maandag 14 oktober 1996

Creatieve beleidsvorming


Sinds kort ben ik namens de Bijstandsbond betrokken bij een proces van 'creatieve beleidsvorming' in Amsterdam Oost. Doel van deze 'creatieve beleidsvorming' is voor het stadsdeel een beleid ter bestrijding van de verarming te bedenken. Hiervoor werden hulpverleners uit het stadsdeel en vertegenwoordigers van stedelijke organisaties van uitkeringsgerechtigden uitgenodigd. Dus niet eerst een beleidsnota, waar vervolgens commentaar op gegeven kan worden, nee, eerst wordt aan ons, vertegenwoordigers, gevraagd wat wij belangrijk vinden en via het ‘creatieve beleidsproces’ komen er dan voorstellen voor een nieuw beleid.
Op de eerste dag van het ‘creatieve proces’ werden 'aandachtspunten'genoteerd. Ieder van de vijftien aanwezigen mocht roepen wat hij of zij belangrijk vond. Dit werd op grote flap-overs geschreven, en aan het eind van de dag werden al deze aandachtspunten verwerkt tot 'beslispunten', 'randvoorwaarden' e.d. De bedoeling was dat bij het noemen van aandachtspunten niemand die van een ander zou afkraken. De rayonmanager beleid en communikatie van het rayon Oost van de Sociale Dienst stelde echter voortdurend aandachtspunten ter discussie. Ik konstateer bijvoorbeeld, dat veel gedetineerden  bij detentie hun huis kwijtraken, omdat ze de huur niet meer kunnen betalen omdat hun uitkering stopgezet wordt. De wijkagent die naast mij zit, bevestigt dit verhaal. De sociale dienst ambtenaar werpt tegen: ‘maar we hebben een regeling, waarbij het eerste half jaar de huur door de sociale dienst betaald wordt. Als ze een langere gevangenisstraf krijgen, niet, maar als ze dan uit de gevangenis komen, hebben ze binnen drie maanden een woning.’ Weg is de signalering van het knelpunt van de dakloze gedetineerden. Achteraf blijkt zijn verhaal echter niet te kloppen. Er zijn wel degelijk lange wachttijden voor woningzoekenden die uit de gevangenis komen!
Het tweede discussiepunt gaat erover dat niet kunnen lezen en schrijven een vorm van armoede is. De sociale dienst ambtenaar: ‘Er zijn mensen, die dat niet kunnen, en toch gelukkig zijn. Dit hoort dus niet bij het armoede beleid, je moet het beperken tot inkomensvoorzieningen.’
Ook werd gesteld dat als allochtonen die geld sturen naar het land van herkomst, in armoede leven, dat dit hun eigen schuld is. Dus de bijstandswet hoeft op dat punt niet te worden aangepast. Dan wordt de redenering opgezet dat allochtonen soms  een Mercedes kopen van fl 5000,- om naar het land van herkomst te gaan, en dat je dan de vraag moet stellen, of je ze nog wel inkomensondersteuning moet geven. Het is toch hun eigen keuze.
En als mensen arbeidsongeschikt zijn, en ze willen niet meewerken aan een psycho-sociale therapie, waarbij ze vervolgens weer arbeidsgeschikt zouden worden, dan is dat ook hun eigen keuze. ‘Een keuze om in de armoede te blijven, en in het beleid hoeven we daar dus geen prioriteit aan te geven.’
Tenslotte vertelt de sociale dienst ambtenaar trots over een projekt dat enige tijd geleden in Oost is opgezet. “Mensen voelen zich prettiger, als ze in een nette, opgeruimde buurt wonen, en in een huis dat netjes opgeruimd is en goed in de verf zit. Daarom hebben wij als sociale dienst een  klein projektje gestart, waarbij we mensen fl 110,- bijzondere bijstand gaven, om potten verf te kopen. Nou, het liep storm. Dat is ook weer een voorbeeld van hoe je mensen kunt stimuleren.”
De bijdragen van de andere mensen in het creatieve beleidsproces waren gelukkig heel wat positiever, anders zou ik er acuut mee ophouden.

Piet van der Lende




zondag 13 oktober 1996

De werkgelegenheidsmaffia en het Wisconsin model

De arbeidsbemiddelaars van allerlei diensten en instanties die de gelden voor de bevordering van de werkgelegenheid verdelen (door Ben Bugter, direkteur van Maatwerk-banenpool wel de 'werkgelegenheidsmaffia genoemd) hebben een nieuw speeltje ontdekt: het Wisconsinmodel. De notoire werklozenhater Eduard Bomhoff, professor in de ekonomie en columnist van NRC-handelsblad is het eerst met het Wisconsin model gekomen. Al die klaplopende uitvreters in de bijstand moeten streng aangepakt worden. Privatisering van de arbeidsbemiddeling en de sociale zekerheid is de slogan. Kort gezegd houdt het Amerikaanse model in, dat een partikulier bedrijf twee jaar werkloosheidsuitkering van een client krijgt. Die mogen ze sowieso houden. Als ze binnen die twee jaar de werkzoekende aan werk helpen, maken ze dus winst. Hoe eerder de werkzoekende werkt, hoe groter de winst. Het Wisconsinmodel zal binnnenkort ingevoerd worden in de Bijlmermeer, waar men 1000 langdurig werklozen binnen korte tijd aan "werk" hoopt te helpen.

privatisering

Er gaat het gerucht, dat er een besloten overleg tussen Ben Bugter, directeur van Maatwerk, en minister Melkert heeft plaatsgevonden bij de Wiardi Beckman stichting, het wetenschappelijk bureau van de partij van de Arbeid, en dat daarbij de mogelijkheden van het Amerikaanse model ‑als experiment in Amsterdam‑ aan de orde zijn gekomen. Ook op het DiVOSA-congres- het congres van direkteuren van sociale diensten was er een workshop, die aan het Wisconsin model was gewijd. Vooraanstaande ambtenaren uit Amsterdam zijn door werklozenhater Bomhoff voorgelicht over het Wisconsin model. Ze waren enthousiast. Binnenkort start een experiment in de Bijlmermeer. Je krijgt in Wiscinsin een gesprek van enkele uren. Eerst worden je problemen besproken. Dan worden je schulden gesaneerd. En drie uur later ga je de deur weer uit met een baan. Wat voor werk? Hoe wordt het betaald? Dat komt nauwelijks aan de orde. Werk is werk. Passende arbeid? Nooit van gehoord. Het blijkt verder, dat er bij dit enthousiast verdedigde model niet alles zo mooi is als het wordt voorgesteld. Mensen, die voor 20 uur tewerk worden gesteld, halen het sociale minimum niet, maar soms weigert in de Verenigde Staten het partikuliere bedrijf dat de bemiddeling doet dan een aanvullende bijstandsuitkering te verstrekken. De Amerikaanse overheid controleert dit niet. Minister Melkert heeft in het overleg bij de Wiardi Beckmanstichting gezegd, dat alleen de 'poortwachtersfunctie' van de sociale dienst, dus de eerste intakegesprekken, niet geprivatiseerd mogen worden, evenals de feitelijke beoordeling of iemand voor een uitkering in aanmerking komt. Dit is ook het standpunt dat de minister heeft ingenomen in onderhandelingen met Frank de Grave, staatssecretaris van sociale zaken van de VVD. Samen hebben ze een nota over de privatisering van de arbeidsbemiddeling en de sociale zekerheid gemaakt. Ondanks het standpunt van de minister gaan veel gemeenten al veel verder bij de privatisering. Zeker gezien het experiment in de Bijlmer. In dit verband is het ook interessant, dat de sociale diensten worden geprivatiseerd. Met name in Assen wordt niet alleen de uitkeringsadministratie, maar ook de beoordelings‑ en bemiddelingsgesprekken gevoerd door partikuliere organisaties.


Piet van der Lende

dinsdag 8 oktober 1996

Discussie in de Rode Hoed over de participatiewet van de Partij van de Arbeid d.d. 08-10-1996

De participatiewet is een wet tussen de bijstand en de werkne­mersverzekeringen in. Het is de bedoeling, dat deze wet geen partnertoets kent en geen vermogenstoets en ruime mogelijkhe­den voor scholingsverlof en bijverdiensten. Op die manier worden mensen middels een traject geactiveerd, overeenkomstig de manier waarop ze nu hun leven afwijkend van de maatman inrichten, bezig te zijn. De participatiewet kan zowel toe­stroom krijgen van bovenaf als van benedenaf. Dit vanwege het strategisch bewustzijn, dat je niet alleen een sociale zeker­heid voor de armen moet ontwikkelen, maar dat je de sociale zekerheid breed moet zien. Je moet ook een sociale zekerheid maken voor de middengroepen, zodat ze bereid zullen zijn ook de premies op te brengen voor de onderkant. De Partij van de Arbeid als coalitie tussen midden en arm. In de participatie­wet kunnen oa worden ondergebracht de WIK en ook volgens mij de melkertregelingen, maar ook scholingsverlof. 

Er zijn nu drie problemen in de samenleving gezien vanuit de sociale zekerheid. De zekerheid verlamt mensen nu. Zie de bijstands­wet. De problemen zijn: flexibilisering, armoede en verande­rende betekenis van zorgarbeid. Met de mensen uit de partici­patiewet, die tijdelijk is, wordt een activeringstraject afgesproken, dat in principe weer moet toeleiden naar de arbeidsmarkt, maar tijdelijke ontheffing van de sollicitatie­plicht zit er ook bij.

Door Derksen van de W.R.R. werd de volgende kritiek naar voren gebracht.
1. Er wordt geen rekening gehouden met de globalisering, de internationalisering van de economie, waardoor deze sociale zekerheid niet betaalbaar is en achterhaald voor zij is inge­voerd.
2. De sociale zekerheid en het wettelijk minimumloon verhinde­ren het ontstaan van goedkope banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Die banen zijn er nu niet. De PvdA kan beter focussen op een basisuitkering via de negatieve inkomstenbe­las­ting, waarbij faciliteiten bestaan om bij te verdienen via de flexibele arbeid en alleen voor de mensen die echt niet kunnen een aanvulling.
3. Er wordt geen rekening gehouden met de mondigheid van de burgers. De participatiewet is weer een vorm van verregaande bureaucratische betutteling. Je bent weer afhankelijk van de verzorgingsstaat en de overheid en daar wil de mondige burger nu juist vanaf.

Het rapport is tweeslachtig op dit punt en met zichzelf in discussie gebleven. Enerzijds activering, en zelfinitiatief bevorderen, anderzijds verregaande betutteling. De mensen moeten zelf maar invullen wat ze willen aan zekerheid naast inkomen. En zorg dan als overheid voor een garantie dat er voldoende werk is.

Adelmund: de internationalisering van de economie is een punt. Ik had tussen de twee rapporten die er nu liggen graag een derde gezien, namelijk de globalisering en alles wat daarmee samenhangt, zodat dit als scharnierpunt zou kunnen fungeren tussen de andere twee. Dit rapport gaat over de aanbod kant; wat gebeurt er als we niets doen, en wat moeten we anders met mensen die anders onherroepelijk buiten de boot vallen. Maar er is natuurlijk ook een vraagkant. Ik zou niet alle sociale zekerheid op een bepaald niveau willen; je moet niet capitule­ren voor de tijd­geest, die een scheiding aangeeft tussen de mid­denklasse en de onderkant. Beide groepen moet je bedienen, dus niet alleen een sociale zekerheid garanderen voor mensen op het minimum.
Er is ook geen tegenstelling tussen solidariteit en eigen initiatief. De solidariteit in de samenleving neemt juist toe.

Wat de werkgelegenheid betreft: we hebben aan verschillende groepen drie scenario's voorgelegd: wat willen jullie. Men kon kiezen uit: niets doen, met 1 miljoen mensen in de bijstand, melkert als minister president en 1 miljoen melkertbanen en geloof ik een soort basisinkomen scenario, waarbij toch mensen worden uitgesloten van werk. Men wilde dan toch het liefst het tweede. Je moet de redenering van volledige werkge­legenheid niet opgeven. Men wil vasthouden aan de herverde­lingsoperatie, via atv en deeltijdwerk. Niet opgeven. Als je dat opgeeft, leg je je neer bij de tweedeling in de samenle­ving.

Na de pauze was een punt van kritiek dat werd gezegd: er komt een gigantische bureaucratisering als je al die trajectplannen moet gaan opstellen en bovendien een wet schuift tussen de werknemersverzekeringen en de bijstand.
Bovendien worden de armen door deze wet niet geholpen. De wao en de ww worden afgebroken, al die mensen zitten al op het minimum. De bijstand is veel te laag. Wat wordt daarvoor gedaan?

Antwoord Adelmund: dit is nu eens niet een nota die streeft naar bezuinigingen, maar naar anders, beter. De pvda maakt zich sterk tegen aantasting van hoogte en duur van de uitke­ringen en er moet meer poen komen voor de mensen op het mini­mum. We willen verbeteringen. De participatiewet biedt moge­lijkheden om jezelf door eigen initiatief te verbeteren en doorstroming leidt tot vermindering van armoede.

Daarna wordt er gediscussieerd over het 'stabiliteitspact'. Dit houdt in, dat er informele afspraken zijn gemaakt over de hoogte van het financieringstekort in de verschillende landen, dit zijn echter informele afspraken die geheel verschillend worden uitgelegd. Men zegt dat de afspraken in dit pact zo stringent zijn, dat er geen ruimte overblijft voor een sociale paragraaf, waarbij een goede sociale zekerheid kan worden opgebouwd.
In Belgie schijnt een wet op de loononderbreking te zijn, waarbij iemand gedurende zijn leven maximaal vijf jaar verlof mag opnemen.
De directeur van de openbare bibliotheek treedt naar voren. Hij heeft vele honderden werknemer sin dienst, waarvan 70% flexibel werkt. Men is daar zeer tevreden over. Er wordt te gemakkelijk gepraat over om nu maar de lasten bij de werkge­vers te leggen voor een goede sociale zekerheid op basis van flexwerk. (Premies betalen en rechten opbouwen per uur.)
Als ik meer moet gaan betalen voor dit flexwerk waar iedereen tevreden over is, kon ik het wel eens gaan veranderen.

Antwoord Adelmund: werkgevers en werknemersorganisaties waren over de flexwerkers waarover het kabinet het moeilijk eens konden worden veel sneller akkoord, ook de werkgevers. Men beseft wel, dat verbetering van de arbeidsvoorwaarden van de flexwerkers noodzakelijk is. Met name in deze sector bestaat een groot tekort. Als de voorwaarden niet verbeteren, kunnen ze geen mensen krijgen en werkgevers willen graag flexibilise­ren. Dus een sociale zekerheid eraan koppelen, die dit moge­lijk maakt. Het lijkt wg waardevol, om meer flexwerkers te hebben. Het kan op verschillende manieren gefinancierd worden, statiegeld op arbeid, premiedifferentiatie in de ww.

Tenslotte: de participatiewet is juist een gigantische vereen­voudiging.
Adelmund merkte tenslotte op, dat de werkgelegenheidsdiscussie telkens weer terugkwam, maar dat dit niet de probleemstelling was. Aan de ene kant zijn er mensen, die zeggen: volledige werkgelegenheid is onhaalbaar geworden, aan de andere kant zeggen mensen: pvda, eis veel meer banen in de collectieve sector. Dit rapport zit er als ik het goed begrijp tussenin. De discussie over de volledige werkgelegenheid is een sudder­lapje.
De pvda zou in haar vorige verkiezingsprogramma het boete­kleed hebben aangetrokken over de wao. Hoeveel as enzovoort. Maar nu moeten we iets nieuws.


Ine: wat is de participatiewet anders dan de bijstand, qua hoogte van uitkering en zo, minus de bijverdienste, de part­nertoets en de vermogenstoets?.

maandag 9 september 1996

Diskussie in De Balie op 9 september 1996.

Voorzitter is Jan Tromp. Deelnemers aan de discussie zijn Deetman, Ben Knapen, Guikje Roethof, H van Gunsteren en G. vd Brink. De voorzitter zegt, dat de Volkskrant en De Balie dit model vaker willen gaan toepassen. Eerst een serie artikelen in de krant en daarna een discussieavond. De volgende discus­sie is over de vakbeweging.

G vd Brink houdt een klein toespraakje. Hij zegt oa dat de huidige ontwikkeling in de politiek het eindpunt is van een ontwikkeling, die al in de vijftiger jaren is ingezet. Er is een grotere invloed van de ambtelijke bureaukratie en van de massamedia, dan vroeger.
Van den Brink heeft twee stellingen voor de discussie.

1. De globalisering wordt door de politici te gemakkelijk aangegrepen om te betogen, dat ze niets kunnen doen. Zij maskeren daarmee hun eigen onmacht. Hij wil het nu eens niet over de globalisering hebben.
2. De demokratische besluitvorming is niet gebaat bij profes­sionele politici. Professionals hebben de neiging, zich steeds meer in de eigen wereld terug te trekken. Er is op basis van de intervieuws die vd Brink voor zijn boek heeft gehouden de conclusie mogelijk, dat burgers en politici steeds minder een
gemeenschappelijke definitie hebben van de werkelijkheid. Ze gaan van verschillende ervaringswerelden uit. De politicus moet opereren in een soort luchtledig.

vd B trekt uit deze twee stellingen de conclusie, dat een herstel van politieke idealen noodzakelijk is. Hij wil niet terug naar de maakbaarheid van de samenleving, maar dit bete­kent niet, dat beginselen er als ijkpunt niet meer toe doen.
Er is een vruchtbaar evenwicht noodzakelijk tussen de begin­selen vrijheid, gelijkheid en broederschap. Met de eerste gaat het wel, met de tweede gaat het moeilijker en over de derde
hoeven we al niet meer te praten. De laatste twee grote idea­len staan in toenemende mate onder druk.

Er wordt verder gediscussieerd over de betekenis van de grote opkomst cq belangstelling deze avond. Is er wel een onbehagen in de politiek, en wat voor conclusie kan daar uit worden getrokken?. Is er wel een kloof tussen de burgers en de poli­tiek?
Ben Knapen: de kloof is een fictie. Kijk maar naar de opkomst bij de verkiezingen en naar de vele demonstraties die worden gehouden zoals van de WAO en de boeren. (Knapen: wanneer heb
ik ook al weer voor het laatst met mijn auto vastgezeten in een file? Bij de demonstratie van de boeren geloof ik).
Deetman gelooft ook niet in een kloof, maar er is wel afstand tussen de burgers en de politiek. Mensen hebben tegengestelde belangen, en de politiek moet een afweging maken. Dan kan het
besluit wel eens sommige burgers onwelgevallig zijn. Nu kun je zeggen: dat is van alle tijden, maar je kunt ook zeggen ik maak me wel druk over die afstand, de kloof/afstand tussen de burgers en de
poltiek moet zo klein mogelijk zijn.
Vervolgens volgt weer een niet interessante discussie over de mogelijke invulling van desinteresse en onbehagen.
Ben Knapen heeft in zijn artikel de 'staatsverlaters' van Hofland aangehaald. Typeert dat onze tijd?. Mensen die zich­zelf financieel en anderszins wel redden, die zich afwenden van de staat, die ook niet nodig hebben en die geen boodschap hebben aan de gemeenschap/de staat.
Ben Knapen zegt dat het om een betrekkelijk nieuwe groep gaat, de staatsverlaters in de middenklasse. Dat die nieuwe groep die geen boodschap heeft aan de gemeenschap er is, is veront­rustend, het betekent dat er iets aan de hand is, iets fout is.

De voorzitter wil naar de rol van politici. Daar kun je con­creet wat aan doen. Wat heeft het gedrag van de staatsverlaters tot gevolg?
Ten eerste stapt men uit de politieke partijen. Ten tweede worden de traditionele kaders van de politieke partijen, de Kamer en nationale overheid minder belangrijk. De politieke belangenbehartiging zoekt andere kanalen. Men organiseert zich op single issues. Guikje Roethof: dat bete­kent, dat politici een probleem hebben. Aan de ene kant is er weinig belangstelling om deel te hebben aan de discussies in politieke partijen, waar afwegingen plaatsvinden. Aan de andere kant is er veel belangstelling deel te nemen aan dis­cussies over single issues, die vaak tegenstrijdig zijn.
Mensen zien het verband niet tussen al die issues, dat verband moeten politici wel zien, en op basis daarvan keuzen maken, die de mensen dan weer niet begrijpen. Guikje zegt, dat ze er niet in slaagt, mensen enthousiaster te maken voor politieke partijen en om de 4% Nederlanders die lid is van zo'n partij groter te maken. De partijen recruteren uit die 4%. Dit bete­kent, dat wij in besturen lijden aan een tekort aan bekwaamhe­den en talenten en daarbij moeten wij de opmerkingen van de burgers "het is een bende" vertalen naar de politiek toe en omgekeerd de politiek vertalen naar de mensen die zeggen het is een bende. Dat laatste is moeilijk. Het dagelijks werk met zijn technische ingewikkelde regels en wetten is moeilijk te vertalen naar de passagiers van tram negen.

Vd B zegt, dat de politici daardoor in een luchtledig zitten, tussen de technische discussies en de passagiers van tram negen in. (of zo)
Deetman: een deel van de burgers kan het zich veroorloven de staat en de politiek te laten voor wat het is, ook financieel. Men wordt van daaruit kritisch en hangt een beeld op van die klungels daar in Den Haag. De politiek zou zich beter moeten presenteren naar de kiezer toe, maar dat is een probleem.
In Den Haag is sprake van een verkokering, een toenemende specialisatie waarbij men de grote verbanden niet meer ziet. In Den Haag is de waan van de dag aan de orde en niet de visie
en de samenhang die zo noodzakelijk is om de politiek over het voetlicht te brengen. Het is echt een probleem dat de politiek in beslag wordt genomen door dagelijkse problemen.
De lange termijn visie komt in de pers ook niet voor het voetlicht, dat heeft geen nieuwswaarde. Er is geen forum voor die visie. De aandacht is sterk gericht op de incidenten en het spectaculaire. De politici spelen daarop in, doen daaraan mee. De lange termijn visdie komt niet in de krant. Wie praat
er nu over de Enquetecomissie van Zeil (?).
G vdb merkt naar aanleiding van het betoog van Deetman het volgende op. De media zijn belangrijke kanelen voor de opinie­vorming geworden voor de politici. Vroeger waren de kanalen vertikaal georganiseerd op basis van het zuilen systeem.
Opdrachten van boven die naar beneden toe vertaald werden en omgekeerd. Daar is niks meer van over. Nu:
1. De rol is overgenomen door de media, die het incident zoe­ken. Al is er wel een onderscheid tussen de diverse media. De krant biedt meer mogelijkheden op de dingen in te gaan.
2. De rol van de ambtenaren. Er is een enorme abstraktie en rationalisatie, vertechnisering van de problemen en afwegin­gen, die worden vertaald naar de politici die daarmee werken.

De voorzitter stelt de vraag: als het allemaal zo belabberd is, waarom grijpt de politieke elite dan niet in?.
G vd B: het vermogen om intuitief en op basis van idealen besluiten af te wegen en te nemen is afgenomen. Dit komt door de invloed van de media die geconcentreerd is op incidenten.
Ben Knapen vindt de vergelijking met het zuilensysteem en nu onzin. Er is reeds vijftig jaar geen zuilen systeem meer. Dat is geen realistische vergelijking. De politici moeten de kiezers zien te verzamelen, ze hebben een legitimatie nodig. Dat is realistisch. Europa heeft een grote invloed, de kiezers via achterdeur laten weten dat je de dingen niet kunt verande­ren, dat je niets kunt doen. Eerst moet je aangeven, wat de mogelijkheden zijn. En als het contrast tussen wat je kunt en
wilt groot is daarover spreken op een realistische basis. De politiek is niet alleen een spel.

H v Gunsteren doet ook een duit in het zakje. Dat niet over principes wordt gediscussieerd is onzin. Juist in incidenten worden principes uitgevochten, juist daar moeten politici zoeken naar het verleggen van de grenzen van het mogelijke. Dat is iets anders dan wat Ben Knapen wil, een realistische politiek. Politici moeten ook nieuwe dingen durven te onder­nemen.

donderdag 22 augustus 1996

Kanttekeningen bij Van Berkel c.s. 'uitkeringsgerechtigden en vakbeweging in een moderniserend arbeidsbestel'.

Het grappige vind ik, dat ik bij het lezen van het boek de­zelfde thema's analyses en kritiek op arbeid tegenkwam als in de uittreksels van Johan en Ton.
Alle drie de boeken hebben kritiek op het arbeidsbegrip van Gorz, dat blijkbaar een dankbaar aangrijpingspunt is om het verschijnsel arbeid te analyseren. Gorz maakt een onderscheid tussen autonome en heteronome arbeid. Autonoom is, dat mensen in zelfontplooiing zonder al te veel formele verplcihtingen een verband leggen tussen arbeid en vrije tijd, produceren en consumeren, etc. Heteronome arbeid is arbeid in loondienst in fabrieken of voor een werkgever. Gorz wil de bevrijding van de arbeid vervangen door een bevrijding uit de arbeid.
Deze optie van Gorz wordt in het uittreksel van Johan bekriti­seerd met: " daarom is bevrijding van de arbeid (bedoeld wordt neem ik aan uit de arbeid) in absolute zin een illusie. Arbeid kan bovendien ook vervulling en vreugde zijn". En bij Ton: "Volgens C is juist overleven de zin van het bestaan, terwijl bij Gorz het opkomen voor het eigen bestaan, geld verdienen telt als verslaving, het tegendeel van autonomie".
Deze kritiek op Goprz komen we ook tegen in het boek van van Berkel. Het grote voordeel van dit boek is, dat een poging wordt ondernomen een onderling verband te analyseren tussen:
1. het arbeidsbegrip. Dit wordt geanalyseerd adhv de begrippen van Gorz en een kritiek erop.
2. Het functioneren van sociale systemen. Dit gebeurt adhv de structuratieteorie (er is geen dualiteit tussen systeem en indidvidu maar een dualiteit binnen sociale systemen). De vakbeweging is ook een sociaal systeem.
3. De positie van uitkeringsgerechtigden en werkenden in de maatschappij en hun relaties met belangenorganisaties en vakbonden.
Je opvattingen van het begrip arbeid hebben kort gezegd gevol­gen voor het sociale systeem (werklozen bevestigen door voort­durend te solliciteren het baanstelsel). Ook in de vakbeweging hebben opvattingen over arbeid gevolgen voor de organisatie­structuur van de organisatie (hoeveel zeggenschap geef je aan welke groepen) en voor het beleid dat gevoerd wordt. (Wat breng je aan eisen in bij welke onderhandelaars).
Het nauwe verband tussen die drie dingen wordt in het boek onderzocht adhv de methode van het exemplarisch handelingson­derzoek. Daarbij zijn onderzochte en onderzoeker gelijkwaar­dig, en hebben zij beiden zowel invloed op het onderzoekspro­ces als op het beleid van de organisatie van de onderzochten. (ic de vakbonden). Doelstelling is het zichtbaar maken en ter discussie stellen van routinematige zingeving. (handelingen van individuen hebben onbedoelde gevolgen en de doelstellingen zijn vaak niet bewust).Door het leggen van verbanden tussen de drie bovengenoemde punten ontstaan mogelijkheden voor concrete veranderingen.
Enerzijds blijft de analyse filosofisch, zoals Coolsaet en Zwart doen, anderzijds wordt dit verbonden met het concrete handelen van mensen.

woensdag 24 april 1996

Werkconferentie over de problematiek van minima en armoede in Amsterdam

Werkconferentie over de problematiek van minima en armoede in Amsterdam d.d. 24 april 1996 in het stadhuis van Amsterdam.

Aanvullingen op de verslagen die zijn gemaakt en gepubliceerd in het rapport 'Amsterdamse Cahiers' onder red. van Els de Boer en Jeroen Slot.

De toespraak van E. J. Goosen, wnd directeur Crediam is niet goed verslagen. Hij somde de diverse knelpunten mooi op die in de schuldhulpverlening zitten, maar daarvan kwam weinig terug in het verslag. Er is een cie afstemmingsoverleg, die een signaleringsfunctie heeft. De verschillende organisaties die zich met schuldhulpverlening bezig houden zitten op eilanden, de communikatie tussen de organisaties moet beter worden. De cie afstemmingsoverleg zal voortgangsrapportages maken. Daarin staan bevindingen met aanbevelingen. De uitvoering van het noodfonds gaat naar de kredietbank. Er is ook nog een schuldhulpfonds. Gemiddeld wordt er 2300,- aam krediet verstrekt in totaal 2,3 miljoen. De voorwaarden om voor zo'n schuldhulpfonds in aanmerking te komen zijn onvoldoende bekend. Er zijn vele andere knelpunten.
1. Er is geen geintegreerde schuldhulpverlening. De verschillende organisaties werken langs elkaar heen.
2. Er is een diversiteit van normen bv bij het vaststellen van de aflossingscapaciteit bij de verschillende instanties. De Kredietbank gaat uit van 94% van het minimum. Alles wat daarboven zit kan gebruikt worden voor schuldaflossing. Er zijn ook normen vatsgelegd door het overleg van crediteuren en volkskredietbanken. Daar is een soort gedragscode uitgerold De crediteuren spelen de verschillende organisaties die zich met schuldhulpverlening bezig houden tegen elkaar uit. De gedragscode schuldenregeling zou bij alle organisaties van toepassing moeten zijn.
3. het komen en gaan van commerciele bemiddelingsbureau's is ook een belangrijk knelpunt. (zie de juwelier op de Albert Cuypmarkt). Bureau's die zich rechtstreeks tot de clienten wenden zijn over het algemeen onbetrouwbaar. Vaak worden er hoge bedragen voor de bemiddeling gevraagd. Deze gevallen zijn aangemeld bij de Economische Controle Dienst (ECD)
Er zijn ook commerciele bureau's die iets betrouwbaarder zijn (?) en die zich op de bestaande instellingen richten. Zij hebben een soort bemiddelingsrol. Ten aanzien van deze bureau's wil het afstemmingsoverleg geen kwalitatief oordeel uitspreken.
4. Een volgende knelpunt is het wel of niet adequate inkomensbeheer. Er zijn veel organisaties, maar veel mensen komen niet voor bemiddeling in aanmerking. Sommigen werken met een budgetregeling, anderen met een zakgeldregeling en weer anderen met een doorbetalingsregeling. Dit zijn primair taken die door een gemeentelijke instelling uitgevoerd zouden moeten worden.
De cie afstemmingsoverleg wil:
- trajecten met integrale schuldhulpverlening op poten zetten.
- De bekendheid van het schuldhulpfonds moet groter worden.
-inkomensbeheer moet voor iedereen toegankelijk worden. Ook kijken naar participatie en nut. De cie afstemmingsoverleg heeft een verzoek gericht aan de gemeente om tot een stedelijk bureau voor schuldhulpverlening te komen.


verslag diskussie in de werkgroep uitsluiting activering en maatschappelijke participatie

Officiele verslag gemaakt door jens Roep

Er is een sector maatschappelijke opvang en zorg van de afdeling MGZ. (Kan inmiddels veranderd zijn met de reorganisaties van MGZ). Deze afdeling houdt zich bezig met de "uitvallers"
Er is opvang voor vrouwen in onhoudbare gezinssituaties, opvang van psychiatrische patienten en van daklozen. Door de gemeente wordt 23 miljoen uitgegeven voor maatschappelijke opvang van deze groepen. maar een groot gedeelte van de opvang wordt gefinancierd door de AWBZ en de psychiatrie. Er is een overlap tussen maatschappelijke opvang en psychiatrie. Tussen de 2 en de 50% van de daklozen heeft psychische problemen. De aantallen daklozen in Amsterdam is onbekend. Er zijn wel steeds schattingen. In de loop van een jaar komen er vele duizenden daklozen aanwaaien en verdwijnen weer. Er zijn op zeker moment 2000 verschillende mannen in de opvangcentra. Het zijn vele nationaliteiten, het is een mondiaal probleem. Iedere nacht slapen 250 mensen buiten. Er zijn 160 plaatsen in het passantencircuit en 1000 (2000?) plaatsen in de sociale pensions. Daarnaast is er een uitgebreid circuit van begeleid wonen. Voor de vrouwenopvang zijn 300 plaatsen beschikbaar terwijl het aantal aanmeldingen vorig jaar 3800 was. Daarvan zijn er 1400 gehonoreerd. De helft is afgewezen omdat er geen plaats is. Die zijn elders ondergebracht (?)
2000 mensen per jaar worden opgenomen in de psychiatrie waarvan de helft meerdere opnamen heeft. Er zijn ook veel mensen die met strafontslag uit de gevangenis worden gestuurd. Dit is een grote groep potentiele daklozen.
Vervolgens doet zich de vraag voor, hoe dakloosheid en psychiatrische problemen kunnen worden voorkomen door de overheid.
Er zijn drie nivoos.
1. de primaire preventie. Hoe kun je als overheid voorwaarden creeeren dat de problemen niet ontstaan. Goed onderwijs/betaalbare woningen inkomenspolitiek. Het effect van deze maatregelen is niet te meten.
2. Secondaire preventie. Risicogroepen via een gerichte aanpak benaderen en maatregelen nemen dat ze niet uit de boot vallen.
3. tertiaire preventie. Zosnel mogelijk mensen laten terugkeren in de hoofdstroom van de samenleving en voorkomen dat het nog erger wordt. De literatuur over dit onderwerp belicht twee kanten, nl het persoonlijk onvermogen van de betrokkene en de strukturele en maatschappelijke redenen. Beide moeten bij een preventief beleid aan de orde komen.
Wethouder van der Geissen zal in dit verband een actieplan preventie produceren waarbij vooral de problematiek van dak-en thuislozen en vrouwen aan de orde zal komen. We moeten niet alleen denken aan het creeeren van voorzieningen, we moeten het breder zien, verhuurders van woningen en stedelijke diensten moeten op hun beleid worden aangesproken. Binnenkort komt de nota uit.
Er zijn dus drie belangrijke dingen:
1) huisvesting 2) inkomenspositie 3) samenhang in het circuit van de hulpverlening. Hierbij kan een les worden getrokken uit het incident in de Vrolikstraat.
Daarover wordt in de werkgroep uitgebreid gediskussieerd.
Er is eigenlijk in de stad een enorme hulpverleningsdichtheid, maar de mensen werken langs elkaar heen, wat ook al bij de schuldhulpverlening ter sprake kwam. De dader was al diverse malen door buurtbewoners bij diverse instellingen gesignaleerd, maar die deden niets. Eigelijk bestond er een systeem van gespreide verantwoordelijkheid, waardoor niemand zich verantwoordelijk voelde. De verschillende instellingen zijn er alleen maar op gespitst, hun terrein af te bakenen. Er was in dit geval een te late en en een te weinig op elkaar afgestemde interventie.
Een van de discussianten haalt het verhaal van Jos van der Lans aan - het nieuwe paternalisme. Die kant moeten we op. We moeten voorkomen, dat mensen uit hun huis gezet worden. Er moet voor de diverse instellingen een draaiboek komen hoe om te gaan met huurschulden. Netwerkbenadering met alle instellingen van belang. Proberen alle signalen op een plek te krijgen=op elkaar afgestemde hulpverlening. De vrouwenhulpverlening moet beter worden aangepakt. Daders plus weerbaarheidstraining. Meer crisisachtige voorzieningen = passantenvoorzieningen. Snel en kort en intensief intervenieren. Risicogroepen vroegtijdig opsporen en een op elkaar afgestemnde aanpak. In het Westerpark is een netwerk burenoverlast. Vroegtijdige interventie/ uitval voorkomen en integratie bevorderen. Er worden 1100 mensen per jaar uit hun huis gezet.


P vd Lende

woensdag 10 april 1996

Gesprek van Komitee Amsterdam tegen Verarming met Cees Huls­man, gemeenteraadslid voor Groen Links, 10-04-1996 op het stadhuis

Wij stellen de vraag, of het waar is dat op de voorzieningen in de buurten zoals het sociaal-cultureel werk, de buurthuizen en de wijkopbouworganen in het nabije verleden drastisch bezuinigd is en of wij op de minimaconferentie aan de orde kunnen stellen, dat dit teruggedraaid moet worden, omdat de voorzieningen niet op peil blijven.

Cees antwoordt, dat de bevoegdheden van de centrale gemeente voor de uitgaven ten behoeve van welzijnsinstellingen tot nul zijn teruggebracht. Bij de instelling van de stadsdeelraden is destijds een eenmalig bedrag vastgesteld. Later is nog een poging gedaan, vast te stellen of dit bedrag wel juist was, door een poging te doen, de uitgaven van de stadsdeelraden te vergelijken met de uitgaven voor dit beleidsonderdeel bij zelfstandige gemeenten. Dit was moeilijk, omdat zelfstandige gemeenten meer zelfstandige taken hebben. Maar je kunt toch zeggen, dat gepoogd is, de verschillende taken zodanig uit te splitsen, dat een vergelijkbaar beeld ontstond. Het ging bij deze discussie overigens niet zozeer om het totale bedrag dat van de centrale gemeente komt, maar om de verdeling tussen de stadsdelen. Daarvoor zijn toen criteria bedacht. Er wonen zoveel allochtonen, zoveel minima, zoveel werklozen, zoveel ouderen, en daar zijn die en die voorzieningen voor nodig. Op basis van die criteria is een sleutel bedacht voor de verde­ling over de stadsdelen. Dat was in totaal dus niet een lager bedrag dan de gemeente uitgaf. Maar, zeiden de stadsdelen, jullie geven ons schoolgebouwen en zwembaden met achterstallig onderhoud, daar moet geld bij. Toen is het bedrag tijdelijk verhoogd met wat wel genoemd werd de "Etty-gelden".

Er is eigenlijk vanuit de centrale stad niet rechtstreeks op welzijnsvoorzieningen bezuinigd wat het bedrag betreft, maar er is op twee andere fronten wel fors bezuinigd:
1. Tijdens het proces van decentralisatie zijn de bijdrage van de gemeente aan het onderwijs boven de rijksgelden die in totaal 80 miljoen bedroegen, drastisch teruggeschroefd. Er is 60 miljoen vanaf gegaan. De bijdrage is nu dus 20 miljoen. Het argument daarvoor was, dat het de bedoeling was, dat met die gelden iets extra's gedaan werd, naast het gewone schoolpro­gramma, maar dat gebeurde nauwelijks, de scholen beschouwden het gewoon als een vaste inkomstenbron naast alle andere voor het reguliere schoolprogramma. De bestuurders vroegen zich af wat dan het effect van zo'n bijdrage zou zijn naast de gigan­tische rijksbijdragen die misschien wel in de miljarden loopt. In dit opzicht hebben de stadsdelen dus een bezuinigingstaak opgelegd gekregen. Maar ze waren/zijn vrij, om die bezuinigin­gen naar eigen goeddunken uit te voeren. Ze hoeven niet perse op onderwijs te bezuinigen. Sommige stadsdelen hebben de bezuinigingen gevonden door efficiency en effectiviteitsmaat­regelen. Andere stadsdelen zijn in diverse posten gaan snij­den: welzijnsvoorzieningen, straten, onderwijs.
2. Het decentralisatieproces naar de stadsdelen toe was ook een gigantische bezuinigingsoperatie op het ambtenarenapparaat naar de stadsdelen toe in de apparaatssfeer. Ook hier was het probleem, dat als de stadsdelen er niet in slaagden, te bezui­nigen op het apparaat, dat het dan bijvoorbeeld uit de vuil­nisophaal moest komen.
In het begin wilden de stadsdelen de buurtbewoners niet voor het hoofd stoten en is er relatief weinig bezuinigd op wel­zijnsvoorzieningen. Zo zijn er in het begin bijvoorbeeld kinderopvangvoorzieningen gerealiseerd. later werd dit minder omdat er bezuinigingstaakstellingen op de stadsdelen afkwamen. Een derde van het totale budget van de gemeente gaat naar de stadsdelen, dus als de gemeente een bezuinigingstaak­stelling vaststelt, moeten de stadsdelen die ook voor een derde dragen. In sommige stadsdelen is dus wel bezuinigd op sociaal-cultu­reel werk, in andere weer niet.
3. De stadsdelen zijn ook verantwoordelijk voor het maatschap­pelijk werk. Er is daar niet echt bezuinigd, maar aan de andere kant zijn allerlei noodzakelijke uitbreidingen ook niet uitgevoerd. Sommige stadsdelen zijn erin geslaagd de kwaliteit van de dienstverlening toch te verbeteren, door bijvoorbeeld ouderenzorg, maatschappelijk werk, sociaal raadslieden etc. onder te brengen in een voorziening. Dan kun je besparen op de overheadkosten, omdat al die clubs niet volledig zelfstandig zijn maar bij elkaar in een gebouw zitten.

Groen Links gaat een armoedenota uitbrengen, waarin wordt gevraagd, het maatschappelijk werk weer op peil te brengen. Het maatschappelijk werk, dus de stadsdelen, hebben een be­langrijke taak in de budgettering en de schuldhulpverlening, waarbij contracten zijn afgesloten met Crediam, dat zij de onderhandelingen met de schuldeisers doen, en het maatschappe­lijk werk de verdere hulpverlening, in samenwerking met het STIB.

Wij stellen de vraag, of niet kan worden gezegd, dat allerlei grootschalige projekten, zoals de Noord-Zuid lijn van de metro betekenen, dat er minder geld is voor de minima, of dat de gemeentelijke lasten omhoog moeten. Uit de nota "Amsterdam naar 2000" dat de basis was voor de onderhandelingen over de VINEX-akkoorden bleek, dat de financieringsstruktuur voor die grote projecten gebrekkig was, en dat er bezuinigd moest worden in de reguliere begroting om alles rond te krijgen. Naast de grote rijksbijdragen werd immers ook een substantiële bijdrage van de gemeente Amsterdam gevraagd. Er is, luidt dan de conclusie, geen geld voor de minima, er komen nieuwe bezui­nigingen op ons af.
Cees is het niet eens met deze redenering. Bij de planning van de aanleg van Nieuw-Oost is een afweging gemaakt van de kosten en baten. Dit project wordt geheel gefinancierd uit de verkoop van de kabel. De woningbouwverenigingen waren aandeelhouder van de kabel, en zij gebruiken het geld om te bouwen in Nieuw Oost. Dit heeft verschillende voordelen. Er ontstaat een wijk, waar mensen willen wonen, die anders zouden wegtrekken uit de stad. Deze rijkeren kunnen ook een bijdrage leveren aan de gemeentefinanciën, en bovendien is het zo, dat daardoor het inwonertal van de gemeente weer wat groter wordt en dus de bijdrage uit het gemeentefonds. Zo is een afweging gemaakt van wat levert het op en wat kost het. Er zijn nog andere voorde­len. Als de mensen die in Amsterdam werken hier ook blijven wonen, heeft dat consequenties voor de reisafstanden, het gebruik van de auto. Mensen wonen dan niet buiten de stad.
Wat betreft de Noord-Zuid lijn wordt een 5 procentsbijdrage gevraagd van de gemeente Amsterdam. Dat betekent op een begro­ting van een miljard ongeveer 50 miljoen. Daarvoor is in de gemeentebegroting wel ruimte te vinden door geld te lenen, waarbij je aan rente en aflossing jaarlijks 6 of 7 miljoen moet betalen, gespreid over een groot aantal jaren. Je kunt op dit moment zeggen, dat door de drastische bezuinigingen met name op het ambtenarenapparaat, die hiervoor werden genoemd, de gemeente aardig financieel rond komt en dat er voor nieuw beleid jaarlijks toch wel zo'n 10 tot 20 miljoen beschikbaar komt, het ene jaar wat meer, het andere jaar wat minder.

Wij brengen naar voren, dat de rijksbijdrage aan het gemeente­fonds toch drastisch wordt teruggeschroefd. Ook dit heeft volgens Cees voor Amsterdam weinig consequenties, want er vindt tegelijkertijd een verschuiving in de verdeling van de gelden plaats, waardoor Amsterdam veel meer geld krijgt en andere gemeenten minder, zoals Amstelveen. Het rijk zegt, als jullie die bezuinigingen willen opvangen, dan moeten jullie de onroerend goed belasting maar verhogen op de duurdere huizen van de mensen met hogere inkomens.

Wij zeggen dat dan hierop doorredenerend onze bijdrage aan het minimadebat niet zou moeten zijn, er wordt ontzettend veel bezuinigd, er is nergens geld voor, alles wordt minder, we zijn tegen al die bezuinigingen, maar er is nu ruimte in de gemeentelijke begroting voor een anti-armoedebeleid, Amsterdam doe er wat mee. Cees is het daarmee eens. We moeten erop letten dat we niet links gepasseerd worden door De Grave. Die heeft al gezegd, dat er meer mogelijkheden komen voor kwijt­schelding van gemeentelijke heffingen. Groen Links is ten eerste voorstander van een daluren kaart op de tram, die je kunt kopen met de stadspas. Dan zou je pas wat aan die pas heb­ben. Bovendien zou de maatregel kunnen worden genomen, dat mensen in de bijstand automatisch kwijtschelding krijgen van gemeentelijke heffingen.
Verder zouden wij op de conferentie aan de orde kunnen stel­len: de stadsdelen moeten voor goede voorzieningen zorgen, en voor een goede schuldhulpverlening. Loopt dat wel goed? We zouden kritiek daarop naar voren kunnen brengen en daarmee de relatie stadsdelen-centrale stad, of er wel genoeg geld voor komt. Bovendien wat die voorzieningen op bijvoorbeeld sociaal-cultureel terrein betreft: de gemeentelijke sociale dienst en de wethouder zitten op de lijn van de sociale activering mensen moeten gestimuleerd worden om betaald dan wel onbetaald werk te doen, cursussen te volgen, etc. Wat je daar verder ook van vindt, zijn er in de buurten wel genoeg voorzieningen, om voor en door al die mensen activiteiten op touw te zetten? Over dit thema gaat Matrix binnenkort een conferentie organi­seren.

Wij stellen de vrijstelling van de sollicitatieplicht en de onkostenvergoedingen voor vrijwilligers aan de orde. De ge­meen­teraad heeft uitdrukkelijk vastgesteld, dat deze vergoe­dingen voor veel vrijwilligers zoals langdurig werklozen moeten gelden, dit is door het CDA en Groen Links in de dis­cussie aan de orde gesteld, maar niet verder in de officiële stukken vastgelegd; het mag dus niet alleen gelden voor vrij­willigers, die dit werk doen in het kader van een traject dat toeleidt naar de arbeidsmarkt. Als dit door de sociale dienst te eng wordt geïnterpreteerd zouden we dit in de vorm van een raads­adres aan de orde kunnen stellen. Dan volgt er een dis­cussie over in de gemeenteraad.

We stellen aan de orde, dat vergoeding van duurzame gebruiks­goederen uit de bijzondere bijstand nu niet mogelijk is, Cees vraagt, of wij dan een vergoeding willen of leenbijstand, waarvoor geen rente hoeft te worden betaald. Wij zeggen, dat bijvoorbeeld iemand op een minimum wier wasmachine na 5 jaar versleten is, een vergoeding moet krijgen uit de bijzondere bijstand om een nieuwe aan te schaffen. We discussiëren verder over het declaratiefonds, zoals dat in Dordrecht is ingevoerd. Zien wij iets in een dergelijk fonds voor vergoeding van kosten van het maatschap­pelijk verkeer ten bedrage van 100 tot 200 gulden per jaar bijvoor­beeld naast de stadspas? Wij wel.

Verder onderzoekt Groen Links of er categoriale toepassingen van de bijzondere bijstand mogelijk zijn, dat mag nu, Groen Links denkt aan ouders met middelbare scholieren. Weten wij nog andere groepen?
Een maatregel, om mensen die langer dan een bepaalde periode in de bijstand zitten categoriaal een extra bijdrage te geven wordt niet overwo­gen. Ine zegt, dat de balansuitkering in Rotterdam ook mislukt is, omdat de criteria zo streng waren, dat slechts drie mensen ervoor in aanmerking kwamen.
Wel overweegt Groen Links om de draagkrachtberekeningen voor de bijzondere bijstand aan de orde te stellen, en dan bijvoor­beeld dit voor mensen die langer in de bijstand zitten soepe­ler uit te voeren. Of bijvoorbeeld ook voor mensen, die iets boven het minimum zitten. Dit verlaagt de armoedeval.

We discussiëren verder over de koudetoeslag. Cees zegt, dat daarover pas iets aan het eind van het jaar bekend is, als de rekeningen van het energiebedrijf komen. Wij zeggen, dat die rekeningen bij iedereen op een verschillend moment komen. Het hangt er maar vanaf, wanneer je in de woning bent gekomen, de datum waarop het energiebedrijf begint te tellen met 12 ter­mijnen. Dat is bij iedereen verschillend en niet altijd aan het einde van het jaar, er zijn nu al mensen die hoge rekenin­gen krijgen. Cees zegt, dat hij graag voorbeelden van rekenin­gen van mensen zou zien, er zijn wel allerlei gemiddelden en schattingen daarvan gemaakt, maar concrete voorbeelden zijn belangrijk.

In de MUG heeft een artikel gestaan over het Dordrechtse model bij tandartskosten. Cees overweegt, dit in Amsterdam ook voor te stellen.

Natuurlijk komt de bijverdienregeling weer aan de orde. Wij hebben daarover gezegd, dat men bij de helpdesk nABW ook ten aan­zien van de categoriale groepen, dus bijstandsvrouwen met kinderen jonger dan 12 jaar, en gedeeltelijk arbeidsongeschik­ten zegt, dat het individueel beoordeeld wordt, en dat er geen generieke regeling is waarop je een beroep kunt doen. Cees is het met deze regeling eigenlijk helemaal niet eens, maar als hij er toch is, moet het uitdrukkelijk alleen beoordeeld worden ten aanzien van: is iemand wel geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt, en heeft een bijstandsvrouw wel zoveel zorgen aan de kinderen, dat ze er niet volledig bij kan wer­ken. Als het antwoord ja luidt, moet de premieregeling zonder meer worden toegepast. Als dit toch niet zo is, zouden we dit in de vorm van een raadsadres aan de orde kunnen stellen.
Het is een beetje mistig, omdat Bea Erik in de gemeenteraad op de valreep van de discussie nog een motie heeft ingediend, waarbij de bijverdienregeling werd uitgebreid voor bijstands­vrouwen met kinderen tot 12 jaar, indien de kinderen veel verzorging vergen. Komt dat eigenlijk wel in de verordening? Verder punten zijn de uitkering aan jongeren, die omhoog moeten, de verhuiskostenregeling voor ouderen.

Wij stellen aan de orde, dat er moeilijkheden zijn met de verhuiskostenvergoeding voor gehandicapten, in het kader van de WVG, die verhuizen van een niet- aangepaste woning naar een aangepaste. Deze verhuiskosten worden soms niet vergoed, omdat men het geen vergoeding vindt voor ergonomische aanpassingen in het huis. De verhuiskosten vallen daarbuiten. Cees zal de aansluiting van bijzondere bijstand en WVG op dit punt nader onderzoeken.
Tenslotte: de kwijtscheldingsnorm moet naar 100% en dit zal ook wel gebeuren.
Wij brengen nog naar voren, dat we een wetenschappelijk onder­zoek willen naar de omvang van de armoede in Amsterdam. Cees zegt, dat dit ook door de SP aan de orde is gesteld, en dat dit ook uitstekend past binnen de armoedenota van Melkert, omdat daar wordt geconstateerd, dat er over de armoede veel onbekend is.


PvdL 10-04-1996