dinsdag 11 augustus 1992

Het kabinet den Uyl en de eerste werklozencomite's

Hoofdstuk I -boek 'Werklozen in aktie', de geschiedenis van de Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam, 1974-1992.

De jaren zestig- jaren van idealisme, bevlogenheid, alles wordt anders. In deze jaren ontstond er een massale jongeren- beweging die afscheid nam van het koude oorlogsdenken en die meer oog had voor de maatschappelijke tegenstellingen in de kapitalistische landen. Daarnaast was er, onder andere door de akties tegen de Amerikaanse aanwezigheid in Vietnam, meer aandacht voor de negatieve gevolgen van het imperialisme op wereldschaal. Er ontwaakte een nieuw politiek idealisme, waarbij men zich afwendde van de kapitalistische maatschappij. Vele buitenparlementaire aktiegroepen kwamen op die niet gebonden waren aan een specifieke ideologie of politieke partij. De buitenparlementaire beweging hanteerde nieuwe aktievormen, zoals bezettingen van instituten, het kraken van leegstaande panden en sit-ins.

In het begin van de jaren zeventig kreeg de CPN steeds meer invloed in deze nieuwe sociale bewegingen; in de studentenbeweging werden velen lid van die partij. Jongeren probeerden ook door te dringen in het establishment van de andere gevestigde politieke partijen. Het betekende een gedeeltelijke radikalisering in katholieke kring en de opkomst van Nieuw Links in de Partij van de Arbeid. Ook in de vakbeweging waren de radikale invloeden merkbaar. Dit kwam bijvoorbeeld tot uiting in de nota "Fijn is Anders" die de Industriebond NVV in 1974 publiceerde. In deze nota werd gepleit voor meer zeggenschap van de werknemers en socialisatie van de produktiemiddelen.1

Aan het begin van de jaren zeventig begonnen de maatschappelijke gevolgen van nieuwe ontwikkelingen in de ekonomie zich echter steeds meer af te tekenen. De konkurrentie dwong grote ondernemingen van de nieuwste technologien gebruik te maken, op straffe van achterblijven en ten onder gaan. Na de Tweede Wereldoorlog kwam een technologische revolutie op gang, die gekenmerkt werd door de invoering van computers en andere produkten uit de elektronische industrie. Automatisering een cybernetica betekenden de vervanging van de menselijke tussenkomst in produktie en administratie door machines. In de jaren vijftig was er een geleide loonpolitiek die ertoe leidde dat bedrijven, die eigenlijk technologisch achterbleven toch nog konden blijven draaien door de lage lonen. De vrije loonpolitiek van de jaren zestig maakte hieraan een eind. Er kwamen explosieve loonstijgingen en alleen bedrijven die voorop liepen in de technologische ontwikkelingen konden en wilden de hogere lonen uitbetalen. Bovendien betekende het ontstaan van de Europese Gemeenschap, dat steeds meer rekening moest worden gehouden met concurrentie uit het buitenland. Vooral zeer grote bedrijven profiteerden van de grotere markt en zij gingen samenwerken met gelijksoortige grote bedrijven in het buitenland. Steeds omvangrijker investeringen in nieuwe produktieprocessen waren nodig, om de concurrentie vol te houden. Investeringen die alleen door zeer grote bedrijven konden worden opgebracht.

De ekonomien van de westerse landen kregen steeds meer een duaal karakter; aan de ene kant zeer grote concerns, die zich steeds meer beperkten tot kernaktiviteiten op basis van een hoogwaardige technologie en aan de andere kant vele kleine toeleveringsbedrijven. Dit duale karakter van de ekonomie kwam het sterkst tot uiting in Japan, maar ook in Nederland kwam een ontwikkeling op gang, die ertoe leidde dat er naast zeer grote bedrijven vele kleine bedrijfjes kwamen cq bleven bestaan, terwijl er relatief weinig bedrijven in de middensector bestonden. Traditionele industrietakken zoals de textielindustrie en de scheepsbouw werden in Nederland afgebroken of zover gerationaliseerd, dat nog slechts weinig mensen voor de produktie nodig waren.

De reorganisatie van de produktie en de automatisering leidden tot een uitstoot van arbeidskrachten. Een golf van fusies, bedrijfssluitingen en massa-ontslagen begon in de jaren zeventig over Nederland te spoelen, waarbij de oliecrisis als een soort katalysator werkte. De werkloosheid werd langzaam maar zeker groter. In 1973 waren er 151.000 werklozen, in 1976 was dit aantal al opgelopen tot 278.000. Wat opvalt is het grote aantal werkloze bouwvakkers. (in 1976 bijna 60.000). Het sociale zekerheidsstelsel zoals de WAO werd gebruikt om overtollige arbeidskrachten te laten afvloeien. Daarnaast verzette de vakbeweging zich door bedrijfsbezettingen tegen de afbraak van werkgelegenheid en de sluiting van bedrijven, zoals bij de ENKA-Breda. Maar vaak werd alleen een "sociaal plan" afgesproken, waarin werd vastgelegd, dat de overtollige personeelsleden er in eerste instantie niet teveel in inkomen op achteruit mochten gaan. Hun werk waren ze dan wel kwijt. Ook trachtte de vakbeweging gedwongen ontslagen te voorkomen. Inkrimping van bedrijven zou dan via "natuurlijke afvloeiing" tot stand moeten komen. Op het investeringsbeleid dat tot de inkrimpingen en de toenemende werkloosheid leidde had de vakbeweging in de jaren zeventig weinig invloed; men moest zich beperken tot afspraken over de sociale gevolgen voor beperkte groepen. Wel probeerde men eind jaren zeventig tot arbeids plaatsen overeenkomsten (apo's) te komen. Maar deze pogingen mislukten volledig, omdat de werkgevers niet wilden meewerken. Al in 1975 waarschuwde de historicus Ger Harmsen voor een al te defensieve opstelling van de vakbonden: "op korte termijn moet alles gedaan worden om arbeidsplaatsen te behouden, maar wanneer de vakbeweging de overheid vraagt noodlijdende bedrijven bij te springen dan toch alleen, wanneer hier zeggenschap en eigendomsrechten tegenover staan. Het moet niet zo zijn dat de verliezen voor de gemeenschap en de winsten voor de ondernemer en de kapitaalverschaffer zijn".2

Aanvankelijk leek in het overheidsbeleid ook een meer offensieve tactiek tot uitdrukking te komen; in 1973 trad het eerste kabinet den Uyl aan. De slogan van den Uyl was: verdere rechtvaardige verdeling van kennis, inkomen en macht. Het kabinet diskussieerde over verschillende voorstellen om dit ideaal dichterbij te brengen, zoals vergroting van de bevoegdheden van ondernemingsraden, de vermogens aanwas deling en de grondpolitiek. Het kabinet nam verschillende maatregelen, die tot een grote inkomensnivellering hebben geleid, zoals een extra verhoging van het wettelijk minimumloon, en de koppeling van dit loon en van de uitkeringen aan de gemiddelde ontwikkeling van de cao-lonen in de partikuliere sector. Het kabinet den Uyl reageerde op de oliecrisis van 1973 en de vele bedrijfssluitingen in eerste instantie met een Keynesiaans stimuleringsbeleid. het financieringstekort van het rijk was in 1973 slechts 1,9% van het nationaal inkomen, dit tekort liep op tot 5,1% in 1975. Er werd een programma van aanvullende werken opgezet, bijvoorbeeld in de bouw; dit programma kostte tussen 1972 en 1979, toen het werd afgebouwd, 4,7 miljard gulden.

De eerste werklozenakties

Zoals we al zagen, begon aan het begin van de jaren zeventig met name in de bouw de werkloosheid groter te worden. Bouwvakkers gingen in het najaar van 1974 in Amsterdam dan ook over tot de oprichting van een werklozencomite. Maar zij waren niet de enigen. Hiervoor werd gewezen op de radikalisering in de studentenbeweging, waarbij vele studenten politiek actief werden. Ook werkloze, pas afgestudeerde academici hebben in het najaar van 1974 een comite opgericht. Dit comite publi- ceerde in maart 1975 het "Zwartboek werkloze academici".3

Al vrij snel gingen de werkloze bouwvakkers en academici samenwerken; dit betekende de oprichting van het Amsterdams Werklozen Comite (AWC). Ook in andere plaatsen werden comite's opgericht, met name in Groningen, Deventer, Arnhem, Nijmegen en Utrecht. De aktieve kern van veel comite's werd gevormd door CPN-ers. Op 7 december 1974 werd door vertegenwoordigers van ongeveer dertig comite's in Amersfoort het Landelijk Actiecomite Werklozen (LAW) opgericht. Het secretariaat was in eerste instantie gevestigd in Deventer, Frans Vries uit Amsterdam werd de eerste penningmeester en Albert van der Lugt de eerste voorzitter van het LAW. In januari 1975 verscheen voor het eerst de "Landelijke Aktiekrant voor Werklozen" waarvan de redaktie in Amsterdam was gevestigd. In de eerste werklozenkranten werden de belangrijkste lijnen uitgezet die de werklozenco- mite's de eerste jaren zouden volgen. In een interview vertelde Albert van der Lugt, wat volgens de comite's de positie was van werklozen in een kapitalistische maatschappij. "Het groeien van het leger werklozen wordt door de ondernemers aangegrepen om de lonen van de werkende mensen te drukken. De ondernemersorganisaties spannen zich met medewerking van de rechtse pers enorm in om onze mensen loonmatiging aan te praten".4

Albert van der Lugt constateerde verder, dat de werkgevers verruiming van het begrip passende arbeid verlangden en een verhoging van de mobiliteit van de beroepsbevolking. "Daarmee hebben zij niets anders op het oog dan het onder druk zetten van de werklozen, om hen te dwingen werk aan te nemen buiten hun beroep dat ze willen uitoefenen en waarin ze zich bekwaamd hebben, vaak tegen een lager loon natuurlijk". Wat er in de argumenten uitwisseling in de loop der jaren ook veranderd mag zijn, deze argumenten worden nog steeds gebruikt. Nog steeds verlangen werkgevers (en overheid) een flexibeler opstelling van de werklozen, en nog steeds wijzen die er op hun beurt op, dat zij recht hebben op een eigen keuze en op ontplooingsmogelijkheden.

Het eerste aktieprogramma.

De hoofdlijnen in de tactiek van de werklozencomite's kwamen naar voren in het aktieprogramma, dat tijdens de oprichtingsvergadering van het LAW werd aangenomen. Men eiste verbetering van de sociale voorzieningen, zoals een verlenging van de uitkering in de Werkloosheids Wet (WW) van 26 naar 52 weken, verhoging van de WW-uitkering van 80% naar 90% van het laatst- verdiende loon en optrekking van de uitkering in de Wet Werkloosheids Voorziening (WWV) van 75% naar 85% met een onbeperkte tijdsduur. Dit laatste eiste men om te voorkomen, dat werklozen in de bijstand terecht zouden komen. "Geen werklozen naar de bijstand" was een centrale leus van de samenwerkende comite's. Deze eis moest ook gelden voor de werklozen, die niet vanuit een werksituatie werkloos waren geworden. Dit betekende, dat de aktiecomite's volwaardige uitkeringsrechten eisten voor werkloze schoolverlaters en de part-time werkende gehuwde vrouw. Bij werkloosheid na het voltooien van een opleiding moest er volgens de comite's een WW-uitkering komen, die berekend werd naar het dagloon dat men normaal gesproken in zijn of haar beroep zou verdienen. In het aktieprogramma werd er verder op gewezen, dat de arbeidsbemiddeling moest verbeteren en dat het begrip passende arbeid niet mocht worden verruimd. Het recht op volwaardig werk zou kunnen worden gerealiseerd door het tegengaan van bedrijfssluitingen en reorganisaties, wanneer daar geen vervangende werkgelegenheid tegenover stond. Zwakke bedrijven zouden gesteund kunnen worden door het scheppen van een werkgelegenheidsfonds. Dit fonds zou er kunnen komen door winstafroming bij de grote concerns. Ook winsten uit de bodemschatten (aardgas) zouden gebruikt moeten worden voor verbetering van de werkgelegenheid. De comite's eisten bijvoorbeeld een versnelde renovatie van oude stadswijken en meer sociale woningbouw. Hierdoor zou met name de werkloosheid in de bouw bestreden kunnen worden. Maar er moest ook een herverdeling van werk komen: verlaging van de pensioengerechtigde leeftijd met behoud van loon, verlenging van vakanties, verkorting van de arbeidsdag. Maar deze arbeidsverkorting mocht er alleen komen bij behoud van het volle loon. Kortom, de comite's eisten "echte koopkracht- verbetering door loonsverhoging ter bestrijding van de onderbesteding".

In feite gingen de comite's uit van de marxistische onderbestedingsteorie. De redenering van de comite's was, dat een verlaging van het inkomen- en dat gold zowel voor werkenden als werklozen- ondernemers wel aan winst zou helpen, maar dat het tegelijkertijd zou leiden tot onderbezetting, tot een teruggang van de consumptie en daarmee tot bevordering van werkloosheid. Voor een werkelijke bestrijding van de werkloosheid moesten de inkomens van werkenden en werklozen tegelijkertijd worden verhoogd. Eventuele opmerkingen van werkenden, dat ze niet teveel wilden inleveren voor de premies waaruit de uitkeringen betaald werden, werden bestreden met het argument, dat de hogere werkloosheidsuitkeringen niet door de werkenden betaald moesten worden maar uit de winsten van de grote concerns. Een kritiek op het arbeidsethos of een pleidooi voor afschaffing van de sollicitatieplicht zal men in de eerste werklozen- aktiekranten vergeefs zoeken; van die kant werd het niet bekeken. De mijnwerkers mochten dan gewerkt hebben onder zeer slechte omstandigheden, en sillicose mocht bij hen een beroepsziekte zijn, toch eisten de werklozencomite's "het bevorderen van de kolenproductie door openhouden van de mijnbedrijven (Juliana, Oranje Nassau, Emma en Hendrik) en door het in productie nemen van de staatsmijn Emma". Later zou daaraan worden toegevoegd, dat de heropening van de mijnen gepaard moest gaan met een drastische verbetering van de arbeidsomstandigheden.
Speerpunt in het aktieprogramma was de eis van een uitkering ineens van minimaal fl 200,- netto voor alle werklozen en sociaal gesteunden.

Akties voor een uitkering ineens.

Om de eisen uit het aktieprogramma kracht bij te zetten werd vanaf december 1974 overal in het land een handtekeningencampagne gevoerd. Het AWC demonstreerde al op 22 november 1974 met enkele tientallen werklozen op de binnenplaats van het stadhuis voor een duurtetoeslag van fl 200,- ineens. Bij deze aktie kreeg het gemeentebestuur van Amsterdam een petitie aangeboden, die was ondertekend door 2500 werklozen.5
Volgens de aktiekrant werklozen verklaarden gemeenteraden in minstens vijftien grote steden, dat zij zich achter de eisen van de werklozen stelden. In Amsterdam werd door PvdA en CPN een motie ingediend in de gemeenteraad, waarin werd voorgesteld de aktie voor een duurtetoeslag van fl 200,- te steunen. De motie werd door alle partijen in de raad overgenomen en ook wethouder de Cloe van sociale zaken was het eens met de motie. Hij beloofde de zaak te zullen aankaarten in Den Haag.6 Het AWC probeerde zoveel mogelijk instellingen achter de eisen te krijgen. Op 21 januari 1975 overhandigde het Amsterdamse comite een open brief aan het Sociaal Fonds Bouwnijverheid, waarin werd gevraagd om de eisen voor een uitkering van fl 200,- ineens en een verlenging van de WWV-termijnen te steunen.7 De volgende dag hield het AWC een protestvergadering, waar de eisen ook naar voren werden gebracht. Er waren op de manifestatie ongeveer honderd werklozen aanwezig.8

Op 18 februari 1975 overhandigden delegaties van werklozencomite's uit het hele land aan minister Boersma een petitie, waarin directe verbetering van het inkomen van werklozen werd geeist. Verder werden 53.000 handtekeningen overhandigd van mensen, die het met de eisen eens waren. Voordat de petitie werd aangeboden hielden zo'n 250 vertegenwoordigers van de comite's een manifestatie in Amicitia in Den Haag. Bij het aanbieden van de petitie deed Boersma twee toezeggingen: het begrip passende arbeid zou niet verruimd worden en op korte termijn zou er een verlenging van de WWV-termijn komen voor werklozen, ouder dan 55 jaar.9
Na het aanbieden van de petitie en de handtekeningen voerden vertegenwoordigers van de actiecomite's gesprekken met politici van verschillende politieke partijen, waarbij de eisen van de comite's nogmaals naar voren werden gebracht. De werklozencomite's waren echter niet tevreden met de toezeggingen van Boersma.

Op 20 februari 1975 verscheen een regeringsnota over de bestrijding van de werkloosheid. De aktiekrant reageerde fel: " in de nota wordt geen gehoor gegeven aan de eisen van de werklozen voor een verbetering van hun financiele positie. In plaats van een halt toe te roepen aan de werkloosheid, volhardt de regering in passiviteit en komt ze met gunsten voor de ondernemers".10
Een bedrag van 225 miljoen gulden werd uitgetrokken voor steun aan afzonderlijke "zwakke" bedrijven, maar de aktiekrant konstateerde, dat de meeste gelden terecht kwamen bij de grote concerns, die de grootste winsten maakten. Premies en subsidies voor werkgevers om bepaalde categorien werklozen in dienst te nemen betekenden volgens de werklozencomite's alleen maar een loonkosten verlaging voor de werkgevers, die tot gevolg hadden dat de ondernemers hun goedkope, gesubsidieerde arbeiders tegen hun duurdere collega's uitspeelden om zo de lonen te kunnen drukken.

In de nota van Boersma vinden we inderdaad de eerste signalen van een beleidswijziging, waarbij de regering van het keynesiaanse beleid afstapte en overging tot drastische bezuinigingen. In de nota werd het uitgangspunt van de ondernemersorganisaties, dat het de hoge loonkosten waren die de werkloosheid veroorzaakten overgenomen. Loonmatiging, bezuinigingen en afschaffing van de automatische prijscompensatie zouden noodzakelijk zijn. De uitgangspunten van de nota botsten met het uitgangspunt van de werklozencomite's, dat loonmatiging juist zou leiden tot onderbesteding. De nota Boersma is te zien als een eerste voorbode van een beleid, waarbij uit een heel ander vaatje getapt zou worden. Grote konflikten tussen de vakbeweging en de overheid, met name over de automatische prijscompensatie dienden zich aan.

De grote vakbonds manifestatie tegen de werkloosheid.

Terwijl de werklozencomite's hun handtekeningencampagne voerden, besloten NVV, NKV en CNV op 22 februari 1975 een landelijke demonstratieve bijeenkomst te organiseren om te protesteren tegen de werkloosheid en de gevolgen daarvan. Albert van der Lugt beschouwde het besluit van de vakcentrales mede als een verdienste van de akties van werklozen.11
Uit zijn reactie bleek, dat de comite's streefden naar samenwerking met de vakbeweging. "De meeste leden van de werklozencomite's zijn lid van de vakbonden, in het bijzonder het NVV....in verschil- lende plaatsen in het land werken werklozencomite's en afdelingen van vakbonden samen om protestbijeenkomsten te organiseren". De comite's probeerden een soort intermediair te vormen tussen de vakbonden en de ongeorganiseerden. Zij benaderden deze laatste groep tijdens hun handtekeningencampagnes ook door propaganda te maken voor de demonstratie van de vakcentrales op 22 februari. Bovendien huurden de werklozencomite's met name in het noorden van het land veel bussen om zoveel mogelijk mensen naar Utrecht te krijgen. Ook vanuit Amsterdam reden er extra bussen en treinen.12
Tijdens de landelijke manifestatie in de Veemarkthallen in Utrecht eiste Wim Kok, voorzitter van het NVV, dat de WW-uitkering zou worden opgetrokken naar 80% van het laatst verdiende loon. Ook moest volgens hem de uitkeringsduur worden uitgebreid. In een verklaring die na afloop van de manifestatie werd uitgegeven deelden de vakcentrales mee, dat ook de WWV moest worden opgetrokken tot 80% van het laatst genoten loon, terwijl de uitkeringsduur moest worden verlengd. Daarnaast zouden ook gehuwde vrouwen, die werkloos werden voor een WWV-uitkering in aanmerking moeten komen.13

Op dat moment was de situatie zo, dat gehuwde vrouwen die geen kostwinster waren geen WWV-uitkering konden krijgen. Tijdens de manifestatie ging Wim Kok tekeer tegen de voorstellen voor loonmatiging. "Als men denkt de werknemers te kunnen aanpraten dat ze voor het bestrijden van de werkloosheid de buikriem maar eens stevig moeten aanhalen dan heeft men het bij het verkeerde eind". De werklozencomite's juichten deze opmerkingen toe, maar toch was het niet bepaald koek en ei tussen de comite's en met name de leiding van de vakcentrales. Een van de aktiekranten: "Het is een publiek geheim, dat de drie vakcentrales zo min mogelijk ruchtbaarheid aan de manifestatie hebben gegeven. Zij gaven slechts mondjesmaat toegangskaarten uit, kennelijk met de bedoeling dat de bijeenkomst een gematigd karakter zou dragen".14
De aktiekrant konstateerde dat het toch een massale demonstratie werd en dat dit te danken was aan de inspanningen en de propaganda van de werklozencomite's en verscheidene vakbondsafdelingen. Zij hadden de mensen opgeroepen naar Utrecht te komen. De aktiecomite's voerden tijdens de manifestatie hun eigen, verdergaande leuzen mee, zoals die ook in het aktieprogramma naar voren kwamen. (De comite's wilden bijvoorbeeld optrekking van de WW tot 90 % in plaats van 80%) De uitgangspunten van de comite's botsten met die van de vakcentrales, die wilden dat de manifestatie in de Veemarkthallen alleen bezocht zou worden door een beperkte groep georganiseerden met toegangskaarten. Bij de ingang van de hallen ontstonden ruzies tussen vertegenwoordigers van de bonden en vertegenwoordigers van de aktiecomite's, die eisten, dat iedereen, dus ook ongeorganiseerden, toegang zou hebben tot de manifestatie. Dit gebeurde uiteindelijk ook.

Het Vrije Volk schreef later, dat de comite's valse kaarten in omloop hadden gebracht om zoveel mogelijk demonstranten binnen te krijgen. De aktiekrant noemde dit een pertinente leugen. Men konstateerde, dat veel comite-leden aktieve vakbondsleden waren, die een geldige kaart hadden. Verder konstateerde men, dat de bijeenkomst zo'n massaal karakter had, dat er geen sprake van kon zijn dat mensen buiten de deur gehouden konden worden.

Het AWC krijgt een eigen trefcentrum

Hiervoor bespraken we het aktieprogramma van het LAW. Een van de punten uit het programma was ook, dat er trefcentra voor werklozen moesten komen, gesubsidieerd door de gemeenten. In de centra zou advies aan werklozen kunnen worden gegeven over het Arbeidsbureau en de sociale dienst en vanuit de centra zou aktie gevoerd kunnen worden voor de eisen van de comite's. De akties voor eigen trefcentra hadden al snel resultaat. In Amsterdam demonstreerde het AWC op 4 december 1974 voor het Wibauthuis. De eis voor een eigen trefcentrum stond daarbij centraal. Na de demonstratie vertrok men naar het stadhuis, waar de eis aan het gemeentebestuur werd overhandigd.15
Al op donderdag 6 februari 1975 was het zover: op deze dag werd het nieuwe trefcentrum van het AWC officieel geopend in aanwezigheid van een twintigtal werklozen en de raadsleden van der Ven van de Partij van de Arbeid en Clerx van de CPN. De nieuwe ruimte, die door de gemeente beschikbaar was gesteld, was gevestigd in het gebouw van de sociale dienst aan de Lutmastraat 2-4. De voorzitter van het AWC, Jan Mannaert, verrichtte de opening door het woord "eist" af te knippen van een spandoek waarop stond: "eist een advies-aktie- en trefcentrum". Daarna werd het spandoek aan de buitenkant van het gebouw bevestigd.

Het AWC beschikte over twee lokalen.16. Het onderkomen was iedere dag van 10.00 uur tot 17.00 uur geopend. Jan Mannaert stelde, dat het centrum van groot belang was als hulpmiddel om de aktiviteiten en de slagvaardigheid van de werklozenbeweging te vergroten. Hij merkte verder op, dat het AWC al veel sympathie onder de werklozen had verworven, tot uitdrukking komend in de landelijke handtekeningenaktie voor een duurtetoeslag van fl 200,-. Tot 5 februari waren er in Amsterdam al meer dan 6000 handtekeningen opgehaald17 Ten slotte bracht Mannaert naar voren, dat het AWC keihard aan de gang zou gaan om de feestelijke sluiting zo snel mogelijk te doen plaatsvinden, namelijk wanneer de werkloosheid zou zijn opgelost.18
In de loop van 1975 kwamen er ook trefcentra in andere plaatsen, zoals Deventer, Groningen, Nijmegen, Sneek en Utrecht.

Aktiviteiten van het AWC in 1975

In de loop van 1975 waren er in de nieuwe ruimte van het AWC vele aktiviteiten. Elke dag was er tussen 10.00 uur en 16.00 uur advieswerk voor werklozen met een uitkering. Verder waren er akties bij bedrijfsverenigingen en sociale dienst, om "onrechtmatige stopzettingen van uitkeringen teniet te doen". Er werden bijvoorbeeld beroepsprocedures opgezet voor werklozen, die een strafkorting hadden gekregen omdat ze te weinig zouden solliciteren. Elke dinsdagmiddag om 14.00 uur was er een openbare aktivistenvergadering, waar het lopende werk werd besproken en akties werden gepland. In het voorjaar van 1975 waren er lezingen over de februaristaking en de toepassing van de sociale wetten. Bovendien bestonden er kontakten met kunstenaars om gezamenlijk aktiviteiten te ontwikkelen.19 Daarvoor werd een culturele commissie in het leven geroepen. Dit leidde er oa toe, dat het werklozen cabaret uit Hoorn in Amsterdam optrad.20
Verder werd er een financiele campagne gevoerd. Er gingen steunlijsten rond op bouwprojecten in Amsterdam, en er werd regelmatig gepost bij het arbeidsbureau. Het krantje van het AWC meldde dat men in drie weken meer dan fl 2500,- ophaalde.21

Op 14-4-1975 organiseerde het AWC een manifestatie in Krasnapolsky.22 Daarbij bleek, dat het AWC verschillende werkgroepen had, die aandacht besteedden aan de belangen van specifieke groepen. Er waren sprekers van het AWC en van de comite's voor werkloze academici, jongeren, bouwvakkers en vrouwen. Besloten werd, een open brief naar de Tweede Kamer te versturen, waarin de eisen die ook al in het aktieprogramma van het LAW naar voren kwamen nog eens werden genoemd. Maar er waren in 1975 nog meer akties. In mei werd door het AWC in de Haarlemmerbuurt een aktie gehouden voor een snelle aanpak van de stadsvernieuwing. Op een groot braak liggend terrein- het grootste gat van Amsterdam- werden op symbolische wijze huizen gebouwd.23

Vrouwen

In het voorjaar van 1975 werd bij het AWC ook een Aktiecomite Werkloze Vrouwen opgericht, dat druk probeerde uit te oefenen op de regering, en met name minister Boersma om de WWV-discri- minatie van de vrouw af te schaffen.24 Op 8 april 1975 organiseerde het vrouwencomite een openbare aktievergadering in het Marco Pologebouw.25 Op de vergadering werd namens het Comite Werkloze Vrouwen het woord gevoerd door Jannie Tuin. Jan van Dijk voerde het woord namens het bouwvakcomite. In een pamflet dat naar aanleiding van de aktievergadering werd geschreven deelden de vrouwen mee, dat ze het initiatief hadden genomen om aktie te voeren tegen een aantal werkloosheidsregelingen, waarbij vrouwen duidelijk gediscrimineerd werden. De vrouwen eisten recht op gelijk loon en gelijke uitkeringen, en gelijke behandeling bij de WW- uitkering, dus geen willekeur; deze eis werd gesteld, omdat het de vrouwen gebleken was, dat met name part-time werkende vrouwen lang niet altijd een WW-uitkering kregen, ook niet als ze er wel recht op hadden. Verder werd de eis gesteld, dat vrouwen in aanmerking moesten komen voor een WWV-uitkering, ongeacht de vraag, of de werkende gehuwde vrouw kostwinner was of niet. De vrouwen eisten ook, dat er bij het arbeidsbureau geen verplichte inschrijving voor hele dagen zou zijn voor part-time werkenden. Deze eis werd gesteld omdat veel vrouwen met kleine kinderen geen tijd hadden om hele dagen te werken. En ten slotte eiste men, dat er geen korting op het salaris van de vrouw zou komen, wanneer haar man in de bijstand verzeild raakte. Op dat moment was de regeling zo, dat wanneer mannen werkloos werden en in de bijstand terecht kwamen, de salarissen van hun werkende vrouwen stevig werden ingekort; een derde van haar salaris mocht de vrouw houden, met een minimum van fl 92,- Na de aktievergadering werd een handtekeningencampagne georganiseerd bij het arbeidsbureau en bij bedrijven, waar veel vrouwen werkten. Ook bij avondscholen, waar veel vrouwen een cursus volgden, werd gepost.

Op donderdag 29-5-1975 werden de handtekeningen op het ministerie van Sociale Zaken overhan- digd. De Nederlandse Vrouwen Beweging en Man Vrouw Maatschappij hadden zich inmiddels solidair verklaard. Een afvaardiging van het comite mocht de eisen van de vrouwen die hierboven ook al werden genoemd binnen voorlezen aan een ambtenaar. s'Middags hadden de vrouwen een gesprek met de technische commissie van de sociale verzekeringsraad, waarbij de eisen nogmaals werden toegelicht. Ten slotte voerden de vrouwen gesprekken met leden van Tweede Kamerfracties van politieke partijen.26
De aktie van de vrouwen kreeg veel publiciteit. Zo besteedde de NOS TV aandacht aan werkloze vrouwen in het programma "Ot en hoe zit het nou met Sien". In dit programma speelden de vrouwen van het AWC een belangrijke rol. Veel vrouwen hebben naar aanleiding van de uitzending naar het AWC gebeld.

Landelijke akties in 1975.

Van 26 mei tot 30 mei organiseerden de comite's in het hele land bijeenkomsten en lezingen. Ook probeerden verschillende comite's hun werk meer bekendheid te geven door met informatiekramen op markten te gaan staan. Hoogtepunt van de aktie- week was een landelijke congresdag op woensdag 28 mei in Amsterdam. Tijdens de aktie week probeerden de diverse lokale comite's deelnemers voor het congres te werven. Er werd daarbij een financiele campagne gestart. Werklozen konden "bouwstenen" kopen voor een gulden, om de akties te steunen. Verder werden er kaarten voor de manifestatie op 28 mei verkocht. Iedere ochtend stond het AWC in de hal van het arbeidsbureau waar manifesten naar aanleiding van het congres werden verspreid en kaarten werden verkocht. Op deze wijze haalde men bijna fl 1000,- binnen. Het AWC liet op 26 mei een geluidsboot door de grachten en over het IJ varen om overal op te roepen tot ondersteuning van de aktie voor een positieverbetering van werklozen. De boot meerde oa enige tijd aan voor het arbeidsbureau op het Singel.27 In verschillende plaatsen werden manifestaties gehouden, oa in Deventer, Enschede, Groningen, Heerlen, Utrecht en Amsterdam. In Deventer was er op zaterdag 31 mei een manifestatie onder de leus: "Deventer maakt een vuist voor werk en hogere uitkeringen". In Enschede was er een bijeenkomst op dinsdagavond 27 mei in Concordia. Het comite uit Delft deelde mee, dat ze met 40 deelnemers zouden komen, en de Limburgse comite's kwamen met een bus. Na het demonstratieve congres hebben het LAW en de aangesloten comite's een ansichtkaart onder werklozen verspreid die moest worden opgestuurd naar de Minister van Sociale Zaken. Het landelijk werklozen congres, de aktieweek en het opsturen van de ansichtkaart waren bedoeld om de druk op Boersma op te voeren. Deze was immers wel bereid tot verlenging van de WWV-uitkeringen voor werklozen van 571/2 jaar en ouder, maar de comite's wilden een verlenging van de WWV- uitkeringen voor alle werklozen. 28

Jongeren in aktie tegen de werkloosheid.

Zoals we hiervoor hebben gezien, was er wel samenwerking tussen werklozencomite's en vakbondsafdelingen (veel aktivisten waren aktief in beide). Maar de leiding van de vakcentrales wilde zich volgens de comite's slechts in beperkte mate inzetten voor de belangen van de werklozen. Bij de jongerenorganisaties van de erkende bonden kreeg de bestrijding van de werkloosheid echter steeds meer prioriteit. Op 7 en 8 november 1975 kwamen op het Troelstra-oord in Beekbergen 200 NVV-jongeren bijeen voor de konferentie "Recht op Arbeid". Daarvoor al, in 1974 hadden de jongeren een grote aktie "stop de jeugdwerkloosheid" gehouden, waarbij de jongerenorganisatie van het NVV een aanzet gaf tot een plan voor werkgelegenheidsprojecten voor jongeren. In 1974 waren er onder de 134.900 werklozen 47.500 jongeren onder de 25 jaar. De strijd tegen de jeugd- werkloosheid begon in deze tijd voor het NVV-JC steeds belang- rijker te worden.29 Op de konferentie in Beekbergen werd een resolutie aangenomen, waarin gepleit werd voor samenwerking met de aktiecomit‚'s van werklozen. De NVV-jongeren besloten, "elk bondslid op te roepen om in eigen bond en omgeving te werken aan een grotere bereidheid tot samenwerken met de werklozencomite's, zowel op plaatselijk als landelijk niveau". Bovendien verklaarden de jongeren, dat zij de oproep tot samenwerking onder de aandacht van het verbondsbestuur zouden brengen. De jongeren konstateerden, dat er weliswaar verschillen in eisen waren tussen het NVV en de comite's (bv de optrekking van de WW tot 80 resp 90%) maar dat ook bij de comite's de gezamenlijke belangen van werkenden en werklozen centraal stonden en dat dit samenwerking noodzakelijk maakte. De oproep van de NVV-jongeren zou met name de strijd van werkloze schoolverlaters nieuwe impulsen geven. In verschillende plaatsen werd vanaf dat moment gewerkt aan "schoolverlaterscomite's".


maandag 10 augustus 1992

Inleiding Boek ‘Werklozen in aktie’, de geschiedenis van de Werklozen belangen Vereniging Amsterdam, 1974-1992/WBVA-1992

Deze brochure gaat over de geschiedenis van de Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam (WBVA) in de afgelopen vijftien jaar. Daarnaast besteed ik aandacht aan de voorloper van de vereniging, het Amsterdams Werklozen Comite. Bij het schrijven van deze brochure kreeg ik met verschillende moeilijkheden te maken. Het bleek, dat het archief van de vereniging voor een groot gedeelte een chaos was. Vele meters papier, die niet geordend waren. In de loop der jaren hebben verschillende vrijwilligers en/of beroepskrachten
meer of minder ambitieuze plannen opgezet om het archief te ordenen, maar al deze plannen lijken na een aanvankelijk ongetwijfeld enthousiast begin te zijn gestrand. Bij iedere nieuwe poging werd een nieuw systeem bedacht, en een klein gedeelte volgens dit systeem geordend. In 1987 werd het meest ambitieuze plan opgezet, nl een knipselarchief over alles wat met werkloosheid en uitkeringen te maken heeft, toegankelijk te maken door een systeem van trefwoorden, ingevoerd in de computer. Het leidde tot de ordening van ongeveer drie meter archief, geordend in mappen die van titels zijn voorzien. Na de stopzetting van de subsidie door de gemeente Amsterdam is echter ook dit project ter ziele gegaan. Wel zijn er nu enkele vrijwilligers, die kranten bijhouden en de knipsels onderbrengen in de verschil-lende mappen, zodat het archief wat dit gedeelte betreft enigzins toegankelijk is. De rest is zoals gezegd of een chaos, of er zit enig systeem in door het feit, dat met name de Vrouwen Steun Groep papieren naar aanleiding van haar aktiviteiten onderbracht in afzonderlijke mappen. Het viel niet mee, om op basis van dit archief een lopend verhaal te maken over de geschiedenis van de vereniging.

Verder is het zo, dat in 1979 in de zomer of vlak ervoor, het pand waar de WBVA gevestigd was, in de Lutmastraat, door brand werd verwoest. Veel materiaal is daarbij waarschijnlijk verloren gegaan. Dit zal de oorzaak zijn van het feit, dat over de periode van voor 1979 vrij weinig in het archief terug te vinden is. Ik moest me voor die periode vooral baseren op de landelijke aktiekrant werklozen, waarvan alle jaargangen nog aanwezig zijn, en daarnaast een kleine verzameling pamfletten en affiches. Verder heb ik voor deze periode gebruik gemaakt van krantenartikelen en her en der materiaal verzameld, oa uit het archief van de Vereniging Bijstandsbond Amsterdam, van individuele personen en van het gemeentearchief. De tijd ontbrak mij echter om uitgebreid op zoek te gaan naar materiaal.

bestaande geschiedschrijving

Ik stelde mij in het begin voor, met name aandacht te besteden aan de WBVA, maar allengs bleek mij, dat de geschiedenis van de WBVA en van het AWC nauw verbonden is met landelijke ge-beurtenissen en het landelijk beleid van de overheid, met name in de zeventiger jaren. De redaktie van de aktiekrant werklozen was in Amsterdam gevestigd, in het pand van het AWC en later de WBVA, en ook vele bestuursleden van de landelijke organisatie waren uit Amsterdam afkomstig, vele akties werden vanuit Amsterdam opgezet. Maar ook in de tachtiger jaren waren er kontakten met landelijke organisaties. Bovendien waren de meeste akties van de WBVA een reaktie op landelijke ontwikkelingen. In deze brochure komen daarom maatregelen van de landelijke overheid ook ter sprake. Ik ben daarbij echter wel steeds uitgegaan van de Amsterdamse inbreng. Dit betekent, dat voor wat betreft de landelijke ontwikkelingen en de ontwikkelingen in andere plaatsen een vertekend beeld ontstaat.

Ik heb vooral aandacht besteed aan die overheidsmaatregelen, die tot verzet van uitkeringsgerechtigdengroepen hebben geleid. Een en ander betekent, dat bijvoorbeeld allerlei beleidswijzigingen bij de Gemeentelijke Sociale Dienst of het Arbeidsbureau slechts summier aan de orde komen, wanneer daar niet of nauwelijks op werd gereageerd. Ik kon me voor een landelijk beeld nauwelijks baseren op wat anderen voor mij daarover geschreven hadden. De geschiedschrijving van belangenorganisaties van uitkeringsgerechtigden in de afgelopen twintig jaar verkeert nog in een beginstadium. De beschrijving van wat uitkeringsgerechtigdengroepen binnen en buiten de grote vakbonden nu wel hebben gedaan is magertjes vergeleken bij de uitgebreide wetenschappelijke onderzoekingen naar het gedrag van werklozen en andere uitkeringsgerechtigden, die niet in aktie zijn gekomen.

De belangrijkste studies die zijn verschenen hebben betrekking op de strijd tegen de voordeurdelerskortingen (van den Oord), de strijd van de comite’s Vrouwen in de Bijstand in de jaren 1982/1983 en een brochure over de geschiedenis van Unitas uit Nijmegen. Verder werden door enkele landelijke organisaties korte overzichten uitgegeven. Door de enigzins eenzijdige geschiedschrijving over de belevingswereld van uitkeringsgerechtigden ontstaat een vertekend beeld. Benadrukt wordt in veel studies dat werklozen en WAO-ers passief zijn, niet in aktie komen, meestal omdat het werkloos zijn een te negatief begrip is om mensen op te orga-niseren. Bovendien zouden de meeste uitkeringsgerechtigden een traditioneel arbeidsethos hebben, waarbij ze eerst verwoede pogingen doen om aan het werk te komen, waarna ze in passiviteit vervallen en de hand lichten met de regels die de overheid heeft gesteld. Het kan niet worden ontkend, dat massa-akties van werklozen in de zin van massale demonstraties en grote belangenorganisaties met veel leden zijn uitgebleven. De WBVA had eind zeventiger jaren ongeveer 1500 leden. Toch lijkt dit beeld wel te moeten worden genuanceerd. Er is in de loop der jaren een veelheid van lokale groepen ontstaan, die allerlei aktiviteiten ontplooiden, van alternatieve werkvormen tot individuele en collectieve belangenbehartiging. Deze groepen blijven in de officiele geschiedschrijving buiten beeld. Hoewel akties van werklozen wel in de publiciteit zijn gekomen, is dit toch beperkt; lokale aktiviteiten van allerlei groepen gaven maar zelden aanleiding tot sensationele reportages in de kranten.

De beweging van uitkeringsgerechtigden wordt momenteel gekenmerkt door een zoektocht naar nieuwe aktiemethoden en mogelijkheden van beinvloeding van het overheidsbeleid. Ik hoop met dit boekje over de geschiedenis van de werklozenbeweging een bijdrage te leveren aan die diskussie; je rekenschap geven van wat anderen in het verleden hebben gedaan kan leiden tot nieuwe argumenten en aktiviteiten.

nadere probleemstellingen

Wat de geschiedenis van het AWC en de WBVA betreft heb ik mij vooral gericht op de volgende vragen:

1. In welk theoretisch kader plaatsten de aktivisten van de WBVA de werkloosheid, en welke veranderingen zijn er in hun zienswijze opgetreden? Een belangrijke vraag daarbij is in hoeverre opvattingen over arbeid zich hebben gewijzigd en waarom die zich wijzigden. Verder probeer ik na te gaan, welke alternativen tegenover het overheidsbeleid werden gesteld.
2. Welke organisatievormen koos men om de doelgroep te berei-ken en hoe definieerde men die doelgroep?
3. Welke coalities streefde men na, om de gestelde doelen te bereiken?

donderdag 28 november 1991

Picket Bij 'Sociaal Congres'

UIT: NN #98 van 28 november 1991  


Van 13 tot en met 16 november werd het christelijk sociaal congres gehouden in Doorn en in Utrecht. Vakbonden,  erkgeversorganisaties, kerkelijke groeperingen, onderwijs- en welzijnsinstellingen en politieke partijen, diskussieerden daar met elkaar over wat in onze tijd de kern van de "sociale kwestie" is. Als voorbereiding op het congres werd een brochure uitgebracht onder de titel "bedreigde verantwoordelijkheid". In dit document wordt de funktie van het christelijk sociaal denken toegespitst op het begrip verantwoordelijkheid. Mensen moeten meer verantwoordelijk worden gesteld voor hun keuzen en hun handelen. Deze verantwoordelijkheid wordt verbonden met gerechtigheid: recht doen aan mensen betekent hen konfronteren met de gevolgen van hun handelen en hen wijzen op hun plichten. Die plichten moeten door de overheid worden gereguleerd.Op 16 november organiseerden organisaties van uitkeringsgerechtigden een picketline. 

Kritiek 

De organisaties die de picket-line bij de Utrechtse Jacobikerk organiseerden hadden nogal wat kritiek op het basisdocument. Zij brachten naar voren, dat hoewel in het basisdocument aandacht bestaat voor de strukturele tekortkomingen van onze sociaal-ekonomische orde, weinig aandacht wordt besteed aan de voorwaarden en instrumenten die nodig zijn om de verantwoordelijkheid waartoe men opgeroepen wordt, te kunnen beleven. Waar zijn de ekonomische en sociale rechten? 
De afgelopen vijftien jaar werd het sociale zekerheidsstelsel langzaam maar zeker onder leiding van het CDA afgebroken, waarbij de overheid geen antwoord vond op het probleem, dat de beroepsbevolking toenam terwijl de werkgelegenheid uitgedrukt in arbeidsjaren sinds 1966 niet meer gestegen is. Van een aktief werkgelegenheidsbeleid is in Nederland geen sprake.  
Het gevaar bestaat, dat de enigszins wollige formuleringen in het basisdocument 'bedreigde verantwoordelijkheid' zullen worden gebruikt als alibi om de rechten van vele burgers verder af te breken en een mini-stelsel in te voeren in de sociale zekerheid. Mensen zijn dan zelf verantwoordelijk voor verdere verzekeringen tegen werkloosheid en ziekte, waarbij de organisatie van deze verzekeringen wordt overgelaten aan het partikulier initiatief. 
Deze interpretatie van verantwoordelijkheid zal leiden tot een verdere verarming en tot sociaal onrechtvaardige ongelijkheden. Wie op zich gezond is, maar na medisch onderzoek meer kans blijkt te hebben op een erfelijke ziekte, moet meer premie betalen. Mensen die werken in grote bedrijven met veel werknemers kunnen goedkope collectieve verzekeringen afsluiten en mensen in kleine bedrijven niet. 
Mensen in beroepen met een hoog gezondheidsrisico moeten meer premie betalen dan anderen. Er is in het basisdocument onvoldoende aandacht voor het feit, dat verantwoordelijkheid ook solidariteit betekent. De verschillende organisaties van uitkeringsgerechtigden organiseerden daarom de picket-line om daarop te wijzen. Aanwezig waren vertegenwoordigers van de Bundeling Uitkeringsgerechtigden, de Bijstandsbond, de WBVA, de Werklozenbond Utrecht, DISK-Amsterdam en het Komitee vrouwen en de bijstand Amsterdam. 

Buiten de paaltjes  

De demonstratie verliep in eerste instantie vreedzaam. Er werden bij de ingang van de Jacobikerk spandoeken ontrolt en pamfletten uitgedeeld. Er was heel wat politie aanwezig, maar die liet ons eerst met rust. We hadden gehoord, dat behalve Ruud Lubbers ook Koningin Beatrix zou komen. Het leek ons een goede gelegenheid om de rijkste uitkeringsgerechtigde van Nederland eens op onze standpunten te wijzen. Dat zou wel kunnen, dachten wij. We stonden daar immers op vreedzame wijze gebruik te maken van ons recht op meningsuiting. De congresgangers werden op geen enkele wijze door ons gehinderd.  
Maar een kwartiertje voor de komst van Beatrix kwamen politieagenten op ons af, die zeiden dat we wel mochten demonstreren, maar dan honderd meter verder, buiten de paaltjes die daar stonden. We mochten niet bij de ingang blijven staan, hoewel we niemand lastig vielen. Daarop ontstonden enige schermutselingen tussen de demonstranten en de politie. Enkele lieten zich wegslepen onder het roepen van de leus, dat er met de politieke en ekonomische demokratie nog heel wat mis is. Ons recht om een mening te uiten werd op ongemotiveerde wijze ingeperkt.  
Na het nodige geduw en getrek bevonden de demonstranten zich achter de paaltjes. Een van de demonstranten was echter aan de aandacht van de politie ontsnapt. Hij stond bij de ingang van de Jacobikerk nog rustig pamfletten uit te delen. Toen de agenten dat ontdekten, vlogen ze op hem af en sleepten hem bij de ingang vandaan. Bij de aankomst van Beatrix hebben we veel lawaai gemaakt. Na enige tijd zijn we naar de markt voor Hoog Catherijne gegaan en hebben daar pamfletten uitgedeeld. 

Evaluatie 

enslotte trokken de demonstranten in optocht naar het kantoor van de Werklozenbond Utrecht, waar nog wat werd nagepraat. Hierbij kwam o.a. het volgende aan de orde. We moeten meer van dit soort picket-lines organiseren, om onze standpunten onder de aandacht van het publiek en de beleidsmakers te brengen. Naar aanleiding van een konkrete gebeurtenis, bijvoorbeeld een congres waar hotemetoten zonder ons en over ons spreken, met spandoeken en pamfletten duidelijk maken dat het huidige beleid leidt tot steeds meer armoede en dat het zo niet langer kan. 
Bij het organiseren van de picket-lines moeten we ervan uitgaan, dat de reeds aanwezige plaatselijke organisaties dit in de eerste plaats opzetten. Dus de WBVA en de Bijstandsbond in Amsterdam, de Werklozenbond in Utrecht, etc. Wel moeten we elkaar op de hoogte houden, zodat ook mensen uit andere plaatsen naar een bijeenkomst toe kunnen gaan en zo tijdelijk mee kunnen helpen om in plaatsen waar maar enkele mensen aktief zijn een sterkere organisatie op te bouwen. Het is niet de bedoeling, elkaars concurrenten te worden maar om elkaar te helpen, de lokale organisatie verder uit te bouwen.  
Voor de WBVA betekent dit, dat we picket-lines in Amsterdam organiseren en dan andere organisaties in den lande oproepen mee te doen. Dergelijke akties zijn met betrekkelijk weinig mensen, energie, tijd en geld te organiseren. Zo kunnen we werken aan het versterken van de plaatselijke organisaties en daarna ook weer andere dingen gaan doen. 
Verder is het belangrijk, na afloop van een aktie een soort evaluerende bijeenkomst te houden, waar de dingen nog eens worden doorgesproken, waar we kontakten kunnen leggen en waar met de plaatselijke organisatie kan worden nagedacht over hoe die organisatie kan worden versterkt. We moeten niet meteen al proberen, een landelijke vergadering te beleggen, waar geprobeerd wordt een allesomvattend alternatief op tafel te leggen. We reageren op konkrete gebeurtenissen, waarbij we enkele eisen naar voren brengen.  
Er kunnen bij verschillende akties wel steeds bepaalde eisen terugkeren, maar we gaan niet vanuit een soort centrum aan andere plaatselijke organisaties opleggen wat ze wel en niet moeten eisen. Wel kunnen we tijdens de bijeenkomsten na afloop pamfletten, analyses en eisen uit vroegere akties en de reakties daarop naar voren brengen, zodat er langzamerhand toch iets gemeenschappelijks gaat ontstaan en we toegroeien naar een wat grotere, buitenparlementaire beweging, die in veel plaatsen aktief is, ook al zijn het kleine groepjes, en die door de kwaliteit van hun argumenten en het de straat opgaan en mensen aanspreken regelmatig in de publiciteit komen.  
Machtsvorming- een vuist maken is noodzakelijk, maar we moeten ons niet blindstaren op onze beperkingen en de macht van de overheid of grote belangenorganisaties. We kunnen uitgaan van wat er aan kleine organisaties in den lande al is -en dat zijn er veel- en met akties van die kleine groepen op de voorgrond proberen te treden. 

Landelijke organisaties  

De aanwezigen deelden de mening, dat de landelijke organisaties van uitkeringsgerechtigden hebben gefaald in het formuleren van een landelijke strategie voor alle uitkeringsgerechtigden, dat ze in feite weinig akties organiseren om in de publiciteit te komen en dat ze niet in staat zijn gebleken, de onderlinge verdeeld heden en deelbelangen te overstijgen.  
Over de erkende vakbeweging hoeven we helemaal niet te praten, die hebben na 5 oktober de uitkeringsgerechtigden laten vallen als een baksteen. We zullen er echter ook aan moeten werken de 300.000 uitkeringsgerechtigden te bereiken, die zich in de reguliere vakbonden hebben georganiseerd, en die er iedere maand toch plus minus fl.15,- voor over hebben. 
Eindkonklusie: we moeten in eerste instantie werken aan losse samenwerkingsvormen, waarbij we onze doelen niet te hoog stellen. Dit hoeft niet te betekenen, dat we verder weg liggende doelen uit het oog verliezen en daar niet meer naartoe proberen te werken. 

Werklozen Belangen Vereniging  

maandag 11 september 1989

“Ze moeten het wonen nog leren’. Directeur GSD pleit voor degradatiewoningen

Verschenen  in de Baanbreker, maandblad van de Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam, november 1989.

Voor de kleine, harde kern van probleemgevallen zouden naar mijn oordeel zogenaamde degradatiewoningen beschikbaar moeten komen: woningen met een minimum aan comfort, met  directe betaling van energiepenningen e.d.  Dit zijn de woorden van Jan de Boer, directeur van de Gemeentelijke Sociale Dienst van Leeuwarden op een congres in Rotterdam over burenoverlast. Het congres was georganiseerd door de Nationale Woningraad en een koepel van woningcorporaties.

Op donderdag 21 september werd in Rotterdam een congres gehouden onder de titel: "Burenoverlast, van taboe naar beleid". Een congres van huiseigenaren over lastige buren. De organisatoren deden het voorkomen dat zij zich de problemen van met name de bewoners van de oude stadswijken in de grote steden aantrekken. Het leefklimaat in deze wijken verslechtert en een van de redenen daarvoor is, dat er "lastige" mensen wonen. De buren hebben er last van, last van het lawaai, de vervuiling en de stank, of de regelrechte intimidaties. De organisatoren van het congres wilden daar wat aan doen. Ze lijken zeer begaan met het lot van de buren.
Het vraagstuk werd grondig aangepakt. Een professor kwam uitleggen hoe wij op "wetenschappelijke" wijze het begrip "burenoverlast" moeten definieren, wat daar wel of niet onder valt etc. De voorzitter van de Nationale Woningraad zet vervolgens uiteen op welke schaal burenoverlast voorkomt. Volgens woningbouwcorporaties is niet meer dan een procent van het aantal bewoners veroorzaker van regelmatige overlast. Een op de vijf corporaties vindt echter burenoverlast een groot probleem. Ze krijgen iedere week meerdere klachten met betrekking tot overlast.

Degradatiewoningen

De prijs voor de meest originele oplossing van het burenoverlastprobleem ging naar Jan de Boer, directeur van de Sociale (?) Dienst in Leeuwarden. Zijn oplossing: de asociale overlastveroorzakers moeten maar apart gezet worden in zogenaamde degradatiewoningen, waar ze moeten leven met een minimum aan comfort en met directe betalingen voor hun water- en gasmeter middels penningen.
De directeur van de Nationale Woningraad wil zover nog niet gaan. Wel moet er volgens hem sprake zijn van een zorgvuldige toewijzing van woningen. Corporaties zullen, volgens hem, bij het toewijzen van woningen een spreidingsbeleid moeten hanteren, waarbij zij het recht hebben bepaalde huurders voor een woning te weigeren, ook al hebben zij een urgentieverklaring. Ook vindt hij dat politie en justitie meer mogelijkheden moeten krijgen om corrigerend op te treden. Tevens moeten er huismeesters worden aangesteld.

Lelystad

In Lelystad krijgen toekomstige huurders een uitgebreide vragen­lijst voorgelegd: maakt u veel lawaai, sleutelt u aan auto's, stelt u prijs op een nette tuin etc. Ook wil de huiseigenaar weten of je huurschulden hebt gehad bij de vorige woning. Zo ja, dan kom je misschien niet voor deze woning in aanmerking.
Wat opvalt in de hele discussie, is dat een klein probleem wordt gebruikt om te pleiten voor zeer vergaande maatregelen waardoor alle huurders worden getroffen, maatregelen op het gebied van controle, bevoegdheden van politie en justitie en mogelijkheden voor huiseigenaren om iemand een woning te weigeren of eruit te zetten. Deze maatregelen worden vervolgens gepresenteerd als zijnde in het belang van de huurders.
Door de verlaging van de uitkering en de toenemende armoede, komen steeds meer mensen met huur- en GEB-achterstanden. De corporaties willen steeds meer mogelijkheden om deze mensen onder druk te zetten zodat ze hun schulden betalen.
Wanneer door de toenemende armoede, de achterstanden in het onderhoud van woningen, de slechte isolatie en de stijgende woonlasten problemen ontstaan in bepaalde buurten, dan is de oplossing volgens veel congresgangers niet een hoger inkomen, lagere woonlasten en versnelling van de stadsvernieuwing, maar meer politie, meer huismeesters, vergroting van de mogelijkheden om mensen uit hun huis te zetten en de inrichting van getto's voor "probleemgevallen". Het gevolg is dat niet alleen de "probleemgevallen" maar álle huurders die financieel moeilijk zitten de duimschroeven worden aangedraaid.

Veenhuizen

Al in de negentiende eeuw werd gestreefd naar de inrichting van heropvoedingsgestichten voor "probleemgezinnen". In Drenthe en Groningen werden de "Kolonien van de Maatschappij voor Weldadigheid" opgericht. Veenhuizen is daarvan wel de bekendste Kolonie. Op de onontgonnen heide werden arbeidershuisjes gebouwd, waar de "zwervers en andere asocialen" uit de grote steden naar toe werden gebracht. Zij kregen een schop en moesten de heide ontginnen. De opbrengsten waren uiteraard voor de Kolonie.
Hoe kwam men nu aan voldoende "asocialen"? Met name in Den Haag werden groepjes politieagenten op pad gestuurd. Die arresteerden zwervers die ze op straat tegen kwamen. De zwervers werden op het spoor richting Drenthe gezet. Zo werd de verpaupering in de steden bestreden. Recht op een inkomen om van te leven was er niet, het recht op een behoorlijke woonruimte al evenmin.
Ook in Amsterdam werd begin twintiger jaren een beleid gevoerd waarbij werd gekozen voor de isolatie van bepaalde groepen.  Amsterdam kende weliswaar een uitgebreid woningbouwprogramma, maar ook de volkswoningbouw was geen liefdadigheid. Degenen die geen huur betaalden, de woning uitwoonden, of overlast bezorgden, werden uit de verschillende buurten geweerd. Voor deze "ontoelaatbaren" bouwde de gemeente in 1926 twee woningcomplexen aan de rand van de stad: Asterdorp en Zeeburgerdorp. Onderworpen aan strenge reglementen en onder het toezicht van een opzichter moesten de bewoners het wonen leren...

De congresrakkers van Rotterdam lijken weer terug te willen naar de goede oude tijd. Natuurlijk, er zijn en blijven mensen die er een rotzooitje van maken. Maar om dan maar te pleiten voor onderdrukking, strenge controle en meer politieagenten, zoals sommige hulpverleningsinstanties en huiseigenaren doen, is onzin. Dit soort maatregelen helpen niet.
Wat dan wel? De relatie tussen armoede, werkloosheid en woningnood en de problemen van veel stadsvernieuwingswijken, werd reeds eerder aangeduid. Het is niet vreemd dat de bewoners in Buiten­veldert en de Apollobuurt in Amsterdam, met werkloosheidspercentages van ongeveer 4,5 procent, gemiddeld vier á vijf jaar langer leven dan de mensen in de bijstandsbuurten waar de werkloosheid tegen de 30 procent aanloopt.
De burenoverlast waar de congresgangers zo over klagen, heeft voor een zeer groot deel sociaal-economische oorzaken: werkloosheid, slechte huisvesting, alcoholgebruik etc. Die problemen los je niet op door de lastposten te isoleren.
Nee, je zal moeten zorgen dat iedereen zich thuis gaat voelen in een buurt. Buurtbewoners moeten zeggenschap krijgen over de manier waarop hun buurt wordt ingericht. Wijkbewoners moeten worden gemobiliseerd voor een aanpak van woningverbetering, het leefbaar houden/maken van een wijk en het scheppen van een situatie waarin iedereen zich thuis voelt. De overheid moet daarvoor de financiele middelen beschikbaar stellen door het opzetten van stadsvernieuwingsprojecten en door het subsidieren van buurtvoorzieningen. Op dit moment gebeurt het omgekeerde: het welzijnswerk wordt afgebroken en de stadsvernieuwing stagneert.


dinsdag 4 december 1984

De eisen van democratische organisaties van Marokkanen bij remigratie

In 1984 heb ik de eindredactie uitgevoerd van een plan voor remigratie van Marokkanen dat gemaakt werd door een reeks van Marokkaanse organisaties waaronder het KMAN en het Komitee Marokkaanse WAO slachtoffers. We vergaderden in het kantoor van dit laatste komitee en hebben een tijdelijke naam bedacht voor de campagne.

Landelijk secretariaat van Marokkaanse Organisaties voor Rechtspositie en Remigratie. LASMORR.
Pamflet Panholzer -12-84/5
Dubbelzijdig, 1×29,9 cm, off set, achterkant: fotocollage, tekening
Samenvatting. In Nederland wordt gediscussieerd over de mogelijkheden om buitenlandse arbeiders te laten terugkeren naar het land van herkomst. De plannen worden begin 1985 in de Tweede kamer besproken. Daarnaast heft het “remigratieberaad”(FNV,CNV, Raad van Kerken en LSOBA) voorstellen gedaan. De standpunten zijn geen weergave van de wensen zoals die leven bij de Marokkaanse migranten. Uitgangspunt van regelingen moet zijn dat onze rechtspositie in Nederland goed geregeld is en dat we bij terugkeer naar Marokko onze in Nederland opgebouwde rechten kunnen behouden. Er moet sprake zijn van ene vrije keuze tussen terugkeren of in Nederland blijven. De demokratische organisaties van Marokkanen hebben ene nota gemaakt met voorwaarden waaraan een goed remigratiebeleid moet voldoen. Wij mobiliseren de Marokkanen voor een verdere discussie en we zijn bezig ene discussie voor te bereiden met Nederlandse maatschappelijke organisaties. Wij willen druk uitoefenen op de overheid om onze eisen gerealiseerd te krijgen. Landelijke manifestatie op 30 december, gebouw ‘De Hoeksteen’.
Persbericht
Panholzer -12-84/4
In Nederland wordt gediscussieerd over de mogelijkheden om buitenlandse arbeiders te laten terugkeren. De demokratische organisaties van Marokkanen hebben een nota gemaakt met voorwaarden waaraan een goed remigratiebeleid moet voldoen: goede regeling rechtspositie, geen oprotpremies, een remigratieregeling moet niet beperkt worden tot bepaalde groepen, opzetten terugkeerprojecten, het remigratiebeleid kan worden geregeld door akkoorden tussen Nederland en Marokko, terugkeerders verliezen niet hun rechten op uitkeringen en vakbonden en demokratische organisaties van Marokkanen in Europa dienen bij het maken van de akkoorden en het opstellen van remigratieprogramma’s te worden betrokken. In de regeringsplannen komt een regeling voor ene beperkte groep werklozen van 55 jaar en ouder. De regering lijkt er niet van overtuigd dat terugkeerprojecten ene integraal onderdeel dienen te zijn van de remigratieprogramma’s. Het LASMORR heeft ene actieplan gemaakt om de Marokkanen te mobiliseren voor diskussie. Bijeenkomsten in elf steden. Op 30 december slotmanifestatie in gebouw ‘De Hoeksteen’ met kultureel programma.

vrijdag 5 februari 1982

KAMPAGNE VAN HET KOMITEE MAROKKAANSE ARBEIDERS IN NEDERLAND EN HET KOMTEE VAN WAO-SLACHTOFFERS

Dit pamflet heb ik geschreven in samenwerking met het KMAN.

Aan de organisaties van buitenlanders en de organisaties van Nederlanders in Amsterdam.

In deze tijd van bedrijfssluitingen en werkloosheid worden Nederlandse en buitenlandse arbeiders steeds meer met de gevolgen van een falend overheids-beleid gekonfronteerd.
Terwijl krampachtige pogingen worden gedaan om de winsten van de bedrijven op peil te houden worden de sociale uitkeringen drastisch verlaagd en tracht de overheid Nederlandse en buitenlandse arbeiders tegen elkaar uit te spelen om zo een krisispolitiek te kunnen voeren die uitsluitend in net belang van de ondernemers is. Buitenlanders worden in het kader van deze politiek vaak extra gediskrimineerd.

  • Duizenden buitenlandse arbeiders worden, nadat ze hier vaak jaren gewerkt hebben op staande voet ontslagen en het land uitgezet.Ook bij arbeiders, die hier op legale wijze verblijven worden de vergunningen soms ingetrokken en gaat de vreemdelingenpolitie over tot uitzetting. Dit discriminerende beleid vindt plaats in het kader van de z.g. 1 november-wet, waarin de tewerkstelling van buitenlanders in Nederland wordt geregeld.Via deze wet worden de buitenlandse arheiders middels een systeem van tewerkstellingsvergunningen aan hun arbeidsplaats gebonden, zodat promotie of solliciteren naar een andere betrekking niet mogelijk is. Dit betekent, dat vele arbeiders weerloos zijn overgeleverd aan de krisispolitiek van de ondernemers.
  • Nederland heeft met Marokko een nieuw akkoord gesloten over de betaling van kinderbijslag, zonder dat de Marokkanen in Nederland bij de totstandkoming van dit akkoord zijn betrokken. De kinder-
    bijslag wordt via de ABN in Casablanca overgeboekt naar een nationale bank, met het gevolg,dat de uitbetaling vaak maandenlang blijft geblokkeerd. Sommige families zien de kinderbijslag helemaal niet meer terug. Het KMAN eist,dat het akkoord tussen Nederland en Marokko wordt herzien, en dat er een mogelijkheid komt,om de kinderbijslag aan de vaders in Nederland uit te betalen, zodat zij kontrole kunnen uitoefenen op wat er met hun geld gebeurt. Ook met betrekking tot het ziekenfonds bevat het akkoord onrechtvaardige regelingen: voor WAO-ers en andere uitkeringsgerechtigden geldt, dat wanneer ze in Marokko ziek worden, het ziekenfonds niets uitkeert.
  • Zowel op hun werk als in het kontakt met administratieve instellingen worden buitenlanders vaak gediskrimineerd. Daarbij wordt geen aandacht besteed aan taal-en kommunikatie-problemen, zodat velen niet worden ingelicht over hoe ze voor hun rechten kunnen opkomen. Dit verergert nog de toenemende onzekerheid die ontstaat door de ontslagen en de uitzettingen. Daarbij wordt men ook nog eens gekonfronteerd met de aktiviteiten van racistische clubs als de amicales,die een verlengstuk zijn van de diktatuur in het land van herkomst.
  • De regering van nederland heeft in de afgelopen jaren verschillehde nota's geproduceerd,waarin zij haar beleid heeft uiteengezet. Men kan hierbij denken aan de zg "Minderheden-nota. In deze nota's worden op een paternalistische manier verschillende maatregelen aangekondigd die geheel passen in de zojuist genoemde verdeel-en heerspolitiek in krisistijd. De buitenlanders worden sterk belemmert in hun mogelijkheden, om zich overeenkomstig hun eigen identiteit en geschiedenis te organiseren en voor hun rechten op te komen. Daarbij wordt getracht hen te integreren in de Nederlandse samenleving door hen zeer beperkte inspraak te geven in gemeenteraden en inspraakorganen, met het gevolg dat zij hun identiteit dreigen te verliezen en hun mogelijkheden, om voor hun rechten op te komen sterk worden ingeperkt.

Het KMAN en het Komitee WAO-slachtoffers hebben het initatief genomen voot een landelijke kampagne, die bedoeld is als een gemeenschappelijk verzet tegen de krisispolitiek van de regering. Deze verdeel-en heers politiek, die in het bijzonder de meest kwetsbare groepen binnen de arbeidersklasse treft maakt het voor alle Nederlandse en buitenlandse arbeiders meer dan ooit noodzakelijk om gezamenlijk voor hun rechten op te komen. Het KMAN en het Komitee van WAO-slachtoffers organiseren daarom in het kader van hun kampagne een bijeenkomst in MARCANTI op ZONDAG 14 FEBRUARI in AMSTERDAM; Op deze bijeenkomst zullen de mogelijkheden worden besproken voor een gemeenschappelijke strijd tegen de discriminerende krisis-en integratiepolitiek. Daarbij zal worden gewerkt aan een eisenpakket voor een landelijke aktiedag tegen discrininatie. 

Wij doen een beroep op vakbonden,politieke partijen en andere organisaties om met ons deel te nemen aan deze kampagne. Daarvoor kan men kontakt opnemen met

KMAN-Amsterdam, Ferdinand Bolstraat 39 Amsterdam Tel: 020 - 769980

— GEEN BOTTE BEZUINIGINGEN OP DE ZIEKTEWET-
— AFSCHAFFING VAN DE DISKRIMINERENDE 1 NOVEMBERWET
-- HERZIENING VAN DE AKKOORDEN TUSSEN NEDERLAND EN MAROKKO
-- GEEN VERDEELDHEID ZAAIENDE INTEGRATIEPOLITIEK--
— ONDERSTEUNING ZELFORGANISATIES VAN BUITENLANDSE ARBEIDERS-

De bijeenkomst wordt gehouden in zaal Marcanti, Jan van Galenstraat, Amsterdam. Aanvangstijd:         15.00 uur. De zaal is bereikbaar met de trams 3 en 12 en bus 21.

maandag 12 oktober 1981

Investeringspolitiek van Nederlandse scheepswerven

In de jaren zestig begon de aftakeling van de Nederlandse scheepsbouwindustrie. In vijf jaar tijds kelderde het aandeel van Nederlandse bedrijven in de wereldmarkt van 7,4% in 1960 tot 1,6% in 1965. In dat jaar werd de zogenaamde commissie Keyzer ingesteld, die de oorzaken van de zwakke concurrentiepositie van de Nederlandse scheepwbouw moest onderzoeken. Er werd een uitgebreide studie gemaakt van de verschillen tussen Nederlandse en buitenlandse bedrijven. De werforganisatie en de productietechnieken werden daarbij met elkaar vergeleken. De conclusie luidde, dat de Nederlandse werven na 1955 waren achtergebleven in de omschakeling van ambachtelijke naar industriele productie. De diepteinvesteringen waren drastisch gedaald, zodat de stijging van de arbeidsproductiviteit terugliep tot gemiddeld 1,4% per jaar in de periode 1961-1965.
De Nederlandse werven hadden zich niet tijdig gespecialiseerd in seriebouw, aan automatisering werd weinig gedaan en de productieplanning was vaak gebrekkig. De buitenlandse bedrijven waren goedkoper, omdat men zich daar vaak wel had gespecialiseerd in eigen standaardontwerpen, die in serie werden gebouwd. Dit betekende bijvoorbeeld dat in een land als Zweden de schepen die van de helling gleden in 1965 gemiddeld 6% goedkoper waren dan in Nederland, ondanks het feit dat de lonen daar hoger waren dan in ons land. Verder hanteerde men in het buitenland de zogenaamde moduulbouw, waardoor de tijd dat een schip op de helling lag met de helft werd teruggebracht.
Er was in andere landen ook een betere productieplanning en de voorraadplanning was zeer nauwkeurig, zodat de kosten voor het aanhouden van voorraden zo laag mogelijk konden worden gehouden. De commissie keyzer adviseerde, de Nederlandse werven in een of enkele concerns te concentreren en over te gaan tot een snelle modernisering van de productiemiddelen. Daarbij moesten de verschillende werven zich specialiseren in een of enkele typen schepen, zodat binnen het concern als geheel toch veel verschillende typen in serie konden worden gemaakt.
De concentratie is er in de scheepsbouw wel gekomen, maar van de andere voorstellen kwam weinig terecht. In 1966 komt de fusie tussen de Schelde, RDM em de motorenfabriek Tomassen tot stand. In 1971 wordt na de fusie met Verolme het Rijn-Schelde –Verolem concern opgericht (RSV). Verder kwamen er nog enkele losse samenwerkingsverbanden tot stand, zoals HSA en Rijn-Waal. De modernisering van scheepswerven voor de nieuwbouw is echter grotendeels uitgebleven. In de tweede helft van de jaren zestig vonden er vooral breedteinvesteringen plaats; aanapssing aan dokken, kaden en hellingen aan het bouwen  van steeds grotere schepen, waarvan de bouw als eenmalig project werd opgezet. Verolme bouwde bijvoorbeeld voor 34 miljoen een nieuwe helling en kranen voor een order van drie tankers.
Verder investeerde de NDSM 31 miljoen in de verbetering van de helling en de bouw van een grote portaalkraan, ook voor de bouw van mammoettankers. Daarbij paste men in Nederland als een van de eersten de moduulbouw toe, zodat er efficienter gewerkt kon worden. Investeringen die een tijdige omschakeling van tankers op andere schepen mogelijk konden maken vonden echter niet plaats. Dit zal hierna nog ter sprake komen. De standarisatie en seriebouw van speciale schepen bleef voornamelijk beperkt tot marineschepen en visverwerkingsschepen, die met subsidies van de overheid werdne gebouwd.
Verschillende commissies die aan het einde van de zestiger en begin zeventiger jaren werden ingesteld om de problemen in de scheepsbouw te onderzoeken constateerden hetzelfde: er was een grote achterstand in diepteinvesteringen. En wanneer in 1971 als eindresultaat van verschillende fusies de RSV tot stand komt vinden er bijna helemaal geen investeringen meer plaats. Tot 1973 is er zelfs een inveseringsstop. Argument: er moet eerst een herstructurering binnen het concern plaatsvinden, om de bij de fusie ontstane overcapaciteit weg te werken.
Waarom werd er na 1965 zo weinig aan modernisering gedaan en vonden er vooral breedte-inveseringen plaats? Na 1965 werd de problemen van de Nederlandse scheepsbouw wat minder, omdat de vraag naar schepen toenam; de wereldcapaciteit raakte bezet en ook de Nderlandse werven konden wel aan orders komen, temeer omdat zij hun grote troef konden uitspelen: korte levertijden door de nabijheid van de nodige toeleveringsbedrijven. Bovendien werd door de regering in 1976 een rente-overbruggingsregeling ingesteld, die de financiering van orders beter mogelijk maakte. Daarnaast werden de bedrijven in de gelegenheid gesteld, op grote schaal buitenlandse arbeidskrachten te werven, die in het tekort aan personeel konden voorzien. De werving van Joegoslaven  die aanhet einde van de zestiger jaren begon paste in het beleid, om zonder scholingskosten in het benodigde personeel te voorzien. Zoals hiervoor al opgemerkt werd de aandacht volledig geconcentreerd op de bouw van grotere schepen door investeringen in de breedte. Anders gezegd: het aantrekken van de nieuwbouwmarkt werd gebruikt, om via korte termijn investeringen een zo groot mogelijk profijt van de conjuncturele situatie te trekken. Het betekende, dat er geen of weinig investeringen werden verricht om de omschakeling van de bouw van mammoettankers op de bouw van andere schepen tijdig mogelijk te maken. Er werd geen research verricht voor de bouw van nieuwe serietypen. Dit had desastreuze gevolgen voor de NDSM. Toen in 1973 de tankermarkt instortte constateerde men,  dat de RSV jarenlang aan de tankerbouw had verdiend maar dat men het bedrijf nu liet zitten. Het kapitaal werd geinvesteerd in andere sectoren.

De investeringspolitiek van de RSV

Welke waren de sectoren, waarin wel investeringen plaatsvonden? Om dit te onderzoeken zal de investeringspolitiek van de RSV, het grootste Nederlandse scheepsbouwconcern, nader worden bekeken. Vervolgens zal worden nagegaan, hoe de gevolgen van deze investeringspolitiek werden afgewenteld op de gemeenschap.
Er werd reeds vanaf 1966 door de in dat jaar tot stand gekomen ‘Schelde’een bewuste keuze gemaakt voor spreiding van de activiteiten. Diversificatie en internationalisatie werden de parolen van de jaren zeventig. Als voordeel van de fusie die in 1966 tot de ‘Schelde’leidde wordt in het jaarverslag van dat jaar genoemd: ‘er zijn nu grote mogelijkheden voor het verder betreden van nieuwe afzetmarkten, zoals die van de chemie, petrochemie en kernenergie, mede met het oog op de daarmee gepaard gaande productontwikkeling en engineering’. In ieder jaarverslag wordt deze politiek weer opnieuw benadrukt; in dat van 1974 bijvoorbeeld, wanneer de RSV reeds enige jaren bestaat. ‘Het behalen van een voor de continuiteit en werkgelegenheid noodzakelijk rendement op het geinvesteerde vermogen’wordt vooral gezocht in ‘spreiding van het geinvesteerde vermogen door diversificatie en internationalisatie binnen en buiten de EEG’. Men ging dus daar investeren, waar op langere termijn winst werd verwacht. Men koos daarbij voor het wegvoeren van kapitaal uit de scheepsnieuwbouw naar andere, naburige industriele activiteiten, soms in andere landen, en men koos niet voor  het verstereken van de concurrentiekracht en het rendement in de scheepsnieuwbouw door gebruik te maken van overheidssteunen conjunctureel gunstige ontwikkelingen.

‘Landactiviteiten’.

Een sector waarin veel wordt geinvesteerd is die van de zogenaamde ‘landactiviteiten’. Het gaat hierbij vooral om ontwikkelingen op het gebied van machine- en chemische apparatenbouw, kernenergie en electrotechniek. In dit kader wordt een intensief overnamebeleid gevoerd, dat een groot deel van de investeringen opslorpt. Men tracht de activiteiten op het gebied van stoomketelinstallaties en papparaten voor de procesindustrie uit te breiden, onder andere in 1965 door de fusie met de motorenfabriek Thomassen, die gespecialiseerd is in kompressoren voor de chemische industrie en gasturbines. In 1967 wordt de machinefabriek Braat en pannevis overgenomen, bij een overname van Wilton- Feyenoord verwerft men onder andere de machinefabriek de Verenigde Grofsmederijen. En de fusie met Verolme brengt de machinefabrieken Ijsselmonde en Ijmuiden in. In 1971 zijn er nieuwe overanames, onder andere het Algemene Industriele Montagebedrijf. Verder vinden er omvangrijke investeringen in deze sector plaats, zoals bij Thomassen in 1976.
Ook op het gebied van de kernenergie is men actief. In 1969 wordt door Rijn-Schelde samen met oa Philips, Shell en VMF de Ultra-Centrifuge NV opgericht. In 1971 wordt door RSV een reactorvat opgeleverd voor een 300 milliwat centrale in Argentinie. En in 1972 wordt Interfuel opgericht samen met de Shell en het reaktor Centrum Nederland voor het ontwerpen en produceren van splijtstof elementen. Men neemt verder deel in Rotterdam Nucleair, samen met general Electric. Deze laaste invesering vergt in 1975 alleen reeds een invesering van honderd miljoen. Het bedrijf bouwt reactorvaten en binnenwerken van centrales. RSV is na 1974 ook betrokken bij een joint venture voor de bouw van kernenergie centrales in Zuid-Afrika en Zwitserland, samen met oa General Electric, Brown Boveri en Sulzer. De RSV wil zo graag een plaats op deze markt veroveren, dat zij bereid is de vele aanloop verliezen te accepteren. De rendementsverwachtingen worden in dit opzicht echter niet gehonoreerd, temeer omdat de Nederlandse orders om poltieke redenen uitblijven. En de binnenlandse markt is voor het concern toch ook van groot belang, omdat dit een basisomzet garandeerd, terwijl het daarbij voor buitenlandse ondernemingen aantrekkelijker wordt om met de RSV samen te werken en know how te delen.
De tegenvallende bedrijfsresultaten kunnen waarschijnlijk na 1975 voor een deel aan deze ontwikkelingen worden toegeschreven. (Zie ook het staatje van de verliezen en winsten verderop)
Men heeft zich in de RSV verder nog toegelegd op toeleveringsbedrijven voor de bouwnijverheid. Het  zou echter te ver voeren, al de activiteiten van RSV-dochters en deelnames te noemen. Op een aspect zal hierna nog worden ingegaan: het beleid, dat in 1967 begon met de overname van het ingenieursbureau Delta Engineering voor het ontwerpen, construeren en leveren van complete industriele installaties. In verschillende andere ingenieursbureau's werd in dit kader een meerderheidsbelang verworven. De RSV is een voorbeeld van concentraties die worden gekenmerkt door spreiding van activiteiten, waarbij het gaat om groepsvorming van industriele en dienstverlenende bedrijven, die samen een systeem vormen. Het doel is het leveren van warenpaketten, van urbanisatieprojecten in het Midden-Oosten tot complete fabrieksinstallaties.

Het overnamebeleid van Schelde, RDM en uiteindelijk de RSV is echter ook gericht op versterking van de scheepsreparatiesector. In 1965 is 85% van de investeringen van 'Schelde' bestemd voor uitbreiding van de reparatiewerf de ' Scheldepoort' . Enkele jaren later vinden hier nog meer investeringen plaats. Bij de samenvoeging met de RDM ontstaat een bedrijf, dat ook beschikt over de reparatiewerf de ' Nieuwe waterweg'. En bij de fusie met de werf Wilton feijenoord komt er een bedrijf bij, waarvan 75% van de activiteiten in de reparatiesector liggen. (De poot feijenoord bronswerk gaat bij de fusie naar de Verenigde machine Fabrieken VMF).
De Rijn-Schelde wordt een reparatieconcern; de omzet in deze sector stijgt van 30% van de totale productie in 1966 naar 50% in 1970. En dan komt er in 1971 nog een nieuwe fusie met Verolme. Hierdoor verwerft men het Prins Alexander dok, met 75 miljoen overheidssteun speciaal gebouwd voor de reparatie van mammoettankers. Verder verwerft men naar aanleding van deze overname in 1973 de nieuwbouwwerf van Verolme in Brazilie. Bovendien wordt via de NDSM die ook tot het Verolmeconcern behoort, toegang verkregen tot de Amsterdamse reparatiemarkt.
En dan wordt er na 1973 druk geinvesteerd in modernisering en uitbreiding van de reparatiewerven; bijvoorbeeld in 1975 wordt de reparatiewerf Waalhaven gerenoveerd, in 1976 de reparatie-dwarshellingen bij Piet Smit. Verder worden er tankerschoonmaakbedrijven opgericht en een zogenaamd reisreparatiecentrum in het Europoortgebied. In de reparatiesector zijn er dus blijkbaar wel mogelijkheden. Men zegt, dat de nederlandse werven door hun gunstige geografische ligging aan de mond van Rijn en Schelde een sterke positie op de markt hebben. Schepen moeten immers vaak in de buurt van drukke waterwegen of havens worden gerepareerd omdat verslepen veel geld kost en soms zelfs onmogelijk is. Bovendien veronderstelt men, dat de fluctuaties op deze markt minder groot zijn dan op die van de nieuwbouw. Daar komt nog bij, dat japan in de reparatiesector weinig actief was.
Uit het bovenstaande moet echter niet worden afgeleid, dat er geen investeringen in de scheepsnieuwbouw meer plaatsvonden. Verschillende werven in het buitenland werden aanzienlijk uitgebreid en gemoderniseerd. Reeds in 1965 nemen verschillende nederlandse bedrijven deel in de oprichting van de Curacaose Dok maatschappij. Deelnemers zijn in de loop van de tijd onder andere RSV, Lisnave Navias de Lisboa, Nederhorst en de Antilliaanse staat. In 1972 werd het grootste droogdok van de Antillen in gebruik gesteld en in 1979 stonden een groot aantal uitbreidingen op het programma, onder andere een nieuw dok van tachtig ton met alle benodigdheden in samenwerking met Small Craft Yarces Antilles NV. Door deze investering kon het personeelsbestand in 1979 van 1026 tot 1500 werknemers worden uitgebreid.
Verder heeft de RSV nieuwbouwwerven in Brazilie en Ierland. Het jaarverslag van 1975 vermeldt, dat de werven in deze twee landen voor 1600 miljoen aan orders hebben, tegen Nederland 400 miljoen. Bij de Brzaliaanse werf gaat het om de ' Verolme Estraleiros Reunidas do Brasil SA' .(VERB)
De positieve resultaten van VERB zijn onder andere het gevolg van steun die de Brazliaanse overheid geeft bij de export van schepen. Zo werd een order van 113 miljoen dollar in de wacht gesleept voor de bouw van vier bulkcarriers voor GULF. Naast de exportsubsidies zijn de Brazliaanse staatsbedrijven Docenave en Petrobras goede klanten. Het Braziliaanse staatsoliebedrijf Petrobras is zelfs de grootste opdrachtgever. De positieve resultaten van de werf worden verder nog veroorzaakt door de slechte arbeidsomstandigheden. De meeste arbeiders verdienen 220 gulden netto per maand en wonen in krottenwijken, de ' favellas' . (Zie het blad ' vergelijk' meinummer 1980). Het werktempo wordt bovendien hoog gehouden, er moet veel overwerk worden verricht en er zijn veel bedrijfsongevallen. Vakbondsactiviteiten zijn verboden buiten de vakbond die door het bedrijf is opgericht en er is een eigen bewakingsdienst van 60 man die de gang van zaken op de werf in de gaten moet houden. De desinvesteringen van RSV in Nederland en de investeringen in Brazilie blijken uit het feit, dat tussen 1975 en 1979 het aandeel van VERB in de omzetwaarde van de productie opliep van 14% tot 54 % in de divisie scheepsbouw.
In de jaren '75-'77 vinden 17% van de totale investeringen van RSV in Brazilie plaats, terwijl het daar aanwezige bedrijf slechts 6% van de totale omzet levert. Het jaarverslag van 1977 vermeldt, dat investeringen in de scheepsbouw uitsluitend nog in het buitenland plaatsvinden. De verliezen bij VERB in de jaren 77 en 78 worden veroorzaakt door onvoorziene tegenslagen bij het afleveren van twee tankers aan Patrobras. Onenigheid met dit bedrijf over de kwaliteitseisen hebben er uiteindelijk toe geleid, dat de tankers aan ene buitenlandse afnemer werden verkocht.
De steeds belangrijkere positie van VERB en de afbraak van de scheepsnieuwbouw in Nederland is nog duidelijker, wanneer men bedenkt, dat onder het hoofdje 'scheepsbouw' geen onderschied werd gemaakt tussen reparatie en nieuwbouw. In de reparatie werdne immers in de zeventiger jaren nog belangrijke investeringen verricht. De omzet van VERB nam ieder jaar toe, ondanks het instorten van de tankermarkt.
Belangrijke oorzaken voor de verliezen van 1975 werden hiervoor al genoemd: de tankermarkt stortte in en de verwachtingen in de kernenergiezector werden niet gehonoreerd. De desinvesteringen in de Nederlandse scheepsnieuwbouw en de diversificatiepolitiek hebben na 1975 niet tot goede bedrijfsresultaten geleid. In de loop van 1976 werd duidelijk, dat er in het concern ingrijpende reorganisaties moesten komen die zouden gaan leiden tot het versneld afstoten van verliesgevende sectoren als de scheepsbouw. De recessie betekende ene versnelling van het saneringsproces. De plannen van de RSV-directie zouden onder andere gana betekenen, dat de spreiding van scheepsbouwactiviteiten over verschillende steden zou worden opgeheven. Toen het concern in 1971 tot stand kwam, had deoverheid bij de fusie bedongen, dat men de zogenaamde ' Noord-Zuid' gedachte in stand zou houden, hetgeen betekende: een grote werf in Rotterdam, en een in Amsterdam, de NDSM. De directie heeft dit uitgangspunt echter nooit zien zitten. In 1977 krijgt het concern een nieuwe structuur met elf divisies, waarvan vier in de scheepsbouwsector.

Hierna zal worden bekeken hoe de RSV erin slaagde, haar reorganisatiepolitiek door te voeren, met steun van de overheid. Na 1969 pompte de Nederlandse staat minimaal 1,5 miljard in het bedrijf. Dat is exclusief de WIR (Wet op de Investerings rekening) en de steun die de Braziliaanse overheid gaf. Vooral na 1976 kreeg het bedrijf veel geld. Wellicht moet de tijdelijke omzetstijging van de divisie scheepsbouw in 1977 hierdoor worden verklaard.

Onderhandelingen over sanering van de scheepsbouw

De moeilijkheden in de scheepsbouw hebben in februari 1976 geleid tot de instelling van de zogenaamde beleidscommissie scheepsbouw, waarin overheid, vakbonden en werkgevers gingen overleggen welke voorstellen moesten worden geformuleerd die tot verbetering van de situatie konden leiden.
De RSV bleef echter buiten dit overleg in deze commissie haar eigen doelstellingen nastreven. 20 december 1976 laat de directie van RSV aan de Industriebond weten, dat de in 1975 gesloten Overenekomst Sociale Begeleiding Herstructurering zou worden opgezegd. Na het bekend worden van de beslissing de OSBH op te zeggen was de verontwaardiging binnen het concern groot. De directie kreeg van verschillende Ondernemingsraadsleden boze brieven, waarin het beleid werd afgekeurd. Op 5 januari hebben de bonden pamfletten verspreid onder de 30.000 werknemers van RSV-vestigingen in Nederland, waarin men tegen de beslissing protest aantekent.
Men verwijt de concerndirectie, met fusiebesprekingen bezig te zijn ten aaanzien van de "off-shore" activiteiten en de zware apparatenbouw, terwijl intern reorganisatieplannen worden opgezet. Verder wordt opgemerkt, dat scheepsbouw orders worden gemist omdat de RSV niet bereid is het rapport van de commissie II te tekenen. Dit rapport beoogt samenwerking tussen de middelgrote werven van RSV en Van der Giessen. Dat de RSV met reorganisatieplannen bezig is zullen de vakbonden al snel merken. Vooreerst is men echter optimistisch. Door de protesten wordt de opzegging van de OSBH herroepen. NKV-bestuurder Waumans ziet de herroeping als een grote overwinning van de kaderleden bij de verschillende bedrijven. De RSV verbindt echter wel de voorwaarde aan het weer accepteren van de beslissing: men wil nieuw overleg met de vakbeweging over eventuele wijzigingen in de regeling. Iets waar de bonden geen bezwaar tegen hadden mits dit niet in het nadeel van de werknemers zou uitvallen. En verder moet dit overleg worden afgestemd op de bemoeienis van de overheid met de herstructurering van de totale scheepsbouwsector.
Eind januari 1977 komt de beleidscommissie Scheepsbouw (BKS) met haar saneringsplan: de capaciteit van de nieuwbouw moet met 30% worden ingekrompen, hetgeen voor eind 1978 gepaard zal gaan met een verlies van 6500 van de 21.000 arbeidsplaatsen. De kosten van de sanering worden geraamd op twee miljard. Iedereen schrikt want… niet de totale scheepsbouw moet met 30% verminderen, nee de capaciteitsvermindering moet worden gevonden door het sluiten van bepaalde afdelingen in bepaalde regio' s. En iedereen is bang, dat het juist zijn werf is. Er zullen verder een vijftal werfgroepen moeten worden geformeerd, groep I betrof de werven voor grote schepen met als kern de RSV. Iedere groep moest in onderling overleg maar een beleidsplan opstellen om tot capaciteitsvermindering te komen.

De sanering in werfgroep I

In het vervolg zal nog slechts aandacht worden besteed aan de plannen in groep I, die onder andere betrekking hadden op het samenvoegen van reparatiewerven in Amsterdam en het sluiten van de nieuwbouwafdeling van de NDSM en Verschure. De commissie komt met haar verwerping van de Noord-Zuid gedachte een eindweegs tegemoet aan de RSV-directie, al kunnen ook de vakbonden het met sommige voorstellen hartgrondig eens zijn. De commissie adviseert bijvoorbeeld een studie te houden gericht op de toekomstige functies van de scheepsbouw waarbij rekening wordt gehouden met de herstructurering van bedrijven, alsmede een inventarisatie en administratie van de mede daaruit voortvloeiende vacatures binnen de scheepsbouw. In dit kadermoeten er nieuwe scholingsactiviteiten voor de nieuwe functies komen het aantal buitenlandse werknemers moet worden beperkt en er moet werktijdenverkorting komen. Het compromis in de BKS is het resultaat van zes maanden moeizaam onderhandelen en dan moet het plan nog worden voorgelegd aan de leden van de bonden. Er vinden felle discussies plaats tussen voor- en tegenstanders, met name tussen kaderleden die het plan wel willen aanvaarden en personeelsleden van verschillende bedrijven die dat niet willen. Wordt vervolgd.