vrijdag 20 oktober 1995

Van Migratie naar Burgerschap

Tekst uit Ineke van der Valk - Van Migratie naar Burgerschap
Twintig jaar Komitee Marokkaanse Arbeiders in Nederland ( KMAN )
maart 1996 ISBN 9064733163

De strijd van illegale migranten

Halverwege de jaren zestig, toen er een groot tekort was aan
arbeidskrachten, begon de georganiseerde werving van de eerste
generatie Marokkaanse mannen op gang te komen. Er werden
wervingsbureau's geopend in Marokko en de marokkanen die
werden goedgekeurd werden tewerk gesteld in de traditionele
industrietakken, zoals de scheepsbouw, de textielindustrie en
de metaalindustrie. Daarnaast was er sprake van een spontane
migratie. Marokkanen gingen op eigen gelegenheid naar Neder-
land en vonden werk. In de jaren zeventig begon de afbraak van
bovengenoemde industrien. Fabrieken werden op grote schaal
gesloten. In eerste instantie probeerde de overheid het tij te
keren door gerichte verlening van subsidies, maar tevergeefs.
Bij de parlementaire enquete over het Rijn-Schelde Verolme-
concern bleek, dat er bij verliesgevende industriele bedrijven
vaak sprake was van een bodemloze put, waarbij de subsidies
van de Nederlandse overheid werden doorgesluisd naar buiten-
landse vestigingen, die nog wel rendabel waren. Bedrijven in
de industriele sector, die de concurrentie niet konden volhou-
den werden door de overheid niet meer met subsidies gesteund.

massawerkloosheid

De werkloosheid begon aan het einde van de jaren zeventig op
te lopen. in 1980 waren er bijvoorbeeld in Amsterdam, waar de
meeste Marokkanen woonden, bij het Gewestelijk Arbeidsbureau
15.000 werklozen geregistreerd. Na 1980 steeg de werkloosheid
explosief; de cijfers over januari 1982 gaven een verdubbeling
van het aantal uit 1980 te zien. De cijfers gaven verder aan,
dat het bij deze explosieve toename vooral ging om oudere
werknemers, die jarenlang bij dezelfde baas gewerkt hadden in
traditionele industriele bedrijven. Buitenlandse arbeiders,
die veelal in deze industrien werkzaam waren, werden onevenre-
dig zwaar door werkloosheid getroffen. In 1982 hoorde 25% van
het totaal aantal werklozen in Amsterdam tot deze categorie.
Ook landelijk steeg de werkloosheid; eind 1981 werd het half
miljoen werklozen bereikt.

nieuwe werkgelegenheid

Naast de afbraak van de traditionele industrien waren er
echter ook groeisectoren in de ekonomie, met name in wat wel
de dienstensector wordt genoemd. Veel jongere Marokkanen
vonden werk in de horeca, de schoonmaak en bij groothandelsbe-
drijven in de havens. Zij bleven vaak zware arbeid verrichten,
bijvoorbeeld bij de overslag van vaten wijn of balen textiel.
Daarnaast was ook de tuinbouw een groeisector.
Met de komst van de nieuwe groeisectoren in de ekonomie deed
de flexibilisering van de arbeid haar intrede. De produktie in
de dienstverlende sector werd vaak gekenmerkt door piekproduk-
tie; het ene moment was er veel werk, het andere moment vrij-
wel niet. Werkgevers probeerden hun personeelsbeleid hierop
aan te passen. Terwijl in de traditionele industrietakken de
buitenlandse arbeiders vaak jarenlang dezelfde arbeid ver-
richtten in dezelfde fabriek op basis van regelmatige werktij-
den, wel of niet in ploegendienst, was er in de nieuwe dien-
stensector vaak sprake van kortlopende kontrakten, en onregel-
matige werktijden. In de nieuwe dienstensector deed ook het
fenomeen van de uitbesteding haar intrede; grote bedrijven
gingen delen van hun produktie tijdelijk uitbesteden aan vaak
kleinere dienstverleningsbedrijven, die in een moordende
concurrentiestrijd waren verwikkeld, en waar de winstmarges
vaak smal waren. Dergelijke bedrijven gingen nogal eens op de
fles. Veel Marokkanen waren voor hun levensonderhoud op arbeid
in dergelijke bedrijven aangewezen.
Velen van hen wisselenden vaak van bedrijf, waarbij ze soms
ook geudrende kortere of langere perioden werkloos waren.
Daarnaast bleef de spontsane migratie vanuit Marokko gewoon
doorgaan, en kwam ook de gezinshereniging op gang.
Vele "illegalen' zochten en vonden werk in de nieuwe groeisec-
toren van de ekonomie.

De WABW

Terwijl veel industriele bedrijven in de tweede helft van de
jaren zeventig hun deuren sloten en de werknemers op straat
werden gezet, bezon de overheid zich op maatregelen om de nog
steeds voortgaande migratie te reguleren. Dit leidde tot het
voorstel van de Wet Arbeid Buitenlandse Werknemers. (W.A.B.W.)
De overheid wilde aan de ene kant in een tijd van oplopende
werkloosheid de migratie naar Nederland blokkeren. Aan de
andere kant was er echter de opkomst van nieuwe groeisectoren
in de dienstensector, waarvoor nieuwe arbeidskrachten nodig
waren. In arbeidsmarktermen gesproken ontstond daarbij het
probleem van onvervulbare vacatures in een tijd van struktu-
rele werkloosheid; vraag en aanbod waren op de arbeidsmarkt
niet op elkaar afgestemd. Of om het in andere termen te zeg-
gen: de vaak wat oudere nederlandse en buitenlandse werkne-
mers, die hun gezondheid hadden opgeofferd bij het zware werk
in de industrie en die nu ekonomisch gezien in die industrien
niet meer nodig waren, waren niet geschikt om asperges te
steken in de groeisector van de tuinbouw. De arbeidsvoorwaar-
den en-omstandigheden in de nieuwe dienstensector waren vaak
slecht. Spontane migranten waren gedwongen, deze arbeid te
verrichten. Nederlandse werklozen konden en/of wilden dat niet
en terecht. Bij de nog te bespreken akties tegen de W.A.B.W.
werd dit probleem gesignaleerd. Voorkomen moest worden, dat
'illegalen' en legale werklozen tegen elkaar werden uitge-
speeld. Verbetering van arbeidsomstandigheden was het doel
van beide groepen. Legalisering van 'illegalen' en de eis:
'geen verruiming van het begrip passende arbeid werden tijdens
de akties nadrukkelijk met elkaar verbonden.
Verder geloofden de bestuurders begin jaren tachtig nog heilig
in de doelstelling van volledige werkgelegenheid. Er moest
rekening mee worden gehouden, dat er over de gehele linie weer
een struktureel tekort aan arbeidskrachten zou gaan ontstaan,
zoals dat in de jaren zestig het geval was geweest.
In de WABW werd naar een oplossing gezocht door de invoering
van een tewerkstellingsvergunning, die pas aan een werkgever
zou worden verleend, wanneer hij kon aantonen, dat er op de
nederlandse arbeidsmarkt geen arbeidskrachten meer te vinden
waren. Daarbij werd een discriminerende rangorde aangebracht
in de rechten van de werknemers. Eerst werd gekeken of er
nederlanders en legale buitenlanders in Nederland waren,
daarna kwamen onderdanen van EEG-landen aan de beurt en daarna
pas arbeidskrachten van buiten de EEG. De rechten van werkne-
mers werden verder beperkt door de koppeling van een tewerk-
stellingsvergunning aan een bepaalde periode en een bepaalde
arbeidsplaats. Wanneer een arbeider niet meer nodig was moest
hij het land uitgezet kunnen worden.
Op deze wijze werden de op zichzelf nauwelijks door de over-
heid te beinvloeden conjunkturele en strukturele ontwikkelin-
gen in de ekonomie en de daaruit voortvloeiende situatie op de
arbeidsmarkt gekoppeld gekoppeld aan het wervingsbeleid.
De "illegalen" moesten illegaal blijven en grotendeels het
land worden uitgezet, en de nederlandse en legaal in Nederland
verblijvende werklozen moesten worden gedwongen hun arbeid
over te nemen, zonder dat de arbeidsvoorwaarden in de nieuwe
groeisectoren hoefden te verbeteren, want dat zou de ekonomi-
sche ontwikkeling maar belemmeren. De rechtspositie van neder-
landse en buitenlandse werkenden en werklozen werd onderge-
schikt gemaakt aan de ekonomische ontwikkeling. Eind jaren
zeventig en begin jaren tachtig hebben vakbonden en nieuwe
sociale bewegingen fel strijd geleverd tegen deze ontwikke-
ling.
Een van die strijdpunten was de WABW. De reakties op dit
wetsvoorstel waren bijna uitsluitend negatief. Ieder vanuit
eigen motieven wezen zowel de werkgeversorganisaties als de
vakbeweging, de Raad van Kerken en diverse maatschappelijke en
migrantenorganisaties de WABW af.

omslag

De periode 1979-1982 kan achteraf worden gekenschetst als een
periode waarin er in meerdere opzichten sprake was van een
omslag. Niet alleen wat betreft de ekonomische ontwikkelingen
en het overheidsbeleid, maar ook waar het gaat om de opstel-
ling en de ontwikkeling van sociale bewegingen. De vakbonden
wijzigden hun beleid. Terwijl bijvoorbeeld de Industriebond
FNV in het begin van de jaren zeventig nota's produceerde als
"breien met een rode draad, waarin gepleit werd voor arbeids-
erszelfbestuur, waren er ook bedrijfsbezettingen, om sluiting
tegen te gaan en eiste men een verregaand overheidsingrijpen
in de ekonomie. Aan het eind van de jaren zeventig wijzigde
men het beleid. Men probeerde nog slechts een sociaal plan af
te spreken om de afvloeiing van overtollige werknemers enig-
zins te reguleren. Daarnaast was er in deze tijd van oplopende
werkloosheid en aantallen WAO-ers de opkomst van kategorale
belangenorganisaties van uitkeringsgerechtigden, zoals werklo-
zencomitees, Komitees Vrouwen en de Bijstand waarvan de eerste
komitees in 1979 werden opgericht en WAO-komitees zoals het
Komitee Marokkaanse WAO-slachtoffers, dat ook in 1979 werd
opgericht.

zondag 15 oktober 1995

De papierwinkel van mensen die niet kunnen lezen en schrijven

Ook verschenen in het nummer van november 1995 van het Maandblad MUG, Maandblad voor uitkeringsgerechtigden in Amsterdam in de rubriek 'De gang van zaken'. 

De papierwinkel van mensen die niet lezen en schrijven kunnen

Bij contacten met allerlei instanties moet de burger vaak verschillende bewijzen overleggen en ook veel formulieren invullen. De instanties handelen bepaalde zaken vaak schriftelijk af. Beschikkingen worden altijd toegestuurd aan de betrokkene. Voor mensen die kunnen lezen en schrijven is dit geen probleem, hoewel de taal waarin al die ambtelijke stukken gesteld zijn, soms lastig te volgen is. Moeilijker wordt het echter voor mensen die niet kunnen lezen en schrijven. Dat zijn er in ons land nog heel wat. Niet alleen sommige oudere migranten uit bijvoorbeeld Marokko zijn die kunst niet machtig, door het gebrekkige onderwijssysteem aldaar, ook sommige Nederlanders zijn analfabeet. Soms schamen deze mensen zich daar een beetje voor en bedenken ze allerlei smoezen om het te verbergen. De papierwinkel van diverse bureaucratische instanties is voor hen een ware puzzel. Dit geldt overigens ook voor veel mensen die wel kunnen lezen en schrijven. Formulieren zijn soms zo ingewikkeld, of vragen zijn op zoveel verschillende manieren uit te leggen, dat men zich genoodzaakt ziet op een sociaal-juridisch spreekuur het betreffende formulier te laten invullen.
Ook het spreekuur van de Bijstandsbond wordt regelmatig bezocht door mensen die niet of nauwelijks kunnen lezen en schrijven. Eén van hen, meneer T., komt bijna iedere week. Hij neemt dan alle brieven mee die hij in de bus gevonden heeft en vraagt mij de brieven voor te lezen. Driekwart is reclame, dus dat kan, na enig overleg over enkele voordelige aanbiedingen, meteen in de prullenmand. Blijven over de papieren die wel belangrijk zijn. De betrokken persoon heeft daarvoor een geheel eigen administratiesysteem ontwikkeld. Hij heeft ongeveer tien grote enveloppen waar het logo van een bepaalde instantie op staat. Bovendien heb ik met grote blokletters een woord op iedere envelop geschreven. Zo is er een envelop voor school, voor huursubsidie, voor WAO-GAK, voor belasting, etcetera. Aan de hand van het logo in het briefhoofd kunnen wij zien in welke envelop een bepaalde brief thuishoort. De giro-afschriften worden in een apart mapje bewaard. Meneer T. heeft een zeer goed geheugen, wanneer ik een brief heb voorgelezen vergeet hij de inhoud niet snel weer. Meneer T. weet vrij goed welke brieven in welke envelop zitten en wat de inhoud is. Betalingen worden verricht middels automatische overschrijvingen of voorgedrukte acceptgiro's waarop alleen een handtekening gezet hoeft te worden. Zo houdt hij overzicht over zijn eigen financiële situatie. Om zo te kunnen werken moet je als spreekuurmedewerker wel een vertrouwensrelatie met de betrokkene hebben opgebouwd. Hij moet erop kunnen vertrouwen dat de zaken, die in verschillende brieven staan genoemd, zijn zoals je ze vertelt. Maar het blijft een griezelige zaak, want de mensen zijn erg afhankelijk van je en je kunt als spreekuurmedewerker fouten maken. Veel mensen die slecht kunnen lezen en schrijven ontwikkelen dan ook methoden om de zaken zelf in de hand te houden en de hulpverlener te controleren. En geef ze eens ongelijk. Wanneer een spreekuurmedewerker of een advocaat een zaak niet naar tevredenheid heeft afgehandeld, gaat men vaak naar een andere hulpverlener. Deze krijgt dan precies dezelfde vraag voorgelegd als zijn voorganger, zonder dat wordt vermeld dat iemand er al mee bezig is of dat iemand anders al gebeld heeft. En dan maar kijken of die tweede of derde spreekuurmedewerker dezelfde antwoorden geeft en dezelfde dingen doet als de vorige. Zo weet je dan zeker dat je optimaal van je rechten gebruikmaakt.
Ten slotte, hiervoor werd duidelijk dat het logo of beeldmerk van een organisatie of instantie voor veel mensen die minder goed kunnen lezen en schrijven een herkenbaar punt is. In het verleden werden daarom de trams in de stad naast het lijnnumer voorzien van een beeldmerk, zodat ook analfabeten konden zien welke lijn het was. Veel trams in de stad hebben naast het lijnnumer nog steeds zo'n beeldmerk. Gelukkig hebben de meeste officiële instanties ook een eigen logo laten ontwerpen, dat telkens in het briefhoofd terugkeert. Ik vind, dat in een goed logo iets van het specifiek eigene van de organisatie terug te vinden moet zijn. Niet zomaar een of ander leuk tekeningetje. Stadsdeel de Baarsjes heeft een mooi logo. Als basis zijn de drie Andreaskruizen van de stad Amsterdam gebruikt; langs de lijnen van deze kruizen zijn bepaalde lijnen zodanig anders getekend, dat er twee vissen ontstaan die verwijzen naar de naam van het stadsdeel. De sociale dienst heeft sinds enige tijd een nieuw logo, maar ik vind het geen verbetering. Het is een beetje een vage vlek met de contouren van een wit kruis erin, dat je niet associeert met het eigene van de sociale dienst, namelijk een inkomen verstrekken en hulp bieden aan mensen aan de onderkant van de financiële ladder. Of heeft het vage logo de bedoeling uit te drukken dat de dienst soms vaag en ongrijpbaar is voor de cliënten?

Piet van der Lende

vrijdag 13 oktober 1995

Grote bedrijven in Amsterdam en de arbeidsbemiddeling

Grote bedrijven besteden werk uit aan commerciële uitzendbureau’s en werken nauwelijks samen met het arbeidsbureau. Bij het AMC hebben zo verschillende uitzendbureau’s zelfs een vestiging in het gebouw. De strategie is, mensen niet meer in vaste dienst te nemen maar enkel met een tijdelijk contract. Het is echter duidelijk, dat de mensen liever vastigheid hebben en langer bij dezelfde baas willen werken. Ik vind, dat als bedrijven zich vestigen op industrieterreinen die door de gemeente zijn aangelegd, de gemeente eisen kan stellen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en personeelsbeleid.

Zo wil de gemeente Amsterdam vier miljard investeren in het Noordzeekanaal gebied, waaronder in een sluis bij IJmuiden, die 900 miljoen gaat kosten. Enige jaren geleden werd gezegd dat deze investeringen de komende vijftien jaar 40.000 arbeidsplaatsen zullen opleveren in het Noordzeekanaal gebied. Er zijn rapporten van Coopers en Lijbrant over geschreven die in totaal wel drie kilometer dik zijn. Maar wat is de werkelijkheid ? Nu, vier of vijf jaar later wordt gepraat over 10 tot 27.000 arbeidsplaatsen. En het projektbureau spreekt over nog minder; wethouder Peer heeft een getal van enkele honderden gerealiseerde banen genoemd, en dit betrof enkel een verschuiving binnen de regio.

Er is een tendens, dat werkgevers hun bedrijf van de ene plaats naar de andere verhuizen, omdat ze daar veel subsidie kunnen pakken. Terwijl in de Amsterdamse haven het werk wordt gedaan door kansarmen, die verstrikt raken in de netten van uitzendbureau’s en koppelbazen.

Bij de opstelling van investeringsplannen blijft volstrekt buiten beeld, wat voor werk het is. Men denkt: we investeren als overheid in industrieterreinen en geven de nieuwe werkgever allerlei faciliteiten en subsidies, en dan zoekt hij verder zijn mensen maar. Laten die nieuwe bedrijven, vind ik, eerst maar aangeven om hoeveel mensen en wat voor functies het straks zal gaan. De gemeente zou op dit gebied eisen kunnen stellen!

Het gaat er niet zozeer om, dat Amsterdammers in dienst moeten worden genomen, maar wel dat een koppeling wordt gelegd met de kaartenbakken van het Arbeidsburereau. Zoals het nu gaat, heeft als gevolg, dat veel mensen van hot naar her reizen, en daardoor vaak zeer ongunstige werktijden hebben. Je krijgt nu de situatie, dat het arbeidsbureau in Groningen mensen gaat dwingen om in Amsterdam te gaan werken. De Amsterdamse overheid is tot concurrentie gedwongen met andere stedelijke regio’s, waarbij ze door de bedrijven tegen elkaar worden uitgespeeld. Tot op zekere hoogte zal Amsterdam zeggen, dat ze gedwongen is mee te gaan in die rat-race. Je kunt aan die selectie van personeelsleden niet veel doen. Maar als je als overheid investeert, moet je ook investeren in de controle, of er na zoveel jaar ook zoveel mensen werken. Je zou een norm moeten ontwikkelen, die vastgelegd zou kunnen worden in een sociaal convenant tussen de overheid en het bedrijf dat zich in Amsterdam vestigt.

Het gaat hierbij dus om de vraag: moet je de mensen naar het werk brengen of het werk naar de mensen?

donderdag 12 oktober 1995

Professor de Rooy en de tentoonstelling de Rode Droom

Commentaar bij De tentoonstelling De Rode Droom, tot en met 26 november 1995 in de Nieuwe Kerk en op de begeleidende bundel De Rode Droom, uitg. Sun, Nijmegen: 24,50 gulden.

 In de gids die bij de tentoonstelling werd uitgegeven schreef professor de Rooy een essay over de geschiedenis van de soci­aal-demokratie. De professor, die toch een prachtige studie heeft geschreven over werkloosheid en werklozen organisaties in de dertiger jaren, stort bij de eerste de beste zinnen al in het ravijn van de nietszeggende nonsens. "Sociaal-demokra­ten worden van nature, zo lijkt het wel, heen en weer geslin­gerd tussen twijfel en tevredenheid. De trots over het bereik­te valt voortdurend samen met het besef van het onvolmaakte. Dat is al heel lang zo: het was nooit eenvoudig om sociaal-demokraat te zijn".

Trots over het bereikte dat samenvalt met het besef van het onvolmaakte lijkt me ook wel iets voor christen-demokraten, gezien hun trots op de verworvenheden van het christendom en hun opvattingen over de zondige mens. En zouden sommige atheistische liberalen op z'n tijd ook niet heen en weer geslingerd worden tussen twijfel en tevreden­heid?. Dat is al heel lang zo: het was nooit eenvoudig om christendemokraat of liberaal te zijn. In de eerste bladzijden van de Rooy's essay wordt een sociaal-demokraat ten tonele gevoerd, die op dezelfde dag getuige was van de legendarische begrafenis van Domela Nieuwenhuis en van een feest van de A.N.D.B. Hoe beschrijft de Rooy de tegenstel­ling?. De sociaal-demokraat ervaart de beide gebeurtenissen op dezelfde dag als een tegenstelling, waarmee hij erg worstelt, maar wat nu eigenlijk de achtergronden van die worsteling zijn blijft volstrekt duister.

 PvdL

woensdag 11 oktober 1995

Teksten van de tentoonstelling 20 jaar Komitee Marokkaanse Arbeiders in Nederland (KMAN) oktober 1995



uitkeringsgerechtigden

Het K.M.A.N. heeft de afgelopen twintig jaar verschillende
acties gevoerd om de rechtspositie van buitenlandse arbeiders
met een uitkering te verbeteren. Enkele voorbeelden worden
hier getoond. In 1982 organiseerde het Platform voor democra-
tische organisaties van buitenlandse arbeiders samen met het
Bureau voor Rechtshulp en Nederlandse organisaties een tribu-
naal tegen de sociale dienst. Ook bezoekers van het K.M.A.N.
spreekuur brachten daarbij hun grieven naar voren. Naar aan-
leiding van de actie verscheen de brochure "Gemeentelijke
Sociale Dienst aangeklaagd".
Er zijn vele acties geweest op het gebied van de kinderbij-
slag. Zo was er een door het K.M.A.N. georganiseerde manifes-
tatie over dit onderwerp op 17 januari 1982. Daarnaast hebben
in samenwerking met andere organisaties vele demonstraties
plaatsgevonden. Hiernaast worden een pamflet en enkele foto's
van acties getoond.
Halverwege de jaren tachtig kwam de discussie over remigratie-
regelingen op gang. Het K.M.A.N. stelde dat remigratie in het
belang kon zijn van de Marokkaanse gemeenschap, mits het ging
om een vrije keuze van de migrant tussen terugkeren of in
Nederland blijven en mits de nederlandse overheid goede rege-
lingen maakte, die de terugkeerders een bestaan in Marokko
garandeerden.

Amicale

De Amicale (letterlijk: vriendenkring) is in 1974 in Nederland
opgericht door de Marokkaanse regering. Zij werd daarom wel de
'lange arm van koning Hassan' genoemd. Op die manier probeerde
het regime Marokkanen, die in het buitenland verbleven onder
controle te houden en af te sluiten van de opvattingen over
democratie en vrijheid, die openlijk in west-Europa konden
worden verkondigd. Tevens probeerde de Marokkaanse overheid zo
te voorkomen, dat in west-Europa een georganiseerde oppositie
zou gaan ontstaan tegen de regering. Intimidatie en geweld
werden in principe door de Amicale niet geschuwd, maar zij
probeerde zich tegelijkertijd te presenteren als een democra-
tische, onschuldige vereniging van Marokkanen in West-Europa.
Het belangrijkste intimidatie-wapen van de Amicale was het
verzamelen van gegevens, die werden doorgegeven aan de over-
heid in Marokko. De mensen waren dan ook niet zozeer bang voor
de Amicale in Nederland, maar, wanneer men niet meewerkte,
voor de gevolgen als ze terugkeerden naar Marokko.
Tegen de Amicale zijn in ons land vele acties gevoerd. Daarvan
worden hier enkele pamfletten getoond, nl van een actie in
Amsterdam Oud-West en van een actie in Eindhoven. Linksonder
zijn foto's te zien van een actie tegen een kantoor van de
Amicale in Amsterdam in de Hugo de Groot buurt. Rechtsonder
een foto van een door de Amicale georganiseerde actie tegen
een bijeenkomst van het Polisario-comit‚ in Paradiso.
Daaronder enkele foto's van een actie bij het congresgebouw in
Rotterdam op 23-10-1977.

arbeidsvoorwaarden

Ook bij conflicten of meningsverschillen in bedrijven werd
door het K.M.A.N. getracht een collectief spreekuur op te
zetten, vooral in de periode 1981-1987. In de nieuwe diensten-
sector was vaak geen sprake van een C.A.O. De nederlandse
vakbonden hadden geen greep op de arbeidsvoorwaarden in de ze
sector. Veel Marokkanen kwamen op het spreekuur om hun grieven
tegen een werkgever naar voren te brengen en het K.M.A.N te
vragen mee te werken aan een oplossing. Problemen waren er
rond tijdelijke arbeidscontracten, grote werkdruk, onregelma-
tige werktijden en conflicten met ploegbazen. Ook was er nogal
eens sprake van problemen tussen buitenlandse werknemers en de
ondernemingsraad in een bedrijf. Dit was oa het geval bij de
LinMij, waar medewerkers van het K.M.A.N. bij hebben bemid-
deld.
Vanuit het spreekuur werden in samenwerking met vakbonden,
Bureaus voor Rechtshulp en anderen diverse projecten opgezet
waarbij onderzoek werd gedaan naar de arbeidsomstandigheden in
bepaalde bedrijven, juridische mogelijkheden werden onderzocht
om de situatie te verbeteren en om te bewerkstelligen, dat de
nederlandse vakbonden meer voor de werknemers in marginale
sectoren van de economie zouden doen. Enkele voorbeelden van
dergelijke projecten worden hier getoond, nl het project in de
schoonmaaksector 'De bezem erdoor' en het project in samenwer-
king met de horecabond FNV. Naar aanleiding van beide projec-
ten verschenen onderzoeksrapporten.

De acties tegen de W.A.B.W.

Op 1 november 1979 werd de Wet Arbeid Buitenlandse Werknemers
(W.A.B.W.) ingevoerd. Doelstelling van de wet was, de komst
van buitenlandse arbeiders naar Nederland te reguleren en in
tijden van grotere werkloosheid te minimaliseren of zelfs stop
te zetten. Voortaan moest een werkgever, die een buitenlandse
arbeider in dienst wilde nemen een tewerkstellingsvergunning
aanvragen. Deze vergunning werd alleen verstrekt, als op de
Nederlandse arbeidsmarkt geen Nederlandse of legale buiten-
landse arbeidskrachten meer te vinden waren. In de praktijk
betekende dit in een tijd van oplopende werkloosheid, dat
nauwelijks nog vergunningen werden verstrekt. De 'illegaal' in
ons land verblijvende buitenlandse arbeiders, die vaak al
jarenlang in Nederland hadden gewerkt, werden door de wet
grotendeels uitgesloten van legalisatie. De overgangsregeling,
waar sommigen onder vielen bood dan ook maar gedeeltelijk
soelaas. Tegen deze wet is al tijdens de behandeling van het
wetsontwerp in 1976 actie gevoerd.(Zie bord met aankondiging
demonstratie op 8 mei 1977).
Nieuwe acties kwamen van de grond ten tijde van de invoering
van de nieuwe wet. Daarbij spraken vooral de acties in de
asylkerken en de "S.O.S. spreekuren" tot de verbeelding. Er
werd een actiecomit‚ opgericht, het L.A.K.W.A.B.W, dat de
acties moest coordineren. Er waren daarbij verschillende
plaatselijke comites. Op dit bord zijn een affiche en enkele
pamfletten van acties te zien.

vrijdag 15 september 1995

Formulieren. Te uitgebreide vragen formulier en te vergaande vragen over arbeidsongeschiktheid

Ook verschenen in de MUG, Maandblad voor uitkeringsgerechtigden in Amsterdam in het octobernummer 1995. In de rubriek 'De gang van zaken'. 

Formulieren

De laatste tijd brengen verschillende cliënten bij de Bijstandsbond naar voren, dat sommige formulieren van de sociale dienst verkeerd zijn opgezet. De kritiek richt zich vooral op een bepaald heronderzoeksformulier. Het gaat om een uitgebreid vragenformulier, dat zowel wordt gebruikt bij cliënten die voor het eerst een uitkering aanvragen, als bij cliënten die alleen voor een periodiek heronderzoek op het rayonkantoor moeten komen. Iemand die al een uitkering heeft, moet in dit geval een onnodig lange lijst met vragen doorwerken. Dat is meteen het eerste kritiekpunt.
Daarnaast moeten niet alleen de eigen gegevens worden ingevuld, maar ook die van de partner. Wanneer er een partner is, moet de opgeroepene niet alleen alle bewijzen van zichzelf meenemen, maar ook die van de ander, zoals paspoort, giro-afschriften, origineel bewijs van het sofinummer, enzovoort. En dat terwijl de oproep voor hercontrole op een bepaalde naam gesteld is en de ander niet officieel wordt opgeroepen. Dit leidt tot misverstanden. 'Waarom roept u mijn vriend niet zelf op? Waarom moet ik met zijn paspoort en giro-afschriften over straat gaan sjouwen? We hebben ieder ons eigen leven en ik ga niet zitten snuffelen in de privé-papieren van mijn partner.' De ambtenaren van de sociale dienst hebben meestal weinig begrip voor de afspraken tussen twee samenwonenden. 'Dan neemt u hem toch gewoon mee?'
Wanneer je ziek bent, moet op het heronderzoeksformulier de aard van de ziekte worden ingevuld en verder de naam van de behandelende arts en/of van de huisarts. Ook hier hebben veel cliënten bezwaar tegen. Zij vinden dat de sociale dienst hier niets mee te maken heeft. Je bent arbeidsongeschikt, punt uit. De procedure voor cliënten die ziek worden is als volgt: Wanneer je ziek wordt, kun je dit invullen op het werkbriefje. Als het goed is, word je dan na enige tijd opgeroepen door een keuringsarts van de GG&GD. Die voert een gesprek met je, waarin de redenen van de arbeidsongeschiktheid worden vastgesteld. Daarna stelt de keuringsarts een rapportje op voor de sociale dienst, waarin je wel of niet arbeidsongeschikt wordt verklaard. Als je arbeidsongeschikt bent, moet je overgaan van de RWW met sollicitatieplicht naar de ABW zonder sollicitatieplicht. (Dat gaat wel eens fout, omdat de sociale dienst iemand soms jaren in de RWW houdt.) Sommige cliënten vinden dat deze gegevens de sociale dienst niet aangaan. De dienst hoeft niet te weten waarom je arbeidsongeschikt bent, en zeker niet wie de behandelende artsen zijn.
Op het gewraakte formulier staat verder een verklaring, die je moet ondertekenen. Onder punt vijf van deze verklaring staat, dat je aangeeft ermee bekend te zijn, dat de dienst inlichtingen kan inwinnen bij GAK, werkgever, boekhouder, en diverse andere instanties. Sommige cliënten denken, dat dit een soort vrijbrief is voor de sociale dienst om maar bij alles en iedereen naar van alles en nog wat te informeren, zonder dat de cliënt hierover hoeft te worden ingelicht. Is dat geen schending van de privacy? Wij adviseren cliënten de verklaring wel te ondertekenen (anders wordt je uitkering misschien stopgezet), maar op de bladzijde ernaast protest aan te tekenen tegen de verklaring, en een voorbehoud te maken ten aanzien van de instanties, die de sociale dienst zonder je in te lichten mag raadplegen.
Daarnaast adviseren wij, een klacht in te dienen waarin de bezwaren tegen het formulier staan geformuleerd. Er zijn voorgedrukte klachtenformulieren bij de rayonkantoren verkrijgbaar, waarin de procedure staat uitgelegd. Om misverstanden te voorkomen: dit is dus iets anders dan de officiële bezwaarschrift-procedure. De klacht kan worden gericht aan het hoofd van het rayonkantoor of worden toegestuurd aan het antwoordnummer, dat op het formulier staat vermeld. Over het heronderzoeksformulier hebben al gesprekken plaatsgevonden met het hoofd van rayonkantoor De Baarsjes. Wanneer veel mensen een klacht indienen, zal het formulier misschien veranderd worden.

Piet van der Lende

zaterdag 29 juli 1995

Ideeën van Bart van Wijck

Het gaat om een culturele omslag. In de zeventiger jaren hadden wij het idee, dat we met iets groots bezig waren, dat we deel uitmaakten van een internationalistische wereldwijde beweging voor een betere maatschappij. Enthousiast werkten wij aan een betere toekomst. Dit subjectieve gevoel is helemaal weg. Het gaat erom, dit gevoel weer terug te krijgen. Het had ook wel iets te maken met de levensfase waarin je verkeerde, je afzetten tegen je ouders, je was jong, begon de wereld te ontdekken. Toen ik een boek las over 1917 raakte ik helemaal enthousiast, dat was het, ik voelde me verbonden met een we­reldwijde beweging. Het postmodernisme heeft ook wel iets positiefs. Wat bedoelt hij daarmee?. Het internationalisme van de zeventiger jaren was goed. Je voelde je betrokken bij derde wereld bewegingen voor bevrijding van het eigen land. Mensen kijken bij een identificatie naar een range van dingen. Naar het enthousiasme dat de reeds deelnemenden uitstralen, naar het wij gevoel dat zij uitstralen, of ze zelf in die beweging aktief kunnen zijn om zelf dingen te ontdekken, etc. Niet alleen naar het objektivistische van: hele goede doelstellin­gen, die mensen willen iets moois, daar ben ik het wel mee eens. Wat Jan Müter en Rob Marijnissen doen, is een objectie­ve analyse van de krachtsverhoudingen en daar dan tegenover zetten wat goed is, daar moet iedereen het toch wel mee eens zijn, en dan proberen te intervenieren in het krachtenveld, en best ook wel dingen bereiken. Dit doet de SAP heel sterk, ze willen geen oude dingen loslaten, terwijl als je revolutionair bent, je toch de dingen op hun kop moet durven zetten. Men gaat met een soort dodelijke ernst de dingen analyseren. Hoewel het best goed is om af en toe dodelijk ernstig te zijn. Minstens even noodzakelijk is een inschatting/ analyse van de subjektieve kant van de sociale bewegingen. Die twee dingen moeten precies op elkaar aansluiten. Je gaat een inschatting maken bij een huis bouwen van het veld, hoe ziet dat eruit, welke materialen heb je, en dan ga je het huis gewoon bouwen. Het gaat erom, dat we geen truucs gebruiken om mensen te manipuleren, maar om mensen zelf te laten denken. Wij gebruiken ook een mooie lay-out voor het blad. Het gaat ook best goed zijn om een totaal-scepticisme neer te zetten tegen het groene hart van Nederland zoals in de laatste tijd gebeurt.
De derde kamer komt op voor de mensen aan de onderkant, de naamlozen die geen stem hebben. Wij streven naar radikale demokratie, wat verschillende vormen kan aannemen.
Dit leidt tot de volgende conclusies voor de tekst:
1. Het moet een tekst zijn, waar mensen zich mee kunnen iden­tificeren. Dit betekent echter geenzins dat wij alleen maar een objektieve analyse plegen van de werkelijkheid en van de krachtsverhoudingen daarin, daarna Het Goede formuleren en ertegenover plaatsen, meedelen, dat wij dit Goede, waar ieder­een het wel mee eens (moet) zijn nastreven en het daarbij laten. Identificeren betekent ook heel andere dingen. Mensen identificeren zich om diverse redenen. Omdat de deelnemers enthousiasme uitstralen, omdat er felle, spitsvondige diskus­sies worden gevoerd, of omdat men denkt door deelname zelf nieuwe dingen bij zichzelf en bij anderen te kunnen gaan ontdekken. Dit heeft tot gevolg, dat wij niet streven naar een tekst, waarvan wij denken, dat veel mensen het ermee eens moeten zijn, of dat alleen uit voor de hand liggende dingen in staan. Er kunnen best dingen in staan, waar bijna niemand het mee eens is.
2. De tekst is niet zozeer bedoeld als een hergroepering van de derde kamer, een evaluatie van het voorgaande en een moti­vatie voor onszelf, maar als een tekst naar buiten toe, om mensen te werven,als een ontwikkeling in het gezicht van de derde kamer, als een mijlpaal op weg naar een beweging, waar­van de mensen denken: daar wil ik bijhoren, (ook al ben ik het er niet mee eens).
3. De tekst moet niet truucs gebruiken om mensen te laten denken, wat wij ook denken, maar om mensen zelf te laten denken. Waarom willen wij dit? Dat is een goede vraag. Waarom willen wij eigenlijk geen verlichte dictatuur van een deskun­dige minderheid, die de werkelijkheid van de historische maatschappijvormen uitgebreid geanalyseerd heeft, en die dus om die reden de enige elite is, die weet, wat goed is voor de mensen? Als je het teveel aan de mensen zelf overlaat, ont­staat er maar chaos, of misschien wel een burgeroorlog, of een terugval in voorgaande historische maatschappij-formaties. De eerste filosoof die dit vond, was Plato.
4. Wij moeten expliciet vermelden, dat wij geen dubbele bodem nastreven. Moeten we dat wel expliciet vermelden?.
5. De tekst moet wel een analyse zijn van de werkelijkheid, bijvoorbeeld van "een jaar paars" maar daar minstens even belangrijk aan koppelen een inschatting van de subjektieve positie van sociale bewegingen, dat inmiddels een leeg bregrip geworden is, en proberen een tekst te maken, waarbij deze twee dingen precies op elkaar aansluiten. Dit geeft mensen het gevoel, dat ze zich met de tekst kunnen identificeren!.
6. Dit betekent dat we bij het maken van de tekst tewerk gaan volgens de methode: eerst analyseren, hoe het in elkaar zit en inschatting subjektivisme, en dan een tekst, waarbij deze twee op elkaar aansluiten.