vrijdag 13 oktober 1995

Grote bedrijven in Amsterdam en de arbeidsbemiddeling

Grote bedrijven besteden werk uit aan commerciële uitzendbureau’s en werken nauwelijks samen met het arbeidsbureau. Bij het AMC hebben zo verschillende uitzendbureau’s zelfs een vestiging in het gebouw. De strategie is, mensen niet meer in vaste dienst te nemen maar enkel met een tijdelijk contract. Het is echter duidelijk, dat de mensen liever vastigheid hebben en langer bij dezelfde baas willen werken. Ik vind, dat als bedrijven zich vestigen op industrieterreinen die door de gemeente zijn aangelegd, de gemeente eisen kan stellen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en personeelsbeleid.

Zo wil de gemeente Amsterdam vier miljard investeren in het Noordzeekanaal gebied, waaronder in een sluis bij IJmuiden, die 900 miljoen gaat kosten. Enige jaren geleden werd gezegd dat deze investeringen de komende vijftien jaar 40.000 arbeidsplaatsen zullen opleveren in het Noordzeekanaal gebied. Er zijn rapporten van Coopers en Lijbrant over geschreven die in totaal wel drie kilometer dik zijn. Maar wat is de werkelijkheid ? Nu, vier of vijf jaar later wordt gepraat over 10 tot 27.000 arbeidsplaatsen. En het projektbureau spreekt over nog minder; wethouder Peer heeft een getal van enkele honderden gerealiseerde banen genoemd, en dit betrof enkel een verschuiving binnen de regio.

Er is een tendens, dat werkgevers hun bedrijf van de ene plaats naar de andere verhuizen, omdat ze daar veel subsidie kunnen pakken. Terwijl in de Amsterdamse haven het werk wordt gedaan door kansarmen, die verstrikt raken in de netten van uitzendbureau’s en koppelbazen.

Bij de opstelling van investeringsplannen blijft volstrekt buiten beeld, wat voor werk het is. Men denkt: we investeren als overheid in industrieterreinen en geven de nieuwe werkgever allerlei faciliteiten en subsidies, en dan zoekt hij verder zijn mensen maar. Laten die nieuwe bedrijven, vind ik, eerst maar aangeven om hoeveel mensen en wat voor functies het straks zal gaan. De gemeente zou op dit gebied eisen kunnen stellen!

Het gaat er niet zozeer om, dat Amsterdammers in dienst moeten worden genomen, maar wel dat een koppeling wordt gelegd met de kaartenbakken van het Arbeidsburereau. Zoals het nu gaat, heeft als gevolg, dat veel mensen van hot naar her reizen, en daardoor vaak zeer ongunstige werktijden hebben. Je krijgt nu de situatie, dat het arbeidsbureau in Groningen mensen gaat dwingen om in Amsterdam te gaan werken. De Amsterdamse overheid is tot concurrentie gedwongen met andere stedelijke regio’s, waarbij ze door de bedrijven tegen elkaar worden uitgespeeld. Tot op zekere hoogte zal Amsterdam zeggen, dat ze gedwongen is mee te gaan in die rat-race. Je kunt aan die selectie van personeelsleden niet veel doen. Maar als je als overheid investeert, moet je ook investeren in de controle, of er na zoveel jaar ook zoveel mensen werken. Je zou een norm moeten ontwikkelen, die vastgelegd zou kunnen worden in een sociaal convenant tussen de overheid en het bedrijf dat zich in Amsterdam vestigt.

Het gaat hierbij dus om de vraag: moet je de mensen naar het werk brengen of het werk naar de mensen?

donderdag 12 oktober 1995

Professor de Rooy en de tentoonstelling de Rode Droom

Commentaar bij De tentoonstelling De Rode Droom, tot en met 26 november 1995 in de Nieuwe Kerk en op de begeleidende bundel De Rode Droom, uitg. Sun, Nijmegen: 24,50 gulden.

 In de gids die bij de tentoonstelling werd uitgegeven schreef professor de Rooy een essay over de geschiedenis van de soci­aal-demokratie. De professor, die toch een prachtige studie heeft geschreven over werkloosheid en werklozen organisaties in de dertiger jaren, stort bij de eerste de beste zinnen al in het ravijn van de nietszeggende nonsens. "Sociaal-demokra­ten worden van nature, zo lijkt het wel, heen en weer geslin­gerd tussen twijfel en tevredenheid. De trots over het bereik­te valt voortdurend samen met het besef van het onvolmaakte. Dat is al heel lang zo: het was nooit eenvoudig om sociaal-demokraat te zijn".

Trots over het bereikte dat samenvalt met het besef van het onvolmaakte lijkt me ook wel iets voor christen-demokraten, gezien hun trots op de verworvenheden van het christendom en hun opvattingen over de zondige mens. En zouden sommige atheistische liberalen op z'n tijd ook niet heen en weer geslingerd worden tussen twijfel en tevreden­heid?. Dat is al heel lang zo: het was nooit eenvoudig om christendemokraat of liberaal te zijn. In de eerste bladzijden van de Rooy's essay wordt een sociaal-demokraat ten tonele gevoerd, die op dezelfde dag getuige was van de legendarische begrafenis van Domela Nieuwenhuis en van een feest van de A.N.D.B. Hoe beschrijft de Rooy de tegenstel­ling?. De sociaal-demokraat ervaart de beide gebeurtenissen op dezelfde dag als een tegenstelling, waarmee hij erg worstelt, maar wat nu eigenlijk de achtergronden van die worsteling zijn blijft volstrekt duister.

 PvdL

woensdag 11 oktober 1995

Teksten van de tentoonstelling 20 jaar Komitee Marokkaanse Arbeiders in Nederland (KMAN) oktober 1995



uitkeringsgerechtigden

Het K.M.A.N. heeft de afgelopen twintig jaar verschillende
acties gevoerd om de rechtspositie van buitenlandse arbeiders
met een uitkering te verbeteren. Enkele voorbeelden worden
hier getoond. In 1982 organiseerde het Platform voor democra-
tische organisaties van buitenlandse arbeiders samen met het
Bureau voor Rechtshulp en Nederlandse organisaties een tribu-
naal tegen de sociale dienst. Ook bezoekers van het K.M.A.N.
spreekuur brachten daarbij hun grieven naar voren. Naar aan-
leiding van de actie verscheen de brochure "Gemeentelijke
Sociale Dienst aangeklaagd".
Er zijn vele acties geweest op het gebied van de kinderbij-
slag. Zo was er een door het K.M.A.N. georganiseerde manifes-
tatie over dit onderwerp op 17 januari 1982. Daarnaast hebben
in samenwerking met andere organisaties vele demonstraties
plaatsgevonden. Hiernaast worden een pamflet en enkele foto's
van acties getoond.
Halverwege de jaren tachtig kwam de discussie over remigratie-
regelingen op gang. Het K.M.A.N. stelde dat remigratie in het
belang kon zijn van de Marokkaanse gemeenschap, mits het ging
om een vrije keuze van de migrant tussen terugkeren of in
Nederland blijven en mits de nederlandse overheid goede rege-
lingen maakte, die de terugkeerders een bestaan in Marokko
garandeerden.

Amicale

De Amicale (letterlijk: vriendenkring) is in 1974 in Nederland
opgericht door de Marokkaanse regering. Zij werd daarom wel de
'lange arm van koning Hassan' genoemd. Op die manier probeerde
het regime Marokkanen, die in het buitenland verbleven onder
controle te houden en af te sluiten van de opvattingen over
democratie en vrijheid, die openlijk in west-Europa konden
worden verkondigd. Tevens probeerde de Marokkaanse overheid zo
te voorkomen, dat in west-Europa een georganiseerde oppositie
zou gaan ontstaan tegen de regering. Intimidatie en geweld
werden in principe door de Amicale niet geschuwd, maar zij
probeerde zich tegelijkertijd te presenteren als een democra-
tische, onschuldige vereniging van Marokkanen in West-Europa.
Het belangrijkste intimidatie-wapen van de Amicale was het
verzamelen van gegevens, die werden doorgegeven aan de over-
heid in Marokko. De mensen waren dan ook niet zozeer bang voor
de Amicale in Nederland, maar, wanneer men niet meewerkte,
voor de gevolgen als ze terugkeerden naar Marokko.
Tegen de Amicale zijn in ons land vele acties gevoerd. Daarvan
worden hier enkele pamfletten getoond, nl van een actie in
Amsterdam Oud-West en van een actie in Eindhoven. Linksonder
zijn foto's te zien van een actie tegen een kantoor van de
Amicale in Amsterdam in de Hugo de Groot buurt. Rechtsonder
een foto van een door de Amicale georganiseerde actie tegen
een bijeenkomst van het Polisario-comit‚ in Paradiso.
Daaronder enkele foto's van een actie bij het congresgebouw in
Rotterdam op 23-10-1977.

arbeidsvoorwaarden

Ook bij conflicten of meningsverschillen in bedrijven werd
door het K.M.A.N. getracht een collectief spreekuur op te
zetten, vooral in de periode 1981-1987. In de nieuwe diensten-
sector was vaak geen sprake van een C.A.O. De nederlandse
vakbonden hadden geen greep op de arbeidsvoorwaarden in de ze
sector. Veel Marokkanen kwamen op het spreekuur om hun grieven
tegen een werkgever naar voren te brengen en het K.M.A.N te
vragen mee te werken aan een oplossing. Problemen waren er
rond tijdelijke arbeidscontracten, grote werkdruk, onregelma-
tige werktijden en conflicten met ploegbazen. Ook was er nogal
eens sprake van problemen tussen buitenlandse werknemers en de
ondernemingsraad in een bedrijf. Dit was oa het geval bij de
LinMij, waar medewerkers van het K.M.A.N. bij hebben bemid-
deld.
Vanuit het spreekuur werden in samenwerking met vakbonden,
Bureaus voor Rechtshulp en anderen diverse projecten opgezet
waarbij onderzoek werd gedaan naar de arbeidsomstandigheden in
bepaalde bedrijven, juridische mogelijkheden werden onderzocht
om de situatie te verbeteren en om te bewerkstelligen, dat de
nederlandse vakbonden meer voor de werknemers in marginale
sectoren van de economie zouden doen. Enkele voorbeelden van
dergelijke projecten worden hier getoond, nl het project in de
schoonmaaksector 'De bezem erdoor' en het project in samenwer-
king met de horecabond FNV. Naar aanleiding van beide projec-
ten verschenen onderzoeksrapporten.

De acties tegen de W.A.B.W.

Op 1 november 1979 werd de Wet Arbeid Buitenlandse Werknemers
(W.A.B.W.) ingevoerd. Doelstelling van de wet was, de komst
van buitenlandse arbeiders naar Nederland te reguleren en in
tijden van grotere werkloosheid te minimaliseren of zelfs stop
te zetten. Voortaan moest een werkgever, die een buitenlandse
arbeider in dienst wilde nemen een tewerkstellingsvergunning
aanvragen. Deze vergunning werd alleen verstrekt, als op de
Nederlandse arbeidsmarkt geen Nederlandse of legale buiten-
landse arbeidskrachten meer te vinden waren. In de praktijk
betekende dit in een tijd van oplopende werkloosheid, dat
nauwelijks nog vergunningen werden verstrekt. De 'illegaal' in
ons land verblijvende buitenlandse arbeiders, die vaak al
jarenlang in Nederland hadden gewerkt, werden door de wet
grotendeels uitgesloten van legalisatie. De overgangsregeling,
waar sommigen onder vielen bood dan ook maar gedeeltelijk
soelaas. Tegen deze wet is al tijdens de behandeling van het
wetsontwerp in 1976 actie gevoerd.(Zie bord met aankondiging
demonstratie op 8 mei 1977).
Nieuwe acties kwamen van de grond ten tijde van de invoering
van de nieuwe wet. Daarbij spraken vooral de acties in de
asylkerken en de "S.O.S. spreekuren" tot de verbeelding. Er
werd een actiecomit‚ opgericht, het L.A.K.W.A.B.W, dat de
acties moest coordineren. Er waren daarbij verschillende
plaatselijke comites. Op dit bord zijn een affiche en enkele
pamfletten van acties te zien.

vrijdag 15 september 1995

Formulieren. Te uitgebreide vragen formulier en te vergaande vragen over arbeidsongeschiktheid

Ook verschenen in de MUG, Maandblad voor uitkeringsgerechtigden in Amsterdam in het octobernummer 1995. In de rubriek 'De gang van zaken'. 

Formulieren

De laatste tijd brengen verschillende cliënten bij de Bijstandsbond naar voren, dat sommige formulieren van de sociale dienst verkeerd zijn opgezet. De kritiek richt zich vooral op een bepaald heronderzoeksformulier. Het gaat om een uitgebreid vragenformulier, dat zowel wordt gebruikt bij cliënten die voor het eerst een uitkering aanvragen, als bij cliënten die alleen voor een periodiek heronderzoek op het rayonkantoor moeten komen. Iemand die al een uitkering heeft, moet in dit geval een onnodig lange lijst met vragen doorwerken. Dat is meteen het eerste kritiekpunt.
Daarnaast moeten niet alleen de eigen gegevens worden ingevuld, maar ook die van de partner. Wanneer er een partner is, moet de opgeroepene niet alleen alle bewijzen van zichzelf meenemen, maar ook die van de ander, zoals paspoort, giro-afschriften, origineel bewijs van het sofinummer, enzovoort. En dat terwijl de oproep voor hercontrole op een bepaalde naam gesteld is en de ander niet officieel wordt opgeroepen. Dit leidt tot misverstanden. 'Waarom roept u mijn vriend niet zelf op? Waarom moet ik met zijn paspoort en giro-afschriften over straat gaan sjouwen? We hebben ieder ons eigen leven en ik ga niet zitten snuffelen in de privé-papieren van mijn partner.' De ambtenaren van de sociale dienst hebben meestal weinig begrip voor de afspraken tussen twee samenwonenden. 'Dan neemt u hem toch gewoon mee?'
Wanneer je ziek bent, moet op het heronderzoeksformulier de aard van de ziekte worden ingevuld en verder de naam van de behandelende arts en/of van de huisarts. Ook hier hebben veel cliënten bezwaar tegen. Zij vinden dat de sociale dienst hier niets mee te maken heeft. Je bent arbeidsongeschikt, punt uit. De procedure voor cliënten die ziek worden is als volgt: Wanneer je ziek wordt, kun je dit invullen op het werkbriefje. Als het goed is, word je dan na enige tijd opgeroepen door een keuringsarts van de GG&GD. Die voert een gesprek met je, waarin de redenen van de arbeidsongeschiktheid worden vastgesteld. Daarna stelt de keuringsarts een rapportje op voor de sociale dienst, waarin je wel of niet arbeidsongeschikt wordt verklaard. Als je arbeidsongeschikt bent, moet je overgaan van de RWW met sollicitatieplicht naar de ABW zonder sollicitatieplicht. (Dat gaat wel eens fout, omdat de sociale dienst iemand soms jaren in de RWW houdt.) Sommige cliënten vinden dat deze gegevens de sociale dienst niet aangaan. De dienst hoeft niet te weten waarom je arbeidsongeschikt bent, en zeker niet wie de behandelende artsen zijn.
Op het gewraakte formulier staat verder een verklaring, die je moet ondertekenen. Onder punt vijf van deze verklaring staat, dat je aangeeft ermee bekend te zijn, dat de dienst inlichtingen kan inwinnen bij GAK, werkgever, boekhouder, en diverse andere instanties. Sommige cliënten denken, dat dit een soort vrijbrief is voor de sociale dienst om maar bij alles en iedereen naar van alles en nog wat te informeren, zonder dat de cliënt hierover hoeft te worden ingelicht. Is dat geen schending van de privacy? Wij adviseren cliënten de verklaring wel te ondertekenen (anders wordt je uitkering misschien stopgezet), maar op de bladzijde ernaast protest aan te tekenen tegen de verklaring, en een voorbehoud te maken ten aanzien van de instanties, die de sociale dienst zonder je in te lichten mag raadplegen.
Daarnaast adviseren wij, een klacht in te dienen waarin de bezwaren tegen het formulier staan geformuleerd. Er zijn voorgedrukte klachtenformulieren bij de rayonkantoren verkrijgbaar, waarin de procedure staat uitgelegd. Om misverstanden te voorkomen: dit is dus iets anders dan de officiële bezwaarschrift-procedure. De klacht kan worden gericht aan het hoofd van het rayonkantoor of worden toegestuurd aan het antwoordnummer, dat op het formulier staat vermeld. Over het heronderzoeksformulier hebben al gesprekken plaatsgevonden met het hoofd van rayonkantoor De Baarsjes. Wanneer veel mensen een klacht indienen, zal het formulier misschien veranderd worden.

Piet van der Lende

zaterdag 29 juli 1995

Ideeën van Bart van Wijck

Het gaat om een culturele omslag. In de zeventiger jaren hadden wij het idee, dat we met iets groots bezig waren, dat we deel uitmaakten van een internationalistische wereldwijde beweging voor een betere maatschappij. Enthousiast werkten wij aan een betere toekomst. Dit subjectieve gevoel is helemaal weg. Het gaat erom, dit gevoel weer terug te krijgen. Het had ook wel iets te maken met de levensfase waarin je verkeerde, je afzetten tegen je ouders, je was jong, begon de wereld te ontdekken. Toen ik een boek las over 1917 raakte ik helemaal enthousiast, dat was het, ik voelde me verbonden met een we­reldwijde beweging. Het postmodernisme heeft ook wel iets positiefs. Wat bedoelt hij daarmee?. Het internationalisme van de zeventiger jaren was goed. Je voelde je betrokken bij derde wereld bewegingen voor bevrijding van het eigen land. Mensen kijken bij een identificatie naar een range van dingen. Naar het enthousiasme dat de reeds deelnemenden uitstralen, naar het wij gevoel dat zij uitstralen, of ze zelf in die beweging aktief kunnen zijn om zelf dingen te ontdekken, etc. Niet alleen naar het objektivistische van: hele goede doelstellin­gen, die mensen willen iets moois, daar ben ik het wel mee eens. Wat Jan Müter en Rob Marijnissen doen, is een objectie­ve analyse van de krachtsverhoudingen en daar dan tegenover zetten wat goed is, daar moet iedereen het toch wel mee eens zijn, en dan proberen te intervenieren in het krachtenveld, en best ook wel dingen bereiken. Dit doet de SAP heel sterk, ze willen geen oude dingen loslaten, terwijl als je revolutionair bent, je toch de dingen op hun kop moet durven zetten. Men gaat met een soort dodelijke ernst de dingen analyseren. Hoewel het best goed is om af en toe dodelijk ernstig te zijn. Minstens even noodzakelijk is een inschatting/ analyse van de subjektieve kant van de sociale bewegingen. Die twee dingen moeten precies op elkaar aansluiten. Je gaat een inschatting maken bij een huis bouwen van het veld, hoe ziet dat eruit, welke materialen heb je, en dan ga je het huis gewoon bouwen. Het gaat erom, dat we geen truucs gebruiken om mensen te manipuleren, maar om mensen zelf te laten denken. Wij gebruiken ook een mooie lay-out voor het blad. Het gaat ook best goed zijn om een totaal-scepticisme neer te zetten tegen het groene hart van Nederland zoals in de laatste tijd gebeurt.
De derde kamer komt op voor de mensen aan de onderkant, de naamlozen die geen stem hebben. Wij streven naar radikale demokratie, wat verschillende vormen kan aannemen.
Dit leidt tot de volgende conclusies voor de tekst:
1. Het moet een tekst zijn, waar mensen zich mee kunnen iden­tificeren. Dit betekent echter geenzins dat wij alleen maar een objektieve analyse plegen van de werkelijkheid en van de krachtsverhoudingen daarin, daarna Het Goede formuleren en ertegenover plaatsen, meedelen, dat wij dit Goede, waar ieder­een het wel mee eens (moet) zijn nastreven en het daarbij laten. Identificeren betekent ook heel andere dingen. Mensen identificeren zich om diverse redenen. Omdat de deelnemers enthousiasme uitstralen, omdat er felle, spitsvondige diskus­sies worden gevoerd, of omdat men denkt door deelname zelf nieuwe dingen bij zichzelf en bij anderen te kunnen gaan ontdekken. Dit heeft tot gevolg, dat wij niet streven naar een tekst, waarvan wij denken, dat veel mensen het ermee eens moeten zijn, of dat alleen uit voor de hand liggende dingen in staan. Er kunnen best dingen in staan, waar bijna niemand het mee eens is.
2. De tekst is niet zozeer bedoeld als een hergroepering van de derde kamer, een evaluatie van het voorgaande en een moti­vatie voor onszelf, maar als een tekst naar buiten toe, om mensen te werven,als een ontwikkeling in het gezicht van de derde kamer, als een mijlpaal op weg naar een beweging, waar­van de mensen denken: daar wil ik bijhoren, (ook al ben ik het er niet mee eens).
3. De tekst moet niet truucs gebruiken om mensen te laten denken, wat wij ook denken, maar om mensen zelf te laten denken. Waarom willen wij dit? Dat is een goede vraag. Waarom willen wij eigenlijk geen verlichte dictatuur van een deskun­dige minderheid, die de werkelijkheid van de historische maatschappijvormen uitgebreid geanalyseerd heeft, en die dus om die reden de enige elite is, die weet, wat goed is voor de mensen? Als je het teveel aan de mensen zelf overlaat, ont­staat er maar chaos, of misschien wel een burgeroorlog, of een terugval in voorgaande historische maatschappij-formaties. De eerste filosoof die dit vond, was Plato.
4. Wij moeten expliciet vermelden, dat wij geen dubbele bodem nastreven. Moeten we dat wel expliciet vermelden?.
5. De tekst moet wel een analyse zijn van de werkelijkheid, bijvoorbeeld van "een jaar paars" maar daar minstens even belangrijk aan koppelen een inschatting van de subjektieve positie van sociale bewegingen, dat inmiddels een leeg bregrip geworden is, en proberen een tekst te maken, waarbij deze twee dingen precies op elkaar aansluiten. Dit geeft mensen het gevoel, dat ze zich met de tekst kunnen identificeren!.
6. Dit betekent dat we bij het maken van de tekst tewerk gaan volgens de methode: eerst analyseren, hoe het in elkaar zit en inschatting subjektivisme, en dan een tekst, waarbij deze twee op elkaar aansluiten.
 

donderdag 15 juni 1995

Naturalisatie ingewikkeld geworden. Moeizame prcedures bij verkrijgen Nederlanderschap

Ook verschenen in het juli/augustus nummer van MUG, Maandblad voor uitkeringsgerechtigden in Amsterdam in de rubriek 'De gang van zaken'. 

Naturalisatie ingewikkeld geworden

Deze maand een stukje over de recente moeilijkheden die migranten ondervinden, wanneer ze Nederlander willen worden. Vroeger schreef je een brief aan de koningin, per adres ministerie van Justitie, waarin je motiveerde waarom je Nederlander wilde worden. Kopieën van verblijfsvergunning en een bewijs van het bevolkingsregister werden meegestuurd en enige tijd later was de zaak geregeld. Je moest voldoen aan de volgende voorwaarden: 18 jaar of ouder zijn, een vergunning voor verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, men moest tenminste 5 jaar in het koninkrijk woonachtig zijn en men moest ingeburgerd zijn in de Nederlandse samenleving.
Over de invulling van het begrip 'ingeburgerd zijn' werd niet moeilijk gedaan. Meestal was een schriftelijke afhandeling van een en ander voldoende. Niet wetende wat voor moeilijkheden wij zouden ondervinden, stuurde ik samen met de heer T. ook zo'n brief, gedateerd 28 januari 1994. Eind maart kregen wij een brief van het ministerie, dat de regels veranderd waren en nu de gemeenten waren belast met de uitvoering van naturalisatieverzoeken. Op 1 april 1994 kreeg de heer T. een brief van de gemeente, waarin werd meegedeeld, dat hij over twee maanden een brief zou krijgen met een uitnodiging voor de verdere afhandeling van het verzoek. Tevens werd het dossiernummer vermeld. Op 10 mei werd vervolgens een brief gestuurd, waarin werd gevraagd om zeer vele bescheiden, die vroeger niet hoefden te worden overlegd. Het zou een halve bladzijde vergen om alle bescheiden op te noemen. Er mochten alleen originele stukken mee worden genomen. De heer T. moest een afspraak maken en zijn vrouw en kinderen meenemen. Er diende een originele huwelijksakte en een originele geboorteakte te worden meegenomen. Indien deze niet in het Frans, Duits, Engels of Nederlands gesteld waren moesten ze vertaald worden door een beëdigd tolk-vertaler. Dat kost al een hoop geld.
Deze akten moesten vervolgens worden gelegaliseerd, dat wil zeggen het ministerie van Justitie moest verklaren dat de documenten en de handtekeningen daarop echt waren. Alvorens deze legalisatie kon plaatsvinden, moesten de documenten eerst worden gelegaliseerd door de autoriteiten van het land van herkomst. Alleen voor akten uit Marokko gold, dat zij ook mochten worden gelegaliseerd door de Marokkaanse autoriteiten in Nederland. Wij haalden opgelucht adem, want de heer T. is Marokkaan.
Bovendien kost naturalisatie plotseling 500,- aan leges. Mensen die dit niet kunnen betalen moeten een verklaring omtrent inkomen en (on)vermogen ophalen bij de sociale dienst. Daarvoor moeten alle financiële gegevens op een formulier worden ingevuld en bewijzen worden ingeleverd. Als de verklaring wordt afgegeven, kost naturalisatie de persoon in kwestie 125,-.
Wij lieten ons niet uit het veld slaan door de plotselinge bureaucratische moeilijkheden die opdoemden. Opgewekt ging de heer T, die al 25 jaar in Nederland woont, naar de Marokkaanse ambassade, waar hij een 'extrait d'acte de naissance' (geboortebewijs) liet maken. Dit werd ondertekend door de vice-consul. Vervolgens stuurden wij de stukken aangetekend naar het ministerie van Justitie. Wij kregen een maand later bericht dat de stukken niet konden worden gelegaliseerd, omdat zij ondertekend waren door de vice-consul. Het ministerie kan alleen van de consul zelf controleren of de handtekening echt is, en niet van anderen. Daarom kon legalisatie niet plaatsvinden. Zuchtend ging de heer T. terug naar het consulaat om terug te komen met de handtekening van de consul. Wij stuurden de papieren weer op (opnieuw aangetekend). Toen gebeurde er niets. Na twee maanden belden wij maar eens. Zouden wij mogen weten wat er met de papieren is gebeurd? 'Meneer, dat weten wij niet, wij sturen papieren die gelegaliseerd moeten worden meteen terug.' Maar hebt u dan geen registratiesysteem? 'Meneer, doet u nou niet zo moeilijk, u kunt het beste de papieren nogmaals insturen, dan krijgt u ze zo snel mogelijk terug.' Dat hebben wij gedaan, maar we zijn nu medio juni 1995 en we hebben nog geen antwoord ontvangen. Als het al lukt de gelegaliseerde papieren terug te krijgen, moeten we vervolgens met alle eventueel vertaalde stukken naar de gemeente. Daar volgt dan een gesprek. Waarover? Dat is ons nog niet duidelijk. Wel constateren we, dat door alle bureaucratische rompslomp het zeer moeilijk is geworden genaturaliseerd te worden tot Nederlander, ook al zijn in principe de voorwaarden die in het begin werden genoemd nog steeds van kracht.
Ook Nederlanders die in het buitenland geboren zijn ondervinden dergelijke moeilijkheden. Wanneer ze bijvoorbeeld weer in Nederland wonen en willen trouwen, alles goed gepland hebben, de trouwdag vastgesteld is, krijgt menigeen het bericht dat het huwelijk helaas voorlopig niet kan doorgaan, omdat de originele geboorteakte uit het land van herkomst moet worden overlegd. Vooral bij landen, waar geen geordende bevolkingsadministratie bestaat, is dit onmogelijk. En het duurt altijd erg lang voor alles in kannen en kruiken is. Bestanden worden gekoppeld, ze weten alles van je, maar toch wordt het steeds moeilijker om te bewijzen dat je bent wie je bent. Hoe kan dat?

Piet van der Lende

zaterdag 10 juni 1995

Uitkeringsgerechtigden - wie niet werkt, zal niet eten. Melkert en de 'derde sektor'

Solidariteit nr. 67, juni 1995, Melkert en de 'derde sektor' 1/2
http://www.solidariteit.nl/nummers/67/inhoud.html

De winsten stijgen, de ekonomie groeit, maar de werkloosheid blijft toenemen.
Minister Melkert wil als oplossing voor de werkloosheid een soort 'derde sektor' kreëren - naast de markt- enpublieke sektor - waarin langdurig kansen meer hebben op de reguliere arbeidsmarkt. De manier waarop deze derde sektor wordt gefinancierd, betekent een verdere afbraak van de sociale zekerheid en heeft verdringing van bestaande, betaalde arbeid tot gevolg.

ER ZIJN IN NEDERLAND ongeveer 1,2 miljoen mensen die betaald werk zoeken. Daarvan hebben ongeveer 800.000 een werkloosheidsuitkering (RWW, WW of een wachtgeldregeling). Onder die
werklozen doet zich een ontwikkeling voor die kan worden geï llustreerd aan de situatie in Amsterdam. Het aantal bi jstandsgerechtigden is in Amsterdam de afgelopen vijf jaar gelijk gebleven. Het zijn er ongeveer
70.000, onder wie 40.000 RWW-ers. Het aantal RWW-ers is gedaald, terwijl het aantal ABW-ers zonder sollicitatieplicht is toegenomen. Overigens staat tegenover de daling van het aantal RWW-ers een stijging
van het aantal WW-ers. Welke konklusie kan uit deze gegevens worden getrokken?

Wegzakken in de armoede

De bijstand is steeds meer een laatste toevlucht voor uitkeringsgerechtigden die ook bij toenemende werkgelegenheid aangewezen zullen blijven op de bijstand. Te denken valt aan oudere migranten met
onvolledige AOW-rechten, oudere kleine zelfstandigen die het niet volhouden tegen Dirk van den Broek, arbeidsongeschikte alleenstaanden die hun WAO zijn kwijtgeraakt, langdurig werklozen die door leeftijd
en andere oorzaken niet kunnen voldoen aan de eisen van de werkgevers. Een recent rapport van het Komitee Amsterdam Tegen Verarming toont aan dat uitkeringsgerechtigden en werkenden met een minimuminkomenlangzaam maar zeker verder wegzakken in de armoede. Niet alleen zijn de uitkeringen
te laag, ook allerlei voorzieningen en hulpverleningsinstellingen verdwi jnen of zitten tot over hun oren in het werk, zodat er lange wachtli jsten bestaan. Het aantal mensen met schulden neemt toe en zij kunnen niet meer worden geholpen.
Hulpverleningskanalen slibben dicht. Een apart vraagstuk is daarbij de toegankelijkheid van de Sociale Dienst. Deze instelling is telefonies moeili jk bereikbaar, er heerst een organisatoriese chaos, er worden veel
fouten gemaakt, en alleen mensen met mediese problemen of grote schulden komen nog in aanmerking voor 'bijzondere bijstand'.

Tussensektor

Ekonomies gezien gaat het op dit moment goed. De winsten stijgen, de hele ekonomie groeit, ook de export. Maar de werkloosheid blijft onveranderlijk hoog. De kranten staan vol met verhalen over wat we aanmoeten
met deze 'baanloze groei' en met de uitkeringsgerechtigden die hoe dan ook nooit meer zullen werken. Minister Melkert wil het volgende.
In de eerste plaats meer additionele arbeid, dus 'Melkert-banen', banenpools, Jeugdwerkgarantieplan,
WSW, dienstencheques enzovoort. Van die Melkert-banen worden er voor lopig 40.000 gemaakt. Daarnaast krijgen gemeenten de gelegenheid verder met de inzet van uitkeringsgelden te experimenteren. En tenslotte wil Melkert het werken met behoud van uitkering, het zogenaamde verplichte vrijwilligerswerk. De
Minister heeft grootse plannen met deze drie speerpunten van zijn beleid. Hij gaat ervan uit dat er in de toekomst drie arbeidsmarkten zullen zijn. Eén voor de publieke sektor, één in de marktsektor en een soor t
tussensektor, waar langdurig werklozen en andere kanslozen in te werk worden gesteld.
Hij ziet deze derde arbeidsmarkt als een aanvulling op de andere twee. De derde sektor zal volgens hem in de toekomst fors worden uitgebreid en zal ook op langere termijn blijven bestaan. Melkert zegt: 'We
hebben de lonen gematigd, de overheidsuitgaven verminderd en de loonkosten voor de werkgevers verlaagd, maar we moeten erkennen dat de markt toch onvoldoende in staat is voldoende werk te kreëren.' Daarom die derde arbeidsmarkt. Er kan arbeid in worden verricht die gedeeltelijk wel geld opbrengt, maar op deze arbeidsmarkt is de prijs van de arbeid te hoog om zichzelf geheel terug te verdienen. Daarom is ook op de langere termijn subsidiëring van banen in deze sektor, onder andere door de inzet van uitkeringsgelden, noodzakeli jk.

Bezuinigingen

Hoe wordt deze derde sektor gefinancierd? Er staan, na de afbraak van de WAO, nieuwe forse bezuinigingen op stapel. Op de bijstand: 580 mi ljoen, op de arbeidsbemiddeling 200 miljoen. Wat de arbeidsbemiddeling betreft, wordt dus geld weggehaald bij bemiddeling naar de reguliere arbeidsmarkt.
Dat wordt ingezet voor de derde sektor. Verder wordt geld weggehaald bij mensen die nooit meer zullen werken. Wat de bijstand betreft, is een ontwikkeling te zien van verruiming van de beleidsvrijheid van de
gemeenten. Zij mogen toeslagen gaan geven op een basisuitkering van 50 procent. Alleen samenwonenden en 'echte' alleenstaanden krijgen een toeslag. Dit betekent dat om de bezuinigingen te halen, 40 procent van de bijstandsgerechtigden met een verlaging van de uitkering te maken krijgt die varieert van 10 tot 20 procent. In Amsterdam bijvoorbeeld zullen alle bewoners van gelegaliseerde kraakpanden die juridiese konstrukties hebben bedacht om aangemerkt te worden als alleenstaande met 70 procent van het
minimumloon, teruggezet worden naar 50 procent van het minimumloon.
Het is duidelijk wat de gevolgen zullen zijn van dit beleid. Nu is het aantal banen in de derde sektor nog beperkt, maar in de toekomst, wanneer volgens de plannen deze sektor zal worden uitgebreid, zal op de één
of andere manier steeds meer arbeid uit de publieke en marktsektor worden weggezogen. In deze derde sektor worden migranten, oudere bijstandsvrouwen, gedeeltelijk arbeidsongeschikten en anderen te werk gesteld. Dit in ruil voor de bijstandsuitkering of een minimaal loon, zonder goede sekundaire arbeidsvoorwaarden en zonder dat er voor hen hoop is op doorstroming naar de reguliere arbeidsmarkt. En het Rijk kan niet meer op dit beleid worden aangesproken, want het zijn de gemeenten die een grote beleidsvrijheid krijgen om wel of geen toeslagen te geven in het kader van de bijstandswet, regels te stellen voor werken met behoud van uitkering enzovoort.
De VNG, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, heeft altijd op deze beleidsvrijheid aangedrongen. Vele gemeentelijke bestuurders staan al te trappelen om de wegbezuinigde buurtwerkers, buurtkonciërges,
kondukteurs en andere overheidsfunktionarissen weer terug te halen, maar nu op basis van de uitgangspunten van de derde sektor.

Afschaffing sollicitatieplicht

Wat moet er gebeuren? Het li jkt me dat de vakbonden, sterker dan tot nu toe, op landeli jk nivo moeten eisen dat er grenzen worden gesteld aan de grootte van deze derde sektor. Daarnaast moet er worden geëist dat de 'additionele arbeid' niet leidt tot verdringing van bestaande, betaalde arbeid. En ten slotte kunnen de
vakbonden zich ervoor inzetten dat de banen in de derde sektor omgezet worden in echte banen. Dit zal echter vooral moeten gebeuren door het organiseren van mensen die in de deze sektor werkzaam zijn. De tram kondukteurs in Amsterdam hebben al laten zien wat op dit punt de mogeli jkheden zijn.
Dit blijven echter defensieve eisen. Naast arbeidstijdverkorting met behoud van loon zijn de direkte belangen van de (langdurige) werklozen minstens even belangrijk. Zij mogen niet gedwongen worden baantjes te aksepteren in de derde sektor die ze niet willen. Daarom en dat is overigens ook het officiële standpunt van de FNV, zal er moeten worden uitgegaan van wat de werkloze zelf wil. Hij/zij moet een bepaalde keuzevrijheid hebben bij het kiezen van het werk dat hij/zi j wil doen. Daar hoort geen dwang bij op basis van sankties.
De Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam (WBVA) gaat nog een stap verder. Wij willen voorzieningen en afschaffing van de sollicitatieplicht voor deze groep, zoals in het verleden de 'projekten mensen zonder werk'.
Wanneer de vakbonden hun doelstelling willen waarmaken, namelijk dat ze zowel voor de werkenden als de uitkeringsgerechtigden willen opkomen, zullen ze zich feller moeten verzetten tegen de steeds strakkere
koppeling van inkomen aan werk.

Werken voor uitkering

Door deze koppeling doet zich bij de kreatie van de derde sektor een ontwikkeling voor die een nieuwe stap is op weg naar afbraak van de sociale zekerheid. Oorspronkelijk was de bijstand bedoeld voor diegenen die niet via betaalde arbeid in hun inkomen konden voorzien. Nu is er een eis bij gekomen, namelijk datje in ruil voor je uitkering arbeid in de derde sektor moet verrichten. Dan pas heb je recht op een inkomen. De mensen die nog kunnen werken, krijgen een toeslag, zodat ze uitkomen op een ui tkering die geli jk is aan het huidige minimum. Een gedeelte van degenen die niet kunnen werken, krijgt niets, dat wil zeggen uitsluitend de uitgeklede bijstandsuitkering. Hoe de rijksoverheid additionele arbeid financiert, heb ik hiervoor al genoemd. Ook in Amsterdam zie je dat de bijzondere bijstand en andere gemeentelijke middelen, die ook bedoeld zijn voor groepen die niet kunnen werken, in toenemende mate worden ingezet om werk in de derde sektor te
scheppen. De gemeente trekt voor dit beleid 100 miljoen ui t in de komende vier jaar.
Voor het 'minimabeleid' dat ook ten goede komt aan groepen die niet meer hoeven of kunnen werken, wordt geen geld uitgetrokken. Sterker nog, potjes die ook voor deze groepen bestemd zijn, worden steeds meer gebruikt voor het werkgelegenheidsbeleid. De gedachte dat je pas een uitkering krijgt als je er arbeid voor verricht, doet in het kader van het bezuinigingsbeleid het aloude adagium weer een stukje dichterbij komen: wie niet werkt, en dus niet nuttig is voor het kapitalisme, zal ook niet eten.

Piet van der Lende
(WBVA)