zaterdag 13 mei 1995

Tekst uit verslag Derde Kamer bijeenkomst over de stadsprovincie in het Barleus gymnasium op 13 mei 1995

Diskussie werkgroep 2 plus 3.

Bernard Stolte begint zijn inleiding met te stellen dat het
onderwerp van de bestuurlijke herindeling al heel lang speelt.
In 1981 zijn de deelraden Noord en Osdorp opgericht. Ze waren
bedoeld als een strategisch idee op een schaakbord, dwz men
poogde op die manier de deelraden erdoor te drukken.
Op stedelijk niveau in de gemeenteraad speelden vervolgens twee punten:
- Het is een gigantische operatie, hoe moeten we de ambtenar-
ern spreiden? Hoeveel deelraden moeten er komen?. Het CDA was
voorstander van 8, de PvdA 16 en Groen Links geen.
- Er werden beslissingen genomen over de bestuurlijke herinde-
ling, zonder dat er sprake was van een goede evaluatie met de
deelraden Noord en Osdorp.
Dat laatste zien we nu met de stadsprovincie weer. In feite worden
in de diskussie over de verdere bestuurlijke herindeling de
ervaringen van de afgelopen tien jaar nauwelijks meegenomen. Er
wordt alleen gediskussieerd over hoe de top, de stadsprovincie
eruit moet zien.
De buurtgroepen zouden zich eigenlijk op het standpunt moeten
stellen: we hebben veel ervaring met de deelraden, ze zouden
van onszelf moeten zijn, hoe kunnen we ons verdedigen tegen
het oprukkend centralisme?
De deelraden zijn 5 jaar geleden ontstaan. In feite zijn de
stadsdelen in de afgelopen vijf jaar aan hun lot overgelaten.
Enerzijds werd er door maatschappelijke organisaties niet in
geinvesteerd, anderzijds keken de mensen die de macht kregen
in de deelraden naar boven. Daardoor zijn de stadsdeelraden
een soort wegwerpartikel geworden. Ze worden alleen maar
gebruikt als leerschool voor jonge politici, die het zien als
begin van hun carriere.
De stadsdeelraden zijn ingevoerd onder het motto: het bestuur
moet dichter bij de burger. Het gekke is, dat een model daar-
voor al was gevonden, nl de A.P.G, de Ambtelijke
Projekt Groep Stasdvernieuwing. De voorzitters van deze pro-
jektgroepen kregen bepaalde mandaten, en er ontstond een goed
kontakt tussen de burgers en de hogere ambtenaren, dat in
grote lijnen goed funktioneerde. Dit model heeft gewerkt. Er
was een goede relatie tussen de buurt en het bestuur. Dit
model is overgenomen oa bij de uitbreiding van de Nederlandse
Spoorwegen en andere ruimtelijke ordeningsproblemen. Daar
werden dezelfde codes toegepast. Toch zat er in deze projekt-
groepen ook wel een spanningsveld, omdat men er vanuit ging,
dat projekt groepen ook voor de buurt werkten, maar er zat
toch ook een andere kant aan, nl werken voor de politieke
bestuurders. Bij deze A.P.G's was er echter het recht van de
burgers om bij de projekten betrokken te worden en ook de
plicht van de overheid om dat te organiseren. Toen zei men bij
de stadsdeelraden, ja, maar wie kontroleert vanuit de politiek
nu die A.P.G's? Dit heeft tot gevolg, dat alles nu via de
portefeuillehouder van de deelraad loopt, en dat er zg voor-
trajekten ingesteld worden, waarbij het recht op inspraak of
erbij betrokken worden steeds weer opnieuw bij ieder geval
bevochten moet worden.
Ik zou in dit verband ook nog ter diskussie willen stellen,
dat de instelling van de stadsdelen heeft geleid tot een
enorme brain-drain vanuit de buurtorganisaties, die daardoor
verzwakt werden.
Ben Bles maakt de opmerking, dat de deelraden alleen werden
opgericht, om de macht van de ambtelijke instanties op het
stadhuis te breken, de deelraden zijn nooit bedoeld geweest om
het bestuur dichter bij de burger te brengen. In feite zijn
die projketgroepen ook opgericht, om die macht van de ambtena-
ren nog eens een keer te breken.
Bernard antwoord, dat dit waar mag zijn, maar dat als de
instelling van stadsdeelraden tegelijkertijd leidt tot de
conclusie dat het een middel is om verder te komen, dat we dat
dan moeten aannemen.
Iemand merkt op, dat je die deelraden eigenlijk niet nodig
hebt, wat je nodig hebt zijn aktieve, betrokken burgers, die
bezig zijn met hun eigen straat, maar die tegelijkertijd ook
verder willen kijken dan hun eigen stoepje. De betrokkenheid
van dergelijke mensen is essentieel, dat is belangrijker dan
de vorm.
Iemand anders maakt nogmaals de opmerking dat de deelraden
niet zijn opgericht om het bestuur dichter bij de burger te
brengen. Dit argument werd gebruikt als eem modieus omhulsel
voor de buitenwereld. Het argument had per ongeluk inderdaad
waar kunnen worden, maar het is in feite niet gebeurd. De
politici in de deelraden hebben de neiging, zich af te sluiten
van de burgers, die willen participeren in het maken van het
beleid. Aktieve burgers lopen tegen een muur op. Bovendien
ligt het niveau van besturen bij de deelraden erg laag. Er
wordt verteld, dat een politica na vijf jaar als wethouder van
een deelraad ruimtelijke ordening in haar portefeuille gehad
te hebben, bekende, dat ze niet wist wat een bestemmingsplan
was. De inspraak/invloed van de buurtbewoners zit niet in het
syteeem ingebakken, het is afhankelijk van enkele goedwillende
ambtenaren/politici.
Daarna houdt Luud Schimmelpennink zijn inleiding. Hij heeft
oorspronkelijk een technische opleiding genoten en houdt zich
bezig met technische innovatie, dwz het ontwikkelen van nieuwe
produkten. Zijn politieke opvoeding heeft hij gekregen in de
zestiger jaren, toen er krenten uitgeeeld werden op de Dam, en
werden een aantal begrippen ontwikkeld over demokratie en
solidariteit. Luud is ook tien jaar voorzitter geweest van het
wijkcentrum d'oude stad, toen de aanleg van de metro speelde
en de metrorellen zijn geweest. Zijn ervaring was in die tijd:
een groep buurtbewoners stapte naar het wijkcentrum om bij-
voorbeeld een projekt voor herbestrating gerealiseerd te
krijgen. Belanghebbenden belegden dan een vergadering, waar
ook ambtenaren voor werden uitgenodigd. Tot hun eigen verba-
zing konden de buurtbewoners dan op zo'n grote vergadering tot
een gemeenschappelijk standpunt komen, en mochten de buurtbe-
woners beslissen, wat er zou gaan gebeuren. Luud noemt dit
even verder in zijn betoog 'volksvergaderingen' het heeft hem
verbaasd, hoe enorm wij het als mensen in ons hebben, om op
zo'n vergadering tot een besluit te komen, ook met ondernemers
en zo erbij. Voor de pauze wordt er gediskussieerd, en zijn er
meningsverschillen, dan is er in de pauze koffie en na de
pauze wordt een besluit genomen. Je zou het kunnen vergelij-
ken met de kerk. Eer is nog veel religieus besef onder de
menaen, maar dit vertaalt zich niet meer in het naar de kerk gaan.
Zo is het ook met deze vergaderingen. Er leven onder de mensen
best veel politieke gevoelens, maar dit vertaalt zich niet in
politieke partijen, dwz de demokratie, de deelname van de
mensen aan de politiek komt niet meer in het bestaande kader
van de politieke partijen tot gelding.
Bernard merkt op, dat je niet alleen over de vorm moet praten,
die de demokratie aanneemt. Moet je praten over een gecen-
traliseerd of gedecentralisserd systeem? Moet je praten over
anarchie of iets anders? De probleemstelling moet anders
geformuleerd worden. Het gaat erom, dat er een soort controle
van de politiek nodig is, dat er een soort feed-back komt. De
vraag is nu, hoe zullen de noodzakelijke veranderingen in het
bestuur doorgevoerd worden, waarbij van de politci en de
ambtenaren niet een soort monsters moeten maken. Het gaat om
dit soort processen, dwz, hoe kunnen we ervoor zorgen, dat
politici streven naar dienstbaarheid aan de mensen, zodat de
politici het vetrouwen dat we in hen stellen waarmaken.
Luud wil het vraagstuk van de schaal waarop mensen dingen
beleven en waarop dingen gebeuren bij de diskussie betrekken.
Waaraan ontlenen we onze identiteit als Amsterdammer? Dat
ontlenen we aan het centrum van de stad, je zou kunnen zeggen
de grachtengordel, het gebied waar Osdopr niet meer bijhoort,
hoewel de Osdorper wel een identiteit als Amsterdammer be-
leeft. Er is blijkbaar een centraal gebied, waar een soort
schaalidentiteit bij hoort. Men wil de deelgemeenten laten
samenwerken, maar men weet niet hoe. Toch is samenwerking
noodzakelijk. Dat is het leuke van het proces van nu.
Van der Laan heeft gezegd:
dan splitsen we amsterdam niet op. We zullen er in de toekomst
rekening mee moeten houden, dat we voldoende draagkracht
organiseren.
De schaal van de dingen is heel belangrijk. We zullen ons
ervan bewust moeten zijn, dat we elk moment op een andere
schaal bezig zijn. De diskussie Noord-Zuid lijn gaat over een
heel andere schaal dan de eigen straat. Maar hoe verhouden die
twee zich tot elkaar?
Een ander punt is de ekonomie, hier vinden voortdurende veran-
deringen en schaalvergrotingen plaats. De ekonomie is belang-
rijk voor de werkgelegenheid. Amsterdam is een stad waar veel
ekonomische aktiviteiten worden geboren, die elders worden
gerealiseerd. Amsterdam zou ook in de toekomst veel nieuwe
werkgelegenheid moeten raliseren. Hier speelt ook de schaal-
vergroting een rol, vroger zaten de konfektionairs en hun
vervoerder op de grachten, daarna zijn veel konfektionairs het
land ingegaan. Toen is er in de buitenring een groot konfek-
tiecentrum geopend, en toen kwamen al die vedrijven weer terug
want dat konfektiecentrum werd een soort bijenkorf, waar alles
gebeurde.
De stad is niet een eenheid, het stedelijk gebeuren in de
verschillende wijken is enorm verschillend. Vergelijk Osdorp
eens met het centrum. In het centrum is de bebouwingsdichtheid
vele malen groter dan in Osdorp. Men bouwde Osdorp vanuit een
soort idealisme: veel groen, niet te dichte bebouwing, mooie
ruime lichte huizen, etc. Maar het werd een soort slaapstad,
waar de mannen s'morgens naar hun werk gingen en de vrouwen
boodschappen deden en thuis zaten. Het waren geen levende
steden. Zo zie je, dat iets wat je vanuit idealisme doet, ook
iets negatiefs heeft. Wij zijn toen met het idee van de kom-
pakte stad gekomen. Het centrum, en het gaat erom dat te
behouden, is een kompakte stad, die niet alleen maar voor
overlast zorgt. De mensen dicht bij elkaar betekent ook meer
aktie, gezelligheid, intensieve kontakten. Dat zijn voordelen.
Later zijn die ideeen van ons overgenomen door en misbruikt
door politici, om op de hele stad toe te passen, maar ik denk,
dat wat wij Amsterdam noemen, daaronder verstaan wij het oude
centrum. Die andere dingen zijn er later bijgekomen. Kijk nu
eens naar Almere, hoe dat gebouwd wordt en hoe verkwistend dat
is in de ruimte. We moeten erover praten, hoe we voor de stad
lijnen uitzetten naar de toekomst, maar nu gaat het erom, in
de eerste plaats, die stad te beschermen.
Ben Bles brengt naar voren, dat er gisteravond een diskussie
was met de mokummers in zaal 100, en dat amsterdam-liederen
werden gezongen door een iranier, en nog enkele andere natio-
naliteiten. De migratie zorgt voor een politike vitaliteit,
die het amsterdam gevoel versterkt. Het: wij zij amsterdam
gevoel is heel belangrijk.
De voorzitter stelt vervolgens de probleemstelling aan de
orde, die oorspronkelijk hoorde bij werkgroep 3, nl hoe is de
positie van de stedelijke belangengroepen. Rob merkt op, dat
het Komitee Moet Amsterdam Amsterdam Blijven tot nu toe vooral
bestaat uit individuen. Organisaties zijn er nauwelijks bij
betrokken. Het gaat er nu om: hoe brengen we de informatie
voor het voetlicht van de maatschappelijke organisaties.
Er zou een stedelijk platform moeten komen, evt met
een stedelijk blad, waar tal van groepen aan deelnemen, en
waarbij ze diskussieren over: hoe nu verder met de stad? Er
zijn al geluiden voor een nieuwe politieke partij voor de stad
Amsterdam. Maar we moeten nu niet werken aan een nieuwe poli-
tieke partij. Iemand anders merkt op, dat er wel de mogelijkheid is
van een politike partij van migranmten. Dergelijke
geluiden zijn er meer. Ook de ervaringen van buurtbewoners met
het Karrewiel waren aanleding om te zeggen, we doen het zelf
wel en we richten een nieuwe politieke partij op.
Ben Bles brengt naar voren, dat er tussen de mensen hooguit
een gemeenschappelijkheid is, die zit in de verscheidenheid.
Het traditionele organisatorische denken heeft zijn tijd
gehad. Vorige week stond in de NRC een stuk van een hoogleraar
uit Groningen met een analyse over Frankrijk, die correspon-
deert met de situatie in Nederland. Namelijk dat iedere burger non-
stop leeft in verschillende schalen.
De traditionele politieke partijen hebben het gevoel, dat ze
de mensen niet onder een gemeenschappelijke noemer kunnen
brengen, dat mensen daar niet onder zijn te brengen. Dat komt
juist, omdat die belangenverscheidenheid, en die verschillen
er zijn. Daarom moet je niet zoeken naar het gemeenschappelij-
ke als basis, maar naar de verscheidenheid. Daar zul je dan
echter wel een sturingsmechnanisme voor moeten hebben (?).
Maar dan komen de belangrijke intituties pas goed in Moeilijk-
heden.
Ik geef een voorbeeld. Het ziekenfonds heeft jaren geleden de
ziekenfondsbode afgeschaft. Door de ziekenfondsbode was het
ziekenfonds precies op de hoogte van wat er bij de mensen
gebeurde. Door de afschaffing en de automatisering is men niet
meer op de hoogte. Zou je de automatisering niet als instru-
ment kunnen gebruiken, dwz dat je als ziekenfonds terugkoppelt
naar de mensen: kijk, zoveel heb je gebruik gemaakt van het
ziekenfonds, zoveel premie heb je betaald, begrijp je nu dat
het redelijk is? Je zou de automatisering meer als instrument
moeten gaan gebruiken.
Iemand anders ziet daar niet zoveel in. Het gaat er toch om,
de solidariteitsgedachte nieuwe inhoud te geven. De burgers
zijn mondiger geworden, maar juist daarom kun je hen op hun
solidariteit aanspreken, dus geen referendumgedoe, maar buurt-
groepen oprichten op basis van die solidariteit.
Luud: het probleem is, dat die buurtaktivisten ook aan parle-
mentarisme gaan doen. Ik heb het meegenaakt in de Nieuwmarkt,
dat de buurtbewoners zeiden: we willen hier bomen hebben.
Daarvoor werd geld opgehaald en er werd een boomplantdag
georganiseerd. Toen zei de bewonersraad: nee, wij hebben juist
besloten, dat hier geen bomen komen. Precies hetzelfde model
heb je bij de gemeenteraad. Je blijft altijd zitten met het
probleem van de gekozen en de betaalde funktionaris.
Je zou incidenteel het mechanisme van de oude volksvergaderin-
gen moeten gebruiken, Incidenteel, niet te vaak. Het is een
instrument, wat grote mogelijkheden biedt. Het gaat erom, hoe
krijg je het politieke model, om tot een gezamenlijk besluit
te komen op buurtniveau. Vraag is dan, hoe krijg je die kracht
op het bestuurlijke niveau. Het blijft toch de vraag, wie
kontroleert wie.
Iemand zegt, dat er geen enkele bestuursvorm is ontwikkeld die
gebaseerd is op het goede in de mens. ieder bestuur is erop
gericht, de slechte kanten van de mensen in te snoeien. Maar
wie kontroleert dat dan weer? de goede dictator?
De parlementaire demokratie is een slecht model. Maar toch ben
ik het eens met Churchill, die heeft gezegd, dat de parlemen-
taire politieke demokratie zoals wij die kennen de aller-
slechtste staatsvorm is op alle andere na. Benoem maar eens
wat anders.
Bernard merkt nog op, dat het gaat om controle en feed back.
De hele maatschappij draait dol.
Luud merkt op, dat er altijd een vertegenwoordigend systeem
moet zijn, dus je kiest vertegenwoordigers met een mandaat,
maar het mag niet andersom zijn. Het probleem van de kleine
baasjes zul je altijd houden. Het probleem is dat de mensen
er niet in geinteresseerd zijn.

zaterdag 15 april 1995

Toenemende armoede voor WAO-ers. Onrechtvaardige afschattingen in de WAO

Ook verschenen in het mei nummer van MUG, Maandblad voor uitkeringsgerechtigden in Amsterdam in de rubriek 'De gang van zaken'. 

Toenemende armoede voor WAO-ers

Hoe moet je het verdwijnen van de sociale zekerheid in kaart brengen? Je kunt cijfers noemen, verlies van koopkracht, aantallen werklozen. Meestal zeggen die cijfers me niet zoveel. Het meest word ik geraakt als ik zie, welke gevolgen de afbraak van de sociale zekerheid heeft voor de leefsituatie van veel mensen.
Enkele weken geleden: ik fiets naar de rechtbank aan de Parnassusweg. De advocaat van Omar H. is in beroep gegaan tegen de bedrijfsvereniging omdat Omar in de WAO zit, maar bij de herkeuring is afgeschat tot 40-45 procent arbeidsongeschiktheid. Ik ga mee om Omar te ondersteunen. Na een half uurtje wachten in de grijze betonkolos gaan we de rechtszaal binnen. Achter een lange tafel vier rechters, links de vertegenwoordiger van de bedrijfsvereniging en rechts de advocaat van Omar. De advocaat begint haar betoog. Omar werd door de bedrijfsvereniging geschikt bevonden voor verschillende functies, zoals plantenstekker. Het wordt een medisch-technisch betoog, waarbij de maatschappelijke situatie, dat wil zeggen de grote werkloosheid, buiten beeld blijft. Het argument dat voor bepaalde functies geen werk is te vinden, geldt niet meer in de nieuwe WAO. Als Omar het medisch gezien kan, dan is de afschatting terecht. De advocaat citeert uit de medische rapporten. Omar werkte tot 1993 bij een alcoholoverslagbedrijf in de Amsterdamse haven. Daar heeft hij twintig jaar gewerkt. Tanks schoonmaken, sjouwen met zware vaten. Door het twintig jaar lang inademen van kwalijke dampen heeft Omar een vergrote lever en een vergrote milt. Het zware werk eiste zijn tol. Omar kan zijn bovenlichaam maximaal 15 keer per uur voorover buigen. Dan ben je er slecht aan toe. De advocaat zegt: als Omar slechts 15 maal per uur voorover kan buigen, hoe kan hij dan de functie van plantenstekker vervullen, waarbij je minimaal 50 keer per uur voorover moet buigen? De advocaat gaat alle functies waar Omar geschikt voor zou zijn na. Conclusie: Omar kan niet meer werken. Dan begint de vertegenwoordiger van de bedrijfsvereniging zijn verhaal. Het is een droge opsomming van functies, functiebeschrijvingen en allerlei regeltjes. Een technocraat, die niet de mensen ziet en alleen de regeltjes. Zijn conclusie: Omar is wel geschikt voor plantenstekker, want volgens de medische rapporten kan hij zich maximaal 15 keer per uur vooroverbuigen tot 45 graden, en de functie van plantenstekker vereist dat je 50 keer voorover buigt tot 30 graden. Nader overleg met eem keuringsarts en een arbeidsdeskundige zou hebben geleid tot de conclusie, dat in beide gevallen sprake is van een even zware belasting. De advocaat reageert kwaad: ,,Er staat wel vaker in de rapporten dat zo'n nader overleg heeft plaatsgevonden'', zegt ze. ,,Maar een arbeidsdeskundige heeft mij toevertrouwd, dat een dergelijke overleg bij de bedrijfsvereniging vrijwel nooit plaatsvindt. Daar hebben ze geen tijd voor. Het is een telefoontje van drie minuten. 'Och ja, het kan wel, in beide gevallen is de belasting even zwaar'.'' De technocraat reageert niet, en gaat door met een droge opsomming van functiebeschrijvingen, die leiden tot de conclusie, dat Omar geschikt is voor dat werk. De rechter sluit af. Zij bedankt de beide advocaten, en zegt dat er over zes weken uitspraak is. Buiten gekomen vraag ik aan de advocaat wat de kansen zijn van Omar. Die zijn er nauwelijks. De rechter kan niet om de medische rapporten heen waarin staat dat Omar geschikt is voor bijvoorbeeld de functie van plantenstekker. ,,Ik dacht dat al die verhalen over WAO-ers die worden afgeschat omdat ze geschikt zouden zijn voor de functie van plantenstekker of bonsaiboompjeskweker een beetje overdreven waren. Maar nu weet ik wel beter'', zeg ik tegen de advocaat. ,,Ja, zegt ze, het is echt zo. Ik heb al verschillende beroepsprocedures gevoerd voor cliënten, die werden afgeschat omdat ze wel bonsaiboompjes konden kweken, het lichtste ongeschoolde werk dat er is. Er schijnt in Nederland welgeteld één bedrijf te zijn dat zich met deze werkzaamheden bezig houdt, in Limburg. De werkloosheidscomponent is uit de WAO gehaald, dus het argument, dat er voor dergelijke functies geen vacatures meer zijn geldt niet meer.''
Wat is de toekomst voor Omar? Hij heeft nu gedeeltelijk WAO en gedeeltelijk WW. Hij is 57 jaar. Als over twee jaar de WW ophoudt, komt hij in de bijstand. Hoe moet dat nu verder?
Enkele weken voor de beroepszaak van Omar zit ik naar de televisie te kijken. De schrijnende verhalen over de uitwerking van de nieuwe WAO hebben zelfs het gebouw van de Tweede Kamer bereikt. Een reportage van een kamerdebat over de gevolgen van de nieuwe WAO. Karin Adelmund, eens leidster van de grote WAO-acties, beklimt het spreekgestoelte. Na een kort betoog legt zij zich neer bij enkele toezeggingen van de regering, zoals dat voor chronisch zieken aanvullende maatregelen zullen worden getroffen. Ze rechtvaardigt deze opstelling met: ,,We willen werk voor al die WAO-ers, dan hebben ze weer perspectief, er moet meer werk komen, daar doen we alles aan.''
Deze en andere uitspraken hebben de afgelopen twintig jaar niet geleid tot een vermindering van de werkloosheid, maar ondertussen wordt het argument wel gebruikt om de afbraak van de sociale zekerheid te rechtvaardigen. De toekomst ziet er voor Omar en vele van zijn lotgenoten somber uit.

Piet van der Lende

donderdag 23 maart 1995

En de vakbonden?

Er wordt in de regio Amsterdam best wel veel gelobbyed, verga­derd en aktie gevoerd door kleine groepen uitkeringsgerechtig­den. Ik denk daarbij aan het komitee Amsterdam Tegen Verar­ming, maar ook aan de aangesloten organisaties. Bij al die aktiviteiten kom je de FNV en CNV zelden tegen. Eigenlijk alleen af en toe een distriktsbestuuder van de FNV en enkele individuele personen, die op vergaderingen aanwezig zijn of die bijvoorbeeld deel uitmaken van de clientenraad. Inloop­spreekuren van bonden voor uitkeringsgerechtigden zijn er nauwelijks. In de afgelopen tien jaar zijn er wel bijeenkom­sten met een manifestatieachtig karakter voor WAO-ers geweest, maar wat betreft aktiviteiten voor werklozen kan ik mij van de afgelopen tien jaar slechts twee aktiviteiten herinneren, nl een tocht langs de rayonkantoren van de sociale dienst, geor­ganiseerd door de Voedingsbond en een "aktiekaravaan" tegen de herziening van de bijstandswet.
Conclusie: er doet zich bij de FNV een groot probleem voor, namelijk dat de aangesloten bonden als ze bijvoorbeeld druk willen uitoefenen op de gemeente, wat steeds belangrijker wordt, ze als een geheel naar buiten moeten treden met een geza­menlijk standpunt. Dit schijnt problemen op te leveren. Wel in de wandelgangen en in informele gesprekken, maar verder niet.
De communikatie tussen de aangesloten bonden is slecht en ze hebben blijkbaar verschillende standpunten. Zo iets eenvoudigs als een korte brochure voor alle werklozen, waarin je je standpunt uitlegt kunnen ze niet maken.

woensdag 15 maart 1995

Ambtenaren zonder tijd. Perikelen met bijzondere bijstand en schulden. Ook dreigende schulden

Verschenen in aprilnummer 1995 van Maandblad Uitkeringsgerechtigden MUG

Ambtenaren zonder tijd

Een cliënte gaat in 1989 naar de sociale dienst in verband met schulden. Een van de oorzaken van die schulden is dat iemand anders bij haar bankrekening kan en dat die grote bedragen heeft opgenomen. Na enige bezoeken aan het rayonkantoor krijgt ze te horen dat ze voor wat betreft een huurschuld een brief moet afwachten van de deurwaarder en met die brief naar het rayonkantoor moet komen. Cliënte doet dit en de sociale dienst helpt haar met de huurschulden. Schulden aan het ziekenfonds en de Finatabank worden door de sociale dienst niet betaald, daarvoor moet betrokkene zelf een regeling treffen. Ook een aanvraag voor bijzondere bijstand in verband met baby-spullen wordt niet in behandeling genomen. Cliënte vraagt een voorschot, maar er wordt gezegd dat zij dit pas zal krijgen als zij eerst enkele formulieren ondertekent. De machtigingsformulieren worden vervolgens door cliënte getekend en daarna door de ambtenaar ingevuld.
Vanaf dit moment beginnen de stekeligheden over en weer. Cliënte krijgt het gevoel niet serieus genomen te worden, ook al omdat de teksten op de roze vellen van de bezoeksbevestigingen haar gedicteerd worden, en omdat er misverstanden ontstaan over verschillende inhoudingen. Cliënte begrijpt verschillende bedragen niet die op haar uitkeringsspecificatie worden ingehouden, met name niet inhoudingen voor het energiebedrijf, Dus gaat ze naar de sociale dienst om opheldering te vragen. Er wordt daar tegen haar gezegd dat contact zal worden opgenomen met de boekhouder en dat deze boekhouder weer contact zal opnemen met cliënte. Dit gebeurt echter niet. De ambtenaren hebben ondertussen zeer weinig tijd voor de situatie. Voortdurend geven zij aan slechts een kwartiertje of minder beschikbaar te zijn voor een gesprek.
In het voorjaar van 1991 wordt cliënte opgeroepen voor een heronderzoek. Zij stelt dan dat zij bijzondere kosten heeft voor de verzorging van haar zoontje, die op dieet is. De ambtenaar zegt daarop dat de sociale dienst die niet vergoedt. In juni probeert de cliënte het nog een keer. De desbetreffende ambtenaar weigert wederom de aanvraag in behandeling te nemen en zegt bovendien dat er geen formulieren zijn. De cliënte zegt daarop dat er folders in de wachtkamer liggen, waarin de mogelijkheden voor het aanvragen van bijzondere bijstand worden aangegeven. Volgens de ambtenaar zijn dit echter oude folders, die nog weggehaald moeten worden.
Cliënte begint ook weer over de uitkeringsspecificaties uit 1989 en 1990 waarover zij nooit opheldering heeft gekregen. Zij heeft nooit contact gehad met de boekhouder om een en ander uit te leggen. Weer maakt de ambtenaar fotokopieën van de betreffende specificaties en zegt dat het zal worden doorgegeven aan de boekhouder. Tevens wordt het telefoonnummer van de cliënte genoteerd. Verder gebeurt er niets.
In april 1992 heeft cliënte weer contact met de sociale dienst, waarbij ze het weer heeft over vergoeding van bijzondere kosten voor haar zoontje. Weer wordt gezegd dat ze er niet voor in aanmerking komt. Cliënte begint ook maar weer eens over de gang van zaken met de uitkeringsspecificaties uit 1990. Ook moet cliënte weer haar telefoonnummer geven. Er wordt haar beloofd dat ze wordt teruggebeld. Weer gebeurt er verder niets.
November 1992 belt cliënte weer naar de sociale dienst. Zij wil graag een afspraak maken om eens over een en ander te praten. De ambtenaar vraagt waarover het gaat en cliënte stelt weer de gang van zaken uit 1990 aan de orde. De ambtenaar antwoordt dat de gegevens er niet meer zijn, want het is zo lang geleden. Daarop stelt cliënte dat zij alle papieren nog wel heeft, en dat op basis daarvan misschien een gesprek kan plaatsvinden. De ambtenaar zegt dat hij het dossier erbij zal nemen. Er wordt een afspraak gemaakt voor november 1992. De cliënte verschijnt op de afspraak met al haar gegevens en berekeningen, maar het dossier is niet aanwezig. De ambtenaar herhaalt dat de gegevens er niet meer zijn en dat haar geval speelt vòòr de tijd dat hij op het rayonkantoor ging werken. Cliënte laat daarop de specificatie zien van januari en februari 1990 en vraagt wat de bedragen zijn die worden ingehouden. De ambtenaar komt er niet uit; hij deelt mee dat sommige bedragen nooit op de specificatie hadden mogen staan. Cliënte blijft vragen hoe een en ander zo gelopen is.
De ambtenaar wordt boos en herhaalt dat het allemaal voor zijn tijd speelde en dat de gegevens niet meer te verifiëren zijn, het is allemaal vijf jaar geleden. Weer zegt de ambtenaar dat hij de specificaties en de twee blaadjes met berekeningen van cliënte zelf gaat fotokopiëren, en dat hij het aan de boekhouder zal geven. Cliënte vraagt om een brief uit 1989 van de deurwaarder, die ze toen niet had terug gekregen. Nu gaat de ambtenaar naar achteren om te kopiëren, en komt terug met de brief uit 1989. Het dossier is er dus wel. De ambtenaar wordt weer kwaad en deelt mee dat hij verder niets meer wil horen en dat hij maar een kwartier voor dit gesprek heeft uitgetrokken. Hij vraagt weer om het telefoonnummer van cliënte. Deze wordt daarop ook kwaad en weigert het te geven. ,,U hebt mijn telefoonnummer al tweemaal gehad, kijkt u maar in het dossier.'' Daarop loopt de ambtenaar kwaad weg en slaat de deur dicht.
Op 15 juli 1994 vraagt cliënte bijzondere bijstand aan voor vergoeding van de kosten voor een frame-prothese. Zij hoort weer een hele tijd niets en belt in december op om te vragen hoe het met de aanvraag staat. Daarop zegt de contactambtenaar dat hij het veel te druk heeft en dat cliënte moet wachten. Ook kan hij niet zeggen wanneer zij het geld krijgt, want het is in behandeling.
In januari 1995 ontstaan misverstanden over een beschikking die cliënte in de bus krijgt. De sociale dienst gaat over tot terugvordering van bijstand vanwege het feit dat cliënte onjuiste of onvolledige inlichtingen zou hebben verstrekt of op een andere manier niet aan de wettelijke mededelingsplicht zou hebben voldaan. Het blijkt te gaan over kostgeld dat cliënte zou ontvangen voor de vriend van haar dochter, die ook bij cliënte inwoont.
Cliënte gaat naar de Bijstandsbond. Daar krijgt ze te horen dat alles zal worden geregeld, en dat de bijzondere bijstand voor de frame-prothese ook zal worden gestort. Verder wordt inzage in het dossier gevraagd. De ambtenaar geeft echter te kennen bijzonder weinig tijd te hebben. Het dossier moet binnen een kwartier worden doorgenomen. Er worden onder andere gegevens uit het dossier van 1989 en 1990 gekopieerd. Er ontstaan weer problemen. Het blijkt een gebed zonder eind.

Piet van der Lende.

woensdag 15 februari 1995

Tekenen ongedateerde machtiging, mutaties van verhuizing traag verwerkt

Verschenen in maart nummer 1995 van de MUG, Maandblad voor Uitkeringsgerechtigden in Amsterdam.

Deze maand weer een voorbeeld van wat er allemaal fout kan gaan bij de Sociale Dienst. We willen trouwens niet ontkennen dat de Sociale Dienst gedeeltelijk gelijk heeft wanneer ze zegt dat er met 70.000 cliënten in het bestand wel eens iets fout gaat. Dit argument moet echter geen dooddoener worden. Wij blijven van mening dat zaken als het onderhavige niet hoeven voor te komen, wanneer een ambtenaar maar de tijd neemt zaken goed te regelen en wanneer er een goed (computer)systeem bestaat, waarbij doorgegeven mutaties op de juiste wijze worden verwerkt. Dat is op dit moment niet het geval. (Zie ook het artikel over de campagne 'Schrijf het van je af', op deze pagina.)
Een mevrouw uit Amsterdam Zuidoost tekende enige tijd geleden een ongedateerde machtiging, dat op haar uitkering een bedrag zou worden ingehouden voor een verstrekte lening. Aangezien deze machtiging ongedateerd was, kon hij op ieder willekeurig moment ingaan. Aanvankelijk gaf de mevrouw toestemming 110,- gulden op haar uitkering in te houden, maar na enige tijd werd dit automatisch afgeschreven bedrag zonder enige verdere mededeling of brief veranderd in 150,- gulden. Mevrouw kwam hier achter omdat het op de uitkeringsspecificatie vermeld stond. Toen zij hierover om opheldering vroeg, werd haar meegedeeld, dat zij met de uitkering voor een eenoudergezin bij nader inzien wel 150,- gulden kon betalen, en dat het ingehouden bedrag daarom veranderd was. Mevrouw protesteerde hiertegen en deelde mee, dat het in te houden bedrag weer op het oude niveau moest worden teruggebracht. En toen stapelden de problemen zich op.
Een maand na het voorval van de automatische inhoudingen verhuisde mevrouw, ze gaf dit op tijd door aan de Sociale Dienst, zowel door op te bellen als door het schrijven van een brief. In de laatste week van de maand: geen uitkeringsspecificatie op het nieuwe adres. Wel werd er geld gestort. De uitkeringspecificatie bleek naar het oude adres gestuurd. Daarbij bleek dat de GSD, die iedere maand de huur afhield, de huur voor het oude adres was blijven betalen en dat er geen huur voor het nieuwe adres was betaald.
Weer enige tijd later bleek dat de uitkering volledig was geblokkeerd. De sociale dienst deelde mee dat zij verschillende dingen nader moest uitzoeken in verband met de verhuizing en het feit dat het jongste kind 12 jaar was geworden. Daardoor was mevrouw nu sollicitatieplichtig en ging zij terug naar de norm alleenstaande. Vele telefoontjes met de sociale dienst volgden, waarbij de cliënt naar voren bracht dat de verkeerde huurbetalingen moesten worden hersteld en dat zij bezwaar maakte tegen het opleggen van de sollicitatieplicht, omdat een van de kinderen erg ziek is en verzorging behoeft.
Steeds werd haar beloofd dat voor het einde van de maand alles in orde zou worden gemaakt, maar het heeft uiteindelijk maanden geduurd voordat het zover was.

Piet van der Lende

zondag 15 januari 1995

Problemen met Periodieke Doelmatigheidsonderzoeken (te laat opgestuurd) en dreiging met strafkorting van het Rijk. Vrijwilligerswerk

Verschenen in het februari nummer 1995 van MUG, maandblad van Uitkeringsgerechtigden in Amsterdam.

In de laatste weken van december deden de wildste geruchten de ronde over de periodieke doelmatigheidsonderzoeken (DMO's) van de Sociale Dienst. Over deze onderzoeken schreef ik ook al in de MUG van januari. In Het Parool stond half december, dat de Sociale Dienst een grote achterstand had bij het instellen van de Doelmatigheidsonderzoeken. Wanneer die achterstand niet voor 1 januari 1995 was ingehaald, bestond het gevaar dat de Rijksconsulent zou overgaan tot het instellen van een onderzoek naar de oorzaken. Dit onderzoek zou kunnen leiden tot het opleggen van een korting op de door het Rijk uit te keren subsidies aan de gemeente. Dit als straf voor het niet tijdig halen van voldoende DMO's. Er werd zelfs gesproken over een achterstand van 27.000 onderzoeken. In drie weken tijd wilde de Sociale Dienst die onderzoeken uitvoeren.
Om ambtenaren op de rayonkantoren waar een achterstand bestond te stimuleren tot harder werken konden zij een premie per onderzoek krijgen wanneer ze de doelstelling haalden. Op sommige rayonkantoren zouden ambtenaren hebben geweigerd op die basis de onderzoeken uit te voeren omdat er bij haastwerk en personeelstekort grote fouten worden gemaakt. Middels een ingezonden brief in Het Parool ontkende een ambtenaar van Zuid-Oost de berichten: de premie was een wel vaker voorkomende reguliere betaling waarover de rayonkantoren binnen het aan hen toegewezen budget zelf mochten beslissen. Wat er ook waar moge zijn van al die geruchten, feit is dat op het spreekuur van de Bijstandsbond weer een aantal mensen kwamen die werden opgeroepen voor een DMO en die pas een dag voor de datum waarop ze moesten verschijnen de desbetreffende oproep in de bus kregen. Bij sommige oproepen was duidelijk sprake van haastwerk. Soms was de oproep zeer slordig opgesteld, omdat op het formulier waarop staat wat je moet meenemen, alle hokjes waren aangekruist. De ambtenaar had blijkbaar geen tijd gehad uit te zoeken welke mee te nemen documenten bij een bepaalde cliënt van toepassing waren.
Bij een van de cliënten ontstonden ook weer moeilijkheden over het DMO. Ambtenaren doen soms erg moeilijk wanneer een cliënt een andere afspraak wil maken. Een mevrouw had een oproep gekregen op een bepaalde datum te verschijnen. Ze was echter ziek en belde naar de desbetreffende ambtenaar van het kantoor dat ze niet kon komen. De ambtenaar deelde mee, dat haar man dan maar moest komen. Haar man is echter van Turkse afkomst en spreekt slecht Nederlands. De mevrouw wilde graag zelf een gesprek op een latere datum. De ambtenaar dreigde daarop dat haar uitkering zou worden stopgezet. Een medewerkster van de Bijstandsbond belde daarop de desbetreffende ambtenaar om uitleg. Deze zei: ,,Je moet m'n baas maar bellen.'' Daarop werd contact gelegd met het hoofd van het rayonkantoor. Die deelde mee dat de cliënt nog diezelfde week een uitnodiging zou krijgen voor een nieuwe afspraak.

Vragen

Naar aanleiding van het formulier dat bij het DMO moet worden ingevuld hebben enkele cliënten op het spreekuur vragen gesteld. Waarom moet de GSD weten hoe hoog je GEB-rekening is? Wat heeft de Sociale Dienst sowieso te maken met je uitgavenpatroon? (Je moet alle vaste uitgaven op het formulier invullen). Dit is toch niet relevant voor het bepalen van de rechtmatigheid van de uitkering? Waarom moeten alle gegevens van de partner worden ingevuld, als die zelf ook zo'n formulier moet invullen? Waarop is het uitgangspunt gebaseerd, dat iemand drie maanden girostrookjes moet meenemen, wanneer je nergens van verdacht wordt? (Soms moet men zelfs alle strookjes van het afgelopen jaar laten zien). Waarom moet de Sociale Dienst weten welke verzekeringen je hebt afgesloten? Naar aanleiding van deze en andere vragen hebben enkele verontwaardigde cliënten een werkgroepje gevormd waarbij gegevens en ervaringen worden uitgewisseld en waarbij wordt uitgezocht wat de Sociale Dienst nu wel of niet kan vragen. Voor meer inlichtingen kunt u bellen met de Bijstandsbond.

Vrijwilligerswerk

Sommige cliënten moeten bij het DMO een apart formulier invullen waarop ze moeten aangeven welk vrijwilligerswerk ze doen, bij welke organisaties en hoeveel uur in de week dat is. Het lijkt me vooralsnog dat het invullen van zo'n formulier meestal weinig consequenties heeft. Formeel moet de cliënt toestemming van de GSD vragen voor het verrichten van sommige vormen van vrijwilligerswerk. Voor traditioneel vrijwilligerswerk hoeft een cliënt geen toestemming te vragen, dat mag altijd. Ander vrijwilligerswerk mag alleen in goedgekeurde projecten, die zijn getoetst door de directeur van de Sociale Dienst. Voor meer informatie kunt u zich wenden tot de Vrijwilligerscentrale.
In de toekomst kunnen de gegevens over vrijwilligerswerk echter wel een belangrijkere rol gaan spelen, wanneer de gemeente in haar beleid gaat toewerken naar het verplicht stellen van het verrichten van 'maatschappelijk nuttige taken' in ruil voor de uitkering. Daarbij zou dan een contract worden gemaakt tussen de uitkeringsgerechtigde en de Sociale Dienst waarin de wederzijdse afspraken zijn vastgelegd. Bij mijn weten is het nu al zo, dat op beperkte schaal vrijwilligerswerk wordt gezien als een stadium in een traject op weg naar betaald werk of als een eindstadium voor langdurig werklozen, die niet meer in aanmerking komen voor betaalde arbeid. Over dit vrijwilligerswerk worden dan afspraken gemaakt tussen de cliënt en de Sociale Dienst. Bij de Werkwinkel-plus in Oudwest wordt hier reeds op bescheiden schaal mee geëxperimenteerd.

Piet van der Lende

maandag 2 januari 1995

Gedupeerden van de IJ-markt, de uitgebreide vragen van Periodieke Doelmatigheids Onderzoeken (PDO), tekenen van blanco machtigingen.

Verschenen in het januari nummer 1995 van de MUG. Maandblad Uitkeringsgerechtigden Amsterdam.

Deze keer in de rubriek 'De Gang van zaken' enkele korte stukjes over ervaringen van uitkeringsgerechtigden met de Sociale Dienst.
Op het spreekuur van de Werklozen Belangen Vereniging kwam een cliënt van de Sociale Dienst die een oproep had gekregen voor een doelmatigheidsonderzoek. Dat zijn onderzoeken die de dienst periodiek bij alle cliënten uitvoert om te controleren of alle gegevens nog kloppen en of er wellicht mogelijkheden zijn om de betrokkene in een traject te plaatsen, dat uiteindelijk tot een betaalde baan moet leiden. Momenteel is het streven van de Sociale Dienst minimaal eens in de drie jaar cliënten op te roepen voor zo'n onderzoek. Bij het versturen van de oproepen wil nog wel eens wat fout gaan. Soms reageren cliënten niet, en dan wordt de uitkering stopgezet. Dit kan aan de cliënten zelf liggen, maar bij de cliënt die op het spreekuur kwam zat er tussen de datum waarop de oproep verstuurd werd en de datum waarop de cliënt moest verschijnen maar een dag. Bovendien werd geen aangetekende oproep verstuurd. In dit geval ging het goed, maar het kan ook tot gevolg hebben, dat de cliënt te laat van de oproep op de hoogte is, zonder dat hem/haar dit te verwijten valt. Wanneer cliënten een andere afspraak willen maken, of na de datum waarop men moet verschijnen komen opdraven, wordt nogal eens moeilijk gedaan. Is het niet beter oproepen ruim van te voren te versturen, en ook in alle gevallen een aangetekende oproep de deur uit te doen? Dat kan een hoop bureaucratische rompslomp voorkomen, zowel voor de cliënten als voor de ambtenaren.
De betrokken cliënt kwam op het spreekuur, omdat hij protesteerde tegen bepaalde formuleringen op het heronderzoeksformulier. Bij vraag 14 moest de cliënt een verklaring ondertekenen, waarbij onder punt 5 staat: 'er tevens mee bekend te zijn, dat er inlichtingen kunnen worden ingewonnen c.q. overleg kan worden gepleegd met de werkgever, boekhouder, bank en eventuele andere instanties.'
De cliënt vatte het zo op, dat door ondertekening van de verklaring hij de Sociale Dienst een vrijbrief gaf bij iedere willekeurige instantie te informeren naar zijn persoonlijke gegevens, zonder dat de dienst hem op enigerlei wijze van die kontakten op de hoogte hoeft te stellen.
We hebben een brief geschreven naar de Sociale Dienst waarin om opheldering wordt gevraagd over de bedoeling van het artikel. In juridische zin lijkt me de formulering voor meerdere uitleg vatbaar. Betekent 'ermee bekend zijn' ook, dat je zonder meer toestemming geeft? In hoeverre is deze formulering in overeenstemming met de wetgeving op het gebied van de privacy? Tekenen, maar waarvoor?
Er zijn op het spreekuur nu twee gevallen geweest van cliënten, die iets hadden ondertekend bij de Sociale Dienst zonder dat ze wisten waarvoor. In een geval moest de cliënt een soort machtiging ondertekenen, die verder geheel blanco was. Waarschijnlijk betreft het een machtiging voor inzage in banksaldo's. In het andere geval had de cliënt ook een blanco formulier ondertekend, maar dit liep goed af. De cliënt had geprotesteerd tegen voorstellen van de ambtenaar, om een bepaalde scholing te volgen. Deze ambtenaar had vervolgens het stimuleren van cliënten door het geven van positieve prikkels op geheel eigen wijze geïnterpreteerd door de cliënt onder druk te zetten een blanco formulier te ondertekenen, dat achteraf een aanvraag voor bijzondere bijstand voor het vergoeden van scholing bleek te zijn.
Het hoeft geen betoog dat het onder druk zetten van cliënten om verder geheel blanco of slechts gedeeltelijk ingevulde formulieren te ondertekenen niet door de beugel kan. Het dient altijd glashelder te zijn waarvoor de cliënt tekent, en hij/zij moet duidelijk uitgelegd worden waarvoor toestemming wordt gegeven. Ook bij het heronderzoeksformulier dat hierboven ter sprake kwam was dat niet het geval.

IJ-markt

Zouden de gedupeerden van de IJ-markt ons eens kunnen bellen over hoe de Sociale Dienst met hun problemen omgaat? Er bereiken ons berichten, dat de Sociale Dienst zich zeer formeel opstelt, en weinig begrip toont voor de specifieke problemen waarmee de ex-ondernemers van de IJ-markt te maken hebben. En dit terwijl wethouder van der Aa heeft beloofd, dat er speciale aandacht aan de moeilijkheden van de ex-IJ-markt ondernemers zou worden besteed. Er belde ons een ex-ondernemer, die al vanaf 1 december zonder geld zit, door alle bureaucratische rompslomp rond het opheffen van zijn bedrijfje en de voorwaarden die de Sociale Dienst daaraan stelt.

Bijzondere Bijstand

De Bijstandsbond heeft de wethouder gevraagd te bevorderen dat de Sociale Dienst een gedetailleerde lijst gaat opstellen over verstrekkingen die in het kader van de bijzondere bijstand kunnen worden gedaan. Hierdoor kan er bij cliënten en spreekuurmedewerkers meer zekerheid ontstaan over wat in het kader van de bijzondere bijstand wel en niet mogelijk is. Ook leverde de Bijstandsbond kritiek op het beleid van de dienst met betrekking tot de mogelijkheden voor vergoeding van scholingskosten en de toeslag voor voormalige een-ouder gezinnen. De afdeling communicatie van de Sociale Dienst heeft daarop een brief geschreven, waarin gesteld wordt dat in het voorlichtingsmateriaal meer aandacht zal worden besteed aan de mogelijkheden voor vergoeding van scholingskosten en de gewenningstoeslag voor voormalige een-oudergezinnen. Deze laatste toeslag houdt in, dat een hoofd van een een-ouder gezin met kinderen, die op een leeftijd komen, waarbij ze in eigen onderhoud kunnen voorzien, een afbouwregeling krijgen, waarbij de uitkering geleidelijk wordt afgebouwd van de norm voor een een-oudergezin naar de norm voor een alleenstaande.
Over het opstellen van een gedetailleerde lijst met verstrekkingen in het kader van de bijzondere bijstand schrijft de afdeling communicatie, dat dit moeilijk te realiseren is omdat er zoveel verschillende mogelijkheden zijn en de hoogte van de vergoeding van geval tot geval kan variëren. De Bijstandsbond blijft echter van mening, dat de Sociale Dienst op dit punt haar beleid duidelijker naar buiten moet brengen, zodat er meer rechtszekerheid voor de cliënten gaat ontstaan en de mensen weten waar ze aan toe zijn.

Piet van der Lende