Kijk, de dagen worden weer korter, het is 's avonds alweer vroeg donker en binnenkort gaat de wintertijd weer in. Tijd dus om weer gezellig bij het haardvuur te gaan zitten somberen. Berichten genoeg die daarbij behulpzaam kunnen zijn, zoals onderstaand bericht. De algemene wetmatigheid is, dat ergens in een Europees land een ballonnetje wordt opgelaten. Dan denken ze bij de VVD, bijvoorbeeld Sjoerd Potter: hee, dat is een idee, dat moeten we hier ook hebben. Hij denkt dan: ik kom altijd breeduit in de media met dit soort voorstellen. Als ik het morele gedrag van de onderklasse maar aan de kaak stel en vraag om ferme maatregelen. Dus Sjoerd laat ook zo'n ballonnetje op. En dan worden wij door journalisten weer gevraagd: jullie zijn zeker boos over het voorstel he? Nou, en dan duurt het een paar jaar, en dan wordt de maatregel ingevoerd. Deze ontwikkeling opent ongekende nieuwe mogelijkheden. Bijvoorbeeld de gemeente Amsterdam kan dan zeggen: wij geven alle bijstandsgerechtigden zo'n betaalpas, maar dan mogen ze alleen winkelen bij Dirk van den Broek en niet bij Albert Heyn. Maar, zeggen ze dan tegen Dirk, dan moeten jullie wel de tekorten op onze begroting betalen. Als dan bv Dirk van den Broek de directeur van de sociale dienst en de wethouder ook nog een extraatje geeft, dan is het helemaal rond. Ik zie het helemaal voor me. Om het gebruik van milieuvriendelijk voedsel te bevorderen stel ik voor, dat zo'n betaalpas wordt ingevoerd voor alle inwoners. Je kunt dan alleen winkelen in winkels die milieuvriendelijke producten verkopen. Lijkt me een leuke campagne voor Milieudefensie.
Posts tonen met het label controlemaatschappij. Alle posts tonen
Posts tonen met het label controlemaatschappij. Alle posts tonen
woensdag 8 oktober 2014
Zou Sjoerd ook over dit betaalpasje beginnen?
woensdag 25 november 2009
De controlemaatschappij en de neologistieke orde in relatie tot het waardensysteem van het kapitalisme
De oorspronkelijke
kapitalistische waarden van omheining, afbakening en toe-eigening (Zie voor uitleg van de begrippen hier) worden
uitgewerkt in controlesystemen, standarisering van procedures,
rationalisering en bureacratisering . De
ondernemer die bij de processen van toe-eigening op basis van rationalisering
en automatisering een concurrentievoordeel ontwikkelt, wordt machtiger en
groter en krijgt meer invloed. Dat bedrijf verovert een groter marktaandeel.
Alles moet verder meetbaar, kwantificeerbaar zijn. Omdat op die wijze een
gemeenschappelijk kenmerk van kwalitatief verschillende goederen en diensten
kan worden vastgesteld en ze in geld kunnen worden uitgedrukt. En op die wijze
kunnen kwalitatief verschillende goederen worden geruild omdat ze allen in geld
worden uitgedrukt. Een van de kenmerken van de ontwikkeling is verder, dat
bedrijven onder concurrentieverhoudingen veel investeren in nieuwe technologien
en nieuwe manieren van produceren, om zo te proberen te besparen op de factor
arbeid. In dit artikel gaan we die organisatorische veranderingen en in
samenhang daarmee de technologische veranderingen in de afgelopen jaren
behandelen. Joep Schrijvers is andragoloog (veranderdeskundige), en auteur van
verschillende boeken. In zijn boek ‘Het wilde vlees. De tomtomisering van de
passionele mens’ beschrijft hij hoe onze samenleving een groot logistiek
imperium is geworden en de gevolgen daarvan voor het privéleven van
mensen.
Hij laat helder zien, hoe
de toenemende controle in de
maatschappij op het doen en laten van individuen een proces van 'monitoring' is dat noodzakelijkerwijs in een
productiesysteem hoort, dat zowel in het bedrijfsleven als bij de overheid
wordt toegepast, en dat kan worden
omschreven als een cyber-regiem van een
logistiek imperium, de neo-logistieke orde. Alles wordt opgedeeld in een
voorstuwingsproces van productieketens,
en dat proces mag nooit tot stilstand komen. Ook moeten deze processen voortdurend worden
'gemonitord' dwz gecontroleerd en
bijgestuurd. Van bewakingscamara's tot het onderscheppen van email verkeer. Wat
betreft het ‘monitoren’ van de mensen op de onderste treden van de sociale
ladder wordt een zeer specifieke vorm van monitoren ingevoerd door de staat, de techniek van het
sociale panopticum. Processen van afbakening en toe-eigening en omheining
vergen ene voortdurende controle op: dit is van mij, dit is van jouw, hier mag
jij komen hier niet, want dat is van een ander.
Dankzij de ontwikkelingen
in de moderne technologie, met haar computersystemen, nieuwe vormen van
automatisering, de opkomst van internet en de mogelijkheden op afstand
productieprocessen te sturen en via de moderne communicatie op elkaar af te
stemmen kunnen onderdelen van het productieproces op verschillende plaatsen
worden uitgevoerd en toch aan elkaar worden gekoppeld waarbij het totaalproces
en haar onderdelen voortdurend wordt gecontroleerd.
Monitoren en
gegevensuitwisseling
Met behulp van de moderne
technologie kunnen alle bewegingen van mensen in de toekomst worden gevolgd
middels een chip in je paspoort, dat iedereen verplicht altijd bij zich moet
hebben. Globalisering leidt tot grenzeloze gegevensuitwisseling. Wereldwijd
komt alles met elkaar in verband te staan. Het moderne productieproces wordt
opgesplitst in deelprocessen die zich over de gehele wereld afspelen. Om dat
proces vlot te laten verlopen, moet elk stukje dus gemonitord worden. Alles
moet worden gezien, gemeten, geregistreerd en wordt vervolgens aan elkaar
gekoppeld. Daarbij staat alles in het kader van veiligheid en efficiency. Al die controlemomenten en momenten van
monitoring zijn ook weer middelen om geld te verdienen. Overal in de
productieketens worden tolpoortjes, toegangspoortjes en drempels geplaatst: die
maken een onderscheid tussen wie er wel door mag en wie niet. En wie erdoor
wil, moet vaak betalen of moet aan bepaalde voorwaarden en/of kenmerken
voldoen. Dit proces speelt zich af zowel in het bedrijfsleven als bij de
overheid.
Tomtomisering van de
consumenten
Op zijn website zegt
Schrijvers: 'de samenleving is een groot logistiek imperium geworden, dat zelfs
haar invloed uitoefent op het privéleven, de dromen en vooral de hartstochten
van mensen. Iedereen is gestoord bezig met het rondpompen van geld, goederen,
informatie en sperma. Vele passiestrategieën zijn werkzaam om de emoties van
mensen op te poken, te dempen of te kanaliseren. Iedereen staat onder controle
en toezicht. De ‘tomtomisering’ is definitief doorgedrongen. Mensen moeten
nuttig en doelgericht blijven'.
Schrijvers zegt dat in het bedrijfsleven de 'emonorm' is ontwikkeld,
waarbij er via reclame, manipulatie van informatie, controle en het toedienen
van prikkels en straffen naar wordt gestreefd dat bij de consumenten een
zodanige onderlinge verhouding tussen de basis-emoties ontstaat dat deze het
meest efficient en effectief is voor het productie-systeem. De zes basisemoties
zijn angst, walging (afschuw, afkeer), woede (boosheid, agressiviteit),
blijdschap (vreugde), verbazing (verrassing) en verdriet (droefheid). Groepen
mensen worden vervolgens ingedeeld in 'consumentenprofielen' waarop
verschillende manipulatietechnieken losgelaten kunnen worden.
monitoringsprocessen
Wat voor gevolgen heeft
de neo-logistieke orde voor de burgers? Vele burgers worden soms tot wanhoop
gedreven door de vele wachtwoorden, nummers, toegangscodes, pasjes, die ze
moeten managen. Monitoringsprocessen vinden niet alleen plaats door middel van
nieuwe technieken maar ook door allerlei andere vormen van
informatieverzameling volgens traditionele methoden. (Consumenten thuis
opbellen) Marketingdeskundigen willen zoveel mogelijk van de consumenten weten.
Wat willen ze, hoe zijn ze beinvloedbaar? Reageren ze op bepaalde
reclamecampagnes? Waarom wel of waarom niet? Hebben ze klachten over de
voortgang van de productie in een van de vele op elkaar afgestemde productieketens?
Etc. Daarom worden vele consumenten bijna platgebeld, vooral onder etenstijd,
zodat men er zeker van is dat de mensen in het gezin allemaal thuis zijn. De
callcenters doen dit in de eerste plaats om wat te verkopen maar het kunnen ook
telefoontjes zijn van enquetebureau’s die de mening willen weten. Zo maken deze
belsessies deel uit van de monitoringprocessen. Dat mensen daarop geprikkeld of
geirriteerd reageren is vaak niet van belang. Het gaat om informatie
verzamelen. Het wordt zelfs zo erg, dat de overheid van plan is een wet te
maken waarmee dit opbellen van consumenten kan worden ingeperkt.
Uit de dromen van
Hoofdcommissaris Welten blijkt echter wel, dat de bestuurders vaak meer willen
en dromen van nog uitgebreidere controles, meer dan volgens de actuele stand
van de technologie mogelijk is. Men streeft naar een zo totaal mogelijke
controle en naar perfectionering van de neo-logistieke orde die Schrijvers
beschreven heeft.
Gebrekkig geprivatiseerd
controlesysteem
Maar er zijn ook andere
gevolgen van de neo-logistieke orde. Schrijvers benadrukt enigszins eenzijdig
de nagestreefde perfectie van dit systeem. Ontsnappen is nauwelijks mogelijk.
Maar dit logistieke systeem werkt echter allerminst perfect. Zodra in een van
de ketens van een productiecyclus een stagnatie optreedt, kan dit grote
gevolgen hebben voor grote delen van de samenleving. Die stagnaties treden op
door ongelukken, of uitvallen van automatiseringssystemen, menselijke fouten,
maar ook moedwillige onverschilligheid of sabotage. Treinen die in een groot
gebied niet meer rijden als ergens een spoor tijdelijk geblokkeerd raakt, lange
wachttijden bij allerlei instellingen bij stagnatie in een van de ketens, etc.
Menselijk gedrag is toch altijd weer onvoorspelbaar en vaak irrationeel.
Maar er is meer. Je zou
kunnen zeggen, dat de hierboven beschreven neo-logistieke orde tegenstrijdig
is. Aan de ene kant gaat het om nieuwe vormen van samenwerking, taakverdeling
en gecontroleerde organisatie van productieketens op basis van de nieuwste technologien.
Aan de andere kant gebeurt dit echter in het kader van het kapitalisme. En dat
betekent organisatie van de maatschappij op basis van het concurrentieprincipe
en de toe-eigening van organisaties en bedrijven op basis van het particulier
winstbejag. Mensen moeten met elkaar concurreren om een deel van de koek. Dit
betekent dat veel van de hierboven genoemde controlerende instanties zijn
geprivatiseerd. Er vormt zich als het ware een uitgebreid netwerk van virtuele
private wachttorens die onderling relaties onderhouden, om het voortdurende
proces van de productie goederen, diensten en informatie in de productieketens
te managen, maar tegelijkertijd zijn die wachttorens ook elkaars concurrenten.
Instanties werken elkaar vaak tegen. Tegelijkertijd is het hele controlesysteem
een middel om op de markt geld te verdienen. Overal zijn controlepoortjes,
fysiek en virtueel, en worden voorwaarden opgesteld, wanneer je bepaalde
(virtuele) poorten mag passeren en wanneer niet. Daarbij kan de voorwaarde zijn
dat je eerst moet betalen om te kunnen passeren. De onderlinge relaties tussen
al die geprivatiseerde instellingen worden steeds ingewikkelder, waarbij
allerlei coordinatieproblemen ontstaan, die de toegang tot voorzieningen
frustreren.
Allerlei diensten werden
in het kader van de neoliberale politiek verzelfstandigd, zoals de spoorwegen,
de telecomsector, vervoersbedrijven, in de gezondheidszorg. Privatisering
betekent echter niet altijd, dat bedrijven bij de verzelfstandiging volledig
privebezit worden en onderworpen zijn aan de wetten van de
concurrentie-economie. Om toch nog greep te houden op het doen en laten van
dergelijke bedrijven worden op basis van compromispolitiek diensten wel
verzelfstandigd, maar blijven ze een monopoliepositie houden, of behoudt de
staat de meerderheid in de aandelen. Privatisering betekent ook de oprichting
van zelfstandige bestuursinstellingen ‘op afstand’ die niet meer onder de
directe controle vallen van de gekozen bestuurders en die middels
budgetteringstechnieken alleen verantwoording hoeven af te leggen over de
financiële aspecten van hun werkzaamheden, niet over hoe zij de dienst die zij
verrichten organiseren. Vaak krijgen deze bestuursinstellingen ‘op afstand’ de
bevoegdheid mee, heffingen op te leggen aan de burgers, meer in zijn
algemeenheid is er in de Europese staten een verschuiving van directe
belastingen naar indirecte belastingen. Er zijn in zijn algemeenheid steeds
verder vervagende grenzen tussen publiek en privaat. Aansluitend op wat gezegd
werd over de bestuursinstellingen op afstand zijn de verdeling van
verantwoordelijkheden, bevoegdheden en werkwijze tussen markt en privebezit
enerzijds en staat anderzijds in de praktijk nauwelijks meer te ontdekken of
nauw met elkaar vervlochten.
Twintig jaar geleden al werd
een rapport door de Algemene Rekenkamer gepubliceerd, waarin getracht werd deze
vervlochtenheid in kaart te brengen. Ten
aanzien van vele beleidsterreinen is het onderscheid nauwelijks meer te maken
en uit het rapport van de Rekenkamer bleek, dat dergelijke instellingen
nauwelijks verantwoording hoeven af te leggen aan de gekozen bestuurders. Zo is
een particuliere garage, die auto’s verkoopt en repareert en daarop winst maakt
als particuliere onderneming, tevens uitvoerder van APK keuringen, door de staat
ingesteld om te voorkomen dat er gevaarlijk slechte auto’s op de weg rijden.
Voorzover die garages zich met APK keuringen bezig houden is de Algemene Wet
Bestuursrecht van toepassing, de wet die ingesteld is om het voor de gewone
burger mogelijk te maken bij de rechter te protesteren tegen besluiten van de
overheid.
Sindsdien is de
vervlechting van markt en staat alleen maar toegenomen. De vervlechting
betekent, dat er juist steeds ingewikkelder regels komen om de verhoudingen te
regelen, maar ook dat er steeds meer
juridische conflicten voorkomen bij de onoverzichtelijke situaties die
ontstaan. Het wordt ook door de desocialisatie van de arbeid steeds moeilijker als consument of als klant eventuele
meningsverschillen met een instantie te regelen, omdat het sociaal kapitaal uit
organisaties verdwijnt. Er zijn te weinig ervaren medewerkers over waarmee je
bij knelpunten in contact kunt treden.
Deze twee oorzaken- de steeds ingewikkelder verhouding tussen instanties
en het verdwijnen van sociaal kapitaal in die organisaties leidt ertoe, dat
alleen de formele juridische weg- bezwaarschrift en beroepsprocedures kan
worden bewandeld. Het aantal advocaten in Amsterdam is het drievoudige van tien
jaar geleden.
Er ontstaan duizenden
instellingen en organisaties, die deels privaat zijn en deels een publieke taak
uitvoeren. Het kapitalisme heeft sowieso als kenmerk, dat een minderheid
besluit over de aanwending van de productiemiddelen. Deze vervlechting van
markt en staat en de onderwerping aan de wetten van de markt betekent, dat deze
omstandigheid wordt uitgebreid en dat de weg voor de burger invloed uit te
oefenen wordt verminderd. De oprichting van zogenoemde zelfstandige
bestuursinstellingen leidt tot een afbrokkeling van de democratie. Deze
instellingen vallen niet meer onder de directe controle van de gekozen organen.
Ze hoeven alleen verantwoording af te leggen over de financiële aspecten van
hun werkzaamheden, niet over hoe zij de dienst die zij verrichten organiseren.
Vaak krijgen deze bestuursinstellingen ‘op afstand’ vergaande bevoegdheden en
kunnen ze bijvoord heffingen of andere sancties opleggen aan burgers. Zo
vervagen de grenzen tussen het publieke en private terrein. Zo ontstaan er
duizenden instellingen en organisaties, die deels privaat zijn en deels een
publieke taak uitvoeren. Deze vervlechting maakt dat er steeds meer en
ingewikkelder regels komen om de verhoudingen en bevoegdheden te regelen.
Belangentegenstellingen worden steeds meer juridische conflicten. Sociale
tegenstellingen worden steeds minder in de politieke of maatschappelijke arena
uitgevochten en steeds meer in de rechtzaal. De weg voor groepen burgers om op
basis van zelforganisatie en sociale strijd voor hun belangen op te komen wordt
steeds moeilijker.
dinsdag 24 november 2009
De techniek van het sociaal panopticum
Let op! Bij de analyse van de toepassing van het sociaal panopticum op bijstandsgerechtigden in Amsterdam wordt wat betreft de maatregelen uitgegaan van de situatie in 2010. Regelingen wijzigen zich voortdurend.
Sociologen gebruiken voor de beschrijving van de ontwikkelingen in de
moderne controlemaatschappij wel de metafoor van het sociale panopticum. Dit is
een voortdurende controle op het doen en laten van specifieke groepen in de
maatschappij middels moderne technieken (bewakingscamera’s, koppeling van
databanken, registratie van individuele kenmerken middels vingerafdrukken, etc)
maar ook door controle van organisaties met een stoet van bewakers in dienst,
zoals conducteurs, stadswachten, buurtvaders, etc. De mensen moeten daarbij het gevoel krijgen, dat ze
voortdurend worden waargenomen en dat door de autoriteiten als afwijkend
gedefinieerd gedrag zal worden bestraft. Dit wordt gecombineerd met een
ideologisch offensief dat de ontwikkeling en invoering van het panopticum moet
rechtvaardigen en dat leidt tot illegalisering en criminalisering van gedrag
dat de bedoeling heeft aan het panopticum te ontsnappen of om vorm te geven aan
het samenleven van mensen buiten de principes van de kapitalistische markteconomie
om. Dit geillegaliseerde en gecriminaliseerde gedrag wordt vervolgens streng
bestraft.
Soms worden in dit verband bizarre voorstellen gedaan. Zo stelde de
hoofdcommissaris van politie van het corps Amsterdam-Amstelland, de heer Welten
het volgende voor. Hij droomt van een systeem van virtuele stadsmuren rond
Amsterdam naar analogie van de muren rond een middeleeuwse stad. Zo’n
middeleeuwse stad bepaalde via de bewaking bij haar toegangspoorten wie wel
naar binnen mocht en wie niet. Iedereen werd gecontroleerd. Alleen de burgers,
de poorters van de stad hadden volledige burgerrechten. Anderen- inwoners van
de stad die geen burgerrechten hadden gekocht en mensen van buiten de stad-
hadden minder rechten. Zij mochten de stad of niet betreden of moesten zich aan
bepaalde voorschriften houden die niet voor anderen golden. Hoofdcommissaris
Welten wil nu weer zo’ n systeem invoeren. De virtuele stadsmuur rond
Amsterdam. Iedereen die via een van de toegangswegen de stad binnen wil, wordt
via electronische controlepoorten gescand middels de chip in je paspoort of
andere middelen, zoals de controle van auto’s. Wie in een databank
geregistreerd staat als ongewenst, omdat hij/zij geen verblijfsvergunning
heeft, geregistreerd staat als crimineel of andere redenen, komt de stad niet
binnen. Dit opent ongekende mogelijkheden. Je kunt dan bijvoorbeeld ook mensen
de stad uitwijzen en controleren of ze toch niet weer binnen proberen te komen.
De techniek van het sociale
panopticum werd voor het eerst aan het einde van de 18e eeuw door
Jeremy Bentham geintroduceerd.
Bentham ontwierp een systeem van inspectiehuizen die voor
bewakingsdoeleinden (surveillance) doelen gebruikt kunnen worden in publieke
instituties als gevangenissen, asylcentra, werkhuizen, etc. Het panopticum was
een circkelvormig geheel van open cellen, gebouwd rond een centraal in het
midden van de cirkel staande inspectie toren, als gevolg waarvan zowel de
bewaker of inspecteur en de ‘klanten’ of de werklui of gevangenen op basis van
surveillance van de bewakers constant onder toezicht stonden en waargenomen
konden worden. Michel Foucault heeft de toepassing van deze principes als
sociale techniek behandeld in zijn boek ‘misdaad en straf’. Hij beschrijft het
panopticum als een hulpmiddel van de macht door de constante zichtbaarheid van
de bewaakten. Omdat in het systeem de bewoners, gevangenen of werklui zich er
altijd van bewust zijn dat ze zichtbaar zijn, bracht Foucoult naar voren, dat
een automatisch functioneren van de macht was verzekerd. Als gevolg van
constante bewaking en de surveillance van de bewakers raken individuen verstrikt in een
onpersoonlijke machtsrelatie (met de abstracte institutie) die tegelijkertijd
de machtsrelatie zelf niet-individueel maakt en die tegelijkertijd degenen, die
aan het sociale panopticum zijn onderworpen individualiseert en losmaakt van
collectieve verbanden. Foucault zag deze
techniek als een essentiele ontwikkeling bij de toenemende controle, hierarchisering,
disciplinering en classificatie van mensen in de moderne maatschappij, door
middel waarvan het gedrag van individuen voortdurend gereguleerd en
gecontroleerd wordt door onpersoonlijke instituties.
Belangrijk bij het functioneren van het sociale panopticum
is, dat de mensen die bewaakt worden niet voortdurend in de gaten hoeven te
worden gehouden. Zij hoeven alleen maar het gevoel te hebben, dat dit wel zo
is, dat ze op ieder moment ineens kunnen worden waargenomen.
Praktijkervaringen met de toepassing van de sociale techniek
van het panopticum
De Bijstandsbond is een
organisatie van uitkeringsgerechtigden en andere mensen met een minimuminkomen
in Amsterdam. De organisatie houdt een spreekuur in samenwerking met een
advocatenkantoor. Op het spreekuur komen voornamelijk bijstandsgerechtigden,
mensen die vaak in armoede leven, en op wie de sociale techniek van het
panopticum vanuit voornamelijk de Dienst Werk en Inkomen (voorheen de sociale
dienst) wordt toegepast. Zo zou je althans in mijn ogen het stelsel van
maatregelen, dat op de bijstandsgerechtigden in Amsterdam van toepassing is
kunnen noemen.
Wie een uitkering aanvraagt,
krijgt een huisbezoek. Daarbij moet zowel vrijwel de gehele administratie als
de leefomstandigheden zichtbaar gemaakt worden. Ook mensen die al een uitkering
hebben kunnen eventueel een huisbezoek verwachten. Daarnaast moet maandelijks
een werkbriefje ingevuld worden, waarmee wijzigingen in de leefomstandigheden
moeten worden aangegeven, je moet zo’n briefje ook invullen als er niets
gewijzigd is. Verder zijn er routinematig de periodieke heronderzoeken, waarbij
alle prive-gegevens over leefomstandigheden, bankrekeningen, uitgavenpatroon,
sociale relaties, eventueel vrijwilligerswerk, etc, steeds opnieuw op tafel
gelegd ‘zichtbaar’gemaakt moeten worden. Verder wordt iedereen die zegt niet te
kunnen werken wegens arbeidsongeschiktheid onderworpen aan een keuring.
Daarnaast worden mensen, die nu niet geschikt zijn voor de arbeidsmarkt maar
dat in de toekomst wel zouden kunnen zijn, onderworpen aan allerlei vormen van
trajectbegeleiding middels vaak particuliere reintegratieinstituten. De controle van bijstandsgerechtigden wordt verder uitgebreid met registraties in en koppeling van gigantische databestanden.
Mensen zijn zich er over het algemeen zeer van bewust dat ze
voortdurend worden waargenomen, dat ze voortdurend ‘zichtbaar’zijn. Wat dit
betreft klopt de waarneming van Foucoult, dat zij het symbool van de anonieme
macht, de sociale dienst, in Amsterdam de DWI altijd in hun gedachten hebben,
dat zij vanuit zichzelf vanwege die constante zichtbaarheid, of beter gezegd je
kunt ieder ogenblik volledig zichtbaar gemaakt worden met je priveleven, iedere
dag wel aan de sociale dienst denken. Dat men in werkelijkheid weinig werkelijk
contact heeft met die dienst is daarbij niet van belang. Ook veel
uitkeringsgerechtigden die maar eens in het half jaar een her controle hebben
en voor de rest met rust worden gelaten, denken vaak iedere dag aan de sociale
dienst. Men ‘verinnerlijkt’ de anonieme macht van de sociale dienst. Bij de
gedachtengangen die uitkeringsgerechtigden dan hebben gaat het dan voortdurend
over de grenzen van de sociale techniek van het panopticum die op hen wordt
toegepast. Mag je een huisbezoek weigeren? Moet ik echt alle giroafschriften
van de laatste drie maanden laten zien, moet ik de originelen laten zien, mag
ik uitgaven voor de boodschappen en zo ook afplakken en dan een kopie maken,
want met mijn dagelijks leven hebben ze niets te maken? Is een medische keuring
verplicht? De arbeidsbemiddelaar heeft mij een aanbod gedaan voor bemiddeling.
Mag ik dan weigeren? Wat kan ik verwachten als ik op gesprek ga bij de Dienst
Werk en Inkomen en wat niet? Etc.
Angst voor de anonieme macht van
de sociale dienst speelt een belangrijke rol. Klanten malen door hierover en vermengen dit met fantasien over
hoe aan het sociale panopticum te ontsnappen. De mensen definieren hun situatie
in dit verband, en schatten wat dit betreft hun eigen mogelijkheden en
onmogelijkheden in. Sommige mensen definieren zich als ziek Ik kan er niet meer tegen, ik kan die druk
niet hebben ik denk er voortdurend aan, wat kan ik doen om met rust gelaten te
worden? Weer anderen willen dit helemaal juist niet. Zij denken aan andere
ontsnappingsmogelijkheden zoals illegale activiteiten. Of betaald werk zoeken
als dat mogelijk is. Wat ook benadrukt wordt in de gesprekken met mensen op de
Bijstandsbond is de absurditeit van de techniek van het sociale panopticum. Mensen
zijn zich op het uitvoeringsniveau vaak scherp bewust van de tegenstrijdigheden
in het systeem. Dit is verbonden met een
maatschappijkritiek waarbij voortdurend onder elkaar op berichten in de pers van uitspraken van politici wordt gereageerd, zonder dat het van daaruit tot een politiek handelen komt.
Deze mensen komen op het
spreekuur van de Bijstandsbond, waar de vrijwilligers en de advocaat zich
namens de individuele spreekuurbezoekers bezighouden met onderhandelingen met
de bewakers die de techniek van het sociale panopticum toepassen over de grenzen
ervan in individuele situaties. En soms, wanneer vanuit ‘humane’ overwegingen
de toepassing van de techniek echt absurd is, wordt een bepaalde regeling in de
publiciteit gebracht of wordt op een hoger niveau met bewakers onderhandeld
over wijziging van een regeling. Wij geven een signaal af: jullie gaan te ver, de regeling wordt dan
teruggedraaid of versoepeld. Dit doet echter niets af aan het feit, dat de
techniek van het sociale panopticum steeds verder wordt uitgebreid en op steeds
meer levensterreinen betrekking heeft.
Bij de onderhandelingen over de
grenzen van het sociale panopticum (hoe totaal mag de techniek worden
toegepast?) gaat het enerzijds om een juridisering en anderzijds om een
medicalisering van de onderhandelingen. De
ontsnappingsroute van de medicalisering. Mensen doen steeds meer een beroep
op ‘ziektewinst’ waarbij de maatschappelijke autoriteit van medici gebruikt
wordt om aan het sociale panopticum te ontsnappen.
Er mogen dan voordturend onderhandelingen zijn over de
grenzen van het panopticum, hoe uitgebreid en totaal het mag zijn en op wie het
van toepassing is, feit is dat de bewakers erop uit zijn de techniek steeds
verder te vervolmaken en uit te breiden. De zichtbaarheid van zowel bewakers
als degenen die bewaakt worden moet worden vervolmaakt. Daarom worden ook
steeds meer instanties bij de toepassing van de techniek van het sociale
panopticum betrokken.
De toonkamer
De meest recente ontwikkelingen
in Amsterdam: werklozen in het stadsdeel
Zuidoost kunnen voor het zoeken naar banen en het aanvragen van een
uitkering bij één ambtenaar terecht. Daar kunnen voortaan alle klanten van CWI
(het voormalige arbeidsbureau), DWI (de vroegere sociale dienst) en het UWV
(voor bijzondere uitkeringen) terecht. Ook voor cursussen, voor psychische en
medische hulp en dergelijke kunnen klanten zich hier melden
Ze komen terecht bij hun eigen klantenregisseur, één ambtenaar die optreedt namens al deze sociale instellingen. Bij het loket kan de klantenregisseur de werklozen veel sneller dan voorheen door de ambtelijke molen halen. Een kennismakingsgesprek met een klant leidt tot een dossier in de computer, waar de ambtenaren van CWI, DWI en UWV tegelijkertijd toegang toe hebben. We hebben hiervoor al opgemerkt, dat essentieel voor de toepassing van de sociale techniek van het panopticum de zichtbaarheid van zowel de bewakers als degenen die worden bewaakt is. Dit nieuwe loket wordt dan ook heel toepasselijk ‘de toonkamer’genoemd. Hier leiden tevredenheidsonderzoeken tot de conclusie, dat iedereen tevreden is. De eerste indruk is dat de klanten erg blij zijn met de nieuwe manier waarop ze worden begeleid. Negentig procent van hen zegt tevreden te zijn, aldus de toonkamer na een eigen onderzoek. Omdat de uitkomst positief is, kan de toonkamer nu in de rest van de stad worden ingevoerd.
Ze komen terecht bij hun eigen klantenregisseur, één ambtenaar die optreedt namens al deze sociale instellingen. Bij het loket kan de klantenregisseur de werklozen veel sneller dan voorheen door de ambtelijke molen halen. Een kennismakingsgesprek met een klant leidt tot een dossier in de computer, waar de ambtenaren van CWI, DWI en UWV tegelijkertijd toegang toe hebben. We hebben hiervoor al opgemerkt, dat essentieel voor de toepassing van de sociale techniek van het panopticum de zichtbaarheid van zowel de bewakers als degenen die worden bewaakt is. Dit nieuwe loket wordt dan ook heel toepasselijk ‘de toonkamer’genoemd. Hier leiden tevredenheidsonderzoeken tot de conclusie, dat iedereen tevreden is. De eerste indruk is dat de klanten erg blij zijn met de nieuwe manier waarop ze worden begeleid. Negentig procent van hen zegt tevreden te zijn, aldus de toonkamer na een eigen onderzoek. Omdat de uitkomst positief is, kan de toonkamer nu in de rest van de stad worden ingevoerd.
Via het in de computer
bijgehouden 'klantvolgsysteem' kan met
een druk op de knop de stand van zaken worden bekeken. Een van de bewakers van
de toonkamer zegt: ''Dan ziet de ambtenaar bijvoorbeeld dat een klant aan het
solliciteren is. Een sms-je met de tekst 'Zet hem op, je kunt het best' kan hij met de computer versturen. Dat sms-je
blijft in de computer geregistreerd staan, zodat we later kunnen zien of we de
klanten wel genoeg geholpen en gestimuleerd hebben.’ Tenslotte, zo voeg ik
eraan toe, is bij de techniek van het sociale panopticum ook de zichtbaarheid
van de bewakers, of het gevoel ieder ogenblik zichtbaar gemaakt te kunnen
worden, belangrijk
De toepassing van de techniek van
het sociale panopticum als totale controle van het doen en laten van
bijstandsgerechtigden is slechts een van de voorbeelden. We zien in de
maaatschappij steeds meer vormen van deze controle, van de constante
zichtbaarheid van de burgers, verschijnen. Bewakingscamera’s
op straat, identificatieplicht, etc. Maar ook
particuliere systemen als air-miles, etc. Nieuwste mogelijkheid zijn de technieken die
toegepast gaan worden bij het rekeningrijden. Daarbij wordt geregistreerd hoe
vaak je in je auto rijdt, waar de auto zich bevindt, hoelang ermee gereden is
en welke routes zijn afgelegd. Dit is bedoeld om te bepalen hoeveel voor het
rekeningrijden betaald moet worden, maar het CDA wil dat deze gegevens ook voor
derden beschikbaar komen. Winkels, die registreren hoe vaak je in je auto langs
de winkel rijdt, etc. Wat dit betreft sluit het mooi aan op de analyse van Schrijvers
over de neo-logistieke orde. Alles moet voortdurend worden gemonitord,
gecontroleerd en consumenten moeten voortdurend worden bevraagd over hun
koopgedrag en hun voorkeuren, terwijl allerlei registratiesytemen het gedrag
van de consument nauwkeurig meten.
Labels:
controlemaatschappij,
sociaal panopticum
zondag 22 maart 2009
Enkele opmerkingen over de economische crisis, de controlemaatschappij en het verzet ertegen
Je zou kunnen stellen dat we in een doorgeschoten
controlemaatschappij leven. Koppelingen van databanken, uitbreiding van het
politieapparaat, uitdijende gevangenissen en een zwerm van controleurs moet de
burgers in het gareel houden. De bevoegdheden van al die instanties worden
steeds meer uitgebreid. Onaangekondigde Huisbezoeken waarbij het recht op
huisvrede wordt omzeild bij bejaarden en bijstandsgerechtigden, opname van hele
huisgezinnen in een strak begeleidingsprogramma en geavanceerde
signaleringstechnieken moeten gedetailleerde informatie verschaffen over wat de
mensen doen en hoe ze leven. Het controlesysteem moet de mensen in het gareel
houden, waarbij stigmatisering van bepaalde bevolkingsgroepen onvermijdelijk
lijkt te zijn. Criminologen tonen keer op keer aan, dat in feite de
criminaliteit en fraude niet is toegenomen en dat het gevoerde beleid
ineffectief is. Maar men gaat door op de oude voet.
Sociologen gebruiken
voor de beschrijving van de ontwikkelingen in de moderne controlemaatschappij
wel de metafoor van het sociale panopticum. Dit is een voortdurende
controle op het doen en laten van specifieke groepen in de maatschappij middels
zoals hierboven reeds gezegd moderne technieken (bewakingscamera’s, koppeling
van databanken, registratie van individuele kenmerken middels vingerafdrukken,
etc). Dit wordt aangevuld met controle door allerlei overheids- en particuliere
organisaties met een stoet van bewakers in dienst, zoals conducteurs,
stadswachten en buurtvaders. De mensen moeten daarbij het gevoel krijgen, dat
ze voortdurend worden waargenomen en dat door de autoriteiten als afwijkend
gedefinieerd gedrag zal worden bestraft. Dit wordt gecombineerd met een
ideologisch offensief dat de ontwikkeling en invoering van het panopticum moet
rechtvaardigen. Men streeft naar illegalisering en criminalisering van gedrag
dat de bedoeling heeft aan het panopticum te ontsnappen of om vorm te geven aan
het samenleven van mensen buiten de principes van de kapitalistische
markteconomie om. Dit geillegaliseerde en gecriminaliseerde gedrag wordt
vervolgens streng bestraft.
Neoliberalisme
De doorgeschoten controlemaatschappij is opgekomen met de
invoering van de neo-liberale politiek, gekenmerkt door rigoureuze invoering
van het marktdenken in alle sectoren van de maatschappij. Dit marktdenken ging
gepaard met een afbraak van de oude welvaartsstaat en bezuinigingen. Men kan
deze neo-liberale politiek zien als een antwoord op de neergaande conjunctuur
sinds midden jaren zeventig van de 20e eeuw. Een van de
uitgangspunten die in de neo-liberale politiek opgeld doet is dat ieder
individu op de markt zijn of haar eigenbelang moet nastreven. Het marktmechanisme
zal de welvaart en het welzijn van iedereen het grootst maken. Dit geldt voor
de mondige consument, die de stroom informatie met keuzemogelijkheden die op
hem afkomt efficiënt kan managen en de meest rationele keuzes maken. Dit geldt
voor de arbeidskracht, die zich op de flexibele arbeidsmarkt als de verkoper
van het product arbeidskracht opstelt. Het individu dient zich te gedragen als
‘homo economicus’ die efficiënt reageert op prikkels (sancties en beloningen)
van buiten. Het marktmechanisme regelt de organisatie van de productie, de
verdeling van goederen en de inrichting van de maatschappij.
Qua uitgangspunt wil het principe van de homo-economicus echter
twee tegenstrijdige dingen verenigen. Enerzijds moeten mensen zich gedragen als
een individuele ondernemer of mondige consument die op de markt in een verder
organisatorisch voor hem of haar ongestructureerde omgeving zelfstandig als
‘vrij’ individu zijn bestaan organiseert. Maar sommige mensen gaan in een
ongestructureerde omgeving ‘doelloos rondzwemmen’ of hun handelen blokkerende redeneringen
opzetten, of de verkeerde organisatorische argumenten gebruiken. Voorzover ze
deelnemen aan organisatorische en sociale verbanden zien ze zichzelf vaak als
te belangrijk en zijn ze bang dat ze zelf uit beeld verdwijnen. Sommigen
streven ernaar een eigen winkeltje op te zetten en niet samen te werken met
anderen die hetzelfde doen. En ze anticiperen niet op mogelijke toekomstige
ontwikkelingen. Dit waren eigenschappen die sommige mensen altijd al hadden,
maar de neo-liberale politiek heeft dit verergerd. Door de privatiseringen van
allerlei hulpverleningsinstanties, particuliere verzekeringen en het verdwijnen
van sociale verbanden gebaseerd op solidariteit komt een stroom informatie op
het individu af van allerlei elkaar beconcurrerende instellingen. Daarbij moet
men steeds opnieuw keuzes maken en een steeds uitgebreidere administratie
bijhouden. Sommige mensen lukt dat niet. En soms is het ook niet te doen. Burgers
hebben in strijd daarmee vaak van jongsaf op school geleerd te werken aan een
omschreven deeltaak in een organisatie op basis van discipline van buitenaf. In
dit verband wordt de maatschappij steeds tegenstrijdiger, want aan de ene kant
wordt die discipline nog steeds gevraagd, doen wat je baas zegt, en zijn
woorden voor zoete koek slikken, in een gestructureerde omgeving. Anderzijds
betekent een flexibele arbeidsmarkt en de projectmatige en tijdelijke opzet van
allerlei projecten waarin je tijdelijk kunt meedraaien dat je vanuit jezelf
geredeneerd, in een ongestructureerde omgeving, 'de maatschappij', je eigen
bestaan moet organiseren. Daarbij moet je de informatie die verkopers of
anderen ter beschikking stellen in twijfel trekken en dus niet voor zoete koek
slikken. Daarom zijn de work first projecten en andere disciplineringtrajecten
ook zo verkeerd. Mensen leren daar de verkeerde dingen. Ze leren discipline,
van buitenaf opgelegd, en gehoorzamen daaraan, verrichten op vaste tijden eenvoudige
routinearbeid. Maar die discipline komt niet uit henzelf, ze leren niet hoe op
een flexibele arbeidsmarkt die veel onzekerheid met zich meebrengt hun eigen
bestaan in vrijheid te organiseren, met alle kennis en vaardigheden -ook van je
eigen functioneren- die daarbij behoren. Daarom werken die projecten ook niet.
Nieuw revolutionair subject?
De vraag is, of vanuit de bovenomschreven tegenstrijdigheid
de mensen die als vrije ZZP-ers of flexibele ondernemers en free-lancers in de
soms kunstzinnige (media) sector opereren kunnen worden gezien als een
betrekkelijk nieuw revolutionair subject dat rebelleert tegen de
disciplinerende controlemaatschappij. Daarbij bronnen aanborend en benuttend
die- bij solidarisering met uitgeslotenen- de mogelijkheid bieden voor massaal
verzet. Ik denk van niet. Het grote probleem waar we voor staan is daarmee niet
opgelost. Dit probleem is de blokkade van het handelen in sociale verbanden en
collectieven vanuit bepaalde kritische opvattingen over de maatschappij. Ik kom
daar nog op terug. Verschillende onderzoekers hebben in de huidige
ontwikkelingen- de herstructurering van sociale relaties- de opkomst van nieuwe
revolutionaire subjecten gezien. Hardt en Negri hebben betoogd, dat ‘immateriële
arbeid’ steeds belangrijker wordt en zij ontwikkelden het concept van de
‘multitude’ waarbij de strijd niet meer zou gaan tussen kapitaal en arbeid maar
tussen ingeslotenen en uitgeslotenen. Het zou te ver voeren, hier in te gaan op
de discussies die het afgelopen decennium gevoerd zijn rond de begrippen
‘multitude’ of ‘arbeidersklasse’ in vaak
theoretisch ingewikkelde boeken voor een kleine minderheid.
Het gaat mij in dit discussiestuk om pragmatische argumenten
geredeneerd vanuit de praktijk die de huidige blokkade tussen opvattingen
(waarden) en actief handelen in sociale verbanden kunnen doorbreken. Daarbij
zijn processen van insluiting en uitsluiting in mijn ogen nauw verbonden met de
ontwikkeling van het kapitalisme.
Gemeenschapsdenken in sociale verbanden op basis van
solidariteit
De innerlijke tegenstrijdigheid tussen gedisciplineerde ondergeschikte
enerzijds en vrije mondige burger anderzijds is slechts oplosbaar door vormen
van gemeenschapsdenken in de organisatie van de maatschappij waarin
solidariteit tussen mensen de basis is voor overleg en samenwerking. Daarbij
kunnen mensen door uitwisseling van niet-commerciële informatie en onderlinge
taakverdeling bewust afwegen wat de gevolgen zijn van individuele keuzen voor
de gemeenschap als geheel. Het welbegrepen eigenbelang moet soms opzij
geschoven worden voor het groepsbelang en bewuste democratische keuzen van de
groep bepalen dan wat geproduceerd of gedaan wordt. Het marktmechanisme speelt
daarbij een ondergeschikte of geen rol. In feite proberen mensen dit voortdurend
te realiseren ondanks de bovengenoemde moeilijkheden die ze daarbij ten aanzien
van hun eigen functioneren en dat van anderen tegenkomen. Voortdurend proberen
mensen gemeenschappen en groepen te vormen op basis van normen en waarden die
afwijken van het marktdenken om een antwoord te geven op de innerlijke
tegenstrijdigheden van dat markt denken in het kapitalisme. En voortdurend
pogen overheden en ondernemers vanuit dat kapitalisme aanpassingen tot stand te
brengen aan dit marktdenken. Voor wie er oog voor heeft zie je in dit opzicht voortdurend
botsingen en spanningen op vele sociale niveaus. In feite is de doorgeschoten
controlemaatschappij een methode om deze spanningen te managen en te beheersen
en mensen ertoe te brengen zich als ‘homo economicus’ te gedragen. Verschillende
sociale verbanden, organisaties en gemeenschappen worden daarbij niet gesteund
of tegengewerkt of onschadelijk gemaakt. Met name gaat het daarbij om groepen waarbij
een fundamentele kritiek op het kapitalisme of uitwassen daarvan wordt
geformuleerd en waarbij die gemeenschappen dienen om verzet te organiseren en
de innerlijke tegenstrijdigheden te politiseren. Andere sociale en
organisatorische verbanden worden geïncorporeerd in het kapitalisme door middel
van ‘governance’. Op dit begrip kom ik nog terug. De controlemaatschappij in
het kapitalisme met de van buitenaf opgelegde discipline waaraan men moet gehoorzamen,
reproduceert echter de tegenstrijdigheid in de benadering van het menselijk
gedrag.
Structurering van sociale relaties in het neoliberalisme
De bovengenoemde ontwikkeling heeft de sociale relaties
tussen mensen op een ingrijpende manier geherstructureerd. Het zou te vervoeren
al de kenmerken daarvan te noemen.
Enkele punten wil ik naar voren brengen.
- Vaak
zijn traditionele gemeenschappen met niet op marktdenken gebaseerde
waarden en normen uit elkaar gevallen, zoals familie en buurtverbanden.
Dat is een proces dat al bij de ontzuiling van Nederland is ingezet en een
gevolg van moderniseringen, die niet alleen aan de ontwikkeling van het neoliberalisme
zijn toe te schrijven. Tegelijkertijd moet worden gezegd dat veel van deze
traditionele verbanden nog steeds springlevend zijn, denk maar aan de
‘bible-belt’. We zien echter in de jaren zestig, zeventig en tachtig
nieuwe sociale bewegingen opgekomen, naast een hernieuwde bloei van de
arbeidersbeweging, waarbij op basis van solidariteit tussen mensen burgers
zichzelf politiek organiseerden en vanuit eigen organisaties hun
emancipatie nastreefden. Met het naar voren komen van het geatomiseerde,
mondige individu in het neoliberalisme zijn ook deze sociale bewegingen
nagenoeg verdwenen. Daarvoor in de plaats kwam de politiek van
‘governance’. Staten en grote bedrijven zochten overleg met NGO’s die vaak
wel ontstaan zijn in sociale bewegingen van onderop, maar die zich
ontwikkeld hebben tot door machtige instituties en staten gesubsidieerde
instellingen, waarbij de legitimatie voor hun optreden niet meer voortkomt
uit het actieve optreden van de leden. De leden zijn in plaats van actieve
burgers die hun emancipatiedrang politiseren passieve consumenten
geworden, die deelnemen aan van bovenaf opgezette zwaar gesubsidieerde
projecten. Ook de vakbeweging gaat in feite de kant op van een
consumentenorganisatie op basis van ‘governance’.
- In
het neoliberalisme waarbij de onderlinge concurrentie tussen individuen
wordt bevorderd zijn er winnaars en verliezers; wie de ratrace om de
schaarse hulpbronnen en bij grote massawerkloosheid de race om de schaarse
banen niet kan volhouden komt terecht in de uitzichtloze positie van een
onderklasse. Daarbij speelt etnisering van de achtergestelden een rol.
Hierdoor zijn nieuwe tegenstellingen ontstaan tussen middengroepen die
tijdelijk geprofiteerd hebben van het casinokapitalisme en degenen, die
daar niet van geprofiteerd hebben. Deze tegenstellingen zijn geglobaliseerd.
Niet alleen komen ze voor in 1 land, maar ze zijn wereldwijd. In feite
stonden de architecten van de neo-liberale politiek voor de vraag: hoe de
lonen te bevriezen, loonkosten te drukken, bezuinigen op uitkeringen te
realiseren en toch in de westerse landen de voorwaarden voor de
reproductie van de arbeidskrachten in stand te houden en het verzet te
kanaliseren. Dit is gebeurt door de nieuwe internationale
arbeidsverdeling: productie van massagoederen werd verplaatst naar lage
lonen landen door het openbreken van markten in de derde wereld en
structurele aanpassingsprogramma’s waardoor massagoederen werden
geproduceerd die de arbeiders in het westen goedkoop konden aanschaffen. Bij
de verlaging of het achterblijven van hun koopkracht kon de financiering
van hun consumptie worden gerealiseerd door de ontwikkeling van een schuldeneconomie.
Mensen konden in het casinokapitalisme lange tijd geld lenen (met
bijvoorbeeld de waarde of overwaarde van hun huis als onderpand en voor de
gepensioneerden de waarde van de aandelen waarin de pensioenfondsen
belegden). Met dat geleende geld kon de consumptie op peil blijven. Het is
overigens voor mij de vraag of dit wel een van te voren opgezet plan is.
Het is meer een gevolg van trial and error in de ontwikkeling waarbij men
al experimenterend in een bepaalde richting probeerde te werken.
- Met
de opkomst van de controlemaatschappij zijn op vele terreinen de
mogelijkheden voor de burger om invloed uit te oefenen ingeperkt. De
bewegingsvrijheid om het eigen leven, de eigen baan of het eigen gedrag
naar eigen keuzen vorm te geven is afgenomen. Dit geldt ook voor de mensen
die betaald werk hebben. De sociale relaties in bedrijven zijn sterk veranderd.
Er is niet alleen een flexibilisering van de arbeidsmarkt, waarbij
verschillen ontstaan tussen kernarbeiders in vaste dienst en flexibele
uitzendkrachten zonder binding aan het bedrijf. Bedrijven hebben de
commandostructuren anders gereorganiseerd. Door de groei van de communicatietechnologie
kunnen opdrachten en andere informatie op een veel directere en
nauwkeuriger manier worden doorgegeven van de top naar de basis van de
bureaucratische hiërarchieën zoals de administratieve of
productieorganisatie van grote bedrijven. Prestaties van het personeel
kunnen daarbij op een veel directere manier worden gecontroleerd. Er is
dus een nieuw soort centralisatie van de macht in handen van weinigen.
Personeel krijgt steeds minder speelruimte om een eigen invulling te geven
aan het werk dat ze doen. De ruimte om in organisaties een eigen invulling
te geven aan je baan en de taken daarbij wordt geminimaliseerd. Automatisering
leidde ertoe, dat de bureaucratische piramides in organisaties ingrijpend
veranderden. De basis van de piramide hoeft niet meer groot te zijn. Zowel
bij handarbeid als op kantoor kon routinewerk worden opgeheven door
innovaties als barcodelezers, stemherkenningtechnologie en micromachines
die het werk van de vingers overnemen. De omvang van het personeel kon
worden beperkt door de onderste functielagen op te heffen. Dit heeft tot
gevolg, dat veel personeelsleden overbodig werden en er in de westerse
landen een permanente, structurele werkloosheid heerst. De flexibilisering
van de arbeid en allerlei organisatorische veranderingen leiden tot wat
Wacquant noemt de 'sluipende desocialisatie' van de arbeid. In de
bureaucratische productiestructuren die tot de zeventiger jaren
overheersend waren hadden mensen voor langere tijd een vaste functie,
waarbij ze de tijd kregen sociale relaties op hun werk op te bouwen en een
sociaal netwerk te ontwikkelen. Daarbij ontwikkelden ze een bepaalde
binding aan het bedrijf en hadden ze een zij het vaak beperkte zeggenschap
over de inrichting van hun werk. Ze waren trots op de organisatie waar ze
werkten en het werk dat ze deden. Bij de flexibele arbeid is deze binding
en deze trots geheel verdwenen terwijl het veel moeilijker is geworden via
je werk een netwerk van sociale relaties op te bouwen. Richard Sennett
wijst ook op de desocialisatie van de arbeid. Het 'sociaal kapitaal'
verdwijnt uit de productieorganisaties. De voortdurende organisatorische
veranderingen, waarbij hele afdelingen gesloten kunnen worden en niemand
zeker is van zijn werk, de flexibele arbeid waarbij mensen ergens niet
lang werken leiden tot een groot verloop onder het personeel, geringe
institutionele loyaliteit, afname van het informele vertrouwen onder
werknemers en verzwakking van de institutionele kennis.
- De
ontwikkelingen onder punt 3 hebben grote gevolgen voor de relaties tussen
de gemiddelde burger cq consument en die organisaties. Als je een
(administratief) probleem hebt, krijg je iemand van een call-center aan de
telefoon, of directe medewerkers van de organisatie, die alleen antwoord
kunnen geven op een beperkte set van te voren opgestelde standaardvragen. In
het verleden konden professionele hulpverleners van mensen met problemen
in de bureaucratieën een sociaal netwerk opbouwen van contacten met
functionarissen, die er al jaren werkten, die een grote kennis hadden van
de besluitvormingsprocedures in de organisatie en die ook antwoord konden
geven op meer specifieke vragen. Dit bevorderde, dat mensen toch
uiteindelijk hun rechten konden effectueren via overleg. Deze situaties
zijn in de flexibele productieorganisaties steeds minder te vinden
waardoor het voor mensen met problemen en hun hulpverleners steeds
moeilijker wordt tot een oplossing te komen. In het verlengde hiervan ligt
weer, dat burgers noodgedwongen in plaats van via overleg met een
instantie tot een oplossing te komen steeds meer een beroep moeten doen op
de rechter om hun gelijk en hun rechten te halen. Het aantal
advocatenkantoren is het laatste decennium explosief gestegen.
- De
sociale relaties tussen mensen worden ook beïnvloed door het streven, met
behulp van de mogelijkheden die de automatisering biedt als het ware
consumenten delen van het productieproces te laten uitvoeren. Je haalt je
kontante geld al sinds jaar en dag uit de automaat, terwijl je vroeger
naar de balie moest om het geld op te halen bij een medewerker van het postkantoor
die de mensen en de problemen van de buurt kende. De kleine ondernemer die
dezelfde functie had is voor een groot gedeelte al uit het straatbeeld
verdwenen. In supermarkten is men
bezig systemen te ontwikkelen, waarbij het afrekenen aan de kassa tot het
verleden behoort. (Oa bij de Vomar) De consument scant zelf zijn of haar
artikelen die in de supermarkt zijn opgehaald met behulp van een
scanapparaat dat de barcodes leest die op de producten staan. Er zijn dan
veel minder caissières nodig. Contact met medewerkers van het bedrijf heb
je als consument niet meer. Er zijn alleen enkelen die meer een
bewakingsfunctie hebben om te kijken of alles vlot verloopt. Dit principe-
de consument het productiewerk laten doen wordt op vele manieren
ingevoerd. Schiphol is bezig met een geautomatiseerd systeem om de
passagiers zelf te laten inchequen. Vaak betekent dat ook een extra
administratieve belasting voor de burger cq consument, die steeds nieuwe
kennis en vaardigheden moet ontwikkelen om een zelfstandig bestaan te organiseren
zonder daarbij een beroep te kunnen doen op medewerkers van een bedrijf
voor ondersteuning. Dit sluit aan bij wat hiervoor werd gezegd over mensen
die het niet meer lukt hun bestaan te managen.
- Vooral
voor de zogenaamde ‘onderklasse’ is de bewegingsvrijheid en van daaruit
een handelingsperspectief afgenomen door de invoering van de
controlemaatschappij en het sociaal panopticum: je hebt voortdurend het
gevoel te worden waargenomen en gecontroleerd, ook al is dit feitelijk
niet het geval. Foucault bracht naar voren, dat een automatisch
functioneren van de macht bij het sociale panopticum is verzekerd. Als
gevolg van constante bewaking en de surveillance van de bewakers raken individuen verstrikt in een
onpersoonlijke machtsrelatie met de abstracte institutie die
tegelijkertijd de machtsrelatie zelf niet-individueel maakt en die
degenen, die aan het sociale panopticum zijn onderworpen individualiseert
en losmaakt van collectieve verbanden.
Foucault zag deze techniek als een essentiële ontwikkeling bij de
toenemende controle, hiërarchiesering, disciplinering en classificatie van
mensen in de moderne maatschappij, door middel waarvan het gedrag van
individuen voortdurend gereguleerd en gecontroleerd wordt door
onpersoonlijke instituties.
Belangrijk bij het functioneren
van het sociale panopticum is, dat de mensen die bewaakt worden niet
voortdurend in de gaten hoeven te worden gehouden. Zij hoeven alleen maar het
gevoel te hebben, dat dit wel zo is, dat ze op ieder moment ineens kunnen
worden waargenomen. De gevolgen van deze ontwikkeling zie je bij bijvoorbeeld
bijstandsgerechtigden en bejaarden. Wie een uitkering aanvraagt, krijgt een
huisbezoek. Daarbij moeten zowel vrijwel de gehele administratie als de
leefomstandigheden zichtbaar gemaakt worden. Ook mensen die al een uitkering
hebben kunnen eventueel een huisbezoek verwachten. Daarnaast moet maandelijks
een werkbriefje ingevuld worden, waarmee wijzigingen in de leefomstandigheden
moeten worden aangegeven, je moet zo’n briefje ook invullen als er niets gewijzigd
is. Verder zijn er routinematig de periodieke heronderzoeken, waarbij alle privé-gegevens
over leefomstandigheden, bankrekeningen, uitgavenpatroon, sociale relaties,
eventueel vrijwilligerswerk, etc, steeds opnieuw op tafel gelegd, ‘zichtbaar’ gemaakt
moeten worden. Verder wordt iedereen die zegt niet te kunnen werken wegens
arbeidsongeschiktheid onderworpen aan een keuring. Daarnaast worden mensen, die
nu niet geschikt zijn voor de arbeidsmarkt maar dat in de toekomst wel zouden
kunnen zijn, onderworpen aan allerlei vormen van trajectbegeleiding middels
vaak particuliere reintegratieinstituten.
Mensen zijn zich er over het
algemeen zeer van bewust dat ze voortdurend worden waargenomen, dat ze
voortdurend ‘zichtbaar’ zijn. Wat dit betreft klopt de waarneming van Foucoult,
dat zij het symbool van de anonieme macht, de sociale dienst, in Amsterdam de
DWI altijd in hun gedachten hebben, dat zij vanuit zichzelf vanwege die
constante zichtbaarheid, of beter gezegd je kunt ieder ogenblik volledig
zichtbaar gemaakt worden met je privé-leven, iedere dag wel aan de sociale
dienst denken. Dat men in werkelijkheid weinig werkelijk contact heeft met die
dienst is daarbij niet van belang. Ook veel uitkeringsgerechtigden die maar
eens in het half jaar een her controle hebben en voor de rest met rust worden
gelaten, denken vaak iedere dag aan de sociale dienst. Men ‘verinnerlijkt’ de
anonieme macht van de sociale dienst. Bij de gedachtegangen die
uitkeringsgerechtigden dan hebben gaat het dan voortdurend over de grenzen van
de sociale techniek van het panopticum die op hen wordt toegepast. Mag je een
huisbezoek weigeren? Moet ik echt alle giroafschriften van de laatste drie
maanden laten zien, moet ik de originelen laten zien, mag ik uitgaven voor de
boodschappen en zo ook afplakken en dan een kopie maken, want met mijn
dagelijks leven hebben ze niets te maken? Is een medische keuring verplicht? De
arbeidsbemiddelaar heeft mij een aanbod gedaan voor bemiddeling. Mag ik dan
weigeren? Wat kan ik verwachten als ik op gesprek ga bij de Dienst Werk en
Inkomen en wat niet? Etc.
Angst voor de anonieme macht van
de sociale dienst speelt een belangrijke rol. Klanten malen door hierover en
vermengen dit met fantasieën over hoe aan het sociale panopticum te ontsnappen.
De mensen definiëren hun situatie in dit verband, en schatten wat dit betreft
hun eigen mogelijkheden en onmogelijkheden in. Sommige mensen definiëren zich
als ziek Ik kan er niet meer tegen, ik kan die druk niet hebben ik denk er
voortdurend aan, wat kan ik doen om met rust gelaten te worden? Weer anderen
willen dit helemaal juist niet. Zij denken aan andere ontsnappingsmogelijkheden
zoals illegale activiteiten. Of betaald werk zoeken als dat mogelijk is. Wat
ook benadrukt wordt in de gesprekken met mensen op de Bijstandsbond is de
absurditeit van de techniek van het sociale panopticum. Mensen zijn zich op het
uitvoeringsniveau vaak scherp bewust van de tegenstrijdigheden in het systeem. In
een dergelijke situatie is het zeer moeilijk mensen tot collectief, openlijk
verzet te brengen in organisatorisch verband.
Onoverbrugbare
tegenstellingen en individualisering?
Uit
het bovenstaande moet in mijn ogen niet worden afgeleid, dat de wereld in het
algemeen en de westerse maatschappijen in het bijzonder alleen maar vaten vol
onoverbrugbare tegenstellingen zijn geworden. In Nederland is er weliswaar
bijvoorbeeld een niet te verwaarlozen groep Wilders aanhangers, die zich
behoorlijk roeren in de media en internet.
Maar wat betreft haar opvattingen lijkt de meerderheid van de Nederlandse
bevolking zelfs toleranter en kritischer te worden. Dit blijkt oa uit een
onderzoek van Motivacion. (Geloof jij dat je betrokken bent? Sociale kwesties in de samenleving. Onderzoek
door Motivaction in opdracht van het Leger des Heils. Amsterdam, oktober 2008)
Conclusies van het rapport:
Voor wat betreft de wijze waarop mensen met
elkaar omgaan, worden geen/weinig respect
en individualisme, egoïsme en desinteresse
als de belangrijkste problemen ervaren. Deze problemen worden herkend en erkend
(waargenomen of zelfs persoonlijk ervaren), de confrontatie gaan de
Nederlanders echter vaak uit de weg.
Ook weten de Nederlanders beter dan voorheen
van de problematiek rondom kwetsbare groepen in de samenleving die risico lopen
om buitengesloten te worden. We zien het, we weten het, maar we kijken steeds liever
de andere kant op wanneer deze problematiek te dichtbij komt. Dit duidt op
normatieve betrokkenheid (volgens de meetlat) en afnemende actieve
betrokkenheid (met het hart).
Nederlanders weten dat eenzaamheid een groot
probleem is in de huidige maatschappij. Deze eenzaamheid heeft impact op hoe wij
in het leven staan. In vergelijking met voorgaande jaren geven meer mensen aan
zich eenzaam te voelen en geven minder mensen aan tevreden te zijn met hun huidige
leven.
Tegelijkertijd maakt de gemiddelde
Nederlander zich over het algemeen minder zorgen
om diverse kwetsbare groepen zoals eenzamen
en mensen die door ouderdom niet meer
meedoen in de samenleving. De betrokkenheid
is afgenomen. In vergelijking met eerder onderzoek blijkt ook dat Nederlanders
de schuldvraag minder bij de kwetsbare groepen zelf leggen. Dit kan duiden op
het erkennen van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Nederlanders
relateren dit echter niet aan het eigen leven en de eigen verantwoordelijkheid.
Als het erop aankomt zelf een actieve rol hierin te spelen en de (gedeelde)
verantwoordelijkheid hiervoor te dragen, kijken Nederlanders liever weg. Dit
blijkt bijvoorbeeld uit een afname van het aantal Nederlanders dat aangeeft dat
we met ons allen de verantwoordelijkheid dragen dat iedereen voldoende geld heeft
om rond te komen. Het zijn vooral de Nederlanders van 50 jaar en ouder, die
aangeven dat wij met zijn allen die verantwoordelijk dragen.
We wéten dus als Nederlander meer over deze
maatschappelijke problematiek, maar we
dóen er minder mee.
Uit het bovenstaande blijkt waar volgens mij de crux ligt:
we zijn nog steeds tolerant en kritisch over de maatschappij, al willen de
media en bepaalde groepen in de maatschappij ons anders doen geloven, maar het
handelingsperspectief om in sociale verbanden collectief op te treden voor een
rechtvaardiger maatschappij en het organisatorisch vermogen om dat tot op
lokaal niveau te organiseren is gedeeltelijk verdwenen. Mensen hebben het
gevoel dat ze er toch niks aan kunnen doen en dat het geen zin heeft je als
burger, arbeider, te organiseren om collectief in verzet te komen. Af en toe
komt de kritische mening boven water, wanneer daar de ruimte voor bestaat,
zoals bij het referendum over de grondwet. Maar mensen kiezen vaak voor het
individuele perspectief in hun overlevingsstrategie. Ik moet zelf zien te
overleven, en schakel individueel allerlei hulpbronnen in (individuele
hulpverlening, particuliere verzekeringen) om dat doel te bereiken. Het kader
dat eens de kern van sociale bewegingen vormde en ervaring had in het
organiseren van acties is deels verdwenen of opgenomen in de politiek van
‘governance’.
Wat moet er gebeuren?
Natuurlijk kan ik geen ultiem antwoord geven op wat er moet
gebeuren. Niemand kan de toekomst voorspellen, en we praten allang over een
gehoopte opleving van sociale bewegingen en hoe dat te realiseren, zonder dat
de antwoorden gegeven zijn.
De economische crisis biedt wat betreft verzet tegen het neoliberalisme
en varianten daarvan ook kansen. Het marktdenken en de graaicultuur zijn van
hun voetstuk gevallen. Veel mensen die dachten, ik heb niets te vrezen en die
dachten dat ze een vakbond niet nodig hadden zijn in de problemen gekomen en
velen zullen nog volgen. Wil echter de ontmaskering van het neo-liberale denken
met als alternatief een hernieuwde waardering voor de organisatie van de
maatschappij op basis van gemeenschapsdenken
een nieuwe kans krijgen, dan moeten we met verschillende dingen rekening
houden. We kunnen niet eenvoudigweg de antwoorden kopiëren die in andere
crisissen gegeven zijn. We hebben 30 jaar neo-liberale politiek van
herstructurering van sociale relaties tussen mensen achter de rug. Dit heeft
mensen gevormd en een diepgaande invloed gehad op de sociale relaties tot op de
dag van vandaag. De scheiding tussen opvattingen en gedrag, tussen handelen en
opvattingen is daarbij zeer sterk.
Om dit te doorbreken moeten we ons richten op een verbinding
van verschillende bevolkingsgroepen, die langs verschillende scheidslijnen zijn
verdeeld en die op verschillende momenten op verschillende manieren door de
neo-liberale politiek zijn getroffen. Daarbij moeten we voor wat betreft de
speerpunten ons niet alleen richten op de traditionele punten, zoals de loonstrijd,
de inkomenspolitiek en het werkgelegenheidsbeleid. Het gevaar bestaat dan meer
dan vroeger dat mensen zich daarbij zullen opstellen als passieve consumenten
die in massademonstraties opkomen voor hun materiele rechten zonder dat de
organisatie van het verzet de hele maatschappij doordringt tot op lokaal niveau
waarbij mensen zich actief opstellen en nieuwe vaardigheden ontwikkelen om het
verzet een duurzaam karakter te geven. We moeten ons ook richten op de
organisatorische blokkades die de scheiding tussen opvattingen en handelen als
mondige burger in stand houden en die de mensen ruimte om te handelen ontnemen.
Dus een verzet tegen en een ontmaskering van de doorgeschoten
controlemaatschappij. Daarbij moeten we aansluiten bij initiatieven van (kleine)
gemeenschappen die de blokkades proberen te doorbreken en die tegelijkertijd
ondanks alle moeilijkheden telkens weer worden georganiseerd. Daarbij is de
wederopbouw van hulpdiensten met vrijwilligers, lokale actiecomités en andere
organisatorische vormen nodig die praktische solidariteit organiseert in het
verzet tegen de controlemaatschappij en de verdere afbraak van materiele en
immateriële rechten. Dit betekent in mijn ogen naast de traditionele
vakbondsstrijd tevens een nieuwe min of meer overkoepelende beweging voor burgerrechten,
vrijheid en democratie die de afbraak ervan ter discussie stelt en verbindt met
een kritiek op het kapitalisme en het neoliberalisme als samenlevingsvorm.
PvdL 22/03/2009
Labels:
controlemaatschappij,
neoliberalisme
zondag 7 oktober 2007
Recensie van het boek ‘straf de armen’
De liberale strafstaat
zondag, 07 oktober 2007 13:13
De bijstand en het gevangenissysteem zijn twee communicerende vaten
zondag, 07 oktober 2007 13:13
De bijstand en het gevangenissysteem zijn twee communicerende vaten
Lezing van het boek ‘straf de armen’ van de Frans/Amerikaanse socioloog Loic Wacquant en van enkele publicaties van Nederlandse criminologen leidde tot onderstaand discussiestukje.
In de afgelopen decennia is geleidelijk aan de liberale strafstaat ingevoerd. Wat is de liberale strafstaat? Dit is een overheidsbeleid, waarbij sterk wordt bezuinigd op de sociale voorzieningen en strafmaatregelen worden ingevoerd om de onderste lagen van de maatschappij te disciplineren en op hun plaats te houden. Zij moeten de in toenemende mate gedesocialiseerde loonarbeid verrichten die als gevolg van de flexibilisering van de arbeid ontstaat. (Het begrip gedesocialiseerde loonarbeid wordt onderaan uitgelegd) Aan deze arbeid kun je in toenemende mate geen materiele en immateriele bestaanszekerheid ontlenen. Wie rebelleert tegen deze situatie of ontsnappingsroutes zoekt wordt opgesloten en uitgesloten. In Nederland en Amerika is er een explosie van het aantal gedetineerden.
Het Work First principe is komen overwaaien uit Amerika, waar het als straf en disciplineringsmaatregel is ingevoerd na de afschaffing van de bijstand onder president Clinton. Werklozen die niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien worden in ruil voor voedselbonnen gedwongen arbeid te verrichten. Mensen die rebelleren tegen het systeem, of om andere redenen uit de boot vallen, zijn aangewezen op de informele sector en de illegale straathandel om in hun levensonderhoud te voorzien. En daarvoor worden ze ook weer gestraft. Er is een explosie van het gevangenissysteem in de Verenigde Staten qua aantallen gevangenen, vooral uit de getto’s. De situatie in Amerika is geanalyseerd door de Frans/Amerikaanse socioloog Loic Wacquant, die een ook in het Nederlands vertaald boek heeft geschreven getiteld ‘straf de armen’, waarin hij aantoont dat de bijstand en het gevangenissysteem twee communicerende vaten zijn: wanneer de bijstand wordt afgeknepen, gaan mensen naar de informele sector om in levensonderhoud te voorzien, als ze geen andere mogelijkheden zien, en daarvoor worden ze gestraft met opsluiting. Nederland is wat dit betreft het enige Europese land dat met de VS kan worden vergeleken. In ons land is het aantal civielrechtelijke detenties tussen 1985 en 2005 verviervoudigd. Dit zijn detenties dus van mensen die geen criminelen zijn zoals uit huis plaatsingen, jeugdinrichtingen, ter onderscheiding van strafrechtelijke detenties. Criminologen beargumenteren, dat dit een rechtstreeks gevolg is van bezuinigingen op de jeugdzorg en de opvang van psychiatrische patienten. Bovenstaande gegevens haal ik uit een artikel van de criminologen M. Boone en M. Moerings, de cellenexplosie; voorlopig gehechten, veroordeelden, vreemdelingen, jeugdigen en tbs in Justitiele verkenningen van het WODC hier te downloaden.
De Raad voor Maatschappelijke ontwikkeling heeft onlangs de redenen onderzocht voor het toenemend aantal psychiatrische patienten in de strafrechtsector (Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling: straf en zorg, een paar apart; passende interventies bij delictplegers met psychische en psychiatrische problemen. Amsterdam, SWP 2007) Zij komen tot dezelfde conclusies als Boone en Moerman.
Waarom wordt de neo-liberale strafstaat ingevoerd?
Een belangrijke vraag voor iedere samenleving is hoe de samenleving bij elkaar wordt gehouden, hoe een situatie kan ontstaan dat groepen en individuen vreedzaam naast elkaar leven. Het liberalisme bevordert de concurrentie van allen tegen allen en de overheid bezuinigt sterk op de sociale voorzieningen, dus de bestaansbasis van de mensen die niet door middel van reguliere betaalde arbeid in hun levensonderhoud kunnen voorzien. De concurrentie tussen mensen wordt dus scherper. Tegelijkertijd leidt migratie tot een veelheid aan verschillende groepen met een cultureel verschillende achtergrond. Wie om wat voor reden dan ook niet meekan in de concurrentie race komt langdurig aan de kant te staan. Tegelijkertijd zijn steeds weer nieuwe mensen nodig met kant en klare nieuwe kennis en vaardigheden. Naast structurele werkloosheid ontstaan grote tekorten op de arbeidsmarkt. Dit bevordert weer de migratie. Kant en klare arbeidskrachten worden uit het buitenland gehaald. Werkgevers willen niet voor de opleiding van nieuwe arbeidskrachten betalen, tenzij de overheid hen subsidie geeft.
Er is een veralgemeende en geestelijke onzekerheid, die door het liberalisme wordt opgeroepen en die nog versterkt wordt door de verspreiding van de gedesocialiseerde loonarbeid.
Om de mensen onder deze omstandigheden bij elkaar te houden en de mensen te dwingen ondanks de desocialisatie van de arbeid mee te blijven draaien in de caroussel van de flexibele arbeid is de neo-liberale strafstaat ontwikkeld. Dit is in feite een politiek van uitsluiting, waarbij de economisch overbodigen uitgesloten worden van de maatschappij en ‘onschadelijk’gemaakt. Het strafsysteem heeft een drieledige functie:
Ten eerste dienst onderaan de sociale ladder dient straf om de overtollige delen van de bevolking op te slaan en fysiek te neutraliseren, met name leden van gestigmatiseerde groepen die in de armoede zijn beland en volharden in de sociale rebellie tegen hun sociale omgeving.
Een sport hoger op de maatschappelijke ladder vervult het netwerk van sociale diensten, politie, inburgeringsorganisaties en het gevangenissysteem een functie dat ze de discipline oplegt aan de betere lagen van de bevolking en die delen van de middenklasse, die het moeilijk hebben en in bestaansonzekerheid leven. De prijs die ze betalen voor een ontsnappings en verzetsstrategie wordt alsmaar hoger.
Op een derde meer symbolisch niveau vervult het strafinstituut de functie van een hernieuwde bevestiging van het gezag van de staat en de hervonden wil van de politieke elite om duidelijke grenzen af te bakenen en er respect voor af te dwingen door in haar uitsluitingspolitiek een onderscheid te maken tussen verdienstelijke burgers en groepen met afwijkend gedrag, tussen ‘goede’en ‘slechte’armen, tussen hen die het verdienen ‘geintegreerd’ te worden in het circuit van de precaire loonarbeid en degenen die op een index terechtkomen en worden uitgesloten of opgesloten. De conclusie van Boone en Moerman is duidelijk:
‘Nederland is van een land dat bekend stond om zijn tolerantie ten opzichte van afwijkend gedrag, verworden tot een land dat zijn problemen met minderheidsgroepen en probleemgroepen oplost door hen op te sluiten’
Wat is de desocialisatie van de loonarbeid?
Afname van zeggenschap in je werk. Door de groei van de communicatie-technologie kunnen opdrachten en andere informatie op een veel directere en nauwkeuriger manier worden doorgegeven van de top naar de basis van de bureaucratische hierarchien, de administratieve of productieorganisatie van grote bedrijven. Prestaties van het personeel kunnen daarbij op een veel directere manier worden gecontroleerd. Er is dus een nieuw soort centralisatie van de macht in handen van weinigen. Personeel krijgt steeds minder speelruimte om een eigen invulling te geven aan het werk dat ze doen.
Structurele werkloosheid naast tekorten op de arbeidsmarkt. Automatisering leidde ertoe, dat de bureacratische pyramides in organisaties ingrijpend veranderden. De basis van de pyramide hoeft niet meer groot te zijn. Zowel bij hand arbeid als op kantoor kon routinewerk worden opgeheven door innovaties als barcodelezers, stemherkenningstechnologie, en micromachines die het werk van de vingers overnemen. De omvang van het personeel kon worden beperkt door de onderste functielagen op te heffen. Dit heeft tot gevolg, dat veel personeelsleden overbodig werden en er in de westerse landen een permanente, structurele werkloosheid heerst.
Toename flexibele arbeid.
De overheid bevordert flexibele arbeid door afschaffing van rechtsbescherming voor werkenden, het mogelijk maken van tijdelijke contracten en het bevorderen van uitzendwerk door de oprichting van uitzendbureau’s.
Geen mogelijkheden meer een netwerk van sociale relaties op te bouwen. In de bureaucratische productiestructuren van vroeger hadden mensen voor langere tijd een vaste functie, waarbij ze de tijd kregen sociale relaties op hun werk op te bouwen en een sociaal netwerk te ontwikkelen. Daarbij ontwikkelden ze een bepaalde binding aan het bedrijf en hadden ze een zij het vaak beperkte zeggenschap over de inrichting van hun werk wanneer ze tenminste niet aan de lopende band stonden. Ze waren trots op de organisatie waar ze werkten en het werk dat ze deden. Bij de flexibele arbeid is deze binding en deze trots geheel verdwenen terwijl het veel moeilijker is geworden via je werk een netwerk van sociale relaties op te bouwen.
Het ‘sociaal kapitaal’ verdwijnt uit de productie-organisaties. De voortdurende organisatorische veranderingen, waarbij hele afdelingen gesloten kunnen worden en niemand zeker is van zijn werk, de flexibele arbeid waarbij mensen ergens niet lang werken leiden tot een groot verloop onder het personeel, geringe institutionele loyaliteit, afname van het informele vertrouwen onder werknemers en verzwakking van de institutionele kennis.
————————
Straf de Armen, Het Nieuwe Beleid van de Sociale Onzekerheid: isbn: 9789064454028 · 2006 · paperback (15 x 22,5 cm) â 360 p. Oorspr.titel: Punir les pauvres. Le nouveau gouvernement de l’insecurite sociale – uit het Frans vertaald door Wim de Neuter
Straf de Armen, Het Nieuwe Beleid van de Sociale Onzekerheid: isbn: 9789064454028 · 2006 · paperback (15 x 22,5 cm) â 360 p. Oorspr.titel: Punir les pauvres. Le nouveau gouvernement de l’insecurite sociale – uit het Frans vertaald door Wim de Neuter
Dit bericht is geplaatst in controlestaat. Bookmark de permalink.
zaterdag 25 april 1998
Arbeidsbureau's schenden privacy
Op 24 maart heeft Marijnissen van de
Socialistische Partij in het wekelijks vragenuurtje van de Tweede kamer vragen
aan minister Melkert gesteld over de schending van privacy door arbeidsbureau's
en de privatisering van de arbeidsbemiddeling.
Er
is veel te doen geweest over een brief die het arbeidsbureau naar alle
werkzoekenden stuurde. In de brief stond, dat het arbeidsbureau informatie die
ze van je hadden wilde doorgeven aan oa uitzendbureau's. Je kon bezwaar maken
tegen het doorgeven van deze prive-gegevens. Deed je dit niet, dat werden de
gegevens doorgegeven. Wat dit betreft konstateerde Marijnissen, dat er zich een
soort kwartetspel ontwikkelt, waarbij uitzendbureau's en arbeidsbureau
over en weer met informatie van werkzoekenden gaan
schuiven. Marijnissen kreeg een vieze smaak in de mond van
het voorstel. Hij stelde de minister verschillende vragen.
Wordt de privacy van de werkzoekende niet geschonden? Kan iemand die zich inschrijft bij een arbeidsbureau onder druk gezet worden?. Wellicht komen er zelfs sancties, indien iemand niet meewerkt aan het uitleveren van zijn persoonlijke gegevens?. Start en Vedior beschikken al over de gegevens van werkzoekenden die zijn ingeschreven bij het arbeidesbureau.
Hoe
kan dat?
De
minister heeft hier geantwoord, dat Marijnissen er maar aan moet
wennen dat publiek en privaat meer zullen gaan samenwerken
op het gebied van arbeidsbemiddeling. Verder geeft de
minister nauwelijks antwoord op de gestelde vragen. Niet over
mogelijke sancties als iemand niet wil dat zijn gegevens worden
doorgegeven, en niet over het feit, dat Start en Vedior nu
al beschikken over de gegevens.
Marijnissen
citeert een brief van de Registratiekamer, waarin staat:
"Het is de registratiekamer echter gebleken dat ook gegevens
van diegenen die uitdrukkelijk bezwaar hebben gemaakt,
worden verstrekt aan uitzendbureau's binnen het samenwerkingsverband".
Blijkbaar gebeurt het gewoon, of je daarvoor
wel of geen toestemming hebt gegeven. Marijnissen herhaalt
aan de hand van brief van een advokaat uit Roermond nog
eens, dat de werkzoekende bezwaar kan maken, en dat de gegevens
worden doorgegeven als de werkzoekende dat niet doet.
Dit
zou anders moeten. Er zou gevraagd moeten worden of men het goed vindt, dat de
gegevens doorgestuurd worden en niet dat de gegevens doorgestuurd worden als
men niet reageert. Het
arbeidsbureau rechtvaardigde de handelwijze met de volgende
tekst: "dat het vragen van schriftelijke toestemming praktisch
niet goed uitvoerbaar is en een belemmering vormt voor
effectieve uitwisseling van gegevens met andere intermediairs,
zoals uitzendbureau's." De minister heeft oa
geantwoord,
dat er binnenkort een rapport van de Registratiekamer
zal verschijnen, waar op deze kwestie wordt ingegaan.
Over
de uitwisseling van gegevens tussen arbeidsbureau's en bedrijven verscheen een
gedegen artikel in het maandblad Doen van Robert Loeber. Het artikel werd ookgepubliceerd in Kleintje Muurkrant uit Den Bosch.
Labels:
arbeidsbemiddeling,
controlemaatschappij
zaterdag 8 november 1997
Partnertoets in de bijstand
Big Brother is watching you
Wanneer bij twee samenwonenden een van beiden een inkomen heeft boven het bestaansminimum, dan heeft de ander geen recht op bijstand. De partner met het inkomen wordt geacht de ander te kunnen onderhouden. Dit is de partnertoets in de bijstand. Vaak verschillen de sociale dienst en clienten van mening over het antwoord op de vraag of er sprake is van een gezamenlijke huishouding en of de partnertoets van toepassing is. Het betreft hier soms zeer ingewikkelde kwesties, waarbij het moeilijk te bepalen is of er wel of geen recht bestaat op bijstand. Om dit te kunnen bepalen moet vaak diep in het priveleven van betrokkenen worden gegraven. Je zou kunnen zeggen, dat dit onderdeel van de bijstandswet bijkans onuitvoerbaar is. Neem de volgende situatie, die onlangs op het spreekuur van de Bijstandsbond ter sprake kwam. Een vrouw koopt een woning voor haar twee zoons. De woning heeft een waarde van fl 60.000,- en bestaat uit de begane grond en de eerste verdieping. De twee broers gaan samen op de eerste etage wonen en zij verhuren de begane grond aan een student. Verder is er nog een bovenbuurman, die op de tweede verdieping woont. In 1994 vraagt een van beide broers een bijstandsuitkering aan. Deze wordt hem verleend onder voorwaarde, dat bij verkoop van de woning een groot gedeelte van zijn aandeel in de woning aan de sociale dienst moet worden terugbetaald. Bij de invoering van de nieuwe bijstandswet vindt een heronderzoek plaats. De uitkering wordt stopgezet, omdat de sociale dienst van mening is, dat beide broers samenwonen en de ene broer voor het onderhoud van de andere kan zorgen. De broer wier uitkering wordt stopgezet gaat in beroep. Er vindt vervolgens een nauwkeurig onderzoek plaats tijdens een hoorzitting, waarbij de rol van de drie hoofdpersonen © de broers en de onderhuurder in het huishouden wordt vastgesteld. Eerst wordt de indeling van de woning op de begane grond en de eerste verdieping bepaald. Waar zijn het toilet, de badkamer, de keuken, de woonkamers etc?. En wie woont waar? Het blijkt, dat de drie hoofdpersonen alledrie hun eigen kamer hebben, maar sommige ruimten gemeen¬schappelijk gebruiken. Vervolgens wordt de keukeninventaris vastgesteld. Wat is van wie, en wie heeft het gekocht?. Het koffiezetapparaat bijvoorbeeld is door de broers gezamenlijk aangeschaft. Wat is de taakverdeling in het huishouden? Wie doet de boodschappen? Wie maakt welke ruimten schoon? Bovendien wordt bepaald, wie welke kosten draagt. Wie doet de boodschappen? Wie betaalt het? Wie betaalt de vaste lasten van de woning? Welke gemeenschappelijke en afzonderlijke giro- en bankrekeningen zijn er? In totaal zijn er vijf van dergelijke rekeningen. De betalingen over en weer worden in kaart gebracht. De onderhuurder stort zijn huur natuurlijk op een van die rekeningen. Hier komt ook de bovenbuurman om de hoek kijken, want er is voor alle bewoners van het pand een gemeen¬schappelijke rekening, waaruit allerlei vaste lasten worden betaald, zoals de brandverzekering. Tijdens de hoorzitting worden vele bescheiden overlegd, zoals de afschriften van een gezamenlijke girorekening in de periode 25 oktober 1996 tot 7 november 1997. En dan de uitspraak: in tegenstelling tot de oude bijstandswet kunnen in de nieuwe ook twee samenwonende broers zijnde bloedverwanten in de tweede graad een gezamenlijke huishouding met elkaar voeren. Belangrijk daarbij is het zogenaamde 'verzorgingscriterium'. Op de vraag of de beide broers een gezamenlijke huishouding voeren dient vast komen te staan dat beiden er blijk van geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage aan het huishouden dan wel anderszins. Bij de beoordeling van dat verzorgingscriterium komt geen zelfstandige betekenis toe aan de omstandigheid dat er sprake is van gezamenlijke eigendom van de woning. Tijdens de hoorzitting werd geconcludeerd, dat er slechts kosten worden gedeeld, die samenhangen met het gezamenlijk bewonen van een eigen woning, -andere kosten worden niet gedeeld- en dat aan het verzorgingscriterium niet is voldaan. Er is derhalve geen sprake van een gezamenlijke huishouding en dus vervalt de grondslag voor de beeindiging van de uitkering. Aangezien in de woning de huurder en de broer tevens hun hoofdverblijf hebben en de client beschikt over de inkomsten uit onderhuur, wordt aan hem bijstand verleend naar de norm van een alleenstaande verhoogd met een gemeentelijke toeslag van 10% van het netto-minimumloon onder verrekening van de inkomsten uit verhuur. Nu denkt u misschien, beste lezer(es) dat dit een weinig voorkomend ingewikkelde situatie is, maar ik kan u verzekeren, dat er nog wel ingewikkelder situaties voorkomen. En nu wil men de 'partnertoets' ook al gaan invoeren in andere sociale wetten, zoals de AOW. Een individualisering van de sociale zekerheid zou veel van dit soort problemen kunnen oplossen.
Piet van der Lende
Wanneer bij twee samenwonenden een van beiden een inkomen heeft boven het bestaansminimum, dan heeft de ander geen recht op bijstand. De partner met het inkomen wordt geacht de ander te kunnen onderhouden. Dit is de partnertoets in de bijstand. Vaak verschillen de sociale dienst en clienten van mening over het antwoord op de vraag of er sprake is van een gezamenlijke huishouding en of de partnertoets van toepassing is. Het betreft hier soms zeer ingewikkelde kwesties, waarbij het moeilijk te bepalen is of er wel of geen recht bestaat op bijstand. Om dit te kunnen bepalen moet vaak diep in het priveleven van betrokkenen worden gegraven. Je zou kunnen zeggen, dat dit onderdeel van de bijstandswet bijkans onuitvoerbaar is. Neem de volgende situatie, die onlangs op het spreekuur van de Bijstandsbond ter sprake kwam. Een vrouw koopt een woning voor haar twee zoons. De woning heeft een waarde van fl 60.000,- en bestaat uit de begane grond en de eerste verdieping. De twee broers gaan samen op de eerste etage wonen en zij verhuren de begane grond aan een student. Verder is er nog een bovenbuurman, die op de tweede verdieping woont. In 1994 vraagt een van beide broers een bijstandsuitkering aan. Deze wordt hem verleend onder voorwaarde, dat bij verkoop van de woning een groot gedeelte van zijn aandeel in de woning aan de sociale dienst moet worden terugbetaald. Bij de invoering van de nieuwe bijstandswet vindt een heronderzoek plaats. De uitkering wordt stopgezet, omdat de sociale dienst van mening is, dat beide broers samenwonen en de ene broer voor het onderhoud van de andere kan zorgen. De broer wier uitkering wordt stopgezet gaat in beroep. Er vindt vervolgens een nauwkeurig onderzoek plaats tijdens een hoorzitting, waarbij de rol van de drie hoofdpersonen © de broers en de onderhuurder in het huishouden wordt vastgesteld. Eerst wordt de indeling van de woning op de begane grond en de eerste verdieping bepaald. Waar zijn het toilet, de badkamer, de keuken, de woonkamers etc?. En wie woont waar? Het blijkt, dat de drie hoofdpersonen alledrie hun eigen kamer hebben, maar sommige ruimten gemeen¬schappelijk gebruiken. Vervolgens wordt de keukeninventaris vastgesteld. Wat is van wie, en wie heeft het gekocht?. Het koffiezetapparaat bijvoorbeeld is door de broers gezamenlijk aangeschaft. Wat is de taakverdeling in het huishouden? Wie doet de boodschappen? Wie maakt welke ruimten schoon? Bovendien wordt bepaald, wie welke kosten draagt. Wie doet de boodschappen? Wie betaalt het? Wie betaalt de vaste lasten van de woning? Welke gemeenschappelijke en afzonderlijke giro- en bankrekeningen zijn er? In totaal zijn er vijf van dergelijke rekeningen. De betalingen over en weer worden in kaart gebracht. De onderhuurder stort zijn huur natuurlijk op een van die rekeningen. Hier komt ook de bovenbuurman om de hoek kijken, want er is voor alle bewoners van het pand een gemeen¬schappelijke rekening, waaruit allerlei vaste lasten worden betaald, zoals de brandverzekering. Tijdens de hoorzitting worden vele bescheiden overlegd, zoals de afschriften van een gezamenlijke girorekening in de periode 25 oktober 1996 tot 7 november 1997. En dan de uitspraak: in tegenstelling tot de oude bijstandswet kunnen in de nieuwe ook twee samenwonende broers zijnde bloedverwanten in de tweede graad een gezamenlijke huishouding met elkaar voeren. Belangrijk daarbij is het zogenaamde 'verzorgingscriterium'. Op de vraag of de beide broers een gezamenlijke huishouding voeren dient vast komen te staan dat beiden er blijk van geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage aan het huishouden dan wel anderszins. Bij de beoordeling van dat verzorgingscriterium komt geen zelfstandige betekenis toe aan de omstandigheid dat er sprake is van gezamenlijke eigendom van de woning. Tijdens de hoorzitting werd geconcludeerd, dat er slechts kosten worden gedeeld, die samenhangen met het gezamenlijk bewonen van een eigen woning, -andere kosten worden niet gedeeld- en dat aan het verzorgingscriterium niet is voldaan. Er is derhalve geen sprake van een gezamenlijke huishouding en dus vervalt de grondslag voor de beeindiging van de uitkering. Aangezien in de woning de huurder en de broer tevens hun hoofdverblijf hebben en de client beschikt over de inkomsten uit onderhuur, wordt aan hem bijstand verleend naar de norm van een alleenstaande verhoogd met een gemeentelijke toeslag van 10% van het netto-minimumloon onder verrekening van de inkomsten uit verhuur. Nu denkt u misschien, beste lezer(es) dat dit een weinig voorkomend ingewikkelde situatie is, maar ik kan u verzekeren, dat er nog wel ingewikkelder situaties voorkomen. En nu wil men de 'partnertoets' ook al gaan invoeren in andere sociale wetten, zoals de AOW. Een individualisering van de sociale zekerheid zou veel van dit soort problemen kunnen oplossen.
Piet van der Lende
woensdag 15 november 1995
Nummers en vergissingen. Iedereen krijgt overal een nummer voor
Ook verschenen in het decembernummer 1995 van het Maandblad Uitkeringsgerechtigden MUG in de rubriek 'De gang van zaken'.
Nummers
Dankzij de zegeningen van de automatisering krijgt u overal een nummer voor. Het huisnummer en de postcode kunt u nog wel onthouden, tenminste dat hoop ik. Hebt u een girorekening en een pinpas? Dan krijgt u drie nummers. De girorekening zelf, het nummer van het pasje en de pincode. Bij de uitkeringsinstantie of de werkgever krijgt u ook weer nummers, zoals het uitkeringsnummer of personeelsnummer. Op de uitkeringsspecificatie van de sociale dienst staan nog andere nummers, zoals een code voor de wijk en het team waar u onder valt. Ook handig om te weten, want soms wordt ernaar gevraagd als u opbelt. Deze voorbeelden kunnen met vele worden aangevuld. Het ziekenhuis, de woningbouwvereniging, het bevolkingsregister, de belastingen (diverse soorten), het GEB, het ziekenfonds, overal krijgt u een nummer. U moet al die nummers weten, want zonder deze kan men dikwijls niets voor u doen. Hebt u alle registratienummers die op u van toepassing zijn, wel eens geteld? Ik schat, dat de gemiddelde Nederlander toch gauw zo'n veertig nummers moet bijhouden.
Nu zijn in het verleden al die instanties door al die nummers een beetje in de war geraakt. Daar hebben ze een oplossing voor bedacht. U raadt het al: een nieuw nummer, het sociaal-fiscaal nummer. Dit nummer is heel belangrijk, want veel van die andere nummers zijn aan dit nummer gekoppeld. Veel instanties vragen ernaar. U moet van al die nummers een geordende administratie bijhouden, die teruggaat tot minstens een jaar of acht geleden, want anders komt u in moeilijkheden. Soms is het niet voldoende dat u een nummer opgeeft, nee, u moet het originele document overleggen, waarop is aangegeven welk nummer u hebt gekregen. Zo vraagt de sociale dienst naar het originele document van de belastingdienst, waarop is aangegeven welk sofinummer u hebt gekregen. Bij veel mensen is dit document al in 1987 verstrekt. Hebt u het document niet (meer), dan moet u eerst naar de belastingdienst om een officiële verklaring te vragen waarop dit sofinummer staat vermeld.
De koppeling van al die nummers is moeilijk. Niet alleen omdat de Wet op de Persoonsregistratie instanties allerlei beperkingen oplegt, maar ook omdat het in de praktijk problemen geeft. In de eerste plaats heeft elke instantie afzonderlijk bij de automatisering geprobeerd, het wiel uit te vinden. Daarom kunnen al die verschillende databanken niet zomaar aan elkaar gekoppeld worden. In de tweede plaats zijn de bestanden 'vervuild', het schrikbeeld van iedere ambtenaar. Hoe komt dat? U hebt, laten we zeggen, veertig nummers. Nu gaat u verhuizen, of u gaat samenwonen, of er zijn ander veranderingen in u privéleven. Gaat u al die nummers verwittigen van die wijziging? Natuurlijk niet. Daarom staat u in verschillende bestanden onder verschillende adressen genoteerd. In de derde plaats maken ambtenaren fouten bij het invoeren van de gegevens die bij een nummer horen.
Een voorbeeld. Een van onze spreekuurbezoekers had een WAO-uitkering, natuurlijk met een bijbehorend nummer. Hij vroeg om toestemming met vakantie te gaan naar het land van herkomst. Dit kwam hij persoonlijk aanvragen op het GAK-districtskantoor. De betrokkene zou een schriftelijke bevestiging thuis gestuurd krijgen. Dit gebeurde echter niet, en wij belden op. De functionaris van het GAK zocht op basis van het nummer de gegevens van de heer T. op in de computer: 'Hij is op die en die datum op dat en dat districtskantoor geweest.' 'Nee meneer, het was op een heel andere datum.' 'O, ik zal even kijken. O, er is een vergissing begaan, in het bestand zit een meneer T. met dezelfde achternaam, waarvan het uitkeringsnummer een cijfer verschilt met dat van de meneer T. die bij u gekomen is. Daarom is de brief naar een ander adres verstuurd.' De ambtenaar op het districtskantoor had dus bij vergissing een van de ongeveer vijftien cijfers van het uitkeringsnummer voor de WAO verkeerd ingetypt, en omdat het om iemand met dezelfde naam ging, was de fout niet ontdekt. Deze vergissing kon niet zomaar ongedaan worden gemaakt. Daarvoor moesten wij een brief schrijven, waarin de hele situatie werd uitgelegd, met medezending van allerlei bewijsstukken.
Piet van der Lende, Bijstandsbond
Labels:
automatisering,
controlemaatschappij
maandag 11 september 1989
“Ze moeten het wonen nog leren’. Directeur GSD pleit voor degradatiewoningen
Verschenen in de Baanbreker, maandblad van de Werklozen
Belangen Vereniging Amsterdam, november 1989.
Voor de kleine,
harde kern van probleemgevallen zouden naar mijn oordeel zogenaamde
degradatiewoningen beschikbaar moeten komen: woningen met een minimum aan
comfort, met directe betaling van
energiepenningen e.d. Dit zijn de
woorden van Jan de Boer, directeur van de Gemeentelijke Sociale Dienst van
Leeuwarden op een congres in Rotterdam over burenoverlast. Het congres was
georganiseerd door de Nationale Woningraad en een koepel van woningcorporaties.
Op donderdag 21
september werd in Rotterdam een congres gehouden onder de titel:
"Burenoverlast, van taboe naar beleid". Een congres van huiseigenaren
over lastige buren. De organisatoren deden het voorkomen dat zij zich de
problemen van met name de bewoners van de oude stadswijken in de grote steden
aantrekken. Het leefklimaat in deze wijken verslechtert en een van de redenen
daarvoor is, dat er "lastige" mensen wonen. De buren hebben er last
van, last van het lawaai, de vervuiling en de stank, of de regelrechte
intimidaties. De organisatoren van het congres wilden daar wat aan doen. Ze
lijken zeer begaan met het lot van de buren.
Het vraagstuk
werd grondig aangepakt. Een professor kwam uitleggen hoe wij op
"wetenschappelijke" wijze het begrip "burenoverlast" moeten
definieren, wat daar wel of niet onder valt etc. De voorzitter van de Nationale
Woningraad zet vervolgens uiteen op welke schaal burenoverlast voorkomt.
Volgens woningbouwcorporaties is niet meer dan een procent van het aantal bewoners
veroorzaker van regelmatige overlast. Een op de vijf corporaties vindt echter
burenoverlast een groot probleem. Ze krijgen iedere week meerdere klachten met
betrekking tot overlast.
Degradatiewoningen
De prijs voor de
meest originele oplossing van het burenoverlastprobleem ging naar Jan de Boer,
directeur van de Sociale (?) Dienst in Leeuwarden. Zijn oplossing: de asociale
overlastveroorzakers moeten maar apart gezet worden in zogenaamde degradatiewoningen,
waar ze moeten leven met een minimum aan comfort en met directe betalingen voor
hun water- en gasmeter middels penningen.
De directeur van
de Nationale Woningraad wil zover nog niet gaan. Wel moet er volgens hem sprake
zijn van een zorgvuldige toewijzing van woningen. Corporaties zullen, volgens
hem, bij het toewijzen van woningen een spreidingsbeleid moeten hanteren,
waarbij zij het recht hebben bepaalde huurders voor een woning te weigeren, ook
al hebben zij een urgentieverklaring. Ook vindt hij dat politie en justitie
meer mogelijkheden moeten krijgen om corrigerend op te treden. Tevens moeten er
huismeesters worden aangesteld.
Lelystad
In Lelystad
krijgen toekomstige huurders een uitgebreide vragenlijst voorgelegd: maakt u
veel lawaai, sleutelt u aan auto's, stelt u prijs op een nette tuin etc. Ook
wil de huiseigenaar weten of je huurschulden hebt gehad bij de vorige woning.
Zo ja, dan kom je misschien niet voor deze woning in aanmerking.
Wat opvalt in de
hele discussie, is dat een klein probleem wordt gebruikt om te pleiten voor
zeer vergaande maatregelen waardoor alle huurders worden getroffen, maatregelen
op het gebied van controle, bevoegdheden van politie en justitie en
mogelijkheden voor huiseigenaren om iemand een woning te weigeren of eruit te
zetten. Deze maatregelen worden vervolgens gepresenteerd als zijnde in het
belang van de huurders.
Door de verlaging
van de uitkering en de toenemende armoede, komen steeds meer mensen met huur-
en GEB-achterstanden. De corporaties willen steeds meer mogelijkheden om deze
mensen onder druk te zetten zodat ze hun schulden betalen.
Wanneer door de
toenemende armoede, de achterstanden in het onderhoud van woningen, de slechte
isolatie en de stijgende woonlasten problemen ontstaan in bepaalde buurten, dan
is de oplossing volgens veel congresgangers niet een hoger inkomen, lagere
woonlasten en versnelling van de stadsvernieuwing, maar meer politie, meer
huismeesters, vergroting van de mogelijkheden om mensen uit hun huis te zetten
en de inrichting van getto's voor "probleemgevallen". Het gevolg is
dat niet alleen de "probleemgevallen" maar álle huurders die financieel
moeilijk zitten de duimschroeven worden aangedraaid.
Veenhuizen
Al in de
negentiende eeuw werd gestreefd naar de inrichting van heropvoedingsgestichten
voor "probleemgezinnen". In Drenthe en Groningen werden de
"Kolonien van de Maatschappij voor Weldadigheid" opgericht. Veenhuizen
is daarvan wel de bekendste Kolonie. Op de onontgonnen heide werden arbeidershuisjes
gebouwd, waar de "zwervers en andere asocialen" uit de grote steden
naar toe werden gebracht. Zij kregen een schop en moesten de heide ontginnen.
De opbrengsten waren uiteraard voor de Kolonie.
Hoe kwam men nu
aan voldoende "asocialen"? Met name in Den Haag werden groepjes
politieagenten op pad gestuurd. Die arresteerden zwervers die ze op straat
tegen kwamen. De zwervers werden op het spoor richting Drenthe gezet. Zo werd
de verpaupering in de steden bestreden. Recht op een inkomen om van te leven
was er niet, het recht op een behoorlijke woonruimte al evenmin.
Ook in Amsterdam
werd begin twintiger jaren een beleid gevoerd waarbij werd gekozen voor de
isolatie van bepaalde groepen. Amsterdam
kende weliswaar een uitgebreid woningbouwprogramma, maar ook de volkswoningbouw
was geen liefdadigheid. Degenen die geen huur betaalden, de woning uitwoonden,
of overlast bezorgden, werden uit de verschillende buurten geweerd. Voor deze
"ontoelaatbaren" bouwde de gemeente in 1926 twee woningcomplexen aan
de rand van de stad: Asterdorp en Zeeburgerdorp. Onderworpen aan strenge
reglementen en onder het toezicht van een opzichter moesten de bewoners het
wonen leren...
De congresrakkers
van Rotterdam lijken weer terug te willen naar de goede oude tijd. Natuurlijk,
er zijn en blijven mensen die er een rotzooitje van maken. Maar om dan maar te
pleiten voor onderdrukking, strenge controle en meer politieagenten, zoals
sommige hulpverleningsinstanties en huiseigenaren doen, is onzin. Dit soort
maatregelen helpen niet.
Wat dan wel? De
relatie tussen armoede, werkloosheid en woningnood en de problemen van veel
stadsvernieuwingswijken, werd reeds eerder aangeduid. Het is niet vreemd dat de
bewoners in Buitenveldert en de Apollobuurt in Amsterdam, met werkloosheidspercentages
van ongeveer 4,5 procent, gemiddeld vier á vijf jaar langer leven dan de mensen
in de bijstandsbuurten waar de werkloosheid tegen de 30 procent aanloopt.
De burenoverlast
waar de congresgangers zo over klagen, heeft voor een zeer groot deel
sociaal-economische oorzaken: werkloosheid, slechte huisvesting, alcoholgebruik
etc. Die problemen los je niet op door de lastposten te isoleren.
Nee, je zal
moeten zorgen dat iedereen zich thuis gaat voelen in een buurt. Buurtbewoners
moeten zeggenschap krijgen over de manier waarop hun buurt wordt ingericht. Wijkbewoners
moeten worden gemobiliseerd voor een aanpak van woningverbetering, het leefbaar
houden/maken van een wijk en het scheppen van een situatie waarin iedereen zich
thuis voelt. De overheid moet daarvoor de financiele middelen beschikbaar
stellen door het opzetten van stadsvernieuwingsprojecten en door het subsidieren
van buurtvoorzieningen. Op dit moment gebeurt het omgekeerde: het welzijnswerk
wordt afgebroken en de stadsvernieuwing stagneert.
Labels:
achterstandswijken,
controlemaatschappij
Abonneren op:
Posts (Atom)
