dinsdag 20 februari 1996

Het werkgelegenheidsbeleid van de regering Kok

Deze tekst is eerder gepubliceerd op de website van de Bijstandsbond.

De uitgangspunten van de regering Kok m.b.t. de werkgelegenheid. Hierover doen allerlei propagandapraatjes van politici de ronde. Bij het afsluiten van het regeerakkoord werd gezegd, dat de regering streeft naar 350.000 banen extra in vier jaar. Hier zijn echter ook banen bij van minder dan 12 uur in de week. Uitgedrukt in arbeidsjaren gaat het om veel minder banen. Maar goed, de regering wil 350.000 banen scheppen. Hoe wil de regering dit bereiken?
bezuinigingen
Het is de bedoeling dat de regering Kok 18 miljard bezuinigt in vier jaar tijd. Waarop wordt bezuinigd?. Enkele voorbeel den. Op de studiefinanciering moet ruim twee miljard worden bezuinigd, op arbeidsvoorwaarden voor ambtenaren anderhalf miljard, invoering ANW moet 820 miljoen opleveren, terugdringing beroep op de WAO meer dan een miljard, kinderbijslag ruim een miljard, op de AOW wordt ruim 400 miljoen bezuinigd, bijdrage gemeentefonds ruim 800 miljoen, en de bezuiniging op het zorgpakket in de gezondheidszorg en invoering eigen risico moet ruim een miljard opleveren.
lastenverlichting
Deze bezuinigingen worden echter slechts gedeeltelijk gebruikt voor verlaging van het financieringstekort. Het financierings tekort moet vooral minder worden door een toename van de werkgelegenheid en een hoge ekonomische groei. De bezuinigin gen worden vooral gebruikt voor negen miljard lastenverlich ting voor burgers en bedrijven. Het overgrote deel van die negen miljard wordt gebruikt om de belastingen en sociale pre mies die werkgevers moeten betalen te verlagen. De overheid gaat ervan uit, dat loonkostenverlagingen voor de werkgevers tot meer banen zullen leiden, met name op het gebied van laagbetaalde ongeschoolde arbeid. Daarnaast wordt een gedeel te gebruikt om met name voor werkenden de lasten te verlagen, waardoor de inkomensverschillen tussen uitkeringsgerechtigden en werkenden groter worden en ook de inkomensverschillen tussen werkenden onderling. Dit gebeurt oa door verhoging van het arbeidskostenforfait en verhoging van de belasting vrije som. Men gaat ervan uit, dat wanneer deze verschillen groter worden, werklozen eerder bereid zullen zijn arbeid op het niveau van het minimumloon te aanvaarden.
gerichte subsidiering
We hebben nu de algehele verlaging van de belasting- en pre miedruk gehad. Ten tweede is er de gerichte subsidering om in bepaalde sectoren meer laagbetaalde, ongeschoolde arbeid te scheppen. Een voorbeeld van dat laatste zijn de wettelijke maatregelen van afdrachtsvermindering op loonkosten. Ten eerste een afdrachtskorting van 1185 gulden voor werkge vers die iemand in dienst nemen op het niveau van het WML. Dit geldt dus niet alleen voor langdurig werklozen. Het aardi ge is, dat het CPB geen werkgelegenheidseffecten van deze korting heeft kunnen berekenen. Het is dus onbekend, wat het effect is. Ten tweede fl 4500 per jaar voor het in dienstnemen van een langdurig werkloze die niet meer verdient dan 130% van het WML. (een jaar ingeschreven bij arbeidsbureau, bij een dienst verband van 32 uur of meer, voor ten hoogste vier jaar,) Ten derde fl 4500,- per jaar per in dienst genomen leerling in het leerlingwezen. ( die bij een werkweek van 32 uur of meer niet meer verdient dan 130% van het WMl voor personen vanaf 23 jaar.)
Daarnaast is er nog de kaderregeling arbeidsinpassing als tegemoetkoming voor de kosten van training en begeleiding. Verder is er nog de Wet Bevordering Arbeidsinpassing, voorheen de wet Vermeend/Moor. Hier krijgen werkgevers voor een bepaalde periode vrijstelling van premiebetalingen tot 16% van de brutoloonsom bij het in dienst nemen van langdurig werklozen voor meer dan 15 uur. Er zijn nog veel meer regelingen, zoals de kaderregeling uitzendarbeid, subsides van de Europese Unie en loonkostensub sidies van het GAK, die vooral betrekking hebben op het weer in het arbeidsproces opnemen van gedeeltelijk arbeidsongeschik ten. Maar de regering en het Centraal Planbureau geven zelf aan, geen idee te hebben wat nu precies de werkgelegenheidsef fecten van deze maatregelen zullen zijn en of de kansen van langdurig werklozen en arbeidsongeschikten ook werkelijk verbeterd worden. In antwoord op kamervragen heeft de regering bijvoorbeeld geantwoord, dat de effecten in de dienstensector niet vast te stellen zijn.
aanvullende werkgelegenheid
We hebben nu de gerichte en algemene lastenverlichting gehad. Daarnaast geeft de regering ongeveer vier miljard uit voor aanvullende werkgelegenheid, met name de Melkert 1 rege ling.-Met een gedeelte van die vier miljard moeten 40.000 ba nen worden geschapen over een periode van vier jaar. Nu doen politici, alsof er daardoor 40.000 banen bijkomen. Maar dat is niet zo. Want er gaan ook weer banen verloren door de 18 miljard bezuinigingen.
Melkert I
Hoe ziet die Melkert I regeling eruit?. Het zijn banen voor langdurig werklozen in de non-profitsector die structureel worden gesubsidieerd door het Rijk. Het gaat met name om banen bij instellingen op het gebied van de veilig heid, toezicht, en zorg. Te denken valt aan functies als stadswacht, flatwacht, tramconducteur, buurtconcierge, kinder opvang, en onderwijsassisstent. In de zorg kunnen de functies gevarieerder zijn. Het gaat om laaggeschoold werk met een salaris op mimumloonni veau. Een alleenstaande in de Melkert regeling heeft het eerste jaar op basis van een 32-urige werkweek ongeveer 1350 gulden. Er zijn Melkertbanen waar iemand ook s’avonds en in het weekend moet werken waarvoor geen toeslagen worden gege ven. Zo iemand komt dus ondanks de onregelmatige werktijden niet boven het bijstandsniveau uit.
Melkert II
Dan is er nog de Melkert II regeling. Hier gaat het erom, dat er boventallige arbeidsplaatsen gecreerd worden in de markt sector. Het gaat uiteindelijk om 20.000 banen. Er gaat een experimentele periode aan de reguliere in diensttreding voor af. Een werkgever kan maximaal 2 jaar een loonkostensubsidie ontvangen van fl 18.000 per jaar. Binnen deze periode dient de werknemer in reguliere dienst genomen te worden. Ook hier gaat het om laaggeschoold werk van gemiddeld 32 uur met een salaris op minimumloonniveau tot maximaal 120% WML.
voorbeelden
Ik noem twee voorbeelden van Melkert II regelingen. De gemeen te Amsterdam wil een arbeidspool voor het midden- en kleinbe drijf maken, waarbij piekwerk wordt gedaan. De langdurig werkloze krijgt een arbeidsovereenkomst voor maximaal twee jaar. Binnen twee jaar moeten die werknemers doorstromen naar regulier werk. Het zal me benieuwen, of die doelstelling wordt gehaald. Een tweede voorbeeld. Met ingang van 1 januari is het mogelijk geworden in een aantal regio’s voor 15 gulden per uur schoonmaakwerkzaamheden in en rond het huis te laten verrich ten. Partikulieren sluiten daarvoor zogenaamde ‘consumenten contracten’ af met schoonmaakbedrijven. De arbeidsvoorwaarden en subsidies zijn verder dezelfde als in de andere Melkert II regelingen. Het komt erop neer, dat de overheid fl 13,- legt naast de fl 15,- die de partikuliere opdrachtgever betaalt. Het is een overeenkomst tussen Melkert en de branche vereni ging van de schoonmaakbedrijven. De schoonmaakbedrijven hebben groot belang bij deze regeling. Want zo kunnen ze de klassieke werkster, die direct in dienst is van een partikulier, uit de markt concurreren. Door de invoering van Melkertbanen vindt dan ook een groot scheepse verdringing van bestaande betaalde arbeidsplaats. De regering gaat er in antwoord op kamervragen zelf van uit, dat de verdringing bij Melkert II ongeveer 10% zal zijn.
Melkert III
Dan is er nog de Melkert III regeling. In het kader van arti kel 144 van de NABW krijgen gemeenten met ingang van 1 januari de mogelijkheid om in het kader van sociale activering te experimenteren door bepaalde artikelen van de NABW buiten beschouwing te laten. Mogelijkheden die hierdoor ontstaan zijn de verplichting om deel te nemen aan bepaalde maatschappelijke activiteiten, ontheffing sollicitatieplicht, het vrijlaten van premies voor onbetaalde arbeid en ruimere mogelijkheden voor bijstandsverlening aan zelfstandigen. Gemeenten moeten een aanvraag indienen bij het ministerie om in aanmerking te komen als experimenteergemeente. Amsterdam heeft alleen aanvragen ingediend voor ontheffing van de sollicitatieplicht en onkos tenvergoedingen voor vrijwilligers in het kader van de bijzon dere bijstand. Daarnaast is het zo, dat bijvoorbeeld in Amsterdam nu al enige tijd onbetaalde arbeid, dus vrijwil ligerswerk wordt gebruikt in een traject, dat toeleidt naar de arbeidsmarkt.
banenpool
Dan hebben we nog de banenpool. Gemeenten kunnen afspraken maken over de instelling van banenpools voor langdurig werklo zen. Voor iedere werkloze in zo’n pool stelt het rijk, naast het aandeel in de uitkering van de betrokkene, jaarlijks fl 7000,- beschikbaar. De inlenende organisatie moet 3500,- betalen. De deelnemers sluiten een arbeidsovereenkomst met de arbeidspool en krijgen werk op een boventallige plaats in de collectieve sector. Op de arbeidsovereenkomst is het gewone arbeidsrecht van toepassing. Ontslagvergunning Arbeidsbureau vereist. Werknemers ontvangen het wettelijk minimumloon Overwerktoeslagen zijn niet mogelijk, maar wel een compensatie in vrije tijd.
JWG
Dan is er nog de JWG. Doel is dat jongeren of werk hebben of op school zitten. de regeling komt in de plaats van eventuele uitkeringen. Er is een wachttijd van een half jaar tot een jaar. De jongere komt in dienst van een gemeentelijke organi satie die de JWG uitvoert. Deze organisatie is verplicht de jongere een werkervaringsplaats of een scho lingsplaats van 32 uur te bieden. De plaatsing duurt zes maanden en kan met zes maanden worden verlengd. De jongere verdient bij een werkweek van 32 uur 80% van het minimumloon of het minimumjeugdloon. De bedoeling is de JWG stapsgewijs uit te breiden tot alle schoolverlaters tot 27 jaar. Per 1-1-1997 worden de banenpool, de WSW en de JWG ondergebracht in de Wet Inschaling Werkzoekenden maar het zou te ver voeren, daar nu op in te gaan.
positieve actiebeleid
Ik heb nu verschillende maatregelen genoemd om de werkgelegen heid te bevorderen, nl gerichte en ongerichte lastenverlich ting en additionele arbeid, de derde sector, die ontstaat door een deel van de bezuinigingen in te zetten en door het terug ploegen van uitkeringsgelden. Daarnaast zijn er nog andere maatregelen om bepaalde groepen die nu buiten de boot vallen omdat ze niet voldoen aan de eisen van de werkgevers toch aan werk te helpen. Dat zijn de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, de WBA, de Wet Arbeid gehandicapte werknemers, de WAGW, en de Wet bevordering Evenredige arbeidsdeelname Allochtonen, de WBAA.
arbeidsvoorziening
Dan is er ook een arbeidsvoorzieningsorganisatie. Er is eigen lijk een heel netwerk van uitvoerende instanties, die allemaal met de uitvoering van de geschetste regelingen te maken heb ben. Arbeidsbureau’s, gemeentelijke instellingen, de zorgver zekeraars, uitzendbureau’s etc. Al die instellingen houden zich niet alleen bezig met de uitvoering van al die regelin gen, maar ook met arbeidsbemiddeling, omscholing, trajectbege leiding, solliciatiecursussen, etc. Allemaal aktiviteiten om de werkzoekende klaar te stomen voor de kennis-en vaardigheden die de werkgever eist. Het is een erg onoverzichtelijk geheel van instellingen, die langs elkaar heen werken of elkaar beconcurreren.
Conclusie:
Politici geven hoog op van de effecten van dit beleid. Zo zouden er de afgelopen jaar 150.000 banen bijgekomen zijn. Dit is echter beperkt waar. In de eerste plaats betreft het deel tijdbanen en in de tweede plaats zijn het vaak tijdelijke banen. Als je de effecten van het regeringsbeleid op de werk gelegenheid zou willen bekijken, moet je een lange termijnper spectief nemen. Dus hoeveel werkgelegenheid er bijgekomen is in de laatste tien jaar. Volgens cijfers van de overheid zelf nam de werkgelegenheid uitgedrukt in arbeidsjaren de afgelopen tien jaar, dus sinds 1985 toe met 738 duizend arbeidsjaren, oftewel 15%. Als je bedenkt dat er alleen al meer dan 700.000 mensen zijn met een werkloosheidsuitkering en daar nog bij rekent, dat er veel mensen wel werk zoeken, bijvoorbeeld vrouwen en gedeelte lijk arbeidsongeschikten, die niet als werkzoekende bij de officiele instanties staan geregistreerd, dan kom je al gauw op een totaal van meer dan 1,2 miljoen werkzoekenden. Wanneer de beroepsbevolking de komendejaren zal blijven groeien, en er weer werkgelegenheid verdwijnt door rationalisatie en automa tisering, dan is het duidelijk, dat over tien jaar de werk loosheid nog even hoog zal zijn als nu. Voor vele werklozen is er geen perspectief op werk in de komende tien jaar. Daarnaast heeft een grote groep uitkerings gerechtigden, zoals AOW-ers niets aan dit kabinetsbeleid. Het beleid van het kabinet Kok leidt door de bezuinigingen op de sociale zekerheid en de ambtenarensalarissen en de bevordering van laagbetaalde flexibele arbeid tot verarming voor grote groepen, waarbij de inkomensverschillen tussen werkenden en uitkeringsgerechtigden groter worden, zonder dat het werkgele genheidsperspectief verbetert. Het zijn vooral de werkgevers en de werkenden met een hoger inkomen, die van de toenemende welvaart profiteren.
PvdL/20-2-1996

maandag 5 februari 1996

Agorafase

Tweede verslag van discussies in De Balie over de verplaatsing van de politiek naar aanleiding van de brochure van de Wiardi Beckman stichting. 
We kunnen niet volstaan met een inspraakronde, op het moment dat men het beleid wil gaan invoeren. Tot nu toe was het zo dat ambtenaren en bestuurders uitgewerkte plannen bedachten en pas wanneer dit klaar was werd het geheel in de inspraakproce­dure gegooid. Een voorbeeld van hoe het niet moet is de gang van zaken rond de Betuwelijn. Daar hebben ingenieurs eerst plannen gemaakt en toen pas werden de burgers en vertegenwoor­digers van belangengroeperingen erbij betrokken.
Bij het Ministerie van Verkeer en waterstaat denkt men er nu over na hoe het anders zou kunnen. Daar is men het projekt van het infra©laboratorium gestart. Men is in dit projekt niet begonnen met het technisch formuleren van probleemstelling en mogelijke oplossing. Men heeft eerst mogelijke gebruikers en andere belangengroeperingen gevraagd, zelf een probleemstel­ling te formuleren. Dit noemt men in het projekt de "Agorafa­se". Vervolgens heeft men dezelfde groeperingen gevraagd kansrijke oplossingen te formuleren. Dan pas komt de "imple­mentatiefase" waarbij de plannen worden voorgelegd aan grotere groepen van de bevolking en een publiek debat ontstaat. Er zijn bij deze projektmatige aanpak twee uitgangspunten:
ten eerste zijn de infrastruktuurprojekten bij Rijkswaterstaat geen technische projekten; de formulering van de plannen en het vinden van een draagvlak daarvoor in de smaenleving is een sociaal en maatschappelijk probleem en niet een technisch probleem. Er bestaat zowel in de Agorafase als in andere fasen aandacht voor de inputkant bij de beleidsformulering vanuit het maatschappelijk middenveld.
Ten tweede wordt in de formu­lering en vervolgens uitvoering van het plan een duidelijke fasering aangebracht. Als in de Agorafase het projekt princi­pieel ter diskussie staat, kan dit in principe niet in latere fasen. Iedere fase wordt afgesloten met een reeks besluiten van de overheid, waarover in een volgende fase niet meer wordt gepraat. Deze duidelijke fasering van de besluitvormingsmomen­ten leidt ertoe dat een responsieve overheid, dus een overheid die diskussieeert met burgers en antwoord geeft op hun vragen, ook een besluitvaardige overheid is.
Dan komt de diskussie met de zaal. Een vragensteller vraagt zich af, als je de macht verspreid over verschillende beslis­singscentra, al werken die ook volgens demokratisiche codes, hoe kun je bewerkstelligen, dat in al die beslissingscentra naast specifieke belangen ook rekening wordt gehouden met het algemeen belang? Bovendien zijn de voorstellen in de brochure vaag waar het de institutionalisering betreft. Welke v orm moet de demokratie in het maatschappelijk middenveld aannemen, en hoe is de organisatorische verbinding met de overheid?.
Mark Bovens geeft antwoord door in te gaan op het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, die een aardige institutionalisering heeft voorgesteld voor grote projekten, waarbij burgers en hun belangengroepen in verschil­lende rondes inspraak hebben. Dit sluit aan bij de projekten van het ministerie van verkeer en waterstaat.
Ook zij gaan ervan uit, dat de technologische benadering van de problemen in de probleemstellingsfase moet worden doorbro­ken. Verder zijn ook in dit model verschillende besluitvor­mingsmomenten ingebouwd, die een soort fuikenstruktuur vormen: eerst gaan de gedachten alle kanten uit, daarna komen ze bij elkaar in een beslssingsmoment, en treedt de volgende fase in werking. Zo wordt de besluitvaardigheid gehandhaafd en wordt stroperigheid in de besluitvorming voorkomen.
De voorzitter van de middag, Tjeenk Willink merkt op, dat dit eigenlijk een heel traditioneel beeld is; meebuigen, maar niet meegeven, repressieve tolerantie, de inspraak als smeermiddel voor het doorvoeren van het overheidsbeleid. Bovens heeft geen bezwaar tegen dit beeld. Ook Ankersmit merkt op, dat hij dit alles prachtig vind, en dat hij hoopt dat het zo kan gaan. Dat zou winst zijn. Maar hij komt toch terug op zijn uitgangspunt.
Van Wolferen heeft een prachtig boek geschreven over de Japan­se samenleving. Juist daar is er in het centrum geen sterke macht en moeten verschillende machtscentra met elkaar onder­handelen. In het centrum is een soort leegte, die door de japanners bewust in stand wordt gehouden en waar alleen de keizer zit. Eerst was dit samenlevingsconcept een groot suc­ces, maar nu is het japanse ekonomisch politieke systeem in grote moeilijkheden. Daarom blijft hij concluderen, dat sterke politieke partijen in een parlementaire demokratie noodzakelijk zijn, die in het parlement de centrale besluiten nemen. Het liefst ziet hij een politiek systeem dat een soort combinatie is van de West-Europese democratien en het Amerikaanse presi­dentiele systeem, met een sterke president met veel bevoegdhe­den.
Dan volgt de inleiding van mevrouw Frissen. Zij vindt, dat de overheid bij het zoeken naar oplossingen voor de organisatori­sche veranderingen in onze demokratie sterk blijft denken in de piramidale opbouw; hoe kunnen we bevoegdheden decentralise­ren naar lagere overheidsorganen, hoe kijken we tegen Europa aan, etc. Maar de samenleving wordt steeds meer een archipel van eilanden, met op ieder eiland een machtscentrum, waar verschillende besluitvormingsculturen bestaan, verschillende technologien worden toegepast, etc. Er is niet een bepaald machtig centrum meer. De overheid moet steeds meer toe naar het type besluitvorming op basis van onderhandelingen en afspraken en convenanten. Er is geen centrale machtsbasis meer. Een voorbeeld is het ingrijpen van de overheid op het gebied van de arbeid; eerst werden situationele maatregelen getroffen: de situatie is zo en zo, en nu nemen we het besluit dat dit moet gebeuren, bijvoorbeeld achturige werkdag, geen kinderarbeid, minimumloon, etc. Er heeft op dit terrein een verschuiving plaatsgevonden naar relationele maatregelen van de overheid. De overheid zegt in mindere mate tegen de sociale partners: dat en dat moet gebeuren maar: binnen die en die voorwaarden moeten jullie met elkaar onderhandelen en beslui­ten nemen.

De verplaatsing van de politiek

Verslag van de diskussiemiddag in De Balie in Amsterdam op donderdag 25 januari 1996 nav de brochure “De verplaatsing van de politiek” van de Wiardi Beckman Stichting. (WBS)
Voorzitter is Herman Tjeenk Willink, voorzitter van de Eerste Kamer.
De eerste inleiding is van Paul Kalma, een van de auteurs van de brochure. Hij geeft een samenvatting, die ik hier niet geheel zal vermelden. In het nabije verleden werd door het Rijk de commissie Deetman ingesteld, die voorstellen moest doen voor staatkundige vernieuwing. De discussie die op hun rapport volgde was lauw, er worden weinig echte veranderingsvoorstellen gedaan, en een deel van de voorstellen is achterhaald. In de brochure van de WBS wordt hierop ingegaan. De voorstellen van Deetman c.s zijn beperkt, omdat ze binnen de bestaande institutionele kaders blijven. Bovendien worden de achtergronden van een zekere crisis in het democratisch gehalte van onze samenleving niet bestudeerd. Er wordt niet ingegaan op de economische schaalvergroting en de gevolgen van de Europese eenwording. Ook de individualisering, dus het ontstaan van de mondige, flexibele burger die nieuwe mogelijkheden zoekt voor participatie wordt niet bij de beschouwing betrokken. Ook wordt niet ingegaan op het feit, dat technologische ontwikkelingen niet automatisch een verbetering van het bestaan betekenen, maar negatieve gevolgen hebben, waarbij nieuwe dilemma’s worden geschapen die niet door de overheid kunnen worden beïnvloed of waarbij de instrumenten voor benvloeding ontbreken.
De cie Deetman spitst de discussie oa toe op het vraagstuk van de referenda en het districtenstelsel, maar dit blijft binnen de bestaande institutionele kaders, waarbij het primaat van de politiek, dwz de macht van het parlement als centraal diskussieplatform op de voorgrond wordt gesteld. Door de verplaatsing van de politiek ontstaan er echter allerlei machtscentra buiten dit terrein en het gaat erom deze machtscentra weer onder democratische controle te brengen. In de brochure “De verplaatsing van de politiek” worden drie strategieën bestudeerd om dit te doen. Deze strategieën moeten niet tegenover elkaar worden gesteld; ze vullen elkaar aan.
De volgende inleiding is van De Belgische hoogleraar Luc Huyse. Hij schreef het boek “De politiek voorbij” dat onlangs verscheen en waarin dezelfde analyse en conclusies staan als in de brochure van de WBS. De schrijvers van beide boeken zijn onafhankelijk van elkaar tot dezelfde slotsom gekomen. Huyse neemt een voorschot op de discussie met de historicus professor Ankersmit van de universiteit van Groningen, die pleit voor het herstel van het primaat van de politiek, dus voor het nationale parlement als centraal diskussieplatform en als centrale beslissingsmacht, waarbij er een tamelijk centralistische staat blijft. Vanmiddag staat ter discussie, of dit een goed model is, of dat de grote problemen waar we voor staan, zoals de milieuproblemen een verdere democratisering van de maatschappij noodzakelijk maken, waarbij het primaat van de politiek achterhaald is en niet meer zo kan door de tendens tot decentralisatie en andere maatschappelijke ontwikkelingen.
Huyse merkt verder aan het begin van zijn betoog op, dat zijn boek en ook de bijdrage van de WBS nauwelijks is gebaseerd op empirisch onderzoek. Zijn boek is in belangrijke mate een oefening in giskunde. Met deze kanttekening analyseert Huyse de situatie als volgt. Er zijn in de geschiedenis van de moderne industriële maatschappij een drietal krisismomenten geweest in de democratische ontwikkeling van de samenleving. Deze drie krises draaien steeds rond twee pijlers van de parlementaire democratie: de legitimiteit van het systeem en de effectiviteit ervan. De legitimiteit heeft betrekking op de vraag, of de burger vertrouwen heeft in de politieke bestuurders, en of de burger het gezag van die bestuurders aanvaardt, dwz of de burger akkoord gaat met de machtsuitoefening van de bestuurders waarbij dit een democratische macht is. Gezag is gelegitimeerde macht.
De effectiviteit heeft betrekking op de vraag, of de nagestreefde konfliktbeheersing van de bestuurders effectief is, of de hoog gewaardeerde “collective goods, zoals de sociale zekerheid en delen van de infra-structuur goed beheerd worden, en of er sprake is van een daadkrachtig systeem.
In alle drie de crises worden deze twee pijlers ondermijnt door maatschappelijke transformaties op micro- en macroniveau.
De eerste krisis vond plaats aan het einde van de negentiende eeuw. Drijfkracht achter de krisis waren de scherpe industriële conflicten tussen kapitaal en arbeid, waarbij een enorme erosie optrad van de sociale verbanden. De oplossing voor het effectiviteits en legitimiteitsprobleem werd gezocht in een drastische uitbreiding van de parlementaire democratie zoals de invoering van het algemeen kiesrecht. Miljoenen burgers, die tot dan toe niets te vertellen hadden, kregen stemrecht.
De tweede krisis ligt in de dertiger jaren van de twintigste eeuw. Er vond daarbij een zwaai plaats naar het autoritaire gedachtengoed. De democratische staatsvorm die was ontstaan had geen slagkracht in het zicht van de economische krisis en de grote werkloosheid. Uiteindelijk kwam hier een uitbraak in de richting van de “civil society”; de invoering van een Keynesiaanse plan- economie en de invoering van de verzorgingsstaat, tegelijk met de invoering van de overlegdemokratie, waarbij de vakbeweging en andere belangengroepen werden geïntegreerd in het systeem, wat de legitimiteit van de democratie bevorderde.
In beide episoden van de geschiedenis was althans in Nederland en België de verzuiling het sleutelstuk voor het handhaven van de legitimiteit en effectiviteit. Er vond een gedisciplineerde ordening van de burgers plaats langs de lijnen van de verschillende ideologieën.
Ook in de hervorming na de tweede krisis speelde de verzuiling een belangrijke rol. Dit leverde de netwerken van het maatschappelijk middenveld, dat de besluiten van de bestuurders legitimeerde en waarbij dit maatschappelijk middenveld in het systeem werd geïntegreerd.
We verkeren thans in een derde krisis van het democratisch systeem. Ten aanzien van de legitimiteit en effectiviteit is voor de huidige bestuurders het probleem, dat de verzuiling als sleutelstuk van de oplossing van de vorige twee krisis thans ontbreekt. Huyse drukte dit uit door te zeggen: “velen bleven verweesd achter”.
Ook nu weer zijn de achtergronden voor de krisis op het gebied van legitimiteit en effectiviteit de maatschappelijke ontwikkelingen op het gebied van technologie (de informatiemaatschappij) de individualisering en het daaruit voortvloeiende grote onvoorspelbaarheid van het gedrag van de burger, de schaalvergroting, etc. De weerslag op het politieke systeem wordt geanalyseerd in het boek van Huyse en in de brochure van de WBS. Ido de Haan zegt in het laatste nummer van Krisis, in een reactie, dat er niet zozeer sprake is van een verplaatsing van de politiek maar van een uitbreiding; politieke beslissingen worden ook nog wel in het parlement genomen, maar steeds meer ook in andere machtscentra. Er is een uitbreiding van de politiek in dubbele richting: in de eerste plaats verticaal, naar Europa, het I.M.F en naar de regio’s of gewesten. In de tweede plaats horizontaal: in de richting van de rechterlijke macht, de media en techno-economische zones. Op dit laatste wordt verderop ingegaan.
Wat betreft de legitimiteit is er een dalend vertrouwen in de klassieke politiek vanuit Den Haag. Daarnaast heeft de burger er geen vertrouwen in, dat in de nieuwe machtscentra goede, democratische beslissingen worden genomen. Dit noemt men wel de kloof tussen de burger en de politiek. Wat betreft de effectiviteit is er een falen van de beroepspolitici op het gebied van de migratie, de criminaliteit, de baanloze groei, het milieu, etc.
Vervolgens doet zich de vraag voor, welke oplossingen worden gezocht in het huidige debat.
Sommige oplossingen leggen de nadruk op de effektiviteitsproblemen, andere op het legitimiteitsprobleem. Wat betreft de effektiviteitsproblemen zijn er twee projecten. Ten eerste de opvatting dat er behoefte is aan meer markt. Deze bestuurders hebben een extreem geloof in de sturende kracht van de markt. Men plant een terugtredende overheid, een ontvlechting van overheid en maatschappij en privatisering. De tweede opvatting is die van Ankersmit, nl dat we behoefte hebben aan meer staat, waarbij het primaat van de politiek wordt hersteld.
Wat betreft de legitimiteitsproblemen zijn er drie opvattingen. In de eerste plaats het renovatiedenken, waarbij het parlement weer de centrale plaats moet krijgen die het vroeger had. Dit is de opvatting van de commissie Deetman. Men wil ook een “recyclage” van het maatschappelijk middenveld, dit middenveld moet weer de oude rol spelen, die zij ook speelde bij de oplossing van de vorige krisis. In de tweede plaats is er de opvatting, die in België wordt vertegenwoordigd door Verhofstad van de liberale partij en in Amerika door Ross Kw??. Men wil dan geen ruimte meer openlaten tussen de burger en de overheid; deze twee moeten rechtstreeks met elkaar zaken doen. Daarbij past de invoering van massa-referenda, waarbij gebruik wordt gemaakt van de moderne communicatiemiddelen. Mensen beslissen door een druk op de knop voor of tegen een bepaald voorstel. Dit is de “Teledemokratie”, waarbij bv gebruik gemaakt kan worden van het Internet. In deze opvatting kan het maatschappelijk middenveld verdwijnen.
De derde opvatting wordt verkondigd in de brochure van de WBS. Het gaat om projecten, die inspelen op de verplaatsing van de politiek.
Daarbij gaat het om twee dingen. In de eerste plaats moeten de democratische codes worden verplaatst naar het transnationale niveau, het regionale niveau en het technologisch-economisch niveau en de media. Ook in deze sectoren moeten de twee uitgangspunten gelden van democratie: aanspreekbaarheid en aansprakelijkheid. In de tweede plaats moet er een ander type bestuur komen. Niet meer een overheid die van bovenaf oplegt, maar een onderhandelende overheid, die afspraken maakt met andere machtscentra en die daarmee voortdurend in onderhandeling is.
Dan volgt het verhaal van Frank Ankersmit, hoogleraar uit Groningen. Hij is het ermee eens, dat we op een punt staan, waarbij er belangrijke beslissingen moeten worden genomen over het democratische systeem. Er is aan de democratie het nodige achterstallig onderhoud. Hij merkt op, dat hij de analyse van de problemen in de brochure “De verplaatsing van de politiek” goed vind, beter zelfs dan in het standaardwerk uit 1994 van Cohen c.s “Towards a Civil society”.
Ankersmit leest vervolgens een citaat voor van de Fransman Gissot die leefde in de negentiende eeuw. Het citaat zou vandaag uitgesproken kunnen zijn. We leven in een elektrische maatschappij, waarbij de macht nergens is en tegelijk overal gedeeltelijk. Niemand beheerst de situatie. Alle mensen hebben toegang tot machtscentra, in de informatie maatschappij worden mensen onderworpen een veel informatie, die van centrum naar centrum gaat. Gissot was de liberale Thorbecke van het negentiende eeuwse frankrijk. Hij behoorde tot een groep “doctrinaire Liberalen” die het belang van de geschiedenis inzagen. Dus de vervlechting van staat en maatschappij, en de verplaatsing van de politiek is geen recent probleem, maar een logisch gevolg van de democratie en de democratisering. Het is er een natuurlijk gevolg van. Nu kunnen we op twee manieren reageren. In de eerste plaats kunnen we zeggen: we streven in essentie naar meer democratie en we stimuleren dit. We streven ernaar, dat de democratie zich steeds verder verspreid in de maatschappij. Dit is het standpunt dat wordt verwoord in de brochure van de WBS. Ankersmit heeft een ander standpunt. Hij vraagt zich af, of het wel zo verstandig is, alles over te laten aan het vrije marktmechanisme, waarbij er geen centrale macht is maar alleen vele machtscentra, democratisch dat wel, die met elkaar onderhandelen. Is dit niet het standpunt, waarbij alles wordt overgelaten aan de vrije maatschappelijke krachten, een soort laisser faire, waarbij een onzichtbare hand de dingen regelt? Het is riskant om te zeggen dat dat wel goed afloopt. Ankersmit voorziet grote catastrofes, en dan pakt zo’n werkwijze niet goed uit, noch tav de effectiviteit, noch tav de legitimiteit.
De voorboden van de catastrofes zijn er al: het is misgegaan met de sociale wetgeving, zoals de WAO-kwestie, er is de baanloze groei, de gezondheidszorg, de staatsschuld en het gebrek aan controle daarop, de bio-industrie, de asfaltering van Nederland, het afbrokkelen van de binnensteden. Steeds is hierbij hetzelfde probleem: wat een goede oplossing leek had onbedoelde gevolgen, die zijn ontstaan uit de vervlechting van staat en maatschappij.
Dus moet er een staat zijn, die de vele problemen hierarchiseert in hun onderling verband. Er moet een cockpit zijn met een piloot en we moeten niet alles overlaten aan de vervlechting van staat en samenleving zoals dat in de tijd van Thorbecke nog wel kon, omdat de samenleving minder complex was. De onbedoelde gevolgen van de maatregelen die wij nemen moeten bijgestuurd worden. Als olossingsrichting is Ankersmit van mening, dat de politieke partijen meer dan ooit een grote verantwoordelijkheid hebben. Zij moeten de kloof tussen de burger en de partij vergroten. Zij moeten dichter bij de problemen gaan staan en niet dichter bij de burger. In de tweede plaats moet de mentaliteit van de burgers veranderen. Zij moeten een sterke staat accepteren die haar besluiten baseert op een representatieve, en geen directe democratie. Eer moet een bepaalde afstand zijn tussen burger en staat.
In de derde plaats pleit Ankersmit voor een kleinere, sterkere staat. Hij heeft kritiek op de huidige democratie. De bestuurders zouden zich voortdurend moeten afvragen: “Kan de staat dit aan?”. Politici doen nu vaak in een propagandaverhaal, of ze de oplossing weten, terwijl dat niet zo is. Zo hoort de burger: de bestuurders, de staat zullen het wel even doen, en dan ervaart hij, dat het niet zo is. Politici moeten erkennen, dat ze er niets aan kunnen doen als dit zo is. Deze opstelling van politici is onderdeel van de opvoedende taak van de staat ten opzichte van de burger. Deze drie punten tezamen vormen voor Ankersmit het herstel van het primaat van de politiek.
De volgende inleiding wordt gehouden door Mark Bovens, ook een van de schrijvers van de brochure “De verplaatsing van de politiek”.
Hij reageert op Ankersmit. In de eerste plaats is hij het niet eens met het citaat als weergave van de huidige situatie. Er is geen “elektrische maatschappij” waarin de problemen die wij zien transparant worden gemaakt en waarbij vele mensen toegang hebben tot meerdere machtscentra. Er is veeleer sprake van besloten pistes waar besluiten worden genomen, en waar de gewone burger maar beperkt toegang heeft.
In de tweede plaats is de vervlechting van staat en maatschappij, van politiek en systeem onvermijdelijk een produkt van de democratie, waarbij steeds mondiger, hoger opgeleide burgers invloed proberen uit te oefenen. Deze spreiding is wenselijk. Maar de schrijvers van de brochure houden geen pleidooi voor een laisser aller of een onzichtbare hand. De overheid moet tegelijkertijd ook bepaalde centrale waarden overeind houden en bewaken. Vanwege de vervlechting van staat en maatschappij en de complexiteit van de problemen waar we voor staan is juist veel maatschappelijke discussie en kennisoverdracht noodzakelijk, die wordt gecombineerd met verantwoording van bestuurders naar burgers toe en de controle van de burgers daarop. De oplossing die Ankersmit voorstaat is onmogelijk en onwenselijk. De door hem voorgestelde mentaliteitsverandering van de burger en de hierarchisering van de problemen is onmogelijk. En het antwoord op de vraag: Kan de overheid dit probleem aan? ” is nog nooit bevestigend beantwoord.
We zitten met het bestuurlijke probleem, van de ongrijpbare samenleving, zoals dat ook door Jos van der Lans naar voren wordt gebracht in zijn boek de onzichtbare samenleving. We hebben eigenlijk geen empirisch gefundeerde, houdbare kennis over de huidige ontwikkelingen in de samenleving. In de tweede plaats is een aspect van de ongrijpbare samenleving, dat de overheid gedwongen is op voet van gelijkheid te onderhandelen met andere maatschappelijke actoren. De overheid moet geen bevelen geven, maar onderhandelen. Mondige burgers organiseren zich vluchtig, zonder achterban, in belangengroepen en actiecomités die opkomen en weer verdwijnen. Vroeger had de overheid bv bij het mestbeleid een betrouwbare gesprekspartner aan het landbouwschap, korporatistisch georganiseerd, die de voorgestelde oplossingen verdedigden tegenover hun brede achterban. Tegenwoordig rijden de boeren met trekkers de snelweg op en organiseren zich in tijdelijke actiecomités “We zijn het zat”. Er is op verschillende beleidsterreinen een poliferatie van clubjes, bijvoorbeeld bij het onderwijsbeleid en de dijkverzwaring. Er is een parlementaire reflex: het parlement moet weer het centrum worden waar de besluiten worden genomen, weliswaar kan dit inderdaad op Europees niveau, kan daar het primaat van de politiek worden hersteld, daar loopt de invoering van de parlementaire democratie 150 jaar achter. Maar op andere terreinen kan het primaat van de politiek niet worden hersteld. Door de decentralisatie van machtscentra kun je niet meer volstaan met een parlementaire strategie.
Dit betekent bestuurlijk dat er een “responsieve” overheid moet komen. Deze overheid die onderhandelt en zich begeeft in een vraag en antwoordspel en een discussie met de burgers, voert vooral een dialoog met die burgers bij de voorbereiding van het beleid.
We kunnen niet volstaan met een inspraakronde, op het moment dat men het beleid wil gaan invoeren. Tot nu toe was het zo dat ambtenaren en bestuurders uitgewerkte plannen bedachten en pas wanneer dit klaar was werd het geheel in de inspraakprocedure gegooid. Een voorbeeld van hoe het niet moet is de gang van zaken rond de Betuwelijn. Daar hebben ingenieurs eerst plannen gemaakt en toen pas werden de burgers en vertegenwoordigers van belangengroeperingen erbij betrokken.
Bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat denkt men er nu over na hoe het anders zou kunnen. Daar is men het project van het infra-laboratorium gestart. Men is in dit project niet begonnen met het technisch formuleren van probleemstelling en mogelijke oplossing. Men heeft eerst mogelijke gebruikers en andere belangengroeperingen gevraagd, zelf een probleemstelling te formuleren. Dit noemt men in het project de “Agorafase”. Vervolgens heeft men dezelfde groeperingen gevraagd kansrijke oplossingen te formuleren. Dan pas komt de “implementatiefase” waarbij de plannen worden voorgelegd aan grotere groepen van de bevolking en een publiek debat ontstaat. Er zijn bij deze projectmatige aanpak twee uitgangspunten: ten eerste zijn de infrastruktuurprojekten bij Rijkswaterstaat geen technische projecten; de formulering van de plannen en het vinden van een draagvlak daarvoor in de samenleving is een sociaal en maatschappelijk probleem en niet een technisch probleem. Er bestaat zowel in de Agorafase als in andere fasen aandacht voor de inputkant bij de beleidsformulering vanuit het maatschappelijk middenveld. Ten tweede wordt in de formulering en vervolgens uitvoering van het plan een duidelijke fasering aangebracht. Als in de Agorafase het project principieel ter discussie staat, kan dit in principe niet in latere fasen. Iedere fase wordt afgesloten met een reeks besluiten van de overheid, waarover in een volgende fase niet meer wordt gepraat. Deze duidelijke fasering van de besluitvormingsmomenten leidt ertoe dat een responsieve overheid- dus een overheid die discussieert met burgers en antwoord geeft op hun vragen- ook een besluitvaardige overheid is.
Dan komt de discussie met de zaal. Een vragensteller vraagt zich af, als je de macht verspreid over verschillende beslissingscentra, al werken die ook volgens democratische codes, hoe kun je bewerkstelligen, dat in al die beslissingscentra naast specifieke belangen ook rekening wordt gehouden met het algemeen belang? Bovendien zijn de voorstellen in de brochure vaag waar het de institutionalisering betreft. Welke vorm moet de democratie in het maatschappelijk middenveld aannemen, en hoe is de organisatorische verbinding met de overheid?.
Mark Bovens geeft antwoord door in te gaan op het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, die een aardige institutionalisering heeft voorgesteld voor grote projecten, waarbij burgers en hun belangengroepen in verschillende rondes inspraak hebben. Dit sluit aan bij de projecten van het ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Ook zij gaan ervan uit, dat de technologische benadering van de problemen in de probleemstellingsfase moet worden doorbroken. Verder zijn ook in dit model verschillende besluitvormingsmomenten ingebouwd, die een soort fuikenstruktuur vormen: eerst gaan de gedachten alle kanten uit, daarna komen ze bij elkaar in een beslissingsmoment, en treedt de volgende fase in werking. Zo wordt de besluitvaardigheid gehandhaafd en wordt stroperigheid in de besluitvorming voorkomen.
De voorzitter van de middag- Tjeenk Willink merkt op, dat dit eigenlijk een heel traditioneel beeld is; meebuigen, maar niet meegeven, repressieve tolerantie, de inspraak als smeermiddel voor het doorvoeren van het overheidsbeleid. Bovens heeft geen bezwaar tegen dit beeld. Ook Ankersmit merkt op, dat hij dit alles prachtig vind, en dat hij hoopt dat het zo kan gaan. Dat zou winst zijn. Maar hij komt toch terug op zijn uitgangspunt. Van Wolferen heeft een prachtig boek geschreven over de Japanse samenleving. Juist daar is er in het centrum geen sterke macht en moeten verschillende machtscentra met elkaar onderhandelen. In het centrum is een soort leegte, die door de japanners bewust in stand wordt gehouden en waar alleen de keizer zit. Eerst was dit samenlevingsconcept een groot succes, maar nu is het Japanse economisch-politieke systeem in grote moeilijkheden. Daarom blijft hij concluderen, dat sterke politieke partijen in een parlementaire democratie noodzakelijk zijn, die in het parlement de centrale besluiten nemen. Het liefst ziet hij een politiek systeem dat ee soort combinatie is van de West-Europese democratieën en het Amerikaanse presidentiële systeem, met een sterke president met veel bevoegdheden.
Dan volgt de inleiding van mevrouw Frissen. Zij vindt, dat de overheid bij het zoeken naar oplossingen voor de organisatorische veranderingen in onze democratie sterk blijft denken in de piramidale opbouw; hoe kunnen we bevoegdheden decentraliseren naar lagere overheidsorganen, hoe kijken we tegen Europa aan, etc. Maar de samenleving wordt steeds meer een archipel van eilanden, met op ieder eiland een machtscentrum, waar verschillende besluitvormingsculturen bestaan, verschillende technologieën worden toegepast, etc. Er is niet een bepaald machtig centrum meer. De overheid moet steeds meer toe naar het type besluitvorming op basis van onderhandelingen en afspraken en convenanten. Er is geen centrale machtsbasis meer. Een voorbeeld is het ingrijpen van de overheid op het gebied van de arbeid; eerst werden situationele maatregelen getroffen: de situatie is zo en zo, en nu nemen we het besluit dat dit moet gebeuren, bijvoorbeeld achturige werkdag, geen kinderarbeid, minimumloon, etc. Er heeft op dit terrein een verschuiving plaatsgevonden naar relationele maatregelen van de overheid. De overheid zegt in mindere mate tegen de sociale partners: dat en dat moet gebeuren maar: binnen die en die voorwaarden moeten jullie met elkaar onderhandelen en besluiten nemen.
Ook in andere sectoren moet de overheid zo tewerk gaan. De overheid moet zo verkeerscodes ontwerpen, op basis waarvan al die relatief zelfstandige eilanden met elkaar onderhandelen. De overheid rijdt niet zelf, maar ontwerpt de verkeersregels.
Dan volgt de discussie voor de pauze.
Iemand merkt op, dat het beeld van een overheid, die gedwongen is te onderhandelen op voet van gelijkheid niet klopt. De overheid is niet alleen maar een van de spelers. Zij heeft aanzienlijk meer macht dan de andere spelers. Er wordt verder gediscussieerd over de empirische basis van de analyse van Kalma c.s en Huyse. Is de overheid alleen maar een van de spelers geworden?
Huyse zegt, dat er wel aan twee voorwaarden moet worden voldaan bij de uitbreiding van democratie:
- Het geweldsmonopolie moet bij de staat blijven; maffia-achtige structuren, criminaliteit e.d moeten exclusief door de staat bestreden worden.
- De overheid heeft het exclusieve voorrecht, verkeerscodes, onderhandelingscodes te ontwerpen, waaraan de andere onderhandelaars zich hebben te houden.
Het is wel de bedoeling van Kalma en hemzelf, dat de archipel van eilanden een soort eilandenrijk wordt, dwz dat er een overheid blijft die het algemeen belang nastreeft als verbindend element.
Ankersmit herhaalt nog eens, dat er zeer grote, schier onoplosbare problemen op ons afkomen. Dit vereist een sterke staat.
De heer Bogers merkt op, dat je een onderscheid moet maken tussen het soort problemen dat aan de orde is. Bij milieuproblemen moet de staat zich opstellen als onderhandelaar tussen de andere. Ten aanzien van het milieu kan worden gezegd, dat er daarbij geen nationale consensus is, waar de staat eventueel op kan terugvallen. Er zijn op dat terrein in de maatschappij grote meningsverschillen. Dan is het van groot belang, dat de staat op voet van gelijkheid met (groepen van) burgers onderhandelt en dat zoveel mogelijk mensen aan de discussies deelnemen. Bij vraagstukken op sociaal terrein ligt dat anders. Daar is een sterke staat vereist, die ervoor zorgt, dat de zwakken in onze samenleving niet de dupe worden en die het algemeen belang in het oog houdt. Ankersmit is het hier wel mee eens.
Hij brengt ook nog naar voren dat hij zijn pleidooi voor het herstel van het primaat van de politiek houdt, omdat er in de maatschappij in het licht van de grote problemen een roep is om autocratische oplosssingen. Voordat die beweging sterker wordt, moeten we goed nadenken over hoe we via een sterke staat de democratie in stand kunnen houden. De legitimering nastreven van zijn model betekent het redden van de democratie door een sterke staat volgens het piramidemodel. Hij komt terug op zijn betoog over de hierarchisering van problemen.
Iemand anders is het hier niet mee eens. brengt het voorbeeld naar voren van een interview met een leider van de asbest industrie in een Amerikaans tijdschrift voor managers. Deze hooggeplaatste manager, bijna met pensioen, keek in het interview terug op zijn werkzaam leven en vroeg zich vertwijfeld af, waarom hij de ondergang van zijn industrie, die hij met hard werken had opgebouwd, niet heeft zien aankomen. Hij concludeerde zelf, dat dit kwam, omdat hij tijdens zijn carrière consequent alle ingenieurs die waarschuwende geluiden lieten horen aan de dijk had gezet. Dit geeft aan, dat milieuproblemen beter oplosbaar worden, wanneer in bedrijven tegenspraak, via een soort tendensrecht, mogelijk is. De overheid zou ook het stakingsrecht moeten erkennen, en dan niet moeten overgaan tot het verbieden van asbest.
De voorzitter, Tjeenk Willink brengt naar voren, wat nu volgens Ankersmit de taak is van de politicus.
Ankersmit houdt een psychologisch betoog over de inborst van de burger. De burger is in zichzelf gepolariseerd. Aan de ene kant is hij het super-ego, die in een grote mercedes wil rijden, vliegvakanties wil, etc, aan de andere kant is er het ‘it” het ideologisch verlangen naar een betere maatschappij. Het is de taak van de politicus als partij-politicus de burger uit deze verscheurdheid te halen.
Na de pauze herhaalt de voorzitter de conclusies uit de betogen. Het gaat om de slagkracht en de legitimiteit van de democratie. Er zijn drie crises geweest in de parlementaire democratie. Ankersmit wil een renovatie van het politieke bestel via een herstel van het primaat van de politiek. De schrijvers van de brochure zoeken een andere oplossing.
Joop van den Berg, lid van de Eerste Kamer en hoogleraar, houdt zijn betoog. De politieke organen opereren momenteel in een luchtledig. Het voorbeeld werd al genoemd van de boeren, die met hun trekkers de wegen blokkeren, georganiseerd door vluchtige actiegroepen. De nationale politiek komt van twee kanten in de problemen, transnationaal, waarbij steeds meer bevoegdheden verdwijnen naar een boven-nationaal niveau en de mondige burger, de protesterende inspreker, die zich al snel wendt tot de rechter, en die de lokale overheid probeert in te schakelen tegen besluiten van de landelijke overheid. Er is in deze ontwikkeling geen weg terug. Het is niet waar, zoals in het begin gesteld, dat de cie Deetman hier geheel aan voorbij is gegaan.
De nationale besluitvormingsorganen hebben minder invloed, er is een verlies aan coördinerend vermogen en decentralisatie van bestuur. Dit is een aspect van de dekolonisatie van de burger zoals Hofland dat onder woorden brengt. De decentralisatie is niet tegen te houden. Grootstedelijke gebieden hebben letterlijk en figuurlijk de ruimte nodig, ook over de landsgrenzen heen. De recente kabinetsnota over de reorganisatie van het binnenlands bestuur gaat daaraan voorbij, analyseert ook niet de Europese dimensie. Men wil alles weer naar Den Haag halen en men brengt geen differentiatie aan tav welke besluiten decentraal kunnen worden genomen.
De nationale overheid zou ook tav de op te stellen verkeersregels meer aan de lokale/regionale overheden moeten overlaten. Ook lokaal moeten er bevoegdheden komen op het gebied van de inrichting van het bestuur en de processen die daarbij een rol spelen. Neem de discussie over een gekozen burgemeester. Laat de gemeenten daar zelf over beslissen.
Een tweede voorbeeld van hoe het niet moet is het rapport ‘Raad op Maat’ dat door de nationale overheid is opgesteld. Daarin worden de vele adviesorganen geanalyseerd. Enige sanering is wel nodig, maar toch is de tendens: we willen het primaat van de politiek terug. Men vraagt zich niet af: hoe kunnen we de dekolonisatie van de burger laten doorklinken in een nieuw stelsel van adviesorganen. Het stelsel dat we nu hebben is sterk verouderd. Er is bijvoorbeeld een veel te grote invloed van adviesorganen op sociaal-economisch terrein, zoals de SER. Men vraagt zich in’Raad op Maat’ verder niet systematisch af: van wie hebben we advies nodig? Op welke terreinen is er behoefte aan advies? Dat is niet het soort vragen dat gesteld wordt.
Vervolgens komen in een discussie twee rapporten kort ter sprake, nl
‘steekhoudend ministerschap’ over bestuurlijke reorganisatie met oa Marianne Sint als een van de schrijfsters, en Paul Kalma’s ‘de illusie van de democratische staat’ uit 1982.
De voorzitter stelt de vraag, hoe breed een discussie over democratie eigenlijk gedragen wordt, waar komt het soort problemen dat wij vanmiddag aan de orde stellen eigenlijk ter sprake, in de Eerste Kamer misschien?
Als je ziet, wie erover nadenkt, het zijn kleine groepjes, je zou van paars verwachten dat ze erover nadenken, maar juist paars doet het niet.
Van den Berg merkt ook op (hij is lid van de PvdA, notulist) dat juist bij D’66 niet erg over dit soort dingen wordt nagedacht. Als je naar de politieke partijen kijkt vindt de meeste discussie over democratie plaats in de Partij van de Arbeid, het gebeurt relatief weinig in de politieke organen, ook niet door officiële vertegenwoordigers van de PvdA. Het zijn meer mensen, die niet in het centrum van de partij zitten. Binnen de overheid wordt er, zoals al ter sprake kwam nagedacht bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat, ook de evaluatie van de WRR kan genoemd worden.
Dan volgt het betoog van Saskia Stuiveling, medewerkster van de Algemene Rekenkamer.
De Algemene Rekenkamer heeft een rapport gemaakt over “zelfstandige bestuursorganen”. De spreekster zal zich op de gegevens uit dit rapport baseren.
Het valt in de eerste plaats op, dat de discussie over decentralisatie tot nu toe vooral betrekking heeft op verschuivingen in verticale richting, dus van en naar centrale of lokale overheid. De discussie gaat zelden over de scheidslijnen tussen maatschappelijke organisaties en de overheid. Alleen in termen van privatisering wordt hierover gesproken. Het onderzoek naar en de discussie over de verhoudingen tussen de trits overheid-maatschappelijk middenterrein en markt staat nog in de kinderschoenen.
De vraag is dan vervolgens, hoe dit maatschappelijk middenveld zich gedraagt. Stuiveling merkt op, dat dit in het rapport van de Rekenkamer heel anders wordt geanalyseerd als in het boekje van Kalma c.s. Het middenveld is niet meer synoniem met particulier initiatief. Je zou een continuüm kunnen maken met aan het ene uiterste de overheid, dus 100% staat, en aan de andere kant de markt, dus 100% zelfstandige onderneming. Nu is het zo, dat er allerlei juridische constructies zijn/worden gemaakt, waarbij er een enorme vermenging optreedt van publieke en particuliere taken.
Een voorbeeld dicht bij de markt zijn de particuliere garagebedrijven; zij verrichten reparaties en verkopen auto’s. Maar velen hebben in de APK keuringsstations ook tot taak, de periodieke APK-keuring uit te voeren. Dit is een publieke taak. En dat betekent, dat op dit taakje van de particuliere garages de Algemene Wet Bestuursrecht van toepassing is. Dus die garages zou je bij het middenveld kunnen rekenen. Aan de andere kant heb je bijvoorbeeld de ziekenfondsen; dat is eigenlijk 99% publieke sector.
Er is de laatste tien jaar een enorme toevloed van organisaties in het middenveld, waarbij een vermenging optreedt van particuliere en publieke taken. Denk maar aan de politieregio’s, de woningbouwcorporaties, de ziekenhuizen.
De Algemene rekenkamer heeft geprobeerd in het rapport een inventarisatie te maken van het soort organisaties, op basis van welke relatie ze met de markt hebben, en welke relatie ze met de overheid hebben.
Op die manier konden 500 soorten organisaties teruggebracht worden tot 162 clusters, die dus ieder een eigensoortige relatie met de overheid hebben en een verschillende positie op de markt. Nu is eigenlijk het kenmerk van deze organisaties in het middenveld, dat ze van niemand zijn, door niemand worden gecontroleerd, behalve dan door het kleine groepje dat de leiding heeft. We weten over de effectiviteit en efficiency van die organisaties niets. Voeren ze de publieke taak effectief uit? We weten het niet. Van de helft van de organisaties is de formele legitimiteit niet vast te stellen. (Notulist: hier heb ik rommelige aantekeningen van gemaakt, maar ik meen me te herinneren, dat de spreekster bedoeld, dat niet duidelijk is, op grond van welke formele bevoegdheden de organisaties hun taken uitvoeren, en verder is het zo, dat het doel waartoe die organisaties iets doen niet vast te stellen is, waardoor er ook geen maatstaf is om te kijken of de publieke taak goed wordt uitgevoerd en of het geld goed besteed wordt.)
De grote opkomst van particuliere organisaties uit het middenveld die publieke taken uitvoeren is op deze manier van betrekkelijk jonge datum. Neem de particuliere verzekeringsmaatschappijen, die wettelijke bijdragen innen. Dat gaat tegelijkertijd met het innen van particuliere premies. Ze doen het gewoon tegelijk erbij. Het is zo met elkaar vermengd, dat niet door de Rekenkamer te onderzoeken valt of het innen van de wettelijke premies effectief gebeurt.
Een ander voorbeeld. De Raad van Hoofdcommissarissen bij de politie heeft een convenant afgesloten met particuliere bewakingsbedrijven. Werknemers van die bedrijven gaan bijvoorbeeld allerlei administratieve taken verrichten. Hoe moet je daar naar kijken, als je het hebt over de legitimiteit en de effectiviteit? Wie is verantwoordelijk voor wat?. Daar is veel onduidelijkheid over.
Stuiveling is van mening, dat we meer greep moeten krijgen op deze ontwikkelingen. In de eerste plaats moet het door onderzoek beter in kaart gebracht worden. Het is nu nog een terra incognita.
Vervolgens is dan ook nog de discussie, op welk bestuurlijk niveau al die organisaties uit het middenveld moeten aansluiten. Bijvoorbeeld het beleid van woningbouwcorporaties bestuurlijk koppelen aan de gemeentes.
De laatste bijdrage is van Lenny Vulpenhorst. Zijn bureau adviseert momenteel de bestuurders inzake de aanleg van de tweede Maasvlakte bij Rotterdam. Men gaat daarbij uit van de WRR-aanpak, die vandaag al eerder ter sprake kwam. We hebben geleerd van mislukte inspraakprojekten zoals bij Schiphol en de Betuwelijn.
Het departement van Verkeer en Waterstaat heeft zijn adviesburo benaderd. De medewerkers van zijn bureau hebben dan de functie van een soort praatpaal. Niemand weet eigenlijk, hoe je bij zo’n groot project als de Maasvlakte de discussie moet voeren. De ambtenaren van Verkeer en Waterstaat hadden zoiets van: we willen wel, maar we weten niet hoe. Alleen is wel duidelijk, dat methoden van inspraak zoals die in het nabije verleden werden toegepast niet werken.
Vulpenhorst zwaait met een rapport van het ministerie over inspraak dat nog geheim schijnt te zijn. De probleemstelling is eigenlijk, dat grote projecten niet meer zonder maatschappelijke legitimiteit kunnen worden gerealiseerd.
Het ministerie denkt er diep over na hoe dat wel zou kunnen. Het bureau van Vulpenhorst heeft ook het Schipholprojekt geanalyseerd. Daarbij was sprake van een volstrekt verkeerde manier van managen. De discussie was gericht op het maken van beleidsdocumenten, waarbij een vertechnocratisering van de inhoudelijke discussie optrad. Wat ook kwaad bloed zette, was dat bijvoorbeeld sommige besluitvorming werd gedaan door de officiële vertegenwoordigers van de lokale politiek, dus de burgemeesters en wethouders, maar dat het rijk ambtenaren stuurde, die pas als iets misging de minister erbij riepen. En dan te bedenken, dat de Tweede Kamer er nog weer verder vanaf staat. De conclusie moet luiden, dat je eerst goed moet nadenken over hoe je de besluitvorming kunt struktureren. Daarover zou de politiek ook meer moeten praten.
De lessen die we uit deze en soortgelijke mislukkingen kunnen trekken zijn:
1) het is niet in de eerste plaats een technisch probleem, we moeten de ingenieursmentaliteit doorbreken, het gaat om de her definiëring van de maatschappelijke consensus.
2) Er moet worden gewerkt op basis van projectmanagement, dwz het minimaliseren van risico’s op vertraging of uitstel en daarom moet gestreefd worden naar het elimineren van belangenconflikten. Je moet de milieuorganisaties niet bestrijden, maar ze een flink onderzoeksbudget geven, zodat ze na diepgaand onderzoek zelf tot de conclusie komen, dat ze ook geen andere oplossing weten, omdat het probleem zeer gecompliceerd is.
In het verleden werd teveel gewerkt met het mushroom treatment. Er werden eerst in het geheim plannen gemaakt, en die werden dan plotseling in de inspraak gegooid waarna iedereen ging protesteren. ( you plant them in the dark, you suddenly put the light on it and they grow as hell”.)
Tot slot geeft Vulpenhorst nog een voorbeeld van hoe het wel moet. Minister Jorritsma heeft de publieke opinie gemanipuleerd door te zeggen “rekeningrijden dat doen we niet”. Waarna iedereen begon te roepen dat het wel moest. (Wat Jorritsma ook van plan was.)
Na deze inleidingen was er nog een korte discussie, maar dit heeft geen nieuwe gezichtspunten opgeleverd.
PvdL

woensdag 10 januari 1996

Actie “niet gezwicht voor de sollicitatieplicht”

Op 23 september 1995 vond in buurthuis De Tagerijn de eerste van een reeks bijeenkomsten plaats over de problemen die werklozen ondervinden door de sollicitatieplicht of door tegenwerking van instanties. De bijeenkomst werd georganiseerd door de Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam, (W.B.V.A.) de Bijstandsbond en de Werkgroep Uitkeringsgerechtigden (W.U.G.) uit Haarlem. na deze bijeenkomst vonden nog acht bijeenkomsten plaats. Uitwisseling van ervaringen en problemen aangaande de sollicitatieplicht stonden op deze bijeenkomsten centraal. Het aantal sancties dat de sociale dienst oplegt neemt gestaag toe, zonder dat er voor de werklozen meer perspectieven ontstaan. Werklozen die hun eigen weg willen gaan worden onder druk gezet, terwijl anderen die ontzettend graag betaald werk willen aan hun lot worden overgelaten. Op de bijeenkomsten kwam ter sprake hoe werklozen het best kunnen handelen om hun eigen doelstellingen te realiseren (vrijwilligerswerk met behoud van uitkering of juist betaald werk). Verder kwamen de arbeidsvoorwaarden in de additionele arbeid zoals vrijwilligerswerk, banenpool of Melkertbaan aan de orde. Ook werd aandacht besteed aan de vraag, hoe je je bij gesprekken met de sociale dienst of arbeidsbureau het best kunt opstellen. De bijeenkomsten maakten deel uit van een campagne rond de afschaffing van de sollicitatieplicht. Uitgangspunten voor de campagne is het recht van werklozen om op een eigen manier een bijdrage te leveren aan de maatschappij zonder gehinderd te worden door sollicitatieverplichtingen. De ervaringen op de buurtbijeenkomsten zijn vastgelegd in een brochure met als titel: ‘Niet Gezwicht voor de Sollicitatieplicht’. In deze brochure staat informatie over de sollicitatieplicht met praktische tips en adviezen over hoe je je in gesprekken met arbeidsbemiddelaars en sociale dienst ambtenaren het beste kunt opstellen. Daarnaast bevat de brochure informatie over beroepsprocedures en over allerlei regelingen op het gebied van scholing, werken als zelfstandige met behoud van uitkering, etc.

dinsdag 21 november 1995

Naar een democratisch alternatief

Gepubliceerd op de website en in het tijdschrift van het initiatief de Derde Kamer. november 1995
In de Derde Kamer hebben we de afgelopen tijd veel gediscussieerd over de conclusies die we kunnen trekken uit onze openbare bijeenkomsten. We stelden ons daarbij de vraag: mogen we de Derde Kamer zien als platform van en voor sociale bewegingen, of moeten we de Derde Kamer zien als platform voor radicale democratie? In het eerste geval proberen we vertegenwoordigers van sociale bewegingen met elkaar in discussie te brengen en een gezamenlijke analyse te ontwikkelen. In het tweede geval concentreren we ons meer op de Derde Kamer als (actie)groep voor meer democratie.
Naar aanleiding van deze discussie schreef ik een bijdrage, waarin verschillende concepties van democratie naast elkaar werden gezet en de betekenis van democratie in sociale bewegingen nader werd geanalyseerd. Het verhaal is mede gebaseerd op het boek van M. de Geus ‘Organisatietheorie in de politieke filosofie’. Veel actie- en belangengroepen discussiëren de laatste jaren over de te volgen strategie om hun doelstellingen te bereiken. Wat bij die discussie een rol speelt is dat traditionele actiemodellen, zoals massale manifestaties en bezettingen of blokkades nauwelijk invloed lijken te hebben op het overheidsbeleid. In de tweede helft van de jaren tachtig leidde dit tot twee reacties:
Sommigen gingen de weg op van het reguliere overleg met de overheid. Groepen uitkeringsgerechtigden werden lid van “clientenraden” en ook een stichting als Natuur en Milieu zit in vele overlegorganen. Zij gaan er van uit dat het mogelijk moet zijn het overheidsbeleid bij te stellen door het voortdurend naar voren brengen van inhoudelijke kritiek en het formuleren van tegenargumenten.
Anderen dachten dat het beter was om zelf concrete doe-het-zelf-projecten op te zetten, waarmee de eigen idealen direct in de praktijk zouden zijn te brengen. Zij schiepen woon-werk-gemeenschappen (soms vanuit de kraakbeweging), alternatieve geldsystemen zoals het LETS-systeem, gebruikers-coöperaties, biologische landbouwprojecten, etcetera. Overigens is deze doe-het-zelf-beweging wel een constante onderstroom in de maatschappij. Een verschil met vroeger is echter, dat zij in deze post-moderne tijd minder wordt ingepast in een volledige maatschappij-analyse zoals het socialisme. Het is een enigszins verbrokkeld geheel van praktisch bezig zijn op basis van persoonlijke deel-analyses.
Bureaucratiën
Zowel op het niveau van het reguliere overleg met de overheid of grote ondernemingen als op het meer individuele niveau stuit de burger echter op de ondoordringbaarheid van bureaucratiën en op de beperkingen van ons democratisch systeem. Wanneer groepen burgers het overheidsbeleid trachten te beïnvloeden, worden zij geconfronteerd met ambtelijke beleidsnota’s die door politieke bestuurders worden gedekt, en waarbij plannen op de rails worden gezet, die niet meer zijn te beinvloeden. Het blijkt een soort langzaam draaiende bureaucratische machine te zijn, die niet meer kan worden bijgestuurd en die niet is te stoppen. Bureaucratiën worden gekenmerkt door hiërarchische structuren, waarbij mensen aan de top veel te vertellen hebben en mensen in lagere functies niet. Op lagere functieniveaus hou je je bezig met een deeltaakje dat vanuit centrale sturing wordt afgestemd op andere deeltaakjes. De soms verborgen veronderstelling van de voorstanders van dit model is, dat mensen slechts in zeer beperkte mate in staat zouden zijn zichzelf te besturen. De gewone organisaties dienen te gehoorzamen en beslissingen van hogerhand te aanvaarden, aangezien de elite met superieure kennis begiftigd is. De leiders zijn vooral bezorgd om de efficiency en rationaliteit van de organisatie en om het soepel en probleemloos laten verlopen van de controle van bovenaf. Vertegenwoordigers van sociale bewegingen die met dergelijke burokratiën in overleg treden worden vaak geconfronteerd met een inperking van de discussie tot de uitwisseling van technische argumenten op het gebied van de uitvoering van overheidsbesluiten, die zelf niet ter discussie staan.
Integratie benadering
Om de demokratie, de invloed van de burger, te verbeteren, wordt meestal de integratieve organisatieconceptie naar voren gebracht. Deze conceptie heet integratief, omdat er wordt gestreefd naar wilsintegratie van individuen, d.w.z. de individuele wil gaat op in de collectieve wil, die meestal op basis van meerderheidsbesluiten en referenda wordt vastgesteld. Hierin past de conceptie van burgerschap. Het individu gaat niet zomaar akkoord met de wil van de meerderheid. Daarvoor neemt hij/zij actief deel aan allerlei discussies waarin argumenten worden afgewogen alvorens een besluit wordt vastgesteld. Dan pas legt het individu zich neer bij de wil van de meerderheid en stelt zich beschikbaar voor bestuurlijke funkties om een en ander uit te voeren. Daarbij wordt gekozen voor een systeem van vertegenwoordigers die namens de burgers optreden en periodiek worden gekozen. Het zou te ver voeren, hier alle beperkingen van dit democratiemodel te noemen. Een punt wil ik echter naar voren halen. Ook bij de integratieve benadering wordt de scheiding tussen de sfeer van hiërarchische verbanden zoals bedrijven en (overheids)bureaucratiën enerzijds en de staat als democratische organisatie anderzijds niet in twijfel getrokken. In de politieke sfeer worden democratische concepties geaccepteerd en gepropageerd. Hier wordt het individu beschouwd als een vrij en gelijk mens die recht heeft op inspraak en zeggenschap, zelfontplooiing en zelfbeschikking (burgerschap) zoals in de oudheid bij de Grieken. In het particuliere domein worden meer hiërarchische concepties gepropageerd. De mens is een werknemer die zich heeft aan te passen aan de wensen van het management; de mens als gehoorzame, betrouwbare en loyale werknemer.
Libertaire benadering
De scheiding tussen deze twee domeinen moet worden doorbroken. Een meer libertaire organisatieconceptie zou daarbij als leidraad kunnen dienen. Hierbij staat niet het heersersprincipe of de collectieve soevereiniteit centraal, maar de individuele soevereiniteit, de mens als zelfbepalend individu, waarbij wordt gestreefd naar een maximale individuele vrijheid. Dit heeft gevolgen voor de ordening van de maatschappij; er is dan geen plaats meer voor centrale sturing van de ekonomie of voor een meerderheidsgebonden inrichting van de staat. In plaats daarvan komt een federatief geheel van lokale, in hoge mate autonome gemeenschappen met ruimte voor zelbesturing. Het gaat om losse, beweeglijke en niet-hiërarchische organisatieverbanden, waarbij zelforganisatie, flexibiliteit en onafhankelijkheid worden benadrukt. Men gaat hierbij uit van het zelfregulerende karakter van een dergelijke organisatie. Daarbij geldt als uitgangspunt dat mensen uitstekend in staat zijn zichzelf en, samen met anderen, lokale gemeenschappen te besturen. Overigens moeten we hierbij niet alleen denken aan territoriaal afgegrensde gemeenschappen. Flexibele, horizontaal gestructureerde organisatievormen worden ook nu al tot ontwikkeling gebracht bij zowel belangengroepen, overheid alsook het bedrijfsleven, en dit is niet alleen maar negatief. Men kan hierbij denken aan netwerkachtige verbanden; organisaties als een soort spinnewebben waarbij de draden alle kanten opgaan en de onderdelen op verschillende wijze met elkaar in verband staan. Dit kan worden gecombineerd met horizontaal gestructureerde organisaties, gebaseerd op soms tijdelijke project- en taakgroepen die in grote mate autonoom zijn en op democratische wijze tot besluiten komen. Een voorbeeld daarvan kwam ter sprake op de Amsterdamse bijeenkomst van de Derde Kamer, nl. de ambtelijke projectgroepen in het kader van de stadsvernieuwing.
Tot slot
De ervaringen van individuele burgers en vertegenwoordigers van sociale bewegingen met de overheidsbureaucratie brengen mij tot de opvatting dat het een hoofdtaak van de Derde Kamer zou moeten zijn in het publieke debat over democratie de nadelen van zowel de bureaucratische als de integratieve benadering naar voren te brengen en zelf
nieuwe organisatieconcepties in de praktijk te brengen en verder te ontwikkelen. Daarbij kunnen meer libertaire uitgangspunten van organisatie als alternatief naar voren worden gebracht.

1 Reactie op Naar een democratisch alternatief

  1. pvdlende zegt:
    begin 1996
    Thema: Derde Kamer
    Door: Clemens Raming
    Naar een democratisch alternatief door een open diskussiekultuur
    Het gaat bergafwaarts met onze parlementaire democratie. Onderworpen aan de dictatuur van de markt, is ze niet in staat zich de oprukkende Euro-burocratie en de insluipende politiestaat van het lijf te houden. Eerste- en Tweede-Kamerleden praten over verbeteringen, waarvan niemand gelooft dat die het tij kunnen keren. Daarom is het goed dat er een Derde Kamer is.
    Heerschappij en vrijheid
    In de Derde Kamerberichten van november 1995 zet Piet van de Lende een spoor uit ‘Naar een democratisch alternatief’. Hij constateert dat onze samenleving nog altijd wordt gedomineerd door bureaucratische structuren en dat de zogenaamde integratieve organisatieconceptie die aan de parlementaire democratie ten grondslag ligt, onvoldoende tegenkracht opbrengt. Als leidraad voor een alternatief huldigt de auteur de libertaire organisatieconceptie: ‘Hierbij staat niet het heersersprincipe of de collectieve soevereiniteit centraal, maar de individuele soevereiniteit, de mens als zelfbepalend individu, waarbij gestreefd wordt naar een maximale individuele vrijheid’.
    Deze libertaire basisgedachte klinkt mooi, maar verdient niet de eer die Piet haar bewijst. ‘Individuele soevereiniteit’ is een uitdrukking die de heerserskultuur voortzet – soevereiniteit is de aanspraak van staten op heerschappij over een stuk aardoppervlak met de bijbehorende bevolking. Het libertaire denken tendeert naar het individualiseren van het heersersprincipe: de mens als heerser in het koninkrijk van het eigen bestaan. De libertaire ideologie bewijst volgens mij de menselijke vrijheid een slechte dienst omdat ze deze uit de concrete werkelijkheid van het leven wegplukt, op een voetstuk zet en daarmee prijsgeeft aan de spot van de realisten en aan het hoofdschudden van de wetenschapper. Voor hen zijn mensen kortzichtig, manipuleerbaar en machtsafhankelijk. Mensen lopen achter politici aan die hen welvaart en veiligheid beloven en die inspelen op chauvinisme en onvermoede krachten in hen oproepen. En als tenslotte de teleurstelling toeslaat, verliezen ze alle interesse in de politiek.
    Ik zie geen heil in mensdefinities die daaraan voorbijgaan. Zelfbeschikking en demokratische vrijheden komen mijns inziens slechts tot hun recht in een klimaat van tolerantie, openheid, konstruktieve kritiek en zelfinzicht. Vrijheid is een project waar mensen, los van ideologische grootspraak, vallend en opstaand, maar met elkaar vorm aan moeten geven.
    De voorwaarden voor democratie
    Uit het libertaire basisconcept leidt Piet van de Lende een reeks organisatorische constructies af. Zijn samenvatting daarvan is zo kompact dat zeker de oningevoerde lezer erdoor wordt overrompeld. Jammer, want het ontwikkelen en uitproberen van zulke constructies is volgens mij een noodzakelijk onderdeel van het streven naar een volwaardige democratie. De meeste mensen die zich daarmee bezig houden blijken daarvoor echter helemaal geen libertaire beginselen nodig te hebben. Volgens mij is democratisering meer dan een kwestie van organisatievormen. Een onderzoek van anarchistische groepen vier jaar geleden heeft aangetoond dat in sommige van deze groepen, ondanks een prachtig basisdemocratische besluitvorming, enkele dominante figuren de lakens uitdeelden, terwijl anderen niets hadden in te brengen.
    Het libertaire denken gaat ervan uit, zegt Piet van de Lende, ‘dat mensen uitstekend in staat zijn zichzelf en, samen met anderen, lokale gemeenschappen te besturen’. Dat is een ideologische losse flodder. Het reëel bestaande lokale zelfbestuur funktioneert binnen de kaders van de gevestigde maatschappij. Dat beperkt met de beslissingsruimte ook de keuzeproblemen. Hoe belangrijker de zaken waarover mensen in eigen kring beslissen, des te groter het beroep op hun democratische gezindheid.
    Ik ben overtuigd van de wenselijkheid en zelfs de harde noodzaak van een onthiërarchiseringsbeweging, alleen al omdat besluitvorming en actie volgens het ‘A beveelt B’ principe onvoldoende zijn voor de besturing van een complexe en dynamische samenleving. Er is ook al zo’n beweging, alleen kan niemand voorzien wat die uiteindelijk zal opleveren. Concentreren we ons daarom op de vooruitgang die binnen ons eigen bereik ligt.
    Piet van de Lende raadt de Derde Kamer aan om zelf nieuwe organisatieconcepten en besluitvormingspatronen in praktijk te brengen en te ontwikkelen. Dit lijkt me een goede zaak, maar niet bij wijze van experiment om het experiment. Laten we ons richten op het ontwikkelen van een goede organisatorische opzet van het Derde Kamerproject. Mijn grootste prioriteit ligt dan bij de democratisering van de manier waarop we plannen en problemen bediskussiëren en gezamenlijke keuzes bepalen.
    Een ander problematisch punt voor links dat grote aandacht verdient is de diskussie met mensen die er onlinkse gevoelens en ideeen op nahouden. Zo heb ik zelf veel moeite met het reageren op mensen die aan het vreemdelingensyndroom lijden. Er moeten toch zoveel vooruitstrevende mensen zijn die met dit probleem zitten, denk ik, maar als ik linkse clubbladen lees ontmoet ik wel heftige protesten tegen het vreemdelingenbeleid en standpunten die als de regering ze overnam een volksopstand zouden ontketenen, maar geen woord over de vraag hoe we in het dagelijks contact met anderen kunnen werken aan het opbouwen van een draagvlak voor een humaner vreemdelingenbeleid.
    Naar een open diskussiekultuur
    Mijn voorstel om het streven naar democratie vooral ook op de eigen discussiepraktijk te richten sluit aan op de eerste rondzendbrief van de initiatiefgroep van de Derde Kamer, lente 1994: ‘We bepleiten in de eerste plaats een open diskussiecultuur die uitgaat van een sterke doordrongenheid van de situatie, gekoppeld aan een grote relativering van de eigen machtspositie.’
    De progressieve beweging kampt met de naweeën van het ideologisch tijdperk. Oude scheidslijnen zijn vervaagd zonder te verdwijnen. Het is moeilijk om uit de ontbonden ideologische complexen het waardevolle te halen. De een blijft gehecht aan wat de ander heeft afgeled en waar een derde nooit in heeft geloofd.
    De moeilijkheid is dat de manier waarop we ‘discussiëren’ deel uitmaakt van het probleem. De initiatiefgroep raakt aan deze complicatie met haar pleidooi voor het relativeren van de eigen machtspositie. Hoe meer je je fixeert op ‘macht’ om je in naam van de rechtvaardigheid, de vrijheid en de toekomst der mensheid in de boze wereld te doen gelden, des temeer hanteer je de taal als machtsvoertuig, al was het alleen maar om jezelf het gevoel te geven in het politieke strijdperk van de partij te zijn.
    Tegenover de frustrerende ervaringen die het diskussiëren op basis van ‘wij hebben gelijk en willen macht’ heeft opgeleverd, vormt de idee van een open diskussiekultuur een aantrekkelijk alternatief. Het in praktijk brengen ervan is geen gemakkelijke opgave, omdat we ons daarbij moeten losmaken van de spelregels van de gevestigde politieke cultuur. Als we echter voorwaarden willen scheppen voor een demokratisch zelfbestuur, zullen we moeten beginnen met ons dáárvoor in te zetten.

woensdag 15 november 1995

Nummers en vergissingen. Iedereen krijgt overal een nummer voor

Ook verschenen in het decembernummer 1995 van het Maandblad Uitkeringsgerechtigden MUG in de rubriek 'De gang van zaken'. 

Nummers

Dankzij de zegeningen van de automatisering krijgt u overal een nummer voor. Het huisnummer en de postcode kunt u nog wel onthouden, tenminste dat hoop ik. Hebt u een girorekening en een pinpas? Dan krijgt u drie nummers. De girorekening zelf, het nummer van het pasje en de pincode. Bij de uitkeringsinstantie of de werkgever krijgt u ook weer nummers, zoals het uitkeringsnummer of personeelsnummer. Op de uitkeringsspecificatie van de sociale dienst staan nog andere nummers, zoals een code voor de wijk en het team waar u onder valt. Ook handig om te weten, want soms wordt ernaar gevraagd als u opbelt. Deze voorbeelden kunnen met vele worden aangevuld. Het ziekenhuis, de woningbouwvereniging, het bevolkingsregister, de belastingen (diverse soorten), het GEB, het ziekenfonds, overal krijgt u een nummer. U moet al die nummers weten, want zonder deze kan men dikwijls niets voor u doen. Hebt u alle registratienummers die op u van toepassing zijn, wel eens geteld? Ik schat, dat de gemiddelde Nederlander toch gauw zo'n veertig nummers moet bijhouden.
Nu zijn in het verleden al die instanties door al die nummers een beetje in de war geraakt. Daar hebben ze een oplossing voor bedacht. U raadt het al: een nieuw nummer, het sociaal-fiscaal nummer. Dit nummer is heel belangrijk, want veel van die andere nummers zijn aan dit nummer gekoppeld. Veel instanties vragen ernaar. U moet van al die nummers een geordende administratie bijhouden, die teruggaat tot minstens een jaar of acht geleden, want anders komt u in moeilijkheden. Soms is het niet voldoende dat u een nummer opgeeft, nee, u moet het originele document overleggen, waarop is aangegeven welk nummer u hebt gekregen. Zo vraagt de sociale dienst naar het originele document van de belastingdienst, waarop is aangegeven welk sofinummer u hebt gekregen. Bij veel mensen is dit document al in 1987 verstrekt. Hebt u het document niet (meer), dan moet u eerst naar de belastingdienst om een officiële verklaring te vragen waarop dit sofinummer staat vermeld.
De koppeling van al die nummers is moeilijk. Niet alleen omdat de Wet op de Persoonsregistratie instanties allerlei beperkingen oplegt, maar ook omdat het in de praktijk problemen geeft. In de eerste plaats heeft elke instantie afzonderlijk bij de automatisering geprobeerd, het wiel uit te vinden. Daarom kunnen al die verschillende databanken niet zomaar aan elkaar gekoppeld worden. In de tweede plaats zijn de bestanden 'vervuild', het schrikbeeld van iedere ambtenaar. Hoe komt dat? U hebt, laten we zeggen, veertig nummers. Nu gaat u verhuizen, of u gaat samenwonen, of er zijn ander veranderingen in u privéleven. Gaat u al die nummers verwittigen van die wijziging? Natuurlijk niet. Daarom staat u in verschillende bestanden onder verschillende adressen genoteerd. In de derde plaats maken ambtenaren fouten bij het invoeren van de gegevens die bij een nummer horen.
Een voorbeeld. Een van onze spreekuurbezoekers had een WAO-uitkering, natuurlijk met een bijbehorend nummer. Hij vroeg om toestemming met vakantie te gaan naar het land van herkomst. Dit kwam hij persoonlijk aanvragen op het GAK-districtskantoor. De betrokkene zou een schriftelijke bevestiging thuis gestuurd krijgen. Dit gebeurde echter niet, en wij belden op. De functionaris van het GAK zocht op basis van het nummer de gegevens van de heer T. op in de computer: 'Hij is op die en die datum op dat en dat districtskantoor geweest.' 'Nee meneer, het was op een heel andere datum.' 'O, ik zal even kijken. O, er is een vergissing begaan, in het bestand zit een meneer T. met dezelfde achternaam, waarvan het uitkeringsnummer een cijfer verschilt met dat van de meneer T. die bij u gekomen is. Daarom is de brief naar een ander adres verstuurd.' De ambtenaar op het districtskantoor had dus bij vergissing een van de ongeveer vijftien cijfers van het uitkeringsnummer voor de WAO verkeerd ingetypt, en omdat het om iemand met dezelfde naam ging, was de fout niet ontdekt. Deze vergissing kon niet zomaar ongedaan worden gemaakt. Daarvoor moesten wij een brief schrijven, waarin de hele situatie werd uitgelegd, met medezending van allerlei bewijsstukken.

Piet van der Lende, Bijstandsbond