateerd, dat er toen al een toenemende tendens was van
industriële ondernemingen flexibele productieketens op te zetten, dus producten
niet meer zelf te produceren maar onderdelen in te kopen, fabrieken en machines
niet te kopen maar te huren, externe planningsbureau’s in te schakelen,
arbeidskrachten te leasen middels onderaannemers, uitzendbureau’s, contract
arbeid e.d. Deze ontwikkelingen deden zich het eerst voor in bedrijfstakken,
die in Nederland inmiddels zijn
afgebouwd, zoals de textielindustrie, de schoenindustrie en de scheepsbouw. In
deze bedrijfstakken volgde op deze flexibilisering uiteindelijk het verdwijnen
ervan uit Nederland. Door de genoemde organisatorische wijzigingen in de
productie waarbij men taken en functies liet uitvoeren door externe
ondernemingen kon men bezuinigen op de loonkosten omdat de toeleverende
bedrijven in een moordende concurrentie waren verwikkeld die ze afwentelden op
slecht georganiseerde werknemers door hen lagere lonen uit te betalen en was
het makkelijker, het bedrijf te sluiten. Men hoefde dan in feite alleen een
sociaal plan met de vakbonden af te spreken voor de kernwerknemers, terwijl de
contracten met externe partners eenvoudigweg werden opgezegd. De ontwikkelingen
zouden wat dit betreft zelfs al zijn begonnen in de zestiger jaren, tijdens de
periode van hoogconjunctuur toen de ‘herstructurering’ van die oude
industrietakken op gang kwam. In het boek gaat men er nog van uit, dat de
overheid door een geplande ‘sector-structuur politiek’ de ontwikkelingen in het bedrijfsleven direct
kan beinvloeden. Dit hield in, dat de overheid een beleid voerde, waarbij
verliesgevende ondernemingen werden gesteund wanneer men dat van belang achtte
voor een samenhangende industriële structuur.
Ook Lois Wacquant situeert het
begin van de neoliberale revolutie, of eigenlijk wat hij noemt de 'neoliberale
strafstaat' aan het einde van de zestiger jaren, begin van de zeventiger jaren.
Hij noemt daarbij weer een ander aspect. Wacquant zegt dat de neoliberale
strafstaat een reactie was op de burger-rechten beweging van Martin Luher King
die in de zomer van 1966 begon in Chicago. Bij deze campagne werd ernaar
gestreefd, de zwarten in de getto's meer rechten te geven en van Chicago een
'open' stad te maken zonder getto's. Deze pogingen om van Chicago een stad te
maken zonder segregatie werd in de kiem gesmoord door repressie van de kant van
de staat door de inzet van 4000 man 'National Guards' en woede uitbarstingen
van een blanke menigte, en door aanvallen en aanklachten in de gevestigde media
zoals de Chicago Tribune. Maar er was ook verbeten verzet van het
gemeentebestuur, het gerechtelijk apparaat en de vastgoedsector. [3]
De liberale blanken die King hadden gesteund bij zijn verzet tegen de
segregatie in het zuiden keerden zich nu tegen hem. Zij verweten hem dat hij in
de getto's onverantwoord en provocerend te werk ging. Dit alles veroorzaakte een
heftige tegenreactie, die de daaropvolgende twee decennia steeds sterker zou
worden en die uiteindelijk de brandstof zou opleveren om het welfare-systeem in
de Verenigde Staten af te bouwen (met name veel afro-amerikanen in de getto's
waren noodgedwongen op dit systeem aangewezen), de steden aan hun lot over te
laten en het lokale en federale strafapparaat sterk uit te breiden. Het effect
van deze ontwikkelingen was, dat de bevoorrechte positie van de blanken in de
steden werd gehandhaafd en de getto's de functie bleven behouden van
leverancier van goedkope ongeschoolde arbeidskrachten in de zich
flexibiliserende economie, op basis van maatschappelijke discriminatie van een
groep paria's.
Dit
zou de basis zijn van de neo-conservatieve revolutie, die eerst Nixon en later
Reagan aan de macht bracht.
Aan het begin van de zeventiger jaren
van de twintigste eeuw kunnen verschillende historische feiten worden genoemd
die het begin van de neoliberale ontwikkelingen lijken te markeren. Het eerste
praktijkexperiment met de neoliberale politiek vond plaats in Chili, na de
bloedige staatsgreep van 11 september 1973. Het nieuwe regime onder leiding van
generaal Pinochet voerde een heftige repressie tegen politiek links en de
arbeidersbeweging. Politieke partijen en vakbonden werden verboden en duizenden
activisten werden gevangen genomen vermoord of verdwenen. Een groep Amerikaanse
economen onder leiding van Milton Friedman werden door Pinochet als adviseurs
aangenomen en kregen de kans om hun neoliberale opvattingen in praktijk te
brengen. De politieke en sociale omstandigheden waren natuurlijk ideaal om de
winsten te verhogen en de internationale concurrentiepositie van de Chileense
bedrijven (en de daar gevestigde multinationale ondernemingen) te verbeteren.
Effectief verzet ertegen was onmogelijk. Zie
Naomi Klein, de shockdoctrine.
Uit het bovenstaande blijkt, dat zich tal van
politieke en economische ontwikkelingen hebben voorgedaan die het begin van de
opkomst van het neoliberalisme lijken te markeren.
[1] Zie voor de relativerende
opmerkingen over het beginpunt van de ontwikkelingen voetnoot 3.
[2] A.W.M. Teulings (red)
Herstructurering van de industrie. Praktijk, beleid en perspectief. Samson
reeks arbeidsverhoudingen.
[3] Lois Wacquant - Straf de
armen. Het nieuwe beleid van de sociale onzekerheid. blz 232 e.v.
zondag 22 maart 2009
Enkele opmerkingen over de economische crisis, de controlemaatschappij en het verzet ertegen
Je zou kunnen stellen dat we in een doorgeschoten
controlemaatschappij leven. Koppelingen van databanken, uitbreiding van het
politieapparaat, uitdijende gevangenissen en een zwerm van controleurs moet de
burgers in het gareel houden. De bevoegdheden van al die instanties worden
steeds meer uitgebreid. Onaangekondigde Huisbezoeken waarbij het recht op
huisvrede wordt omzeild bij bejaarden en bijstandsgerechtigden, opname van hele
huisgezinnen in een strak begeleidingsprogramma en geavanceerde
signaleringstechnieken moeten gedetailleerde informatie verschaffen over wat de
mensen doen en hoe ze leven. Het controlesysteem moet de mensen in het gareel
houden, waarbij stigmatisering van bepaalde bevolkingsgroepen onvermijdelijk
lijkt te zijn. Criminologen tonen keer op keer aan, dat in feite de
criminaliteit en fraude niet is toegenomen en dat het gevoerde beleid
ineffectief is. Maar men gaat door op de oude voet.
Sociologen gebruiken
voor de beschrijving van de ontwikkelingen in de moderne controlemaatschappij
wel de metafoor van het sociale panopticum. Dit is een voortdurende
controle op het doen en laten van specifieke groepen in de maatschappij middels
zoals hierboven reeds gezegd moderne technieken (bewakingscamera’s, koppeling
van databanken, registratie van individuele kenmerken middels vingerafdrukken,
etc). Dit wordt aangevuld met controle door allerlei overheids- en particuliere
organisaties met een stoet van bewakers in dienst, zoals conducteurs,
stadswachten en buurtvaders. De mensen moeten daarbij het gevoel krijgen, dat
ze voortdurend worden waargenomen en dat door de autoriteiten als afwijkend
gedefinieerd gedrag zal worden bestraft. Dit wordt gecombineerd met een
ideologisch offensief dat de ontwikkeling en invoering van het panopticum moet
rechtvaardigen. Men streeft naar illegalisering en criminalisering van gedrag
dat de bedoeling heeft aan het panopticum te ontsnappen of om vorm te geven aan
het samenleven van mensen buiten de principes van de kapitalistische
markteconomie om. Dit geillegaliseerde en gecriminaliseerde gedrag wordt
vervolgens streng bestraft.
Neoliberalisme
De doorgeschoten controlemaatschappij is opgekomen met de
invoering van de neo-liberale politiek, gekenmerkt door rigoureuze invoering
van het marktdenken in alle sectoren van de maatschappij. Dit marktdenken ging
gepaard met een afbraak van de oude welvaartsstaat en bezuinigingen. Men kan
deze neo-liberale politiek zien als een antwoord op de neergaande conjunctuur
sinds midden jaren zeventig van de 20e eeuw. Een van de
uitgangspunten die in de neo-liberale politiek opgeld doet is dat ieder
individu op de markt zijn of haar eigenbelang moet nastreven. Het marktmechanisme
zal de welvaart en het welzijn van iedereen het grootst maken. Dit geldt voor
de mondige consument, die de stroom informatie met keuzemogelijkheden die op
hem afkomt efficiënt kan managen en de meest rationele keuzes maken. Dit geldt
voor de arbeidskracht, die zich op de flexibele arbeidsmarkt als de verkoper
van het product arbeidskracht opstelt. Het individu dient zich te gedragen als
‘homo economicus’ die efficiënt reageert op prikkels (sancties en beloningen)
van buiten. Het marktmechanisme regelt de organisatie van de productie, de
verdeling van goederen en de inrichting van de maatschappij.
Qua uitgangspunt wil het principe van de homo-economicus echter
twee tegenstrijdige dingen verenigen. Enerzijds moeten mensen zich gedragen als
een individuele ondernemer of mondige consument die op de markt in een verder
organisatorisch voor hem of haar ongestructureerde omgeving zelfstandig als
‘vrij’ individu zijn bestaan organiseert. Maar sommige mensen gaan in een
ongestructureerde omgeving ‘doelloos rondzwemmen’ of hun handelen blokkerende redeneringen
opzetten, of de verkeerde organisatorische argumenten gebruiken. Voorzover ze
deelnemen aan organisatorische en sociale verbanden zien ze zichzelf vaak als
te belangrijk en zijn ze bang dat ze zelf uit beeld verdwijnen. Sommigen
streven ernaar een eigen winkeltje op te zetten en niet samen te werken met
anderen die hetzelfde doen. En ze anticiperen niet op mogelijke toekomstige
ontwikkelingen. Dit waren eigenschappen die sommige mensen altijd al hadden,
maar de neo-liberale politiek heeft dit verergerd. Door de privatiseringen van
allerlei hulpverleningsinstanties, particuliere verzekeringen en het verdwijnen
van sociale verbanden gebaseerd op solidariteit komt een stroom informatie op
het individu af van allerlei elkaar beconcurrerende instellingen. Daarbij moet
men steeds opnieuw keuzes maken en een steeds uitgebreidere administratie
bijhouden. Sommige mensen lukt dat niet. En soms is het ook niet te doen. Burgers
hebben in strijd daarmee vaak van jongsaf op school geleerd te werken aan een
omschreven deeltaak in een organisatie op basis van discipline van buitenaf. In
dit verband wordt de maatschappij steeds tegenstrijdiger, want aan de ene kant
wordt die discipline nog steeds gevraagd, doen wat je baas zegt, en zijn
woorden voor zoete koek slikken, in een gestructureerde omgeving. Anderzijds
betekent een flexibele arbeidsmarkt en de projectmatige en tijdelijke opzet van
allerlei projecten waarin je tijdelijk kunt meedraaien dat je vanuit jezelf
geredeneerd, in een ongestructureerde omgeving, 'de maatschappij', je eigen
bestaan moet organiseren. Daarbij moet je de informatie die verkopers of
anderen ter beschikking stellen in twijfel trekken en dus niet voor zoete koek
slikken. Daarom zijn de work first projecten en andere disciplineringtrajecten
ook zo verkeerd. Mensen leren daar de verkeerde dingen. Ze leren discipline,
van buitenaf opgelegd, en gehoorzamen daaraan, verrichten op vaste tijden eenvoudige
routinearbeid. Maar die discipline komt niet uit henzelf, ze leren niet hoe op
een flexibele arbeidsmarkt die veel onzekerheid met zich meebrengt hun eigen
bestaan in vrijheid te organiseren, met alle kennis en vaardigheden -ook van je
eigen functioneren- die daarbij behoren. Daarom werken die projecten ook niet.
Nieuw revolutionair subject?
De vraag is, of vanuit de bovenomschreven tegenstrijdigheid
de mensen die als vrije ZZP-ers of flexibele ondernemers en free-lancers in de
soms kunstzinnige (media) sector opereren kunnen worden gezien als een
betrekkelijk nieuw revolutionair subject dat rebelleert tegen de
disciplinerende controlemaatschappij. Daarbij bronnen aanborend en benuttend
die- bij solidarisering met uitgeslotenen- de mogelijkheid bieden voor massaal
verzet. Ik denk van niet. Het grote probleem waar we voor staan is daarmee niet
opgelost. Dit probleem is de blokkade van het handelen in sociale verbanden en
collectieven vanuit bepaalde kritische opvattingen over de maatschappij. Ik kom
daar nog op terug. Verschillende onderzoekers hebben in de huidige
ontwikkelingen- de herstructurering van sociale relaties- de opkomst van nieuwe
revolutionaire subjecten gezien. Hardt en Negri hebben betoogd, dat ‘immateriële
arbeid’ steeds belangrijker wordt en zij ontwikkelden het concept van de
‘multitude’ waarbij de strijd niet meer zou gaan tussen kapitaal en arbeid maar
tussen ingeslotenen en uitgeslotenen. Het zou te ver voeren, hier in te gaan op
de discussies die het afgelopen decennium gevoerd zijn rond de begrippen
‘multitude’ of ‘arbeidersklasse’ in vaak
theoretisch ingewikkelde boeken voor een kleine minderheid.
Het gaat mij in dit discussiestuk om pragmatische argumenten
geredeneerd vanuit de praktijk die de huidige blokkade tussen opvattingen
(waarden) en actief handelen in sociale verbanden kunnen doorbreken. Daarbij
zijn processen van insluiting en uitsluiting in mijn ogen nauw verbonden met de
ontwikkeling van het kapitalisme.
Gemeenschapsdenken in sociale verbanden op basis van
solidariteit
De innerlijke tegenstrijdigheid tussen gedisciplineerde ondergeschikte
enerzijds en vrije mondige burger anderzijds is slechts oplosbaar door vormen
van gemeenschapsdenken in de organisatie van de maatschappij waarin
solidariteit tussen mensen de basis is voor overleg en samenwerking. Daarbij
kunnen mensen door uitwisseling van niet-commerciële informatie en onderlinge
taakverdeling bewust afwegen wat de gevolgen zijn van individuele keuzen voor
de gemeenschap als geheel. Het welbegrepen eigenbelang moet soms opzij
geschoven worden voor het groepsbelang en bewuste democratische keuzen van de
groep bepalen dan wat geproduceerd of gedaan wordt. Het marktmechanisme speelt
daarbij een ondergeschikte of geen rol. In feite proberen mensen dit voortdurend
te realiseren ondanks de bovengenoemde moeilijkheden die ze daarbij ten aanzien
van hun eigen functioneren en dat van anderen tegenkomen. Voortdurend proberen
mensen gemeenschappen en groepen te vormen op basis van normen en waarden die
afwijken van het marktdenken om een antwoord te geven op de innerlijke
tegenstrijdigheden van dat markt denken in het kapitalisme. En voortdurend
pogen overheden en ondernemers vanuit dat kapitalisme aanpassingen tot stand te
brengen aan dit marktdenken. Voor wie er oog voor heeft zie je in dit opzicht voortdurend
botsingen en spanningen op vele sociale niveaus. In feite is de doorgeschoten
controlemaatschappij een methode om deze spanningen te managen en te beheersen
en mensen ertoe te brengen zich als ‘homo economicus’ te gedragen. Verschillende
sociale verbanden, organisaties en gemeenschappen worden daarbij niet gesteund
of tegengewerkt of onschadelijk gemaakt. Met name gaat het daarbij om groepen waarbij
een fundamentele kritiek op het kapitalisme of uitwassen daarvan wordt
geformuleerd en waarbij die gemeenschappen dienen om verzet te organiseren en
de innerlijke tegenstrijdigheden te politiseren. Andere sociale en
organisatorische verbanden worden geïncorporeerd in het kapitalisme door middel
van ‘governance’. Op dit begrip kom ik nog terug. De controlemaatschappij in
het kapitalisme met de van buitenaf opgelegde discipline waaraan men moet gehoorzamen,
reproduceert echter de tegenstrijdigheid in de benadering van het menselijk
gedrag.
Structurering van sociale relaties in het neoliberalisme
De bovengenoemde ontwikkeling heeft de sociale relaties
tussen mensen op een ingrijpende manier geherstructureerd. Het zou te vervoeren
al de kenmerken daarvan te noemen.
Enkele punten wil ik naar voren brengen.
- Vaak
zijn traditionele gemeenschappen met niet op marktdenken gebaseerde
waarden en normen uit elkaar gevallen, zoals familie en buurtverbanden.
Dat is een proces dat al bij de ontzuiling van Nederland is ingezet en een
gevolg van moderniseringen, die niet alleen aan de ontwikkeling van het neoliberalisme
zijn toe te schrijven. Tegelijkertijd moet worden gezegd dat veel van deze
traditionele verbanden nog steeds springlevend zijn, denk maar aan de
‘bible-belt’. We zien echter in de jaren zestig, zeventig en tachtig
nieuwe sociale bewegingen opgekomen, naast een hernieuwde bloei van de
arbeidersbeweging, waarbij op basis van solidariteit tussen mensen burgers
zichzelf politiek organiseerden en vanuit eigen organisaties hun
emancipatie nastreefden. Met het naar voren komen van het geatomiseerde,
mondige individu in het neoliberalisme zijn ook deze sociale bewegingen
nagenoeg verdwenen. Daarvoor in de plaats kwam de politiek van
‘governance’. Staten en grote bedrijven zochten overleg met NGO’s die vaak
wel ontstaan zijn in sociale bewegingen van onderop, maar die zich
ontwikkeld hebben tot door machtige instituties en staten gesubsidieerde
instellingen, waarbij de legitimatie voor hun optreden niet meer voortkomt
uit het actieve optreden van de leden. De leden zijn in plaats van actieve
burgers die hun emancipatiedrang politiseren passieve consumenten
geworden, die deelnemen aan van bovenaf opgezette zwaar gesubsidieerde
projecten. Ook de vakbeweging gaat in feite de kant op van een
consumentenorganisatie op basis van ‘governance’.
- In
het neoliberalisme waarbij de onderlinge concurrentie tussen individuen
wordt bevorderd zijn er winnaars en verliezers; wie de ratrace om de
schaarse hulpbronnen en bij grote massawerkloosheid de race om de schaarse
banen niet kan volhouden komt terecht in de uitzichtloze positie van een
onderklasse. Daarbij speelt etnisering van de achtergestelden een rol.
Hierdoor zijn nieuwe tegenstellingen ontstaan tussen middengroepen die
tijdelijk geprofiteerd hebben van het casinokapitalisme en degenen, die
daar niet van geprofiteerd hebben. Deze tegenstellingen zijn geglobaliseerd.
Niet alleen komen ze voor in 1 land, maar ze zijn wereldwijd. In feite
stonden de architecten van de neo-liberale politiek voor de vraag: hoe de
lonen te bevriezen, loonkosten te drukken, bezuinigen op uitkeringen te
realiseren en toch in de westerse landen de voorwaarden voor de
reproductie van de arbeidskrachten in stand te houden en het verzet te
kanaliseren. Dit is gebeurt door de nieuwe internationale
arbeidsverdeling: productie van massagoederen werd verplaatst naar lage
lonen landen door het openbreken van markten in de derde wereld en
structurele aanpassingsprogramma’s waardoor massagoederen werden
geproduceerd die de arbeiders in het westen goedkoop konden aanschaffen. Bij
de verlaging of het achterblijven van hun koopkracht kon de financiering
van hun consumptie worden gerealiseerd door de ontwikkeling van een schuldeneconomie.
Mensen konden in het casinokapitalisme lange tijd geld lenen (met
bijvoorbeeld de waarde of overwaarde van hun huis als onderpand en voor de
gepensioneerden de waarde van de aandelen waarin de pensioenfondsen
belegden). Met dat geleende geld kon de consumptie op peil blijven. Het is
overigens voor mij de vraag of dit wel een van te voren opgezet plan is.
Het is meer een gevolg van trial and error in de ontwikkeling waarbij men
al experimenterend in een bepaalde richting probeerde te werken.
- Met
de opkomst van de controlemaatschappij zijn op vele terreinen de
mogelijkheden voor de burger om invloed uit te oefenen ingeperkt. De
bewegingsvrijheid om het eigen leven, de eigen baan of het eigen gedrag
naar eigen keuzen vorm te geven is afgenomen. Dit geldt ook voor de mensen
die betaald werk hebben. De sociale relaties in bedrijven zijn sterk veranderd.
Er is niet alleen een flexibilisering van de arbeidsmarkt, waarbij
verschillen ontstaan tussen kernarbeiders in vaste dienst en flexibele
uitzendkrachten zonder binding aan het bedrijf. Bedrijven hebben de
commandostructuren anders gereorganiseerd. Door de groei van de communicatietechnologie
kunnen opdrachten en andere informatie op een veel directere en
nauwkeuriger manier worden doorgegeven van de top naar de basis van de
bureaucratische hiërarchieën zoals de administratieve of
productieorganisatie van grote bedrijven. Prestaties van het personeel
kunnen daarbij op een veel directere manier worden gecontroleerd. Er is
dus een nieuw soort centralisatie van de macht in handen van weinigen.
Personeel krijgt steeds minder speelruimte om een eigen invulling te geven
aan het werk dat ze doen. De ruimte om in organisaties een eigen invulling
te geven aan je baan en de taken daarbij wordt geminimaliseerd. Automatisering
leidde ertoe, dat de bureaucratische piramides in organisaties ingrijpend
veranderden. De basis van de piramide hoeft niet meer groot te zijn. Zowel
bij handarbeid als op kantoor kon routinewerk worden opgeheven door
innovaties als barcodelezers, stemherkenningtechnologie en micromachines
die het werk van de vingers overnemen. De omvang van het personeel kon
worden beperkt door de onderste functielagen op te heffen. Dit heeft tot
gevolg, dat veel personeelsleden overbodig werden en er in de westerse
landen een permanente, structurele werkloosheid heerst. De flexibilisering
van de arbeid en allerlei organisatorische veranderingen leiden tot wat
Wacquant noemt de 'sluipende desocialisatie' van de arbeid. In de
bureaucratische productiestructuren die tot de zeventiger jaren
overheersend waren hadden mensen voor langere tijd een vaste functie,
waarbij ze de tijd kregen sociale relaties op hun werk op te bouwen en een
sociaal netwerk te ontwikkelen. Daarbij ontwikkelden ze een bepaalde
binding aan het bedrijf en hadden ze een zij het vaak beperkte zeggenschap
over de inrichting van hun werk. Ze waren trots op de organisatie waar ze
werkten en het werk dat ze deden. Bij de flexibele arbeid is deze binding
en deze trots geheel verdwenen terwijl het veel moeilijker is geworden via
je werk een netwerk van sociale relaties op te bouwen. Richard Sennett
wijst ook op de desocialisatie van de arbeid. Het 'sociaal kapitaal'
verdwijnt uit de productieorganisaties. De voortdurende organisatorische
veranderingen, waarbij hele afdelingen gesloten kunnen worden en niemand
zeker is van zijn werk, de flexibele arbeid waarbij mensen ergens niet
lang werken leiden tot een groot verloop onder het personeel, geringe
institutionele loyaliteit, afname van het informele vertrouwen onder
werknemers en verzwakking van de institutionele kennis.
- De
ontwikkelingen onder punt 3 hebben grote gevolgen voor de relaties tussen
de gemiddelde burger cq consument en die organisaties. Als je een
(administratief) probleem hebt, krijg je iemand van een call-center aan de
telefoon, of directe medewerkers van de organisatie, die alleen antwoord
kunnen geven op een beperkte set van te voren opgestelde standaardvragen. In
het verleden konden professionele hulpverleners van mensen met problemen
in de bureaucratieën een sociaal netwerk opbouwen van contacten met
functionarissen, die er al jaren werkten, die een grote kennis hadden van
de besluitvormingsprocedures in de organisatie en die ook antwoord konden
geven op meer specifieke vragen. Dit bevorderde, dat mensen toch
uiteindelijk hun rechten konden effectueren via overleg. Deze situaties
zijn in de flexibele productieorganisaties steeds minder te vinden
waardoor het voor mensen met problemen en hun hulpverleners steeds
moeilijker wordt tot een oplossing te komen. In het verlengde hiervan ligt
weer, dat burgers noodgedwongen in plaats van via overleg met een
instantie tot een oplossing te komen steeds meer een beroep moeten doen op
de rechter om hun gelijk en hun rechten te halen. Het aantal
advocatenkantoren is het laatste decennium explosief gestegen.
- De
sociale relaties tussen mensen worden ook beïnvloed door het streven, met
behulp van de mogelijkheden die de automatisering biedt als het ware
consumenten delen van het productieproces te laten uitvoeren. Je haalt je
kontante geld al sinds jaar en dag uit de automaat, terwijl je vroeger
naar de balie moest om het geld op te halen bij een medewerker van het postkantoor
die de mensen en de problemen van de buurt kende. De kleine ondernemer die
dezelfde functie had is voor een groot gedeelte al uit het straatbeeld
verdwenen. In supermarkten is men
bezig systemen te ontwikkelen, waarbij het afrekenen aan de kassa tot het
verleden behoort. (Oa bij de Vomar) De consument scant zelf zijn of haar
artikelen die in de supermarkt zijn opgehaald met behulp van een
scanapparaat dat de barcodes leest die op de producten staan. Er zijn dan
veel minder caissières nodig. Contact met medewerkers van het bedrijf heb
je als consument niet meer. Er zijn alleen enkelen die meer een
bewakingsfunctie hebben om te kijken of alles vlot verloopt. Dit principe-
de consument het productiewerk laten doen wordt op vele manieren
ingevoerd. Schiphol is bezig met een geautomatiseerd systeem om de
passagiers zelf te laten inchequen. Vaak betekent dat ook een extra
administratieve belasting voor de burger cq consument, die steeds nieuwe
kennis en vaardigheden moet ontwikkelen om een zelfstandig bestaan te organiseren
zonder daarbij een beroep te kunnen doen op medewerkers van een bedrijf
voor ondersteuning. Dit sluit aan bij wat hiervoor werd gezegd over mensen
die het niet meer lukt hun bestaan te managen.
- Vooral
voor de zogenaamde ‘onderklasse’ is de bewegingsvrijheid en van daaruit
een handelingsperspectief afgenomen door de invoering van de
controlemaatschappij en het sociaal panopticum: je hebt voortdurend het
gevoel te worden waargenomen en gecontroleerd, ook al is dit feitelijk
niet het geval. Foucault bracht naar voren, dat een automatisch
functioneren van de macht bij het sociale panopticum is verzekerd. Als
gevolg van constante bewaking en de surveillance van de bewakers raken individuen verstrikt in een
onpersoonlijke machtsrelatie met de abstracte institutie die
tegelijkertijd de machtsrelatie zelf niet-individueel maakt en die
degenen, die aan het sociale panopticum zijn onderworpen individualiseert
en losmaakt van collectieve verbanden.
Foucault zag deze techniek als een essentiële ontwikkeling bij de
toenemende controle, hiërarchiesering, disciplinering en classificatie van
mensen in de moderne maatschappij, door middel waarvan het gedrag van
individuen voortdurend gereguleerd en gecontroleerd wordt door
onpersoonlijke instituties.
Belangrijk bij het functioneren
van het sociale panopticum is, dat de mensen die bewaakt worden niet
voortdurend in de gaten hoeven te worden gehouden. Zij hoeven alleen maar het
gevoel te hebben, dat dit wel zo is, dat ze op ieder moment ineens kunnen
worden waargenomen. De gevolgen van deze ontwikkeling zie je bij bijvoorbeeld
bijstandsgerechtigden en bejaarden. Wie een uitkering aanvraagt, krijgt een
huisbezoek. Daarbij moeten zowel vrijwel de gehele administratie als de
leefomstandigheden zichtbaar gemaakt worden. Ook mensen die al een uitkering
hebben kunnen eventueel een huisbezoek verwachten. Daarnaast moet maandelijks
een werkbriefje ingevuld worden, waarmee wijzigingen in de leefomstandigheden
moeten worden aangegeven, je moet zo’n briefje ook invullen als er niets gewijzigd
is. Verder zijn er routinematig de periodieke heronderzoeken, waarbij alle privé-gegevens
over leefomstandigheden, bankrekeningen, uitgavenpatroon, sociale relaties,
eventueel vrijwilligerswerk, etc, steeds opnieuw op tafel gelegd, ‘zichtbaar’ gemaakt
moeten worden. Verder wordt iedereen die zegt niet te kunnen werken wegens
arbeidsongeschiktheid onderworpen aan een keuring. Daarnaast worden mensen, die
nu niet geschikt zijn voor de arbeidsmarkt maar dat in de toekomst wel zouden
kunnen zijn, onderworpen aan allerlei vormen van trajectbegeleiding middels
vaak particuliere reintegratieinstituten.
Mensen zijn zich er over het
algemeen zeer van bewust dat ze voortdurend worden waargenomen, dat ze
voortdurend ‘zichtbaar’ zijn. Wat dit betreft klopt de waarneming van Foucoult,
dat zij het symbool van de anonieme macht, de sociale dienst, in Amsterdam de
DWI altijd in hun gedachten hebben, dat zij vanuit zichzelf vanwege die
constante zichtbaarheid, of beter gezegd je kunt ieder ogenblik volledig
zichtbaar gemaakt worden met je privé-leven, iedere dag wel aan de sociale
dienst denken. Dat men in werkelijkheid weinig werkelijk contact heeft met die
dienst is daarbij niet van belang. Ook veel uitkeringsgerechtigden die maar
eens in het half jaar een her controle hebben en voor de rest met rust worden
gelaten, denken vaak iedere dag aan de sociale dienst. Men ‘verinnerlijkt’ de
anonieme macht van de sociale dienst. Bij de gedachtegangen die
uitkeringsgerechtigden dan hebben gaat het dan voortdurend over de grenzen van
de sociale techniek van het panopticum die op hen wordt toegepast. Mag je een
huisbezoek weigeren? Moet ik echt alle giroafschriften van de laatste drie
maanden laten zien, moet ik de originelen laten zien, mag ik uitgaven voor de
boodschappen en zo ook afplakken en dan een kopie maken, want met mijn
dagelijks leven hebben ze niets te maken? Is een medische keuring verplicht? De
arbeidsbemiddelaar heeft mij een aanbod gedaan voor bemiddeling. Mag ik dan
weigeren? Wat kan ik verwachten als ik op gesprek ga bij de Dienst Werk en
Inkomen en wat niet? Etc.
Angst voor de anonieme macht van
de sociale dienst speelt een belangrijke rol. Klanten malen door hierover en
vermengen dit met fantasieën over hoe aan het sociale panopticum te ontsnappen.
De mensen definiëren hun situatie in dit verband, en schatten wat dit betreft
hun eigen mogelijkheden en onmogelijkheden in. Sommige mensen definiëren zich
als ziek Ik kan er niet meer tegen, ik kan die druk niet hebben ik denk er
voortdurend aan, wat kan ik doen om met rust gelaten te worden? Weer anderen
willen dit helemaal juist niet. Zij denken aan andere ontsnappingsmogelijkheden
zoals illegale activiteiten. Of betaald werk zoeken als dat mogelijk is. Wat
ook benadrukt wordt in de gesprekken met mensen op de Bijstandsbond is de
absurditeit van de techniek van het sociale panopticum. Mensen zijn zich op het
uitvoeringsniveau vaak scherp bewust van de tegenstrijdigheden in het systeem. In
een dergelijke situatie is het zeer moeilijk mensen tot collectief, openlijk
verzet te brengen in organisatorisch verband.
Onoverbrugbare
tegenstellingen en individualisering?
Uit
het bovenstaande moet in mijn ogen niet worden afgeleid, dat de wereld in het
algemeen en de westerse maatschappijen in het bijzonder alleen maar vaten vol
onoverbrugbare tegenstellingen zijn geworden. In Nederland is er weliswaar
bijvoorbeeld een niet te verwaarlozen groep Wilders aanhangers, die zich
behoorlijk roeren in de media en internet.
Maar wat betreft haar opvattingen lijkt de meerderheid van de Nederlandse
bevolking zelfs toleranter en kritischer te worden. Dit blijkt oa uit een
onderzoek van Motivacion. (Geloof jij dat je betrokken bent? Sociale kwesties in de samenleving. Onderzoek
door Motivaction in opdracht van het Leger des Heils. Amsterdam, oktober 2008)
Conclusies van het rapport:
Voor wat betreft de wijze waarop mensen met
elkaar omgaan, worden geen/weinig respect
en individualisme, egoïsme en desinteresse
als de belangrijkste problemen ervaren. Deze problemen worden herkend en erkend
(waargenomen of zelfs persoonlijk ervaren), de confrontatie gaan de
Nederlanders echter vaak uit de weg.
Ook weten de Nederlanders beter dan voorheen
van de problematiek rondom kwetsbare groepen in de samenleving die risico lopen
om buitengesloten te worden. We zien het, we weten het, maar we kijken steeds liever
de andere kant op wanneer deze problematiek te dichtbij komt. Dit duidt op
normatieve betrokkenheid (volgens de meetlat) en afnemende actieve
betrokkenheid (met het hart).
Nederlanders weten dat eenzaamheid een groot
probleem is in de huidige maatschappij. Deze eenzaamheid heeft impact op hoe wij
in het leven staan. In vergelijking met voorgaande jaren geven meer mensen aan
zich eenzaam te voelen en geven minder mensen aan tevreden te zijn met hun huidige
leven.
Tegelijkertijd maakt de gemiddelde
Nederlander zich over het algemeen minder zorgen
om diverse kwetsbare groepen zoals eenzamen
en mensen die door ouderdom niet meer
meedoen in de samenleving. De betrokkenheid
is afgenomen. In vergelijking met eerder onderzoek blijkt ook dat Nederlanders
de schuldvraag minder bij de kwetsbare groepen zelf leggen. Dit kan duiden op
het erkennen van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Nederlanders
relateren dit echter niet aan het eigen leven en de eigen verantwoordelijkheid.
Als het erop aankomt zelf een actieve rol hierin te spelen en de (gedeelde)
verantwoordelijkheid hiervoor te dragen, kijken Nederlanders liever weg. Dit
blijkt bijvoorbeeld uit een afname van het aantal Nederlanders dat aangeeft dat
we met ons allen de verantwoordelijkheid dragen dat iedereen voldoende geld heeft
om rond te komen. Het zijn vooral de Nederlanders van 50 jaar en ouder, die
aangeven dat wij met zijn allen die verantwoordelijk dragen.
We wéten dus als Nederlander meer over deze
maatschappelijke problematiek, maar we
dóen er minder mee.
Uit het bovenstaande blijkt waar volgens mij de crux ligt:
we zijn nog steeds tolerant en kritisch over de maatschappij, al willen de
media en bepaalde groepen in de maatschappij ons anders doen geloven, maar het
handelingsperspectief om in sociale verbanden collectief op te treden voor een
rechtvaardiger maatschappij en het organisatorisch vermogen om dat tot op
lokaal niveau te organiseren is gedeeltelijk verdwenen. Mensen hebben het
gevoel dat ze er toch niks aan kunnen doen en dat het geen zin heeft je als
burger, arbeider, te organiseren om collectief in verzet te komen. Af en toe
komt de kritische mening boven water, wanneer daar de ruimte voor bestaat,
zoals bij het referendum over de grondwet. Maar mensen kiezen vaak voor het
individuele perspectief in hun overlevingsstrategie. Ik moet zelf zien te
overleven, en schakel individueel allerlei hulpbronnen in (individuele
hulpverlening, particuliere verzekeringen) om dat doel te bereiken. Het kader
dat eens de kern van sociale bewegingen vormde en ervaring had in het
organiseren van acties is deels verdwenen of opgenomen in de politiek van
‘governance’.
Wat moet er gebeuren?
Natuurlijk kan ik geen ultiem antwoord geven op wat er moet
gebeuren. Niemand kan de toekomst voorspellen, en we praten allang over een
gehoopte opleving van sociale bewegingen en hoe dat te realiseren, zonder dat
de antwoorden gegeven zijn.
De economische crisis biedt wat betreft verzet tegen het neoliberalisme
en varianten daarvan ook kansen. Het marktdenken en de graaicultuur zijn van
hun voetstuk gevallen. Veel mensen die dachten, ik heb niets te vrezen en die
dachten dat ze een vakbond niet nodig hadden zijn in de problemen gekomen en
velen zullen nog volgen. Wil echter de ontmaskering van het neo-liberale denken
met als alternatief een hernieuwde waardering voor de organisatie van de
maatschappij op basis van gemeenschapsdenken
een nieuwe kans krijgen, dan moeten we met verschillende dingen rekening
houden. We kunnen niet eenvoudigweg de antwoorden kopiëren die in andere
crisissen gegeven zijn. We hebben 30 jaar neo-liberale politiek van
herstructurering van sociale relaties tussen mensen achter de rug. Dit heeft
mensen gevormd en een diepgaande invloed gehad op de sociale relaties tot op de
dag van vandaag. De scheiding tussen opvattingen en gedrag, tussen handelen en
opvattingen is daarbij zeer sterk.
Om dit te doorbreken moeten we ons richten op een verbinding
van verschillende bevolkingsgroepen, die langs verschillende scheidslijnen zijn
verdeeld en die op verschillende momenten op verschillende manieren door de
neo-liberale politiek zijn getroffen. Daarbij moeten we voor wat betreft de
speerpunten ons niet alleen richten op de traditionele punten, zoals de loonstrijd,
de inkomenspolitiek en het werkgelegenheidsbeleid. Het gevaar bestaat dan meer
dan vroeger dat mensen zich daarbij zullen opstellen als passieve consumenten
die in massademonstraties opkomen voor hun materiele rechten zonder dat de
organisatie van het verzet de hele maatschappij doordringt tot op lokaal niveau
waarbij mensen zich actief opstellen en nieuwe vaardigheden ontwikkelen om het
verzet een duurzaam karakter te geven. We moeten ons ook richten op de
organisatorische blokkades die de scheiding tussen opvattingen en handelen als
mondige burger in stand houden en die de mensen ruimte om te handelen ontnemen.
Dus een verzet tegen en een ontmaskering van de doorgeschoten
controlemaatschappij. Daarbij moeten we aansluiten bij initiatieven van (kleine)
gemeenschappen die de blokkades proberen te doorbreken en die tegelijkertijd
ondanks alle moeilijkheden telkens weer worden georganiseerd. Daarbij is de
wederopbouw van hulpdiensten met vrijwilligers, lokale actiecomités en andere
organisatorische vormen nodig die praktische solidariteit organiseert in het
verzet tegen de controlemaatschappij en de verdere afbraak van materiele en
immateriële rechten. Dit betekent in mijn ogen naast de traditionele
vakbondsstrijd tevens een nieuwe min of meer overkoepelende beweging voor burgerrechten,
vrijheid en democratie die de afbraak ervan ter discussie stelt en verbindt met
een kritiek op het kapitalisme en het neoliberalisme als samenlevingsvorm.
PvdL 22/03/2009
Labels:
controlemaatschappij,
neoliberalisme
Abonneren op:
Posts (Atom)