donderdag 23 juni 2005

Het Neo-Malthusiaanse model

Het Neo-Malthusiaanse model


Dit model baseert zich op de theorien van de achttiende eeuwse filosoof Thomas Malthus en is in de jaren zestig en zeventig nader uitgewerkt door de Duitser Abel, de Engelasman Postan en de Fransman Le Roy Ladurie. [1] In Nederland is ook de meest recente Algemene Geschiedenis der Nederlanden in sterke mate op dit model geent. [2] Kern van het model is de bepalende rol die demografische processen hebben gespeeld bij de ontwikkeling van de economische conjunctuur en daarmee ook op de ontwikkeling van de landbouw in de desbetreffende landen en regio’s. Neomalthusiaanse theoretici gaan ervan uit dat in de pre-industriële periode een voortdurende cyclus van bevolkingsgroei en -krimp is opgetreden. Daarbij stuitte de bevolkingstoename steeds tegen een plafond waarvan de hoogte bepaald wordt door bodemgesteldheid, omvang van het cultuurareaal, landbouw-techniek en andere productiebepalende factoren. Steeds wanneer de bevolkingsomvang dit plafond bereikte, ontstond een crisis (epidemie, hongersnood, landver-lating, enzovoort) die de bevolking terugwierp op een nieuw, lager gelegen, evenwicht. Na herstel van de balans kon vervolgens een nieuwe groeifase beginnen, die door voortschrijdende techniek en dergelijke tot eefi hoger plafond kan reiken dan in de voorafgaande ronde. Volgens de theorie leidden veranderingen in de bevolkingsomvang tot sterke wijzigingen in de loon-en prijsontwikkeling en daarmee ook lot sterke wijzigingen van de economische conjunctuur. Bekende groeiperioden zijn in dit model de Volle Middeleeuwen (1050-1350) en de lange zestiende eeuw (1450-1650). De perioden 1350-1450 en 1650-1750 staan daarentegen als crisisperioden bekend.




[1] Abel 1967, Postan 1972, Le Roy Ladurie, 1966. Zie ook Grigg, 1980
[2] Blok et. Al. 1981

woensdag 22 juni 2005

Het centrum-periferie model of commercialiserings-model

Wellicht het meest bekende model voor de economische ontwikkeling van aangrenzende regio's is het centrum-periferie model van de Isolierte Staat van de Duitser Von Thünen, dat al in 1842 is ontwikkeld en nadien door economen verder is gespecificeerd en kwantitatief onderbouwd. Von Thunen 1842 [1] In dit model staat de economische invloed van opkomende en reeds gevestigde stedelijke markten centraal. De ontwikkeling van landbouw en landschap in een bepaalde regio zou volgens de aanhangers van dit model in sterke mate zijn bepaald door de plaats die de desbetreffende regio innam in het economische krachtenveld van de aanwezige stadskernen of sterk geürbaniseerde regio's. Hoe dichter bij de stad, hoe intensiever de landbouw; hoe verder weg, hoe extensiever het grondgebruik. Zo ontstaat een centrum-periferie model dat in de meest theoretische vorm uit een reeks concentrische cirkels bestaat. De regionale bodemgesteldheid en de al dan niet aanwezige infrastructuur tussen regio en stad kunnen echter voor vervormingen van dit concentrische beeld zorgen. Betrekken we dit model op de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne transitie in onze streken, dan stellen de aanhangers van dit model dat regio's die zich in de onmiddellijke nabijheid van de laatmiddeleeuwse Vlaamse steden bevonden, bijvoorbeeld het platteland van Vlaanderen zelf en dat van Brabant, zich in een veel vroeger stadium hebben getransformeerd in de richting van een commerciële landbouw dan gebieden die veel verder van deze centra aflagen, zoals bijvoorbeeld de Veluwe of Drenthe (periferie-gebieden). Toen in de zestiende eeuw het economische kerngebied van Vlaanderen naar Holland verschoof, met Amsterdam als belangrijkste kern, richtten de agrarische economieën van de diverse streken van Nederland zich elk op hun eigen wijze op de nieuw ontstane markten. Dichtbij de stedelijke kern (Holland) vond de meest intensieve landbouw plaats, in periferie gebieden als Drenthe was de landbouw veel extensiever. Het is vooral de Wageningse historicus Bieleman geweest die dit centrum-periferie model voor Nederland nader heeft uitgewerkt. Het vormt zelfs de rode draad in zijn Geschiedenis van de landbouw in Nederland 1500- 1950. [2](7)




[1] Von Thunen 1842
[2] Bieleman, 1992

dinsdag 21 juni 2005

De Brenner-these

Een belangrijke correctie op de twee bovengenoemde modellen werd in de jaren tachtig aangebracht door de Amerikaanse historicus Robert Brenner. [1] Als neo-marxist zag hij bij de laatmiddeleeuwse transitie een sleutelrol weggelegd voor de zogenaamde social property systems. Daaronder verstaat hij onder meer de wijze waarop het grondbezit in een bepaalde regio was verdeeld, de wijze waarop de grond in juridische zin werd geëxploiteerd en de manier waarop het in een regio aanwezige agrarische surplus werd verdeeld. De geheel verschillende wijze waarop vrije boeren, pachters, erfpachters dan wel grootgrondbezitters greep hadden op de belangrijkste productiefactor in hun tijd, te weten de grond, bepaalde volgens hem in hoge mate hun strategische keuzen. Uit vergelijkende studies van deze social property systems voor meerdere landen of regio's blijkt volgens hem ondubbelzinnig de doorslaggevende rol die dergelijke systemen hebben gespeeld in de economische ontwikkeling van Europese landen en de zich daarin bevindende regio's. Hoewel over deze Brenner-these een langdurig en heftig debat heeft gewoed, heeft Brenners benadering toch een belangrijk aspect toegevoegd aan de bovengenoemde neomalthusiaanse en centrum-periferie modellen.




[1] Brenner, 1982, 1986.

maandag 20 juni 2005

De ontwikkeling van het handelskapitalisme en de oligarchisering. De systeemtheorie van Wallerstein


Ik ga hier verder de ontwikkelingen naar voren brengen zoals die geanalyseerd worden door de systeemtheoretici als Wallerstein. In zijn model krijgen de vorming van de natiestaten na 1500 en de opkomst van het handelskapitalisme een prominente rol. Daarna zal ik de kritiek op dit model naar voren brengen en de methodische problemen die daarbij een rol spelen behandelen. 

Het grote verschil met de voorgaande fase van de peasant society is, dat zich in deze periode, gepaard gaande met vele oorlogen en periodieke instortingen, de staats-en natievorming voltrok waardoor in de loop van de 18e eeuw in Europa enkele sterke natiestaten naar voren kwamen zoals Engeland en Frankrijk die de dragers werden van de verdere verspreiding van wat men later de kapitalistische productie is gaan noemen.

Max Weber analyseerde het ontstaan van het kapitalisme in haar Europese vorm als het ontstaan van een productiesysteem dat een rationeel ‘Zweck-rational’ karakter droeg en dat zich onderscheidde van de stelsels die eerder bestonden en die gebaseerd waren op buit, ambtsmisbruik, woeker, speculatie of regelrechte onteigening, zoals in het Helleense statenstelsel het geval zou zijn geweest. In haar rationele doelgerichtheid onderscheidt het kapitalisme zich ook van de hiervoor genoemde fase, waarin de traditie een belangrijke rol speelt en waarin de doelrationaliteit weinig voorkomt.

Wat betreft de relatie tussen kapitalisme en staatsvorming kan worden gesteld, dat het ontstaan van de staten in de vijftiende eeuw het einde betekenden van de zelfstandige handelssteden zoals die in de peasant-samenlevingen bestonden. (Wel is in deze handelssteden het moderne kapitalisme tot ontwikkeling gekomen) .[1]  Een tussenperiode is de Habsburgse monarchie in bestuurlijk opzicht geweest. De vorming en handhaving van staten was nauw verbonden met de ‘accumulatie’ van kapitaal. Vanaf het begin van de vorming van natie-staten werd de dictatoriale politieke macht gebruikt om de boeren te onteigenen en grote gebieden te ontvolken waardoor een landloos proletariaat ging ontstaan en waarbij in toenemende mate bijvoorbeeld in Engeland de landbouw op kapitalistische grondslag werd gewijzigd en een landloos proletariaat ontstond.Wallerstein legt in zijn boekjes uit hoe de verhouding tussen staat en kapitalisme verder in elkaar zit.
Vraagstukken daarbij zijn hoe die vorming van staten zich verhoudt tot de ontwikkeling van dit kapitalisme en of we in de Hollandse expansie in de 17e eeuw een nieuwe fase van sociale, culturele en economische ontwikkeling moeten zien die voorafgaat aan de industriele revolutie.  Er zijn ook discussies over de invloed van de productie van energie (veenafgravingen) of de handel naar verder verwijderde gebieden.

Hoe zit deze samenleving nu verder in elkaar?

De systeemtheoretici sluiten aan bij de analyses van Fernand Braudel.

Braudel verwerpt de gedachte dat kapitalisme en marktwerking op hetzelfde neerkomen. Voor hem is kapitalisme juist een systeem van de ‘contre-marche’, de anti-markt. In zijn visie bestaan er drie niveau’s van economische bedrijvigheid. Het laagste niveau is dat van de ‘vie materielle’, het omvat de meest elementaire vormen van economische activiteiten waarmee mensen in hun behoeften voorzien. Daarboven ligt de economie, het niveau van de markt, een wereld die voor de deelnemers min of meer transparant is en een dagelijkse realiteit is, een wereld waarin de winsten dientengevolge klein zijn. Pas daarboven, op het derde niveau, is sprake van kapitalisme, als de zone van economische concentratie, van excessieve winsten, als gevolg van een relatief sterke mate van monopolievorming die zelf weer de uitkomst is van enerzijds politieke machtsvorming anderzijds van het vermogen van de deelnemers aan dit spel om de schakels in het productieproces te beheersen en het spel ondoorgrondelijk te maken. (Een beetje een samenzweringstheorie dus)
Noemt Tromp verder op blz 31 de definitie van wereldsysteem en de afgrenzing ervan. Het wereldsysteem dat in de zestiende eeuw ontstaat wordt gekenmerkt door de dominantie van de kapitalistische productiewijze, als een productiewijze waarin het maken van winst, de eindeloze accumulatie van kapitaal, de centrale doelstelling is. De ontwikkeling van het kapitalisme kan onder andere beschreven worden in termen van de opmars in de afgelopen vijfhonderd jaar van de wereldeconomie ten koste van lokale economien. ‘Mondialisering ‘is dan een proces dat al eeuwen plaatsvindt. Dan noemt Tromp een voorbeeld: de productie van een fluitschip op een Amsterdamse werf in het begin van de 17e eeuw was niet minder gemondialiseerd dan die van een hedendaagse personal computer in s’Hertogenbosch. Hiermee kom je al op een kritiek punt op deze wereldsysteemanalyse, nl dat er in de wereld in feite drie economische blokken bestaan, waartussen vrij weinig onderlinge handel is. Hoe verhoudt dit zich dan tot de these, dat er van slechts een wereldsysteem sprake is?? De structuur van het wereldsysteem is zodanig dat steeds sprake is van drie lagen of categorien. Zowel waar het de sociale klassen betreft als waar het de geografische afbakening betreft. (Tromp blz 33) De zones van het wereldsysteem liggen niet vast maar verschuiven. Brenner 1977 zou kritiek hebben geleverd vanuit het marxisme op de definiering van Wallerstein van kapitalisme als productie voor de verkoop in een markt, waarbij het doel is een maximale winst te behalen.

(Tromp blz 34) (Zie R. brenner- The origins of capitalist development: a critique of neo-smithian marxism in New Left Review, 104, july-august 1977. Wallerstein zegt dat de eerste grote fase van expansie plaatsvond tussen 1450 en 1650, toen volgde een periode van stagnatie tussen 1650 en 1750 en daarna een tweede fase van expansie (Tromp blz 35)

methodische knelpunten

Kritiekpunt is, dat in bovenstaand model sterk de nadruk wordt gelegd op ontwikkelingen op het gebied van de handel en in de circulatiesfeer: buiten beschouwing blijven ingrijpende veranderingen in de organisatie van de productie en hun invloed op de economische ontwikkelingen. In de systeemtheorie is de toe-eigening van een maatschappelijk surplus door middel van de handel een zich in relatie tot de natie-staten zelfstandig verder ontwikkelende factor, waar alle andere ontwikkelingen als het ware van zijn afgeleid. (Technologische ontwikkelingen, de verdere verbreding en uitbreiding van markten, specialisatie en differentiatie, schaalvergroting in de productie, sociale structuren, etc).



[1] Zie ook Bart Tromp – Hedendaags kapitalisme. Wereldsysteemanalyse. Blz 28- 30. In: Hedendaags kapitalisme. Het twintigste jaarboek voor het democratisch socialisme onder red. van Frans Becker, Wim van Hennekeler en Bart Tromp. Uitgeverij Arbeiderspers, Amsterdam 1999

zondag 19 juni 2005

De transitie-theorie van Van Bavel

Recent heeft de Nederlandse mediëvist Van Bavel op vernuftige wijze de belangrijkste elementen van de drie bovengenoemde modellen samengevoegd om te komen tot een overkoepelend verklaringsmodel voor de laatmiddeleeuwse ontwikkeling van de diverse in Nederland aanwezige plattelands economieën.[1]  In zijn boek Transitie en continuïteit koos hij nadrukkelijk voor een comparatieve benadering, omdat alleen door onderlinge vergelijking van landschappelijke, politieke en/of economische regio's een beter zicht ontstaat op de bepalende factoren van het transitie-proces. Net als Brenner hecht Van Bavel grote waarde aan de maatschappelijke structuren en grondbezitsverhoudingen in de desbetreffende streken. Interessant is dat hij deze niet als op zichzelf staande verschijnselen beschouwd, maar veel meer als een historisch gegroeid complex dat onder invloed van bodemgesteldheid en middeleeuwse occupatie regionaal geheel verschillend kan zijn uitgekristalliseerd. Gebieden die bijvoorbeeld al in de Karolingische Tijd waren bewoond staan in de latere Middeleeuwen vrijwel steeds onder sterke invloed van domaniaal grootgrondbezit, ook nadat het oude hofstelsel in de Late Middeleeuwen uiteen was gevallen. Het aantal vrije boeren bleef hier relatief beperkt. Daarentegen was de invloed van domaniaal grootgrondbezit in de regel veel minder groot in de gebieden die pas tijdens de grote ontginningsbeweging van de Volle Middeleeuwen zijn gekoloniseerd. Zo konden direct naast elkaar geheel verschillende regio's ontstaan. En het was juist dit intrinsieke verschil dat volgens Van Bavel in sterke mate de reactie van de diverse regio's op zich wijzigende demografische verhoudingen of de opkomst van stedelijke markten bepaalde. Het regionale kader van bezitsverhoudingen vormde als het ware een prisma waardoor het commercialiserings-proces in geheel verschillende richtingen kon afbuigen. Sommige regio's richtten zich op de teelt van arbeids-en kapitaalintensieve gewassen, andere richtten zich veel meer op een arbeidsextensieve akkerbouw en veehouderij, waarbij bovendien een groot aantal varianten en overgangen kunnen bestaan. Volgens Van Bavel verklaart een dergelijk transitiemodel veel beter dan de bovengenoemde demografische of centrum-periferie modellen de regionale verscheidenheid van de Nederlandse landbouw in de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne tijd. Wel spreekt hij de wens uit dat in de nabije toekomst meer regionale detail-studies zullen worden uitgevoerd die kunnen bijdragen aan de verdere validatie van het transitiemodel. Hoewel ik graag aan deze wens zou voldoen, zal uit het navolgende hoofdstuk blijken dat de Drentse bronnen te karig zijn om bovengenoemde processen op betrouwbare wijze te reconstrueren. Met name de verdeling van het grondbezit en de preciese rechten op de grond zijn voor laat-middeleeuws Drenthe slechts ten dele te reconstrueren. Mij past dus ene bescheiden opstelling in deze, hoewel ik hoop dat het goeddeels kwalitatieve materiaal toch een aantal aanknopingspunten oplevert voor de discussie over het transitieproces.




[1] Van Bavel, 1999

zaterdag 18 juni 2005

methodische knelpunten

Men kan de meer algemene vraag stellen wat de rol is van de mens als rationeel uit vrije wil handelend individu dat zich bewust is van zijn situatie. In hoeverre en op welke wijze worden mensen beinvloedt door de sociale, economische en culturele structuren om hen heen, handelen ze rationeel of juist niet, en in hoeverre oefenen groepen mensen invloed uit op de ontwikkeling van de samenleving? Deze discussie speelt tot op de dag van vandaag een rol, bijvoorbeeld in economische theorien, waarbij uitgegaan wordt van de mens als rationeel handelend wezen, die in alle situaties de keuze maakt die hem of haar het meeste voordeel oplevert. (De homo economicus) Maar het speelt ook een rol in de discussies over de relatie tussen het (groeps) bewustzijn van het individu en zijn of haar sociale of klasse-positie, die weer direct of indirect gerelateerd kan zijn aan de positie op de arbeidsmarkt of in de economische structuur. En het speelt een rol in het nationalisme debat. Een andere vraag, verbonden met de vorige heeft betrekking op de meer algemene vraag onder welke voorwaarden en wanneer mensen in opstand komen, welke ideologische ontwikkelingen daarbij een rol spelen en in hoeverre de opstanden in de loop van de tijd van karakter veranderen.

Weer een andere discussie is de opkomst van het kapitalisme en de verdere ontwikkeling daarvan. Moet je het begin situeren in de opkomst van de natiestaten zeg maar vanaf de zestiende eeuw, of is het begin de industriele revolutie in Engeland, in de tweede helft van de achttiende eeuw? Hoe moet je de wereldwijde expansie van de Republiek der zeven Verenigde Provincien in de zeventiende eeuw hierin plaatsen? 

In dit verband:
Leeservaringen met het boek Paul Offermans en Bernt Feis – ‘Geschiedenis van het gewone volk van Nederland’.

Bij de beschrijving van de overgang van de Romeinse overheersing naar de feodale maatschappij komen ze in moeilijkheden. Deze overgang was in feite een terugval in economisch-technologisch opzicht.
En in hun inleiding stellen ze, dat er productiekrachten, productieverhoudingen (de onderbouw) en ideologie en wet en regelgeving van de staat is (de bovenbouw). Primair is de ontwikkeling van de productiekrachten, die ontwikkelen zich steeds verder. Sociale revoluties ontstaan, wanneer de productiekrachten niet meer in overeenstemming zijn met de productieverhoudingen. De revolutionaire klasse, die de productiekrachten verder wil ontwikkelen, verdrijft dan de oude klasse, die hoorde bij een andere stand van de productiekrachten. Dat is de klassenstrijd.
In geval van de ondergang van het Romeinse Rijk interpreteren ze het zo, dat in die slavenmaatschappij met de slaven die werkten op zeer grote boerderijen er bij de Romeinse burgers een minachting ontstond voor arbeid; daardoor konden de productiekrachten zich niet verder ontwikkelen en stortte het Rijk in. Nu zijn het plotseling de productieverhoudingen die de productiekrachten tegenhouden. De klasse, die dan aan het bewind komt, valt terug in een primitiever economisch technologisch stadium (verdwijnen geldeconomie en minder efficiente en effectieve productie). Als je de terugval tenminste aanneemt, anders klopt het wel. Conclusie:  is het model teveel alleen van toepassing op de industriele en burgerlijke revoluties van de 18e en 19e eeuw?
Opvallend is trouwens, dat de achteruitgang of het gevaar daarvoor in de huidige tijd (economische groei, rijkdom, etc) wordt gezocht in dezelfde argumenten. Er zou – als je de mensen niet hard aanpakt - een onderklasse van mensen ontstaan, die minachting heeft voor arbeid en die lui is, en die de vooruitgang tegenhoudt.

Een tweede punt betreft de verhouding tussen marktdenken en uitbuiting. De schrijvers stellen, dat een ondernemer die een werknemer ontslaat, zoekt naar iets buiten hemzelf, (het marktmechanisme) om het ontslag te rechtvaardigen en dat hij (en de arbeider) daardoor een  vals bewustzijn heeft. Maar elders zijn marxisten van mening, dat juist via de markt- de concurrentie- de productiekrachten zich verder ontwikkelen en dat daardoor de een ondernemer meer winst maakt dan de ander (wie het meest geautomatiseerd is heeft voorprong, omdat hij onder de gemiddeld maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd zit). Dus dan bestaat het marktmechanisme wel als reeel verdelingsmechanisme en bepaling van de uitbuitingsgraad. Dan is het plotseling een reeel verdelingsmechanisme. Misschien moet je het zo zeggen, dat wel het ongelijke bezit van productiemiddelen (en daarmee de macht om winst te maken) bij een elite berust en daarom aan het oog wordt onttrokken maar dat dit via de markt op het tweede niveau verloopt (systeem theorie)

Ook aan het lezen: Hans Knippenberg – de eenwording van Nederland.

Daarmee verbonden zijn de opmerkingen over de maatschappij tot Nut van het Algemeen, waarvan de archieven in het gemeentearchief van Amsterdam te vinden zijn, wat die voor activiteiten ontwikkelden tegen het regionalisme. (Elite, liberaal, van boeren, etc.)

Ik herrinner me, dat Middendorp ook over ’t Nut geschreven heeft.

Blz 11 Knippenberg: Deutsch geeft een interessante definitie van het ‘sociaal gemobiliseerde deel’ van de bevolking, dwz de groepen die zijn opgenomen in het moderniseringsproces. Je kunt daarmee de ‘dragers’ van het proces identificeren. Het is ook aanvechtbaar, want de lagere volksklassen zullen vlgs de Deutsch-indicatoren vaak horen tot het niet gemobiliseerde deel, omdat ze geen geld hadden om opgenomen te worden in de geneugden van de modernisering, terwijl ze als bijvoorbeeld migranten toch wel hiertoe gerekend moeten worden?. Dit wreekt zich als de aanhang van de Belgische opstand wordt geanalyseerd. Er zijn drie bepalende factoren: religie (katholiek of niet) stand (de lagere standen zijn regionalistisch) en woonplaats (stad- platteland en Holland vs overig Nederland) Mensen op het platteland zullen minder natiegevoelig zijn geweest. Dit is echter een elitaire benadering: de rijken zijn de dragers van de modernisering. (De protestantse rijken in de stad zijn de dragers van de modernisering) Of wordt bedoeld natievorming? Hieruit blijkt, dat je modernisering en ‘dragers van de modernisering’ niet perse kunt vereenzelvigen met natievorming. Met deze opvatting wb natievorming is overigens ook in strijd, dat de lagere bevolking altijd oranje gezind is geweest. Had deze gezindheid te maken met nationalistische gevoelens, cq natievorming?? Zie de andere opvattingen van Huizinga en consorten.
Toch kun je de indicatoren van Deutsch wel gebruiken als operationalisatie van het moderniseringsproces cq als mogelijkheid voor het samenstellen van middle range hyphothesen en theorien.

In dit verband is een indicator bijvoorbeeld de mate waarin mensen de krant lezen of andere media gebruiken. Maar je kunt vele vernieuwingsmomenten traceren en ook de opvattingen van tijdgenoten over of ze wel of niet open stonden voor modernisering.

In het boek van Z.W. Sneller- Bijdragen tot de economische geschiedenis wordt een mooie overgang beschreven van de jaarmarkten naar het systeem van de stapelmarkten. (blz 223)

Je kunt het verhaal over de Dekema, Cuijk en Fjoets Compagnie als de eerste NV ter wereld ook opnemen als een voorbeeld in het moderniseringsproces.




dinsdag 22 juni 2004

Van rechten naar kansen op rechten. De sociale rechten in de Europese grondwet


Velen spraken van een historisch moment. Op de ‘top van Laken’ op 14 en 15 december  2001 installeerden de Europese regeringen een Conventie. Deze moest zich buigen over de toekomst van Europa en een ‘Ontwerpverdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa’ opstellen. De Conventie kreeg van de regeringsleiders de opdracht regels op te stellen die de Europese Unie ‘tot een stabiliserende factor en een lichtbaken in de nieuwe wereldorde’  maken. In het navolgende zal ik trachten enkele aspecten van dit ‘lichtbaken in de nieuwe wereldorde’ nader over het voetlicht te brengen. De Conventie bestond uit vertegenwoordigers van regeringen, nationale parlementen en het Europees parlement. Daaraan voorafgaand was er reeds een andere Conventie geweest, die een Handvest van grondrechten produceerde, dat op een top van regeringsleiders in Nice in december 2000 werd aangenomen. Later bleek dit Handvest eenvoudigweg opgenomen te worden in de op te stellen grondwet voorzover het de grondrechten betreft. (Deel II van de ontwerptekst)  Op 13 juni en 10 juli 2003 werd de ontwerp- grondwet ‘bij consensus’ aangenomen door de Europese Conventie. Op 18 juli 2003 werd de gehele tekst voorgelegd aan  Berlusconi, die toen voorzitter was van de Europese Raad. Na langdurig slepende onderhandelingen tussen regeringsleiders, waarbij het niet zozeer ging om heldere formuleringen van grondrechten maar om de macht en invloed van afzonderlijke landen en de besluitvormingsprocedures werd de grondwet op een top van regeringsleiders in Brussel op 19 juni 2004 vastgesteld. Veel wijzigingen ten aanzien van de grondrechten zijn op de top in Brussel in juni 2004 niet aangenomen, zodat ik de hierna genoemde publicatie tot uitgangspunt neem bij een kritiek op de grondwet waar het de sociale rechten betreft. (Ontwerp verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa. Voorgelegd aan de voorzitter van de Europese Raad te Rome. Luxemburg, Bureau voor officiele publicaties der Europese Gemeenschappen, 2003. )

Voorwaardelijke rechten

Reeds het Handvest van grondrechten riep veel reacties op. Tienduizenden demonstreerden in de straten van Nice tegen dit Handvest. Algemene kritiek was, dat de sociale en democratische grondrechten zoals die in de lidstaten bestonden met dit Handvest werden verkwanseld. Het ging volgens de demonstranten om een neo-liberaal project, waarbij het dogma van de vrije markt vooropstaat en waaraan de rechten van de burgers ondergeschikt worden gemaakt. Het Handvest voorziet wel in individuele rechten zoals vrijheid van meningsuiting, godsdienst enzovoort. Men weigerde echter in het Handvest op dezelfde wijze het recht vast te leggen op een baan waarin je je kunt ontplooien en waarvan te leven valt. In het Handvest wordt het recht op goede huisvesting of een redelijk inkomen niet rechtstreeks geformuleerd, laat staan dat de staten de verplichting hebben iemand te ondersteunen wanneer hij of zij door omstandigheden niet in zijn onderhoud kan voorzien. Wat dit betreft is het een stap terug ten opzichte van de Nederlandse grondwet, waarin deze verplichting wel staat. In het Handvest worden verschillende van deze sociale rechten, voorwaardelijk geformuleerd, in tegenstelling tot het recht op vrijheid van meningsuiting en andere burgerlijke vrijheden. Bij een deel van het onderwijs, bij sociale zekerheid en bijstand, bij de gezondheidszorg, de toegang tot diensten van algemeen economisch belang en op andere plaatsen wordt de formulering ‘het recht op toegang tot’ gebruikt in plaats van ‘het recht op’. (Zie oa deel II van de grondwet artikel II-34 lid 1) Tevens staat op verschillende plaatsen ‘onder de door de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden’. (Zie oa deel II van de grondwet artikel II-34 lid 2) Ook het recht op het gebruik maken van diensten van algemeen belang is vaag geformuleerd. In het betreffende artikel staat dat de Europese Unie overeenkomstig de grondwet de toegang tot diensten van algemeen economisch belang die in de nationale wetgeving en praktijken is geregeld ‘erkent en eerbiedigt’. Deel II artikel II-36) De Europese Unie erkent en eerbiedigt het wel als het bestaat, maar als het niet bestaat kun je geen beroep doen op de grondwet. En wat moeten we met een formulering als: ‘in het beleid van de Europese Unie wordt zorg gedragen voor een hoog niveau van consumentenbescherming’?. (Deel II artikel II-38).
De staten cq de Europese Unie zijn wel verplicht toegangsmogelijkheden te formuleren en te stimuleren, kansen te creeren, kansen om rechten uit te oefenen. Wie door omstandigheden niet in staat is deze kansen te benutten heeft pech gehad. Tevens hebben de nationale staten het recht ‘voorwaarden’ voor het verkrijgen van een uitkering te formuleren. Dit opent de deur niet alleen tot het formuleren van toegangsvoorwaarden op het gebied van samenstelling van de huishouding, arbeidsverleden, etc. maar ook om het tekenen van strenge contracten van de uitkeringsgerechtigden te eisen, waarin hem of haar een bepaald gedrag wordt opgelegd. Staten zijn volledig vrij om het principe ‘geen recht tenzij’ naar eigen goeddunken in te vullen. Deze formuleringen zijn overigens niet zonder slag of stoot in de grondwet terecht gekomen. In december 2003 werd op het laatste moment, toen alle andere werkgroepen van de Conventie hun werkzaamheden al bijna afgerond hadden, een werkgroep ‘sociaal Europa’ ingesteld, uit onvrede over de formulering van de sociale rechten en de positie van de openbare diensten. In de Commissie voor economische en monetaire zaken werd het rapport van de werkgroep over de sociale dimensie echter ingetrokken nadat een reeks amendementen de strekking ervan zouden ontkrachten.  Ten aanzien van verschillende sociale rechten zagen voorgaande teksten van de grondwet er nog slechter uit, oa ten aanzien van het stakingsrecht, dat uiteindelijk toch in de grondwet terecht is gekomen na oa een intensieve lobby van de vakbonden (deel II artikel II-28)

Neo-liberale politiek

Vele protesten volgende op de demonstratie in Nice waar het Handvest van grondrechten onder kritiek stond. Thessaloniki was in juni 2003 het decor van een nieuw sociaal protest bij een top van Europese regeringsleiders. Opnieuw was de discussie rond het concept van een Europese grondwet en de daarbij behorende grondrechten een belangrijk onderwerp. En nog steeds was de kritiek, dat  de neo-liberale politiek tot grondwet wordt verklaard, zonder ruimte voor sociale rechten.  Het ontbreken van sociale rechten in het Handvest en in de latere concept-grondwet berust niet op een moment van vergetelheid, maar is bewuste bedoeld als onderdeel van een neo-liberale strategie. De neo-liberale politiek is al in verschillende Europese verdragen verankerd. Steeds meer op het gebied van arbeidsomstandigheden, arbeidsmarktbeleid en sociale zekerheid wordt op Europees niveau geregeld. Tijdens de top van regeringsleiders in Lissabon in 2000 is de doelstelling van de Europese Unie tot 2010 geformuleerd als een ontwikkeling naar de meest competitieve kennis economie van de wereld. Ieder voorjaar wordt tijdens een top van regeringsleiders een tussenbalans opgemaakt van de in Lissabon uitgezette strategie. Onderwerpen van gesprek zijn: de invoering van Informatie en Communicatie Technologie (ICT), de bevordering van een gunstig ondernemingsklimaat, de privatisering en het tot stand brengen van een Europese markt. De nadruk ligt op de hervorming van de arbeidsmarkten, de kern van de in Lissabon besproken strategie. Centraal in deze hervorming staat het begrip ‘employability’: de volledige en flexibele inzetbaarheid van werknemers op de arbeidsmarkt om de arbeidsparticipatie van de Europese bevolking te bevorderen. De verantwoordelijkheid voor deze inzetbaarheid wordt bij de werknemer gelegd. De overheden beperken zich tot ondersteuning.
Naast de aanbevelingen van de regeringsleiders heeft de Europese Commissie een reeks beleidsnotities opgesteld  en het laat zich aanzien dat de beslissingen die de ministers van economie en van financien (de Ecofin-raad) nemen de daarin geformuleerde beleidsintenties naar de letter zullen volgen. Deze beleidsnotities monden uit in de Globale richtsnoeren voor het Economisch Beleid (GREB). Hoofd-doelstelling van het GREB is het drukken van de loonkosten voor de werkgevers. Men spreekt in het verlengde van de Lissabon-strategie van rationalisatie van de Europese processen, die ontwikkeld zijn ten behoeve van de coordinatie van het bestrijden van  sociale uitsluiting,  van de Europese strategie voor de werkgelegenheid, van de ontwikkeling van de interne markt (privatisering van de publieke sector). De om de drie jaar geformuleerde GREB zullen de aanjager zijn van de beleidsontwikkelingen. Met het oog daarop heeft de Ecofin-raad aangekondigd dat boven alles gestreefd moet worden naar een strenger beleid ten aanzien van personen, die werkloos zijn of dat dreigen te worden of anderszins tot de categorie sociaal uitgeslotenen behoren. Van de lidstaten wordt geeist dat ze hun uitkeringsstelsels herijken, om te bewerkstelligen dat ze bijdragen aan een grotere participatie op de arbeidsmarkt en voorkomen dat mensen blijven vastzitten in armoede en baanloosheid. In werkelijkheid is dit ene strategie om de mensen te dwingen laag betaalde flexibele baantjes te nemen en om de sociale zekerheid af te breken.  De ministers van economie en van financien dringen ook aan op een grote inspanning om belemmeringen op de arbeidsmarkt op te heffen, om de mobiliteit van de werknemers te vergroten, en om de inzetbaarheid van ouderen, vrouwen, immigranten en jongeren te vergroten.
Geheel in overeenstemming met de ontwerp grondwet creëert de overheid kansen: kansen op toegang tot rechten, kansen op een goede baan als je voldoet aan bepaalde voorwaarden en zelf zorgt dat je kennis en vaardigheden up to date blijven. Alleen de flexibele werknemer die in staat is zich aan te passen aan de eisen van de arbeidsmarkt in de nieuwe economie heeft kansen. Pas als hij deze kansen grijpt ontstaan er rechten. Aan de vooravond van het referendum over de Europese grondwet zien we zowel in de ontwikkeling van de arbeidsvoorwaarden als in het nationale en Europese overheidsbeleid een trend waarbij de werknemer wordt beschouwd als een soort ondernemer: hij verkoopt het product arbeidskracht op de markt en hij wordt volledig zelf verantwoordelijk om zich via particuliere verzekeringen te verzekeren tegen de gevolgen van werkloosheid, ziekte en ouderdom. Bovendien moet hij de waarde van zijn arbeidskracht op peil houden door permanente scholing. Deze ontwikkeling komt duidelijk tot uitdrukking in de toename van het aantal Zelfstandigen Zonder Personeel (ZZPers). In plaats van werken volgens een dienstverband met bijbehorend salaris en sociale voorzieningen ontvangt de ZZPer een brutobedrag waarvan hij zelf alle sociale verzekeringen et cetera moet regelen. Collectieve regelingen komen onder druk te staan.
Om een beeld te vormen van een toekomst, zoals die besloten ligt in de heersende ideologie van de Europese instituties, is het noodzakelijk het verband te zien tussen enerzijds het  proces van gelijkschakeling van de economische politiek van de lidstaten, de vrije marktpolitiek, liberalisering  van de publieke sector, de gezondheidszorg en de pensioenen en anderzijds het schrappen van het recht op uitkering uit de lijst van grondrechten voor de lidstaten van de EU.
Het mag dan zo zijn dat de lidstaten nog steeds vrij zijn om te doen wat ze willen op het terrein van de sociale zekerheid, maar dus wel op voorwaarde dat ze de kosten daarvan terugdringen. Wat betreft de bescherming van de zwakkeren wordt niks dwingend opgelegd. Een eerlijker inkomensverdeling staat niet op het programma.
Rechten worden ondergeschikt gemaakt aan de wetten van de markt. Deze wetten van de markt worden expliciet vastgelegd in de ontwerp grondwet waar wordt gesproken over ‘de eerbieding van het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging’. (Deel III Hoofdstuk II artikel III-69 lid 1)  De wetten van de markt zijn heilig. Sociale rechten worden daaraan ondergeschilt gemaakt.

Decentralisatie

De Europeanisering gaat hand in hand met een tweede ontwikkeling: decentralisatie, de delegatie van bevoegdheden naar lagere bestuursorganen gecombineerd met de wens tot bezuinigen. In Nederland valt wat dit betreft te denken aan de reorganisatie van de Algemene Bijstandswet. De nieuwste bijstandswet (WWB) die op 1 januari van kracht werd is geen ‘open eind regeling’ meer. Gemeenten krijgen aan het begin van het jaar een vast budget waarmee ze het moeten doen. Wordt het aantal bijstandsgerechtigden groter dan verwacht dan moeten gemeenten de oplossing binnen de eigen begroting zoeken. De bevoegdheden van de gemeenten zijn vergroot onder andere wat betreft de besteding van het budget. Als gemeenten er in slagen het aantal werklozen of uitkeringen terug te dringen, dan mogen ze het geld dat ze daardoor overhouden naar eigen inzicht besteden aan andere zaken. Een ander voorbeeld van het samengaan van decentralisatie en bezuinigingen is het beheer en de bouw van sociale huurwoningen.
Decentralisatie is vaak een reactie op een toenemende complexiteit van de omgeving. Bij de internationalisering van de productie en de overdracht van bevoegdheden aan de Europese Unie verliest de nationale staat een deel van haar vermogen tot coördinatie. Decentralisatie maakt het mogelijk dat lagere bestuursorganen in het kader van de nationale staat adequaat reageren op economische ontwikkelingen. Bij de nieuwe bijstandswet zijn financiële prikkels ingebouwd voor de gemeenten. Die leiden ertoe dat gemeenten nadenken over maatregelen om het aantal werklozen op welke wijze dan ook terug te dringen, zonder dat er vanuit de nationale staat een heel scala aan regelingen bedacht hoeft te worden.

Dilemma’s en scheidslijnen

Door de ontwikkeling van Europeanisering en decentralisatie worden de vakbeweging en de politieke partijen die streven naar een bepaalde mate van bestaanszekerheid voor mensen in mijn ogen voor een dilemma geplaatst. Enerzijds moeten we de huidige Europese grondwet afwijzen. De voorstanders van de grondwet zeggen: het is een stap vooruit en we moeten ons vervolgens blijven inzetten voor de opbouw van een sociaal Europa. Maar zoals hiervoor bleek is de Europese grondwet op belangrijke onderdelen een verslechtering in vergelijking met de Nederlandse grondwet. Hoe kun je het recht op bestaanszekerheid op Europees niveau verder regelen, als dit niet goed is geregeld in de basis, de Europese grondwet?. Anderzijds is het volgens sommigen nog steeds mogelijk om op nationaal niveau zaken als arbeidsvoorwaarden, sociale zekerheid en bestaanszekerheid te regelen terwijl er tegelijkertijd een interne markt bestaat. Dat lijkt me een illusie. Europa cq de Europese sociale bewegingen en de nationale sociale bewegingen (die in beperkte mate Europees georganiseerd zijn) moeten zich juist intensief bezig houden met de doelstelling: het regelen van sociale zekerheid op Europees niveau. Door het ontstaan van een interne markt en de daarbij behorende deregulering en privatisering, zal er steeds meer oneigenlijke loonconcurrentie ontstaan waardoor Nederlandse bedrijven en werknemers uit de markt gedrukt kunnen worden. Belangrijke reden daarvoor is dat het vrij verkeer van diensten niet aan banden is gelegd. Werknemers die over de grens werken, hebben volgens het zogenaamde werklandbeginsel wel recht op de in Nederland geldende regels voor minimumloon, vakantie, werktijden en arbeidsomstandigheden. Dat geldt niet voor sociale premies en pensioenpremies, daarvoor gelden de regels van het land van herkomst. Bij het vrij verkeer van diensten is de bepaling ingevoerd dat de lidstaten een dienstverlenende onderneming toestemming kunnen geven om te werken onder de wet en regelgeving van het land waar de onderneming zijn hoofdvestiging heeft. Dit zal leiden tot grote beleidsconcurrentie tussen staten.
Dit past in de ontwikkeling waarbij geheel volgens de neo-liberale ideologie iedereen concurreert met iedereen. Dit betekent een poging tot afbraak van de onderlinge solidariteit. De veranderingen in de organisatie van de productie werken door in alle sociale verhoudingen tussen mensen in en rond de productieorganisaties. En zo ook op hun mogelijkheden om in die productieorganisaties tot collectieve actie te komen.
Nu liggen er steeds moeilijk te overwinnen obstakels om tot een sociale en politieke eenheid te komen van alle werkenden. Hoewel de inkomensverschillen in Nederland tot nu toe niet sterk toenemen is er toch een tendens tot een tweedeling van de bevolking: enerzijds mensen die het zich financieel kunnen veroorloven bestaanszekerheid voor hun hele leven te kopen, anderzijds mensen voor wie het moeilijk of onmogelijk is (mensen)rechten te kopen. Deze sociale polarisering schept een gedifferentieerde, heterogene arbeidersklasse die wordt geconfronteerd met vermogensbezitters die geen solidariteit betonen met de anderen, en een ideologie ontwikkelen waarbij de eigen rijkdom temidden van de armoede van anderen wordt gerechtvaardigd. Het onderscheid tussen welvaartseilanden en armoederegio’s wordt groter, binnen Nederland en wereldwijd. Dit onderscheid is steeds minder aan nationale grenzen gebonden. De splitsingen tussen loonafhankelijken die door het neoliberale wordt bevorderd, gaat vaak gepaard met discriminatie naar nationaliteit, geslacht, leeftijd en kwalificatie. Deze ontwikkeling betekent dat op de werkplaatsen een generatie arbeiders is ingestroomd zonder enige ervaring met (vakbonds)strijd. Deze generatie werknemers is direct onder een neoliberaal en vakbondsvijandig regime aan het werk gegaan. Aan de andere kant is er de positieve ontwikkeling van de mondialiseringbeweging. Ook dit is in mijn ogen een uitdrukking van de wijzigingen in de sociale en culturele verhoudingen in de arbeidersklasse. Ik ontleen deze conclusie aan de diversiteit van invalshoeken en organisaties in die beweging en haar pluriforme karakter. Het blijkt dat de mondialiseringbeweging de 'oude' verdeling, die langs allerlei inhoudelijke en groepsscheidslijnen liep, in de praktijk heeft doorbroken. Ik denk dat in die gevarieerde beweging de meer fundamentele vraag naar de verdeling van de rijkdom in de wereld een centrale plaats zal innemen: de verdeling van de totale welvaart dus niet alleen de lonen. De eis van de Euromarsen voor een Europees minimuminkomen en het vraagstuk van de financiering van de sociale zekerheid sluiten daar op aan. De FNV doet mee aan de organisatie van het Nederlands Sociaal Forum die in het najaar wordt gehouden. Dergelijke Fora kunnen ook op lokaal niveau georganiseerd worden. Wellicht dat deze samenwerkingsvormen in het verlengde van de mondialiseringsbeweging nieuwe perspectieven bieden. Daarbij zal de suggestie van onvermijdelijkheid van het neo-liberale beleid doorbroken moeten worden. Deze suggestie van onvermijdelijkheid heeft oa betrekking op de noodzaak van rigoreuze bezuinigingen in de sociale zekerheid om de concurrentiestrijd met andere regio’s vol te houden zonder dat er alternatieven voorhanden zijn.

22/06/2004/Piet van der Lende