woensdag 17 mei 2000

Verslag bijeenkomst met ambtenaren van het stadhuis over de werkgelegenheid en de arbeidsbemiddeling

 d.d. 17-05-2000

Aanwezig: een stuk of zeven ambtenaren, Harry, Piet, Els.

Het blijkt vooral een gesprek te zijn waarin de ambtenaren uitleggen hoe een en ander in elkaar zit.
Eerst wordt de organisatie bij de gemeente uitgelegd. De ambtenaren op het stadhuis maken deel uit van  een Bestuursdienst, die verdeeld is in 5 sectoren. Een van die sectoren is de MEC (Maatschappelijke, Economische en Culturele sectie?). Een van de poten van de MEC is de poot werk. Daaronder vallen drie dingen:
¨      De IDE banen en de NV Werk
¨      De KSR regeling, waaruit projecten betaald worden die uitgevoerd worden op stadsdeelniveau. Het was me niet duidelijk, of de KSR regeling een rijksoverheidsregeling is of een gemeentelijke, waarbij de budgetten uit de gemeentelijke begroting komen.
¨      Flankerend beleid. Dit heeft betrekking op het creeren van voorwaarden die het mogelijk maken dat mensen uitstromen naar werk. (Zoals kinderopvang)

Daarnaast is er nog -tijdelijk- de regie unit WIW. Daarvoor zijn twee wethouders verantwoordelijk. (Krikke en Kohler). Deze regie unit coordineert de geldstromen van het werkfonds WIW en sluit contracten af met onderaannemers. Het grootste deel van het werkfonds WIW gaat naar de dienst Maatwerk dienstbetrekkingen. Daarnaast gaat een deel naar de NV Werk, die de WEP plaatsen uitvoert.
Verder is er nog de sociale dienst, die voor scholing en activering weer contracten afsluit met onderaannemers voor scholing en actvering. Een deel van dit geld gaat naar de regio's. Inzet Zuid-Oost en Werk Mee Bos en Lommer worden gefinancierd uit het scholings en activeringsbudget.
De sociale dienst als uitvoerende instelling valt onder Kohler, voor de NV Werk en Maatwerk als uitvoerende instellingen is Krikke verantwoordelijk. Voor het flankerend beleid is Kohler verantwoordelijk.

Tatjana legt uit, dat er een probleem is, nl dat de instroom naar gesubsidieerde banen moeizaam verloopt. Daarom zijn er samenwerkingsverbanden met de sociale dienst.
En daarom zijn ook de projecten Bos en Lommer en Inzet Zuid-Oost opgezet. De eerste wordt uitgevoerd door de NV Werk, de tweede door het arbeidsbureau, waarbij mensen van de sociale dienst zijn gedetacheerd bij het project.
Gezien het probleem van de instroom in gesubsidieerde banen, is het 'case-management' ontwikkeld. De definitie daarvan wordt verderop uitgelegd.

Vervolgens komt iemand aan het woord, die het 'Arena-initiatief' uitlegt. Het 'Arena-initiatief' heeft geen rechtspersoonlijkheid, het is ook geen organisatie, er is geen beleidsplan, er staat eigenlijk niks op papier, het is een 'state of mind'. Dwz het is een manier waarop instellingen/instituties en personen die met werkgelegenheid en arbeidsbemiddeling te maken hebben informeel met elkaar in overleg gaan om het vraagstuk van de werkloosheid op te lossen. Het is begonnen dat de top van allerlei organisaties  van elkaar erkennen dat zij belang hebben bij het oplossen van de werkloosheid, zoals werkgevers, zelforganisaties van Antillianen, Surinamers, Ghanezen en commerciele arbeidsbemiddelaars zoals Randstad en Content. Werkgevers hebben er belang bij, dat vacatures worden vervuld, mensen hebben belang bij werk, etc. Zo ontstaat er een win-win situatie. Bemiddelaars waren altijd schematisch bezig, altijd bezig met een onderdeel, maar nu in het Arena initiatief zijn de lijnen korter, kan snel en informeel worden gewerkt. Op deze wijze is een grote pool aangeboord van mensen, die wel geschikt bleken te zijn. Gevolg: de werkloosheid is sterker gedaald dan elders ook bij de clienten van de derde en vierde fase.
Er gaat nu in Amsterdam West iets soortgelijks opgezet worden. Het probleem is daar wel, dat er een groot bestand aan werklozen is, die moeilijk te plaatsen zijn. Dus zijn er meer 'aanloop-projecten' nodig, met een langere aanlooptijd; in Zuid-oost was eer een groot bestand van mensen die makkelijk te plaatsen waren.
Het succes van het Arena initiatief is de haal en breng garantie, bedrijven aan de ene kant van de spoorlijn zeggen: we hebben die en die vacatures, zorgen jullie aan de andere kant van de spoorlijn voor scholing, etc dan nemen wij die.
Een voorbeeld is de grote bioscoop in Zuid-oost, die mensen uit ZO in opleiding genomen heeft. Dit willen ze ook in de haven.
Maar nogmaals, men wil de vormen van samenwerking die in Zuid-oost zijn ontstaan ook in West.

Emil Smit legt de kenmerken van de sluitende aanpak uit. Volwassenen die instromen in de bijstandsuitkering krijgen binnen twaalf maanden een aanbod wat hun kansen op betaald werk vergroot. Dit is dus anders dan vroeger, toen veel te laat werd gereageerd. Er ligt nu een wettelijke verplichting om binnen twaalf maanden een aanbod te doen, varierende van scholing, taaltraining en gesubsidieerde arbeid of werkervaringsplaatsen. De regeling heet '‘sluitende aanpak instroom moeilijk plaatsbare werkzoekenden’ . In Amsterdam is er de ambitie, om de feitelijke regeling breder te maken en ook te kijken naar andere dingen zoals schulden saneren, kinderopvang, behandeling van verslaafden in de Jellinek, etc. Zowel het aanbod als de doelgroep wil men verbreden. De komende vijf jaar moet de sluitende aanpak stadsbreed worden opgezet, om langdurige werkloosheid te voorkomen. Daarbij moet er zoveel mogelijk sprake zijn van een aanbod op maat. We hebben het economisch tij mee, er is meer geld beschikbaar, en de groep waar het om gaat wordt kleiner. Daarnaast is meer kennis nodig van wat mensen nodig hebben. Daarvoor is het ‘case-management’ ontwikkeld. Daarbij wordt als het ware per individu gekeken, wat heeft die nodig om aan het werk te komen en moeilijkheden op te lossen en de desbetreffende persoon wordt intensief gevolgd in zijn/haar pogingen, de problemen op te lossen.

Het case-management is het uitgangspunt bij:
¨      Sluitende aanpak (Niet regionaal georganiseerd)
¨      De inzet van prjecten per wijk (Wel regionaal georganiseerd)
¨      2400 jongeren project (sluitende aanpak voor alle jongeren tot 23 jaar)
Toelichting op dit laatste: er waren nog jongeren met een zo grote achterstand dat ze in de bijstand terecht kwamen. Door het nieuwe beleid moet dat worden veranderd.
¨      Bij het aanbieden van trajecten moet gezorgd worden voor:
¨      Zorg
¨      Flankerend beleid
¨      Doorstroom van mensen uit WIW banen naar de arbeidsmarkt.

Binnenkort is een eerste evaluatie van het case-management te verwachten. We kunnen dan zeggen: hoe ziet die groep eruit? Wat zijn de knelpunten?

Harry vraagt zich bij dit alles af, hoe het zit met de werkgevers. Worden die benaderd? Is er samenwerking mee? Wordt actief geworven om werkgevers zover te krijgen mensen uit de doelgroepen te nemen?
Het antwoord daarop is dat men er alles aan doet, om de werkgevers warm te maken voor het beleid. Er is veel publiciteit. In het kader van het Arena-initiatief wordt een sectorbeleid gevoerd, dat vermeld staat in het Actieplan Economische Structuur II
In het Actieplan staan voorbeelden van branches waarmee de gemeente aan de slag wil. Midden en klein bedrijf, 10.000 allochtonen aan de slag via arbeidsvoorziening, ICT call-centers.
Ook de horeca en de zorgsector zit in het sectorbeleid. In de toekomst komen daar het onderwijs en de industrie bij.
De ontwikkeling is goed; per maand komen er 1600 banen bij in de regio Amsterdam. Tegen de werkgevers in een bepaalde sector wordt gezegd: meld ons de vacatures, zodat wij de mensen kunnen opleiden.
Tenslotte: Volgend jaar zal een project starten, om 3500 mensen die bij Maatwerk werken extra te kijken, of die kunnen doorstromen.


maandag 3 april 2000

Waarom komen uitkeringsgerechtigden niet in verzet. Deel I

Op dit moment komen uitkeringsgerechtigden niet effectief in verzet tegen de afbouw van de welvaartsstaat. Daarvoor bestaan verschillende theorien die dat pogen te verklaren die allemaal een aspect zijn van de machteloosheid van uitkeringsgerechtigdengroepen.

1. De fragmentatie of heterogeniteitsthese. De belangenfragmentatie van uitkeringsgerechtigden ten gevolge van het sociale zekerheidsstelsel is ervoor verantwoordelijk, dat een verbinding van en allianties tussen verschillende belangengroepen niet of heel moeilijk tot stand komt. De
categoriale belangenorganisaties komen op voor het deelbelang van de eigen groep. Het is zelfs zo, dat ook weer binnen een bepaalde groep- bijvoorbeeld bijstandsgerechtigden- zich specifieke deelbelangen ontwikkelen op basis van een verschillende status in dezelfde uitkering. Langdurig werkloos, arbeidsongeschikt en vrijstelling van de sollicitatieplicht versus wat hoger opgeleide kansrijken die korter in de uitkering zitten. Of mensen met een stagecontract of een ID baan versus mensen die geen gesubsidieerde arbeid verrichten. In Amsterdam zijn er op zijn minst 5 treden op de ‘participatieladder’ waarbij iemand op een bepaalde trede andere rechten en plichten heeft en anders wordt benaderd dan iemand op een andere trede. Onder druk van de bezuinigingen wordt echter een deel van al die verschillende posities afgebouwd.

2. De homogeniseringsthese. De ontwikkeling van zo’n brede beweging is niet uitgesloten op grond van een politiek-juridische en financiele gelijkschakeling van uitkeringsgerechtigden. De invoering van een ministelsel en grote groepen die als gevolg van een blijvende massawerkloosheid langdurig op dezelfde minimumuitkeringen zijn aangewezen vergroten de kans op verzet. Deze these veronderstelt dat als de huidige regeringsplannen waarheid worden- het samenvoegen van Wajong, WSW en bijstand- en tegelijkertijd de WW grotendeels wordt afgeschaft en de werkloosheid toeneemt- de kans op effectief verzet van deze grotere homogene groep groter wordt. Om misverstanden te voorkomen: dit is niet een soort verelendungstheorie, waarbij iedereen het erg slecht heeft. Dan treedt these 5 in werking.

3. De uitvoeringskrisis these. Protestbewegingen zijn enkel te verwachten bij een acute krisis van het
uitkeringssysteem. Bijvoorbeeld een plotselinge grote toeloop of disfunctionerende uitvoeringsinstanties. Dit kan worden tegengegaan door inkapseling middels clientenraden, versoepeling van uitkeringsregimes of door stroomlijning van de organisatie. Inderdaad hebben we bv in Amsterdam in het verleden gezien, dat bij stagnatie in het uitbetalingssysteem iedereen tegelijk verhaal gaat halen en bij de uitkeringskantoren dreigende situaties kunnen gaan ontstaan die de potentie van een eerst spontane en daarna georganiseerde opstand in zich hebben.

4. De these van de politieke bronnenarmoede. Uitkeringsgerechtigden zijn principieel machteloos omdat ze nauwelijks beschikken over interne en externe politieke en financiele hulpbronnen en invloedsmiddelen. Het ontbreekt hen aan collectieve ontmoetingsplaatsen en aan mogelijkheden voor
ontregeling of verzet, zoals stakingen. Ze beschikken over weinig burgerlijke vaardigheden, leiderschapskwaliteiten en externe bondgenoten, waardoor de organisaties zwak zijn. Ik ben van mening dat deze these sterk moet worden gerelativeerd. Wanneer een grote groep mensen georganiseerd verzet wil plegen, komen de bronnen wel beschikbaar. Werklozen hebben in het verleden bewezen, dat ze wel degelijk druk kunnen uitoefenen middels allerlei ontregelings- en blokkade acties.

5. De apathie en berustingsthese. Een sociaal-psychologische verklaring. De werkloze maakt verschillende fasen door, die eindigen in berusting. Berusting is een rationele reactie op de beperkte sociale en politieke mogelijkheden van het uitkeringsbestaan. Een deel gaat het te slecht om in actie te komen.

6.De openheid of geslotenheid van het politieke proces. Er functioneert een duidelijke politieke statushierarchie m.b.t de rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden. Dit is afhankelijk van het arbeidsethos, en daarmee de sociaal juridische legitimiteit, de electorale betekenis van bepaalde
groepen etc. Verder een specifieke regeringscoalitie moet rekening houden met de uitkeringsgerechtigden, die op haar stemmen. In de politieke krachtsverhoudingen spelen uitkeringsgerechtigden een rol. Deze these kan verklaren waarom de (vakbonds) organisatiegraad onder WAO-ers groot is terwijl AOW-ers in eigen bonden zijn georganiseerd en er rekening met hen wordt gehouden, terwijl bijstandsgerechtigden en werklozen nauwelijks georganiseerd zijn en er geen rekening met hen wordt gehouden. Ze nemen in de politieke statushierarchie een lagere plaats in en het politieke proces is voor hen moeilijker toegankelijk.

dinsdag 20 april 1999

Enkele opmerkingen bij het projekt Inzet in Amsterdam Zuid-Oost

Dit artikel verscheen ook in het actieblad Ravage.

Met op de achtergrond een sterke lobby in de gemeentepolitiek, die oa bestaat uit directeuren van gemeentelijke diensten, geprivatiseerde instanties die zich met werkgelegenheid bezig houden, het onderzoeksinstituut ‘Nijfer’ en de fractie van D’66, wordt in de gemeenteraad het plan ‘Ínzet Zuid-Oost’ besproken. Kern van het plan is, dat vanaf september de sociale dienst en de arbeidsvoorziening met op termijn de Uvi’s in een projekt gaan samenwerken, waarbij alle clienten van de sociale dienst in een bepaald postcodegebied – en later misschien WW-ers en WAO-ers-verplicht zullen zijn aan het experiment mee te werken en waarbij zaken als arbeidsbemiddeling, verstrekking van uitkeringen, schuldhulpverlening, kinderopvang, scholing en psycho-sociale therapien vanuit een projekt worden georganiseerd. Daarmee gaat dit plan veel verder dan en loopt vooruit op de discussie over de CWI’s die op stapel staan en hoe die lokaal moeten worden ingevuld. Er vindt in het projekt nadrukkelijk geen privatisering van de uitvoeringstaken van de sociale dienst plaats. Ondertussen werkt de bovengenoemde lobby echter aan een ander plan, waarin dit wel het geval zal zijn. Dit plan is in hoofdlijnen reeds klaar. De discussie dreigt zich daardoor toe te spitsen op wel of niet privatiseren, waarbij andere uitgangspunten van beide projekten onderbelicht blijven.  
Het projekt in Zuid-Oost kan worden gezien als het sluitstuk van een beleid, dat de afgelopen tien jaar werd gevoerd. In de afgelopen jaren is de druk op de werklozen, iedere vorm van betaald werk te aanvaarden  opgevoerd. Door middel van strafkortingen, verplichte begeleidingsgesprekken, afschaffing van het begrip passende arbeid, herinvoering van sollicitatieplicht voor mensen ouder dan 57 en een half jaar, de Wet Boeten en
Maatregelen en de formulering van een gemeentelijk uitstroombeleid werd getracht, het aantal werklozen terug te dringen. De meeste werkzoekenden en werkenden hebben inmiddels de flexibiliteit van een skippybal. Een groot deel van de bijstandsgerechtigden stroomt na kortere of langere tijd uit de bijstand. Het aantal werkenden, dat wisselende banen heeft, neemt toe. De baan voor het leven is er allang niet meer. 70% van alle werknemers heeft te maken met enigerlei vorm van interne of externe flexibilisering. Door middel van verlaging van loonkosten voor werkgevers is er een ongerichte ekonomische groei, die in beperkte mate extra banen oplevert. Voornamelijk flexibele deeltijdbanen met tijdelijke contracten.
Op het personeelsbeleid van de werkgevers wordt door de overheid nauwelijks invloed uitgeoefend. Er wordt slechts getracht, de aanpassing van de arbeidskrachten aan het soort banen dat ontstaat te bevorderen.
Zoals gezegd beschouwen wij de sluitende aanpak van het projekt in Zuid-Oost als een sluitstuk van dit beleid. Aan de banen die de werkgevers aanbieden worden in het plan vier regels gewijd; de rest van het plan gaat over hoe de werklozen te begeleiden, belemmeringen in de persoon weg te nemen, werklozen bij te scholen, etc.
Er wordt ongeveer fl 20.000,- per werkloze geinvesteerd. Dat is- als het experiment van toepassing zou zijn op alle uitkeringsgerechtigden, fl 20.000,- maal 60.000 is fl 12.000.000.00,- Er is geen sprake van dat de gemeente dit bedrag heeft of krijgt om alle werklozen te begeleiden. Er wordt juist bezuinigd op de arbeidsvoorziening. De arbeidsvoorziening Amsterdam heeft momenteel nauwelijks voldoende geld de salarissen van het personeel te betalen. Het experiment kan dus in deze vorm nooit naar de hele stad worden uitgebreid.
De financiele filosofie achter dit beleid en achter het projekt in zuid-oost is echter, dat op deze wijze de werkloosheid wordt teruggedrongen en dat daardoor uitkeringsgelden worden bespaard en er geld overblijft voor weer nieuwe opjaagprojekten. Je kunt de uitkering van iemand kapitaliseren en dan dat geld in een kortere periode gebruiken om in de desbetreffende persoon te investeren. Dan is ie uit de uitkering en bespaart de overheid uiteindelijk geld en kunnen de sociale premies omlaag. Het is echter sterk de vraag, of dit werkt. Daar bestaat geen enkele zekerheid over. Als er ergens anders iemand weer werkloos wordt, blijft het aantal uitkeringsgerechtigden gelijk en wordt geen geld bespaard. De terugloop in de bijstand is voornamelijk een gevolg van de doorstroom van moeilijker bemiddelbare werklozen naar de gesubsidieerde arbeid in de WIW. Maatschappelijk gezien heeft dit beleid bovendien desastreuze gevolgen. Werkenden voelen zich onder druk gezet, toch maar vooral niet in de bijstand terecht te komen, werklozen voelen zich onder druk gezet, door middel van contracten waar veel algemene plichten en weinig rechten in staan alles maar te aanvaarden. En er zijn steeds meer uitvallers. Mensen met het ‘burn-out’ syndroom, een somatisering van de spanningen op het werk, de onzekerheid over je toekomst, de noodzaak je steeds weer te moeten aanpassen. Er ontstaat dan ook alweer een discussie over het groeiend aantal wao-ers. Bij dit beleid is een discussie over verlaging van uitkeringen of verdere beperking van groepen, die voor een uitkering in aanmerking komen onvermijdelijk.
En dan nog: in het projekt worden slechts 350 mensen begeleid naar betaald werk. Althans, dat wordt in de wandelgangen gezegd. In het rapport van het projekt ‘Ínzet’ zelf wordt geen enkele indikatie gegeven van de mogelijke resultaten. Er worden miljonene uitgetrokken voor met een volstrekt onzeker en van te voren vaststaand mager resultaat.  
Voor minimaal 350 mensen waarvan duidelijk wordt, dat ze in feite arbeidsongeschikt zijn volgens de criteria van de beleidsmakers komen er op basis van vage contracten activiteiten, zoals therapien en cursussen ‘omgaan met de heersende normen en waarden’ waarvan volstrekt vaag is, in hoeverre dit verplicht is.  
Onze ervaring met de reeds bestaande  toeleidingscentra is, dat de clienten contracten onder hun neus krijgen geduwd en onder druk worden gezet die te tekenen, waarbij de inhoud van het contract slechts bestaat uit de opsomming van algemene verplichtingen voor clienten mee t6e werken. Verplichtingen van het toeleidingscentrum worden niet geformuleerd en vastgelegd. Je tekent als client slechts, dat je aan alles meewerkt. Wij vragen ons af, wat de juridische basis is van dergelijke contracten en in hoeverre alle clienten, die verder niets gemeenschappelijk hebben dan het feit, dat ze een uitkering hebben in een bepaald postcodegebied zonder onderscheid des persoons verplicht kunnen worden een dergelijk algemeen contract te ondertekenen en aan het projekt mee te werken. Volgens ons staat deze verplcihting niet in de bijstandswet geformuleerd, en ook niet in nadere Maatregelen van Bestuur of gemeentelijke verordeningen die naar aanleiding van die wet zijn geformuleerd.
Om een voorbeeld te noemen: een client die op medische gronden arbeidsongeschikt is verklaard, kan niet worden verplicht een contract te tekenen, waarin hij/zij zich in feite vastlegt een therapie te volgen of vrijwilligerswerk te doen op voorstel van de begeledingsambtenaar wanneer op geen enkele wijze is geformuleerd of en zo ja hoe de begeleiding leidt tot betaald werk.
Bij de discussie over de nieuwe bijstandswet in de Tweede Kamer is nadrukkelijk vastgesteld, dat de verplichting tot het verrichten van vrijwilligerswerk alleen in uitzonderingsgevallen tijdelijk mogelijk is, wanneer duidelijk is, dat het deel uitmaakt van een van te voren vastgelegd traject dat leidt naar betaald werk.
Een en ander betekent volgens mij dat:
a)     Clienten die arbeidsongeschikt zijn of waarvan duidelijk is, dat ze nooit meer betaald werk kunnen verrichten niet verplicht kunnen worden aan het projekt mee te werken. Zij hebben slechts de verplichting, al die inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn om de rechtmatigheid van het verstrekken van een uitkering te kunnen beoordelen.
b)     Bij clienten die wel worden begeleid naar betaald werk in het contract van te voren vastgelegd dient te worden welke contrete activiteiten vanuit ‘Inzet’ zullen worden geinitieerd om het doel-betaald werk- te bereiken.
Dit bericht is geplaatst in arbeidsmarktpolitiekreintegratie werklozen.

maandag 14 december 1998

Werkgelegenheidsbeleid en het project Inzet in Amsterdam Zuid-Oost


Het beeld wat uit de statistieken naar voren komt is dat de stijging van de werkgelegenheid vooral ten goede komt aan twee groepen:
1. Mensen, die niet tot de loonafhankelijke beroepsbevolking behoorden, zoals huisvrouwen en zelfstandigen die een baan in loondienst aanvaarden
2. Jongeren, die nog geen 35 jaar zijn.
Met name onder vrouwen, allochtonen en ouderen boven de 35 blijft de werkloosheid toenemen.
Meer dan de helft van het aantal langdurig werklozen behoort tot de leeftijdscategorie boven de 35 jaar. Van cliënten van de sociale dienst heeft 40% een uitkering van vier jaar of langer. Het aantal mensen, dat langer dan vier jaar werkloos is neemt toe.
Deze groepen worden door de arbeidsbemiddeling nauwelijks bereikt. In 1997 werd door arbeidsvoorziening 15% van de werklozen bemiddeld. 7% van de langdurig werklozen werd bemiddeld. Vooral kleine en middelgrote bedrijven maken gebruik van arbeidsvoorziening, grote nauwelijks. Als je bedenkt, dat plaatsing op een scholings- of bemiddelingstraject en tijdelijk werk ook wordt meegerekend als een succesvolle bemiddeling, is glashelder, dat het huidige systeem niet deugt. Toch gaat men voort op de weg van een onoverzichtelijke lappendeken van projekten en projektjes, waarbij middels voortrajecten 'soft skills' worden aangeleerd, zoals sollicitatie en motivatietrainingen in combinatie met de druk van strafkortingen.
Volgens ons moeten de volgende maatregelen worden genomen om de situatie te verbeteren.
1. Met name grote bedrijven moeten op hun personeelsbeleid worden aangesproken. Zij lijken zich aan de door de overheid opgezette werkgelegenheidsprogramma's te onttrekken. Pogingen vanuit de gemeenschap, langdurig werklozen aan het werk te helpen worden door hen niet gesteund. (uitzonderingen daargelaten). In Zuid-Oost zijn er plannen, bij de vestiging van nieuwe bedrijven, bij de opstelling van een kontrakt voor gronduitgifte het bedrijf te verplichten, mensen uit de wijk in dienst te nemen. Dit gebeurt bij het IJ-burg projekt en bij de MOJO-popconcerten. Dit moet op veel grotere schaal gebeuren. Hierover zou overleg moeten plaatsvinden met het grondbedrijf.
2. Het onder druk zetten van werklozen middels strafkortingen werkt niet. Hun kansen op de arbeidsmarkt worden er niet door vergroot, het heeft eerder een averechts effect, omdat met name langdurig werklozen meer schroom zullen hebben bij de diverse instanties aan te kloppen voor ondersteuning. Deze groep moet in positieve zin worden benaderd, door vrijstelling van de sollicitatieplicht en de betere invoering van premies voor vrijwilligerswerk.
3. Deze positieve benadering moet ook tot uiting komen in een betere bijverdiensteregeling, waarvan nu verschillende groepen zijn uitgesloten. Het is een bekend feit, dat veel mensen bij de aanvaarding van betaald werk er financieel niets mee opschieten. Dit als voorschot op de belastinghervorming; stel werklozen met een gedeeltelijk, door de ficus te verstrekken basisinkomen in staat zowel hun eigen armoedeval te overwinnen en een groot deel van het immense leger trainers, opleiders, scholingsdeskundigen, bemiddelaars en coördinatoren kan iets anders gaan doen.
4. Meer faciliteiten en voorzieningen om langdurig werklozen en anderen, waarbij men uitgaat van de initiatieven van de werklozen zelf. Daarbij kan gedacht worden aan projekten mensen zonder werk, waarbij met betrekkelijk weinig kosten een grote groep werklozen kan worden bereikt.

De Centra voor Werk en inkomen

De CWI's zullen nog veel discussies losmaken. Dit is nu al het geval over een experiment in Amsterdam Zuid-Oost, waarbij verstrekking van alle uitkeringen en arbeidsbemiddeling worden uitgevoerd door dezelfde commerciële organisatie. Wij willen over dit experiment en de CWI 's enkele punten noemen.
De (gedeeltelijke) privatisering van de arbeidsvoorziening brengt grote gevaren met zich mee. Nu al; is het zo, dat rechten en plichten van de werkzoekenden en van de overheidsinstanties alleen in algemene termen zijn geformuleerd, en dat er bij konkrete voorstellen van een van beide zijden onduidelijk is, in hoeverre dit verplicht is of niet en een eventuele sanctie kan volgen. Hierdoor is er in de gesprekken tussen arbeidsbemiddelaars of sociale dienst ambtenaren enerzijds en cliënten anderzijds een groot schemergebied, waarin rechten en plichten niet duidelijk zijn geformuleerd. Ook bij wat bekend is over het nieuwe experiment in zuid-oost zijn de rechten van de cliënten vaag gehouden, zodat de funktionarissen alle kanten uit kunnen. Bij privatisering van de arbeidsbemiddeling, waarbij de demokratische controle van de overheid op afstand komt te staan en de bemiddelaar financiële belangen heeft bij de bemiddeling, kunnen de rechten van cliënten nog verder ondergesneeuwd raken en bestaat het gevaar, dat in het geheel geen rekening meer wordt gehouden met hun wensen, waarbij ze op een oneigenlijke manier onder druk worden gezet. Bovendien zullen de commerciële bedrijven de 'krenten' uit de pap vissen, waarbij de langdurig werklozen doorgeschoven zullen worden naar de resten van de publieke arbeidsbemiddeling. Bovendien zijn voor deze commerciële instanties werkenden, die ander werk zoeken of mensen die geen uitkering hebben niet interessant, omdat men toe wil naar een systeem, waarbij een deel van het bespaarde uitkeringsgeld ter beschikking komt van de commerciële organisatie.
Er zijn in de nieuwe opzet van de CWI 's en het experiment in zuid-oost geen garanties op behoorlijk betaald werk. Het enige wat gebeurt is, dat nog zwaarder aan de mensen wordt gesleuteld, maar waar zijn de banen voor die mensen? Individuele beoordeling betekent voor veel werkzoekenden dat hun rechten vaag zijn of afwezig.
Er moet door de centrale stad een duidelijker regie worden gevoerd over het werkgelegenheidsbeleid en de arbeidsbemiddeling, voor zover dat onder haar verantwoordelijkheid valt, in samenwerking met arbeidsvoorziening, waarbij de werkzoekenden in gesprekken met arbeidsbemiddelaars beter weten waar ze aan toe zijn.
De gang van zaken bij de opzet van het experiment in zuid-oost en de onderhandelingen over de nieuwe CWI 's waarbij hoge ambtenaren in achterkamertjes langdurig onderhandelen waarbij ieder zijn eigen winkeltje wil veiligstellen, zonder dat de politiek erbij betrokken is, is symptomatisch voor de huidige situatie. Er moet een openbaar debat over de organisatie van de arbeidsbemiddeling in Amsterdam komen, voordat alles in binnenkamertjes in feite al besloten is!


PvdL

woensdag 9 december 1998

Loopgravengevechten bij de privatisering

Ook verschenen in: Solidariteit, nr 87, december 1998.

Het doolhof van de arbeidsbemiddeling - de markt

De privatisering van overheidstaken, als laatste stap in de afbraak van de klassieke 'welvaartsstaat', lijkt niet meer te stuiten. Vooralsnog is de chaos echter compleet en vechten publieke en private uitvoeringsorganisaties en verzekeringsconcerns om de brokken die de meeste winst opleveren. De vakbonden lijken geen greep te hebben op de ontwikkelingen. Ondertussen werken wetenschappers aan de verdere ontwikkeling van de 'culturele economie', waarbij de oorzaken van armoede worden gezocht in het normen- en waardenpatroon en het gedrag van de mensen die arm zijn. De private 'integratiebedrijven' moeten de opvattingen en gedragingen van de mensen die in armoede leven, gaan sturen.

Het gaat overigens niet alleen om privatisering van de sociale zekerheid of arbeidsbemiddeling. Ook allerlei vormen van hulpverlening en welzijns- en buurthuiswerk worden geprivatiseerd. Instituten worden geacht het 'product' welzijn op de markt te verkopen. Hetzelfde geldt voor sociaal raadslieden, psycho-sociale hulpverleners en anderen. In het marktgerichte welzijnsbeleid koopt de overheid sociale programma's van deze instituten. Daarbij ontstaan samenwerkingsverbanden met het bedrijfsleven.

Wij-gevoel

In die samenwerkingsverbanden worden projecten opgezet volgens de nieuwste marketing- en reclametechnieken, zoals het project "mooi zo, goed zo. Heb hart voor de stad Amsterdam". In vele steden draaien dergelijke projecten. "Het gaat om het kweken van een wij-gevoel", zegt een ondernemer in een boekje over het project. "Niet alleen in het bedrijf, maar ook tussen het bedrijf en de lokale gemeenschap, waar het bedrijf gevestigd is." 'Ideële' instellingen kunnen een aanvraag doen, bijvoorbeeld voor een kantoorinventaris of een bankje in het park voor bejaarden in de buurt. Of meer politiek getinte milieu- en belangenbehartigingsorganisaties, die wat minder uitgaan van een 'wij-gevoel' met ondernemingen en overheid, ook voor subsidie in aanmerking komen blijft onduidelijk.
Ook andere verworvenheden van de oude welvaartsstaat worden geprivatiseerd, bijvoorbeeld de schuldhulpverlening. Zo is Planpraktijk een bedrijf dat de schuldhulpverlening 'rendabel' heeft gemaakt. Jet Kremers, voorzitster van de CDA-vrouwen, was tot voor kort directeur. Het bedrijf heeft nu een omzet van 7,5 miljoen gulden en 120 werknemers. Eerst wordt bijvoorbeeld onderhandeld met de schuldeisers over afbetaling van een gedeelte van de schuld. Daarna moet de cliënt nog een tijdje een maandelijks bedrag betalen aan Planpraktijk voor de 'hulpverlening'.

Concurrentie

Ook in de arbeidsbemiddeling slaat de privatisering toe. Dat gebeurt door de vorming van Centra voor Werk en Inkomen (CWI), waarin de Arbeidsbureaus, Sociale Diensten en uitvoeringsinstellingen worden samengebracht. Daarmee is het einde van de 'gedwongen winkelnering' in zicht. De uitkeringsinstanties zijn volgend jaar nog verplicht de begeleiding van hun bijstandsgerechtigden, WW-ers en WAO-ers in te kopen bij de Arbeidsbureaus. Vanaf 2001 mogen de uitkeerders kiezen tussen de publieke Arbeidsbureaus en commerciële uitzendbureaus. De laatste moeten ook bij de CWI betrokken worden, zodat concurrentie kan ontstaan.
De uitgaven voor arbeidsbemiddeling uit de publieke middelen worden verminderd. De Arbeidsbureaus krijgen dit jaar in plaats van 1 miljard nog maar 500 miljoen gulden en daarnaast een prestatiebudget van 500 miljoen, waarbij ze afgerekend worden op het aantal geslaagde bemiddelingen. Dit geld wordt in de toekomst ook gebruikt om uitzendbureaus in te schakelen.
Verder zijn er nu al verschillende gemeenten die de uitvoering van de Bijstandswet uitbesteden aan particuliere bedrijven, zoals accountantsbureaus. En vorige week las ik ergens dat werkgevers de WAO massaal particulier gaan verzekeren. Intussen onderhandelen werkgevers, werknemers en overheid over een volledige privatisering van de uitvoering van de werknemersverzekeringen.

Integratiebedrijven

Commerciële 'reïntegratiebedrijven' schieten als paddestoelen uit de grond. Zij werken met een team van psychologen, fysiotherapeuten, orthopedisch chirurgen en ergo-therapeuten. Deze deskundigen hebben een financieel belang bij het zo snel mogelijk aan het werk krijgen van zieke werkne(e)m(st)ers. De desbetreffende bedrijven juichen over de resultaten. Velen, die anders in de WAO zouden zijn beland, kunnen weer aan het werk. Het lijkt een beetje op begeleiding van topsporters. Er ontstaat daarbij een gesloten circuit van hulpverleners en bedrijfsartsen die tegelijkertijd voor commerciële verzekeraars en werkgevers werken. Van een onafhankelijke beoordeling is hier geen sprake meer.
Een voorbeeld is het reïntegratiebedrijf AFP-groep, eigendom van Arboned en de verzekeraars OHRA en Nuts. Zo worden twee belangen gediend. Werkgevers trachten de kosten van ziek personeel zo laag mogelijk te houden. De verzekeraars, die met werkgevers verzekeringen hebben afgesloten, proberen het aantal uitkeringen voor ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid
zo laag mogelijk te houden; zo blijven de WAO-premies laag en kunnen zij concurreren met andere verzekeraars.

Onderlinge tegenstellingen

In de overgangsfase naar verdere privatisering zijn er in veel gemeenten grote tegenstellingen tussen de verschillende in de arbeidsbemiddeling betrokken instanties. Dat zal leiden tot loopgravengevechten tussen uitvoeringsinstellingen van de sociale zekerheid, arbeidsbemiddelingsinstanties, gemeenten, Sociale Diensten en de bureaus die aan particuliere verzekeraars gelieerd zijn. De vraag zal zijn wie in de nabije toekomst een sterke uitgangspositie (misschien zelfs monopoliepositie) op de markt kan verwerven.
Een jaar geleden steggelden de Arbeidsbureaus en de uitvoeringsinstellingen al over een onderlinge taakverdeling. Na veel touwtrekken is afgesproken dat in de CWI's een tweede selectiegesprek door de consulenten van de Arbeidsvoorziening wordt gedaan. Zij adviseren ook over de scholing of training die iemand krijgt. Vervolgens doet het Arbeidsbureau zelf de bemiddeling. De Sociale Diensten en het GAK wilden zelf gaan bemiddelen, maar dat mocht niet. Uiteindelijk is afgesproken dat het Arbeidsbureau bepaalt welk soort begeleiding de werkzoekende krijgt, maar de Sociale Dienst of de bedrijfsvereniging bepaalt wie daadwerkelijk geholpen wordt. Volgens mij is de competentiestrijd tussen de verschillende organisaties hiermee nog lang niet uitgewoed en is de taakverdeling allerminst duidelijk. In het regeerakkoord zijn al weer nieuwe afspraken gemaakt over een verdere privatisering van het tweede gesprek door Arbeidsvoorziening.
Het lijkt erop dat het langs elkaar heen werken van instanties door de privatiseringsgolf alleen maar wordt versterkt. Ze proberen posities in te nemen die het mogelijk moeten maken elkaar straks op de markt op leven en dood te beconcurreren. Het 'wij-gevoel' van het project "mooi zo, goed zo" is hier ver te zoeken.

Regie bij 'marktpartijen'

De politici die bestuursfuncties innemen, hebben de illusie dat bij de privatisering de overheid de regie kan houden over welk beleid wordt geformuleerd en hoe dat wordt uitgevoerd. Uit het voorgaande mag geconcludeerd worden dat dit uitgesloten is. 'Marktpartijen, dat wil zeggen particuliere adviesbureaus en andere belanghebbenden, onderhandelen over de verdeling van de overheidsgelden en de wijze waarop het beleid (doelstelling) geformuleerd wordt. Bestuurders waren eerst afhankelijk van een ambtenarenapparaat, nu worden ze dat van de 'marktpartijen'. De overheid komt bij de uitvoering meer op afstand te staan, waarbij alleen het kostencriterium geldt. Wie het goedkoopste is, krijgt het geld van de overheid. Wat er vervolgens bij de uitvoering in de spreekkamers met de cliënt gebeurt en hoe de doelstellingen van de overheid worden verwezenlijkt, is oncontroleerbaar.

Rol vakbeweging

De vakbeweging lijkt nauwelijks nog invloed te hebben op al deze ontwikkelingen. Symptomatisch voor de machteloosheid van de bonden en de stuurloosheid van hun beleid, is de gang van zaken rond het accoord in de Stichting van de Arbeid (STAR).
Lodewijk de Waal riep dit voorjaar 'stop de privatisering'. Maar op 19 juni 1998 sloten vakbonden en werkgevers in de STAR een accoord over verdere privatisering van de werknemersverzekeringen. Dat zou vrij snel rond moeten zijn, binnen enkele jaren. Daarbij valt de claimbeoordeling (de bepaling van het recht op een uitkering) buiten de commerciële uitvoeringsorganisatie. Deze wordt ondergebracht in een juridisch gescheiden deel van dezelfde uitvoeringsorganisatie, met tripartiete zeggenschap van werknemers, werkgevers en overheid. In september bleek echter dat de vakbeweging nu weer tegen een al te snelle privatisering is (gedacht wordt aan de langere termijn van een jaar of acht) en dat de claimbeoordeling ondergebracht moet worden bij het publieke deel van de op te richten CWI's.

En het kapitalisme?

Steeds meer verdwijnt bij al die loopgravengevechten uit beeld dat het kapitalisme nog steeds een systeem is waarin de ene mens de andere hier of elders uitbuit. En dat werknemers zich op basis van onderlinge solidariteit in een vakbond moeten verenigen om deze uitbuiting te bestrijden. Zodat ze de werkgevers door middel van collectieve acties en onderhandelingen onder druk kunnen zetten. Het gaat daarbij om een 'wij-gevoel' van de arbeiders, van de mensen die door een uitbuitingssysteem getroffen worden. Dat is een heel ander uitgangspunt dan het 'wij-gevoel' tussen de onderneming en de lokale gemeenschap. Maar ach, wordt mij tegenwoordig voorgehouden, dit is ouderwetse retoriek die ik maar niet los zou kunnen laten.
In discussies merk ik dat het moeilijk is uit te leggen wat er nou allemaal tegen die privatiseringsgolf is. Jet Kremers verricht goede daden, want ze helpt mensen van de schulden af. Mijn gesprekspartners zijn dan doof voor het argument dat mensen door dit systeem steeds meer in armoede worden gedrukt. De Stichting Inkomens Beheer in Amsterdam heeft een beruchte reputatie. Sommige mensen krijgen een pasje, waarmee ze maximaal vijftig gulden in de week kunnen pinnen. Daar moeten ze van leven.

Keiharde ideologie

Uitleggen wat er verkeerd is aan de privatisering is zo moeilijk, denk ik, omdat het is gebaseerd op een geraffineerd uitgewerkte, maar keiharde ideologie. Verpakt in mooie slogans als 'maatschappelijk verantwoord ondernemen' en de redenering dat het in het belang is van alle mensen. De ideologen van de privatisering krijgen vanuit de wetenschap de analyses op een presenteerblaadje opgediend. In het voetspoor van Fukuyama doet de 'culturele economie' opgang. Daarin bestaat een sterke wisselwerking tussen economie en cultuur: de normen en waarden die mensen in een bepaalde samenleving hebben en die hun persoonlijk gedrag bepalen. Geconstateerd wordt dat er bij ons en vooral in de derde wereld nog steeds veel armoede en werkloosheid bestaat. Bovendien is het op het ene continent (bijvoorbeeld Afrika) erger dan in het andere (West Europa).
Hiervoor wordt een culturele verklaring gezocht. Niet wordt uitgegaan van de analyse dat de welvaart bij ons zo groot is en daar niet, omdat grote ondernemingen uit het westen een rooftocht over de wereld houden. Een rooftocht, waarbij in de 'ontwikkelingslanden' de lokale, kleinschalige productiestructuur in de landbouw vernietigd wordt en de mensen gedwongen worden monocultures te produceren, waarbij ze tegen afbraakprijzen grondstoffen leveren voor de multinationals in het westen die er dure eindproducten van maken. Nee, dat is ouderwetse, ongenuanceerde jaren-zeventig-retoriek. Het is een kwestie van cultuurverschil en daaruit voortvloeiend individueel gedrag. Ons systeem van waarden en normen is nu eenmaal zo dat er bij ons welvaart ontstaat en daar niet. De mensen werken hier harder, dat willen ze ook, ze komen op tijd, ze kunnen beter samenwerken enzovoort.
Opgeld doet de ideologie van het 'maatschappelijk ondernemen' en het 'groen beleggen'. Hierin wordt de noodzaak benadrukt van een passend waarden- en normensysteem in de onderneming om armoede, onderdrukking en milieuvervuiling te voorkomen en welvaart voor allen te produceren. Zo'n systeem moet door het 'wij-gevoel' ook gedragen worden door de gemeenschap.
In de ideologie van de culturele economie worden de oorzaken van armoede gezocht in het normen- en waardensysteem en het gedrag van de individuele arme. En niet in het systeem van de economie zelf. Naadloos sluiten hierop aan de depolitisering en individualisering van het werkloosheids- en armoedeprobleem, waarbij de overheid en de geprivatiseerde 'integratiebedrijven' proberen het gedrag van de individuele werkloze of arme te sturen en hem/haar een andere houding en andere opvattingen bij te brengen. Zo wordt de 'schuld' van de armoede bij de mensen zelf gelegd. Ik zie geen verschil met de manier waarop in de negentiende eeuw de gegoede middenklasse haar rijkdom tegenover de bittere armoede van anderen rechtvaardigde. De emancipatie van achtergestelde groepen moet opnieuw beginnen.

Piet van der Lende

(Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam)

dinsdag 8 december 1998

Komitee Amsterdam Tegen Verarming

Het komitee Amsterdam tegen Verarming werd in 1987 opgericht toen duidelijk werd, dat de mensen met een minimum inkomen er tijdens de verschillende kabinetten Lubbers minstens 15% in koopkracht op achteruit waren gegaan. De kerken bemoeiden zich in deze tijd met de armoedeproblematiek door het organiseren van landelijke konferenties. In Amsterdam speelde de sluiting van scheepsbouwbedrijven in Amsterdam-Noord, waarbij velen werkloos werden. Vanuit DISK (Dienst in de Industriele Samenleving vanwege de Kerken) werd kontakt opgenomen met belangenorganisaties van uitkeringsgerechtigden en er werd een “sociaal beraad” belegd. Hieruit is het komitee ontstaan. Het is dus een samenwerkingsverband van DISK, belangenorganisaties van uitkeringsgerechtigden en de vakbonden. In 1996 werd aktie gevoerd in het kader van de invoering van de nieuwe Bijstandswet. Anno 2010 bestaat het komitee niet meer en is DISK Amsterdam alweer enige jaren geleden opgeheven.
Campagne over de nieuwe bijstandswet van het komitee Amsterdam tegen Verarming.
Het komitee organiseerde najaar ’94 voorjaar ’95 de campagne ‘schrijf het van je af’. Uitkeringsgerechtigden en werkenden met een minimuminkomen werden daarbij opgeroepen, hun grieven te uiten over het beleid van de gemeente. Het komitee richtte zich in de campagne vooral op uitkeringsgerechtigden, die met de Gemeentelijke Sociale Dienst te maken hebben. (AOW-ers, die bijzondere bijstand aanvragen, ABW-ers, RWW-ers en andere uitkeringsgerechtigden, die aanvullende bijstand nodig hebben.) De werking van de Wet Voorziening gehadicapten viel grotendeels buiten de campagne. Op dit gebied was het SGOA al actief. (Stichting gehandicapten Overleg Amsterdam).
De aanleiding voor de campagne was, dat in Amsterdam voortdurend wordt gediskussieerd over het functioneren van de sociale dienst. De gemeentelijke ombudsman heeft verschillende rapporten gepubliceerd, waarin het functioneren van de dienst aan de kaak is gesteld. Daarnaast heeft de dienst zelf een ‘tevredenheidsonderzoek gehouden, waaruit blijkt, dat weliswaar 60% van de clienten tevreden is (een percentage wat schijnbaar altijd uit dergelijke onderzoekingen komt) maar dat bij 25% van de clienten de sociale dienst fouten maakt bij de berekening van uitkeringen, het verstrekken van bijzondere bijstand, etc. Het komitee vond het nodig, klachten van clienten te verzamelen om ook inhoudelijk aan te tonen, wat er schort aan het beleid van de dienst.
In 1996 is het Komitee begonnen met een nieuwe campagne. Het komitee heeft verdere ervaringen van uitkeringsgerechtigden met de nieuwe bijstandswet verzameld en onder de aandacht van de politiek gebracht. De campagnes hebben ertoe bijgedragen, dat het vraagstuk van de verarming onder de ongeveer 300.000 amsterdammers met een minimuminkomen op de politieke agenda staat. De gemeente zal in 1998 extra geld uittrekken voor de bestrijding van de verarming. Er zal echter nog heel wat moeten gebeuren voor een goed minimabeleid van de gemeente in de steigers staat. Het komitee gaat dan ook door met haar campagnes.
In september 1997 vond een door het komitee georganiseerd debat over verrijking in Nederland plaats in theater de Rode Hoed. Het uitgangspunt was, dat een discussie op gang moet komen over hoe de toenemende rijkdom in Nederland beter verdeeld kan worden. In januari 1998 zal over de konferentie een boek verschijnen met oa een kritiek op het poldermodel.

zaterdag 10 oktober 1998

Het armoededebat

Het armoededebat.

In Nederland wordt op allerlei nivo's gediscussieerd over het thema : armoede in een welvarende samenleving. De Rijksoverheid heeft het initiatief genomen om jaarlijks een
'armoedeconferentie' te organiseren, waarbij voorafgaande aan deze conferentie overal in het land bijeenkomsten worden gehouden, waar belangenorganisaties van uitkeringsgerechtigden, vakbonden en
hulpverleningsinstellingen met elkaar discussieren. Ook op het nivo van de grote steden vinden dergelijke discussies plaats.
Het is echter een 'wit', nederlands debat. Belangenorganisaties van vluchtelingen of allochtonen zijn bij
dit debat afwezig. Zij houden zich vooral bezig met het 'minderheden, antiracisme en integratie debat' waarbij in het kader daarvan ook het vraagstuk van de armoede aan de orde komt. En bij dit debat zijn de Nederlandse uitkeringsgerechtigden en hun organisaties weer niet aanwezig.
Aldus bestaan er twee gescheiden circuits van debatten en soms acties, waartussen niet of nauwelijks verbindingen bestaan.
Hieraan kan worden toegevoegd, dat in de grote vakbonden vooral de werkende Nederlandse man de boventoon voert.
Natuurlijk is dit een schematische weergave. Er zijn misschien wel voorbeelden te noemen van samenwerking tussen organisaties, en er zijn zeker personele verbindingen. (Mensen
die in beide circuits actief zijn). Maar van coalities op wat grotere schaal en wat langere termijn, die struktureel zijn is geen sprake. Dit heeft zo zijn consequenties. In het debat van uitkeringsgerechtigden is de internationale dimensie en het vraagstuk van de migratie afwezig. Ondanks het bestaan van initiatieven als ENU en EAPN en Euromarsen. Toch was en is meer samenwerking in mijn ogen noodzakelijk. Waren er al internationale verbindingen door de komst van migranten uit de Middellandse zee gebieden en de voormalige kolonien, nu met de Europese eenwording dringt de internationale dimensie van het armoedevraagstuk zich wel aan ons op. Neem alleen al dit: nu we in een hoogconjunctuur zitten(hoe lang nog?) ontstaan er vacatures op deelmarkten naast grote strukturele werkloosheid.

Zowel in het migratiedebat als in het anders denken over arbeid debat is er een gemeeschappelijk kritiekpunt op de huidige maatschappij: mensen worden gereduceerd tot arbeidskrachten, waarbij andere dimensies van het menszijn niet aan de orde komen.