donderdag 4 april 2013
Vraag om onafhankelijk onderzoek naar decentralisaties. Een tijdbommetje onder de voornemens?
zondag 27 januari 2013
De stad is van ons
vrijdag 21 september 2012
Wat zullen de gevolgen zijn van de verkiezingen en een nieuwe regering van PvdA en VVD
De verkiezingen zijn achter de rug. Velen hebben wat ze noemen “strategisch” gestemd, op de PvdA of omgekeerd op de VVD, hoewel ze het eigenlijk eens zijn met bijvoorbeeld de SP of de PVV. Het gevolg kennen we. Twee hele grote partijen, een liberale en een sociaal-democratische, die op elkaar aangewezen zijn. Terwijl ik dit schrijf, is de neo-liberale VVD-havik Henk Kamp benoemd tot verkenner. Dat geeft al aan waar de kabinetsformatie toe zal leiden: het in misschien iets andere bewoordingen en accenten voortzetten van het neo-liberale beleid van het kabinet Rutte I.
In feite zijn de sociaal-democratische bestuurders van de PvdA al enige tijd bezig om het neo-liberale beleid met een nieuw ideologisch sausje te overgieten, op een manier die kan aansluiten bij het gehak van Kamp en de zijnen op de mensen die het het minst breed zitten, zoals bijstandsgerechtigden. Door het nieuwe kabinet zullen onder impuls van de sociaal-democraten wat fooien van enkele honderden miljoenen euro’s worden uitgedeeld voor de groepen aan de onderkant van de samenleving, bij alle bezuinigingen van vele miljarden. Die fooien zijn zogenaamd gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid van mensen, maar dienen vooral om hen weerbaarder te maken in de concurrentiestrijd met anderen. En er zal een hernieuwd beroep gedaan worden op “het maatschappelijk middenveld”, de buren en de familie om al dan niet verplicht de mantelzorg of de verdere verzorging van naasten via onbetaald werk op zich te nemen, onder het motto: eigen verantwoordelijkheid is belangrijk. Dat gaat gepaard met bezuinigingen op buurtvoorzieningen, de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) en de professionele hulpverlening. Lokale sociaal-democratische bestuurders brengen het nieuwe beleid al in praktijk en zullen beperkte bedragen uit Den Haag krijgen om hun beleid voort te zetten. Via het zogenaamde welzijnswerk nieuwe stijl, dat samengaat met forse bezuinigingen op allerlei voorzieningen en met het ontslag van veel buurthuis- en welzijnswerkers, wordt een beperkte hoeveelheid geld voor de arme buurten uitgetrokken, waarbij de bal bij de bewoners wordt gelegd. Zij moeten initiatieven nemen en geactiveerd worden om iets te organiseren en daar al hun vrije tijd in steken. Buurthuismedewerkers die voor het buurthuis een programma kunnen opzetten, zijn er steeds minder, sterker nog, als ze er nog wel zijn, mogen ze niets doen, behalve “procesbegeleiding”. De beperkte bedragen die zullen worden uitgetrokken voor “de begeleiding” van burgers en de bevordering van zelfredzaamheid en kansen, zullen vooral fungeren als disciplineringsinstrument om de mensen aan de onderkant van de samenleving, die geen perspectief hebben op een beter bestaan, in het gareel te houden, zoals tot nu toe is gebeurd onder lokaal bestuur van sociaal-democratische huize. Die mensen worden gedwongen om de onderbetaalde flexibele baantjes te nemen die de in concurrentiestrijd verwikkelde bazen hen toewerpen.
Deze kritiek is niet nieuw. Ik heb hem vele malen geventileerd en samen met mij gelukkig vele andere criticasters. Heeft dat eigenlijk wel echt effect gehad? Het blijkt ook dat velen vinden dat ik het te somber zie. Ze zeggen dat de PvdA in het nieuwe kabinet toch wel de bezuinigingen op de zorg zal verminderen, dat er geen hogere eigen bijdragen komen, dat de uitkeringen en het minimumloon niet omlaag zullen gaan, dat de sociaal-democraten versoepeling van het ontslagrecht zullen tegenhouden en nog meer mooie dingen. Ik ben wat dat betreft somberder, zeker als de crisis doorvreet. Waar het mij om gaat, is dat op sommige punten het beleid misschien wat minder rechts zal zijn, maar dat het uitgangspunt van Rutte I – het vooral treffen van mensen aan de onderkant van de samenleving, in de bijstand, de Wajong, de WSW en de WW – zal worden voortgezet. Misschien dat in de publieke opinie figuren als Kamp en andere VVD-ers hun toon in ideologische zin wat zullen matigen en dat het beleid zal worden overgoten met sociaal-democratische prietpraat over het stimuleren van zelfontplooiing, eigen verantwoordelijkheid, zelfstandigheid en burgerschap. Maar ik vraag me nu voor mezelf af hoe ik hier op zal moeten reageren. Het bovenstaande negatieve verhaal zal niet erg aanslaan, denk ik, hoe waar het in mijn ogen ook is.
Reformisme
Laten we het verder eens hebben over hoe sommige pleitbezorgers van een linkse politiek, die teleurgesteld zijn in het beperkte verkiezingsresultaat van de SP, de zaak analyseren. Wat in die kritiek op de verkiezingscampagne van de SP naar voren wordt gebracht, is onder meer het argument dat de SP haar onversneden linkse standpunten beperkt heeft geventileerd, en dat Roemer zich richtte op de mogelijkheid van regeringsdeelname of zelfs leiding van de regering, een strategie op basis van de peilingen tot drie weken voor de verkiezingen, toen de SP boven de 30 zetels stond. Daarbij begon hij al bij voorbaat SP-standpunten in te leveren, zoals de leeftijd waarop je met pensioen gaat. Die strategie zou zijn mislukt, aldus de critici, die ervoor pleiten om terug te keren naar de vroeger gebruikelijke linkse politiek: samen met sociale bewegingen van onderop nieuwe organisatiestructuren en op termijn massale buitenparlementaire oppositie opbouwen. Daarin kan het parlementaire werk een rol spelen, maar de strijd op het Binnenhof is niet het enige of het belangrijkste. De SP zou haar aanhang hebben verloren omdat de partij de van oudsher gangbare weg (binnen- en buitenparlementaire strijd hand in hand) althans gedeeltelijk verlaten zou hebben. Ook deze kritiek is in mijn ogen een herhaling van zetten, net als mijn eigen visie. Dat soort verhalen heeft geen effect, althans te weinig. Hoe komt dat?
Mijns inziens omdat we er onvoldoende in slagen om een perspectief naar voren te brengen voor een andere politiek. Het gebrek aan succes van de SP komt volgens mij niet zozeer voort uit een tegenstelling tussen reformisme en meer radicaal-linkse politiek, want ook Samsom is een reformist en hij had juist heel veel succes. Ik denk dat de PvdA-voorman er in de media gewiekster dan Roemer in is geslaagd om althans de schijn van een – gematigd – links perspectief voor het voetlicht te brengen. Nederland sterker en socialer, en dat met de PvdA in de regering. Roemer is daar niet in geslaagd. Enerzijds bleef de SP vasthouden aan linkse standpunten en de verschillen benadrukken met rechtsere partijen, en zei de SP-voorman voorstander te zijn van een linkse regering, met een links blok, terwijl het zonneklaar was dat links samen nooit meer dan 60 zetels zou halen en gedwongen zou zijn om op zijn minst met het midden en zelfs met de VVD te regeren, die Roemer vrijwel uitsloot. Anderzijds schoof hij qua standpunten op naar het midden en durfde hij in de discussies een zeer kritische analyse van de banken- en economische crisis niet te maken, terwijl Samsom dat wel deed, om zo een regering van links-centrum dichterbij te brengen, waarop andere partijen reageerden met: we gaan nooit met de SP regeren. Zo opereerde Roemer tegenstrijdig en zonder perspectief, waar de andere partijen in het midden en op rechts graag gebruik van maakten om de SP buiten spel te zetten. Zowel het streven naar een meer radicale politiek als het reformisme falen wanneer er geen perspectief op realisering is. Dat hoeft geen perspectief op korte termijn te zijn, en je hoeft er ook niet de meerderheid voor te hebben. Maar het gaat om een perspectief op de langere termijn, op basis van een analyse van de maatschappelijke ontwikkelingen en krachtsverhoudingen. En ook radicaal-links biedt dat perspectief momenteel in mijn ogen niet, sterker nog, het versterkt in bepaalde opzichten haar eigen machteloosheid.
Intimidatie
De utopie die door radicaal-links voor het voetlicht wordt gebracht heeft twee kenmerken. Ten eerste worden de misstanden in de samenleving fel bekritiseerd. Ten tweede wordt een schets gegeven van een mooie samenleving, met de opbouw van een organisatie van onderop. Hoe juist dit allemaal ook is, daarmee heb je nog geen breder perspectief dat grotere groepen kan inspireren om in verzet te komen. Sterker nog, als dat perspectief ontbreekt, kunnen de twee punten tegen je werken. Mensen raken gefrustreerd als ze de beschrijvingen lezen van wat er allemaal slecht is. Ze gaan zich machteloos voelen, omdat ze het idee hebben dat ze er niets tegen kunnen doen. Dreigen met hel en verdoemenis, met de ecologische en klimaatcrisis, de energiecrisis, de armoede, dat werkt niet. En als ze alle mooie doelstellingen lezen, raken ze ook gefrustreerd, omdat ze het gevoel hebben dat het nooit bereikt zal worden. “Wees toch realistisch”, zeggen ze dan.
Om perspectief te ontwikkelen zullen we meer moeten uitgaan van een analyse van de maatschappij, waarbij we laten zien dat er grote kansen zijn op positieve verandering. Maar hoe doe je dat? Ik weet het ultieme antwoord ook niet. Laat ik om wat dichterbij het antwoord te komen, als voorbeeld nemen de perspectieven van bijstandsgerechtigden, die het met het nieuwe kabinet in mijn ogen zwaar zullen krijgen. Al jaren circuleren op internet verhalen over misstanden op dit terrein, onder meer op het gebied van de reïntegratie-industrie, waar bijvoorbeeld Jacqueline Grosman jaren geleden al aandacht aan heeft besteed. Maar dat veroorzaakt geen langer durende opschudding. Wel is het beleid wat veranderd, waardoor bijvoorbeeld minder particuliere reïntegratiebureaus worden ingeschakeld. Ook zijn er diverse pogingen geweest om werklozen in de reïntegratie-industrie te organiseren. Dat is niet gelukt. De verdeel- en heerspolitiek en de intimidatiestrategie die overal wordt toegepast, is erop gebaseerd dat de bijstand het laatste vangnet is. Daarna is er niets meer, dus het dreigen met en het opleggen van strafkortingen op de uitkering vormt een zeer effectief wapen. Vooral omdat veel uitkeringsgerechtigden in een dwangpositie verkeren, om het zo maar te zeggen. Ze zijn vader of moeder van een klein kind, ze zitten in de schuldsanering waar ze uitvliegen als ze een maand geen uitkering hebben, ze zijn verplicht om met behoud van uitkering te werken, op straffe van korting op de uitkering, enzovoorts.
Als die dreiging minder zou zijn, dan zou ook de effectiviteit van de intimidatie minder zijn, denk ik. In dit verband is het mijn ervaring als medewerker van de Bijstandsbond dat het bijstandsgerechtigden, wanneer ze het echt niet meer trekken en wel moeten gaan procederen tegen de gemeente, in zeer veel gevallen lukt om de kortingen en stopzettingen van tafel te krijgen. Wat daarbij in Amsterdam opvalt, is dat er bij de Dienst Werk en Inkomen een soort concurrentiestrijd gaande lijkt te zijn tussen de afdeling Juridische Zaken, die strikt volgens de wet wil werken, en de afdeling strategisch beleid, waar ze als het ware het onderdrukkingsregime in de vorm van projecten ontwerpen. Juridische Zaken wil soms bepaalde beleidsmaatregelen verwerpen omdat die voor de rechter geen stand zullen houden, terwijl Strategisch Beleid voorbij de bestaande regelgeving wil komen en daar gaten in wil schieten Er zijn echt fricties tussen die afdelingen. Het gaat dus niet om een eenduidige en feilloos verlopende onderdrukkingsmachinerie. Ook is het niet zo dat de klantmanager van een protesterende bijstandsgerechtigde altijd denkt: “Die lastpost ga ik eens flink pakken, want die zit me dwars”.
Panopticum
In dit verband moet ik denken aan het boek “Paria’s van de stad” van Loïc Wacquant, dat ik aan het lezen ben. Daarin staat dat het negativisme van de mensen in het getto en in de banlieus van bijvoorbeeld Frankrijk de relatie met de macht structureert. Ik moest daar lang over nadenken. Ik denk dat hij bedoelt dat de bewoners van het getto de mensen om hen heen buiten het getto en de maatschappij die daar bestaat, zeer negatief beoordelen, en steeds negatieve beschrijvingen erover ventileren. Daarmee benoemen ze de onderdrukking door de politie en alles dat daarmee samenhangt, onbewust als een perfect systeem waaruit geen ontsnappen mogelijk is. Dit bevordert en bevestigt de machtigen en hun macht, die zo alleen bestreden kan worden met individuele amok of criminaliteit. Hetzelfde mechanisme komt bij bijstandsgerechtigden voor. Wanneer ze vertrouwelijk met elkaar praten, dan komen alle onderdrukkingsaspecten voorbij, de fouten, het schandelijke gedrag van klantmanagers, het falen van de politieke bestuurders, de bankdirecteuren en hun bonussen, die niet aan banden worden gelegd maar zij zelf wel, de racistische werkmeesters, enzovoorts. Aangewakkerd door de publiciteit die de VVD en de PVV altijd krijgen over het streng aan het werk zetten en criminaliseren van uitkeringsgerechtigden, waar veel mensen heel emotioneel op reageren. Daarmee wordt het bestaan van een onderdrukkingssysteem waaruit geen ontsnappen mogelijk is, bevestigd en daarmee ook de almacht van de machtigen. Je kunt in elk geval in het openbaar maar beter doen wat ze zeggen, al is het maar voor de schijn. Er is immers geen andere uitweg, zo lijkt het.
Eerder heb ik in navolging van Wacquant en anderen het regime in de bijstand beschreven als een sociaal panopticum, als het gevoel constant in de gaten te worden gehouden, het gevoel dat de Sociale Dienst alomtegenwoordig is, aangewakkerd door berichten over bewakingscamera’s, het bespieden van uitkeringsgerechtigden en het opsporen van frauderende werklozen. Er schiet me nu te binnen dat al die berichten over opgepakte fraudeurs bewust onderdeel uitmaken van wat men “preventief beleid” noemt om fraude te voorkomen. Het publiciteitsbeleid van gemeenten is erop gericht om werklozen die geld nodig hebben, ervan te doordringen dat ze maar beter geen zwart werk kunnen doen, omdat de pakkans groot zou zijn. Het zou een idee kunnen zijn om te onderzoeken hoe dat preventieve beleid in elkaar zit, ook ten aanzien van dwangarbeid en allerlei andere werkprojecten, en om na te gaan in hoeverre gemeenten dat beleid ook doelbewust uitstippelen. Dat beleid draagt ook bij aan het sociaal panopticum. Ook al hebben bijstandsgerechtigden weinig contact met de Sociale Dienst, bijvoorbeeld maar eens in het half jaar, toch is die dienst constant in hun gedachten. Misschien wel iedere dag, wanneer ze nadenken over strategieën voor het geval dat: “Wat moet ik doen als….?” In het verlengde daarvan staan ontwikkelingen als medicalisering en juridisering van pogingen van werklozen om ontsnappingsroutes te vinden uit het sociaal panopticum. Op elk spreekuur van de Bijstandsbond komen uitkeringsgerechtigden binnenlopen en beginnen ze te praten over het nieuws. Dat zit velen hoog. “Heb je gisteravond in Pauw en Witteman gezien dat…? Het is toch een schande dat er zo over ons wordt gepraat!” Veel werklozen die het spreekuur bezoeken, vragen zich af: “Ik heb een oproep voor een gesprek gekregen, wat kan ik verwachten, wat willen ze, wat houdt dat werkproject in, hoe moet ik mij opstellen?”
Actieperspectief
Ik ben mij er pas de laatste tijd van bewust dat ik ook veel artikelen heb geschreven waarin ik de maatschappelijke onderdrukking beschrijf als een systeem waaruit geen ontsnappen mogelijk is. En dat ik daarmee naar de mensen toe niet helemaal goed communiceer in de zin dat ik zelf een eventueel actieperspectief om zeep help. Omdat bij al die beschrijvingen van het sociale panopticum de mensen denken: “Ja, het is een vreselijke onderdrukkingsmachine, ontsnappen is niet mogelijk, we kunnen maar beter doen wat ze zeggen”. Ik denk nu dat je de mensen ook duidelijk moet maken dat het geen perfect systeem is, dat er breuklijnen, tegenstrijdigheden en disfunctioneren in zitten. Daarmee kun je voor jezelf en anderen een actieperspectief creëren. Je kunt op zoek gaan naar de achilleshielen van het staatsapparaat en de tegenstrijdigheden in het systeem tegen elkaar uitspelen. Het grote voordeel van lokale acties is dan dat je het heel gedetailleerd concreet kunt maken, gekoppeld aan concrete personen, afdelingen, enzovoorts. Dat doen ze bij het organizen ook, heb ik begrepen. Eerst uitzoeken hoe een bedrijf in elkaar zit, welke hiërarchie er is, wie de sleutelpersonen zijn, van wie bepaalde beslissingen het meeste afhangen, dus: op wie we ons op welke manier moeten richten. Dat is een van de succesfactoren van die formule, denk ik. Maar ze hebben er bij het organizen miljoenen euro’s tegenaan gegooid, waarbij professionele krachten in dienst worden genomen die een en ander uitzoeken. Ik zie dat vrijwilligersorganisaties zonder geld niet zo gauw doen. Veel van die vrijwilligers zien het belang er ook niet van in, denk ik. Het is vrij moeilijk om die informatie boven water te krijgen. Blijkbaar lopen er in het onderdrukkingssysteem mensen rond die het eigenlijk allemaal ook te ver vinden gaan, maar die kritiek intern houden en uiteindelijk toch meewerken. Als ik zie hoe de advocaat van de Bijstandsbond opereert, die zich gespecialiseerd heeft in de Bijstandswet en alles dat daarmee samenhangt, dan zijn er veel mogelijkheden en hebben werklozen wel degelijk in het huidige systeem “hogerop”, bij andere ambtenaren of bij de rechter rechten. Het valt me daarbij op dat hij aan zaken denkt en uitwegen ziet die ik als niet-academisch geschoolde medewerker op juridisch gebied niet zie. Dat levert een dilemma op. Aan de ene kant moet je bijvoorbeeld bijstandsgerechtigden die op een dwangarbeidcentrum werken en die ziek zijn, erop wijzen dat ze wel degelijk rechten hebben en dat ze, als ze bezwaar maken, een grote kans hebben om gelijk te krijgen, met een goede advocaat. Als er dan mensen zijn bij wie dat is gelukt, dan vergroot dat het actieperspectief. Aan de andere kant moet je mensen ook geen zaken voorspiegelen die niet kloppen. Je moet hen geen hoop bieden, als achteraf blijkt dat ze toch de pineut zijn, ook voor de rechter.
Ik ben er niet uit wat dit nu betekent voor de manier waarop ik communiceer over het sociale panopticum en de dwangarbeid. Ik wil het kritisch veroordelen, die dwangarbeid, en beschrijvingen geven die laten zien hoe slecht het is. Aan de andere kant wil ik het ook weer niet beschrijven als een gesloten systeem waaruit geen ontsnappen mogelijk is, want dan bevestig je zonder het te willen de macht van de machthebbers en help je je eigen actieperspectief om zeep. Misschien moeten we meer de breuklijnen, tegenstrijdigheden en onvolmaaktheden van het panopticum benoemen en daarmee de perspectieven op verandering benadrukken. Weer meer naar de domme autoriteiten die zich belachelijk gedragen en hen ook belachelijk maken. Waarbij een breed scala aan middelen een rol kan spelen, van analyses tot politieke cartoons, en waarbij we kunnen broeden op strategieën om daar ook lokaal daadwerkelijk op in te spelen.
Piet van der Lendedinsdag 27 maart 2012
Problemen tussen de Dienst Werk en Inkomen (DWI) en Agis
Alle bijstandsgerechtigden hebben een collectieve ziektekostenverzekering. Sommigen hebben die afgesloten via het contract dat de gemeente met Agis heeft gemaakt. DWI houdt voor die mensen zorgpremies in op de uitkering en betaalt die premie rechtstreeks aan Agis. Maandelijks maakt het DWI een 'bulkbedrag' over aan Agis en moet daarbij ook melden om wie het bij de betalingen gaat. Het is ons niet helemaal duidelijk hoe die twee dingen aan elkaar zijn gekoppeld, maar hier worden met grote regelmaat fouten gemaakt.
De oorzaak schijnt mede het nieuwe uitkeringssysteem Socrates te zijn. Toen Socrates werd ingevoerd, moesten DWImedewerkers alle gegevens van de klanten opnieuw invoeren in het systeem en Agis was daarbij een beetje een apart ingewikkeld verhaal, waar fouten bij werden en worden gemaakt. (Dus ook nu nog bij mensen die nieuw instromen in de uitkering).
Gevolg van deze ontwikkeling is, dat de DWI denkt dat de zorgpremie is betaald, de klant denkt dat hij of zij verzekerd is en dat de premie betaald is. De premie is immers ingehouden op zijn/haar uitkering, wat vermeld staat op de uitkeringsspecificatie. Als Agis de naam van de klant niet heeft, die verzekerd is via de gemeente, gaan zij ervan uit dat er niet is betaald. Gevolg is soms dat de klanten aanmaningen krijgen, wat soms uitmondt in welles nietes spelletjes tussen Agis en DWI, en dus gerechtelijke procedures maar ook aanmeldingen als wanbetaler bij het College voor Zorgverzekeringen en zelfs bestuurlijke boetes en dwangbevelen. Kortom de gevolgen kunnen zeer verstrekkend zijn.
De kwestie schijnt moeilijk op te lossen te zijn. Een en ander heeft tot wrijving geleid tussen DWI en Agis.
Bijstandsbond
Spreekuur: dinsdag en donderdag van 11.00 uur-16.00 uur
Da Costakade 162
020-6898806
donderdag 23 februari 2012
Veel publiciteit over de schrijnende gevolgen van de huishoudinkomenstoets
Donderdag 23 februari was de lokale televisiezender At5 bij de Bijstandsbond op bezoek. Ze interviewden verschillende mensen, waaronder iemand die te maken heeft met die huishoudtoets. De man kwam op het spreekuur omdat hij tot tweemaal toe een aanvraag heeft gedaan voor een aanvullende bijstandsuitkering en in beide gevallen werd aanvraag afgewezen of buiten behandeling gesteld. De man heeft enige maanden WW gehad en werkte daarvoor in een technisch beroep bij een gemeentelijke instelling. Vanwege de bezuinigingen bij de gemeente Amsterdam is hij ontslagen. Zijn zoon en schoondochter en twee kinderen van zijn zoon wonen bij hem in. De zoon had een inkomen als ZZP-er in de bouw, maar is door de malaise in die bedrijfstak ontslagen en heeft geen inkomen. (ook geen recht op ww). De dochter verdient 700 euro bruto per maand. De vader die uit de WW kwam wilde bijstand aanvragen. Hij gaat vallen onder de huishoudtoets. Ze hebben met de hele familie bestaande uit 3 volwassenen en twee kinderen recht op maximaal 1350 euro. De schoondochter verdient 700 euro. Dus de aanvullende bijstand is maximaal 650 euro volgens de nieuwe toets op het huishoudinkomen. Daar moeten ze alles van betalen, huur, gas en licht, ziektekostenpremies voor 3 volwassenen, etc. En de opvoeding van de kinderen. In de oude situatie, voor de invoering van de toets op het huishoudinkomen hadden ze recht op 650 euro in de maand meer. De man en zijn zoon solliciteren zich suf maar zijn tot nu toe niet aan de bak gekomen. 'Ik ben 55 zegt de man, mij nemen ze niet meer'. De zoon moest de boekhouding overleggen van zijn werk als zzp-er. Daarvoor moet je de boekhouder vragen een overzicht te maken, met de meest recente gegevens. Deze boekhouding kon niet binnen 1 week worden aangeleverd, waarop de aanvraag prompt buiten behandeling werd gesteld. Ze zitten al 2 maanden op het inkomen van de schoondochter en de schulden lopen op. 'Ik word dakloos' zegt de man. En mijn zoon, schoondochter en twee kinderen ook’.
zondag 1 januari 2012
Wijzigingen van de Wet Werk en Bijstand per 1 januari 2012
Hieronder volgen de wijzigingen van de Wet die per 1 januari 2012 zijn ingevoerd.
Recht op werkleeraanbod wordt vervangen door een aanspraak op ondersteuning;
College toetst of betrokkene zich aantoonbaar heeft ingespannen om werk te vinden;
College beoordeelt of de jongere deel kan nemen aan het reguliereonderwijs, zo ja, dan dient de
Na onvoldoende inspanningen om aan het werk te komen volgt een nieuwe periode van 4 weken
Bij onvoldoende inspanningen van de jongere om in deze vier weken aan het werk te komen
Jongeren dienen de mogelijkheden van scholing te onderzoeken en dit prevaleert boven het recht
Overgangsmaatregelen
Binnen 6 maanden na 1 januari 2012 dient het college de besluiten in overeenstemming met
Aanscherping gezinsbiistand en huishoudinkomentoets
Wat verandert er per 1 januari 2012:
a Nu: alleen gehuwden of samenwonenden kunnen alle algemeen noodzakelijke kosten van
a Bloed- en aanverwanten in de eerste graad die in dezelfde woning het hoofdverblijf hebben
a Stiefkinderen en aangetrouwde kinderen zijn ook meerderjarige kinderen;
a Gezinsleden kunnen niet ieder voor zich een individuele bijstandsuitkering aanvragen; het gezin
a Uitzondering: een meerderjarig bloed- of aanverwant in de eerste graad die studeert en wiens in
w College krijgt mogelijkheid uitzondering te maken wanneer er sprake is van een zorgbehoevend
vrijdag 9 december 2011
Enkele opmerkingen bij het initiatief van de nieuwe vakbeweging en de komende confrontatie met het kabinet
In de parlementaire democratie van Nederland met haar stelsel van evenredige vertegenwoordiging is sprake van de zogenaamde Ostrogorski paradox, waarbij een partij die op de belangrijkste tien punten in de verkiezingsstrijd slechts 40% van de kiezers achter zich schaart, bij de verkiezingen 60% van de stemmen kan halen, omdat mensen een rangorde aanbrengen in de standpunten die ze belangrijk vinden en er geen enkele partij is die alleen maar standpunten vertegenwoordigd waarmee de kiezer het eens is. Tot nu toe heeft voornamelijk rechts van deze paradox geprofiteerd door de ontwikkeling van het rechtspopulisme en het veiligheids denken, waarbij de migranten de schuld krijgen van onveiligheid en criminaliteit. Daarnaast staan de standpunten over de bezuinigingen. Waarmee veel mensen het niet eens zijn. Enquetes wijzen dat uit. Hier zijn de standpunten van de meerderheid van de Nederlandse bevolking niet geheel eenduidig. Zo zal een meerderheid wel te porren zijn voor een strenge aanpak van werklozen, maar de voorstellen van minister Kamp om in crisistijden naar beneden af te wijken van de CAO’s kon in de Telegraaf op een storm van protest rekenen. Dit betekent wel, dat er voor de rechtse partijen die aan de macht zijn, al of niet met medewerking van sociaal-democraten, er altijd een legitimiteitsprobleem op de loer ligt: zij drukken op het gebied van sociale zekerheid, bestaanszekerheid en arbeidsvoorwaarden maatregelen door, waarvan zij weten dat die niet door de meerderheid worden gedeeld. Waarna die meerderheid zich kan afwenden van de politiek in zijn algemeenheid. Nu zou je kunnen zeggen dat dit de rechtse bestuurders weinig kan schelen. Door de ontwikkeling van de repressieve controlestaat van de afgelopen decennia proberen ze de bevolking in toom te houden. Maar er is meer. Al die burgers hebben ook functies in de maatschappij en bij de staat. Rechters, advocaten, ambtenaren, onderwijzers, politieagenten. En zij kunnen het kleine stukje macht waarmee ze zijn bekleed gaan gebruiken om zaken te frustreren of om te buigen. Met een zekere verlamming van het overheidsapparaat tot gevolg, of in ieder geval een ontwikkeling, waarbij besluiten door het hogere bestuur genomen in de lagere echelons niet worden uitgevoerd.
De legitimiteitscrisis van de politiek
Voor de economische crisis verschenen er weliswaar ook reeksen boeken van politicologen en anderen over de geloofwaardigheid van de politiek en het feit dat de politieke besluitvorming 'potdicht' zit, met andere woorden: als belangengroep of vanuit de samenleving kun je er nauwelijks invloed op uitoefenen. En men besteedde aandacht aan het feit, dat steeds meer kiezers bij verkiezingen thuis blijven en zich afwenden van die politiek. Maar de urgentie van dit probleem is nog niet zo groot geweest, dat het in organisatorisch opzicht leidde tot grote veranderingen bij de hoofdrolspelers in de polder: de politieke partijen, de vakbonden, werkgeversorganisaties en de instituties van de staat en hun onderlinge verhoudingen. Basis van de samenwerking was respect voor ieders competentie op basis van een scheiding tussen de economie en de politiek. De vakbeweging houdt zich bezig met de organisatie van mensen op hun werkplek en de voorwaarden die daar gelden, de politieke partijen zijn verenigingen die kandidaten stellen voor de vertegenwoordigende organen van de staat en meedoen aan de verkiezingen. In dat poldermodel hadden ieder van de hoofdrolspelers hun functie in de legitimering van het overheidsbeleid. De rechtse of sociaal-democratische partijen onderhandelden met de vakbonden en de werkgevers over maatregelen, waar hooguit een grote minderheid van de bevolking achter kon staan. In ruil voor beperkte concessies (overgangsregelingen voor beperkte groepen) werden de maatregelen toch doorgevoerd. Voor de economische crisis was dit ook eigenlijk geen probleem. Men wilde slechts in beperkte mate ingrijpen in de inkomenspositie en de leefsituatie van de bevolking, en men plaatste tegenover de reorganisatiemaatregelen afkoopsommen om de vakbeweging tevreden te stellen die met een akkoord over de regelingen voor de broodnodige legitimiteit of schijn-legitimiteit zorgden.
Reorganisatie in de polder
Maar de voorstellen voor de Nieuwe Vakbeweging zijn niet de enige voorstellen voor organisatorische veranderingen die op stapel staan. In het regeerakkoord van het Kabinet Rutte staan in de inleiding een reeks van voorstellen om de onderlinge verhoudingen tussen de instituties van de staat te veranderen. Wat we ook weer zien bij het kabinet Rutte is dat specifieke minderheidsgroepen hard worden gepakt, terwijl een groot deel van de werkende bevolking en een deel van de uitkeringsgerechtigden met een hoge organisatiegraad in de vakbonden (WAO-ers) buiten schot blijft. Tot zover business as usual. Grote opstanden van de bevolking tegen de ontwikkeling van de neoliberale politiek bleven uit. De miljoenen werkenden en gepensioneerden konden rustig van hun inkomen genieten en dit aanvullen met de meerwaarde van hun huis. Het neoliberale model kon qua ideologische uitgangspunten zoals streven naar privatisering van overheidsdiensten worden ingevoerd zonder dat het legitimiteitsprobleem echt accuut werd. Er viel altijd wel iets uit te ruilen of af te kopen, daarvoor was er wel de financiele ruimte.
Eind jaren zeventig
Nu is alles anders. De economische crisis functioneert in veel opzichten als katalysator van ontwikkelingen, die al eind jaren zeventig zijn begonnen en die hebben geleid tot een gestage uitholling van de posities van de vakbeweging en de sociaal democratie in het poldermodel. Eind jaren zeventig was er wat de vakbeweging betreft al een soort legitimiteitscrisis. In die periode werden buiten de vakbeweging om vele categorale organisaties opgericht die zich bezig hielden met de belangenbehartiging voor een specifieke groep. Komitees vrouwen en de bijstand, werklozenorgansaties, WAO groepen en migrantengroepen schoten als paddenstoelen uit de grond. Ook in de gezondheidszorg werden allerlei belangenorganisaties opgericht, zoals patientenverenigingen, die zich bezig hielden met de belangenbehartiging voor mensen met een bepaalde aandoening. Van vele van die organisaties die in nu nog bestaan gaat de geschiedenis terug tot eind jaren zeventig van de vorige eeuw. Groepen die zich in dergelijke organisaties verenigden herkenden zich niet meer in het beleid van de algemene organisaties, zoals vakbonden en politieke partijen. Zij vonden dat de belangen van hun specifieke groep slecht in het beleid van die algemene organisaties tot uiting kwamen. En zij gingen zich bezig houden met actie en lobbywerk richting overheid. De overheid reageerde hierop door veel van die organisaties te steunen. Velen kregen subsidies van het Rijk, de provincies en gemeenten. Met dit geld werden vele activiteiten en spreekuren door de betrokken organisaties opgezet. De staat zag in dit nieuwe maatschappelijk middenveld een nieuwe mogelijkheid, het beleid dat zij uitvoerde te legitimeren. Daarom ontwikkelde men ook een ingewikkeld netwerk van inspraakstructuren, waarbij de nieuwe categorale organisaties naast de vakbonden zitting namen in allerlei cliëntenraden en overleggroepen. Dat is een situatie die tot op de dag van vandaag bestaat, hoewel het kabinet Rutte en de gemeenten zijn begonnen die subsidies voor veel van die organisaties op te heffen. Duizenden vrijwilligers zijn actief in dergelijke clientenraden bij sociale diensten en bij instellingen in de (geestelijke) gezondheidszorg. Wat betreft de positie van de vakbonden kan worden gezegd, dat zij wel het alleenrecht behielden op de onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden van de werkenden. Maar bij de belangenbehartiging naar de overheid toe werden zij slechts een van de vele spelers. En de positie van de vakbonden bij de werkenden werd uitgehold omdat in de nieuwe dienstensector de organisatiegraad laag was.
Crisis
Nu, in crisistijd, komen de legitimiteitscrisis van de politiek en van de vakbeweging bij elkaar. En komen scherp naar voren. De sociaal-democratie kan haar klassieke functie in het poldermodel- in ruil voor legitimering van het bezuinigingsbeleid concessies afdwingen bij rechts- niet meer vervullen. Enerzijds zijn de organisaties van die politieke stroming hun alleenrecht in de belangenbehartiging kwijt geraakt, anderzijds is het gedaan met de bereidheid van werkgevers en rechtse politieke partijen concessies te doen aan de sociaal-democraten in ruil voor de legitimering van hun beleid.
De bezuinigingsmaatregelen die nu genomen zijn lijken een tussenfase in de agenda van het kabinet. Tot nu toe is een -op het geheel van de Nederlandse bevolking gezien- betrekkelijk kleine groep getroffen. De mensen ‘aan de onderkant’ van de samenleving, de mensen met een minimuminkomen die niet in grote belangengroepen georganiseerd zijn. Maar dat is een groep, waar niet zoveel valt te halen. Er worden wel de nodige miljarden binnengehaald, maar als de economische crisis doorvreet wil het kabinet meer bezuinigingen. En daarvoor wend men de blik naar de honderdduizenden WAO-ers en de miljoenen werkenden die tot nu toe buiten schot bleven. Een adviseur van het ministerie vertelde mij, dat in 2013 ook de WW zal worden aangepakt. En minister Kamp kondigde aan dat hij broedt op maatregelen om het werkgevers mogelijk te maken af te wijken van de Collectieve Arbeids Overeenkomsten. Met andere woorden: loonsverlagingen moeten mogelijk zijn. Op een recent congres van het UWV werd duidelijk welke kant het met de WAO-ers opgaat: een reeks van professorale adviseurs van het ministerie pleitte ervoor, dat arbeidsongeschikten ook aan het werk moeten worden gezet als ze nog ziek zijn onder het motto: werken geneest. Kijk, dat soort maatregelen gaat echt bezuinigingen opleveren. En… veel grotere groepen dan tot nu toe worden getroffen. Vrijdag 9 december, tijdens het schrijven van dit stukje kwamen er berichten in de media die de komende maatregelen al heel wat concreter maakten: forse ingrepen in de sociale zekerheid, de woningmarkt, de arbeidsmarkt en de gezondheidszorg om nog minstens 10 miljard aan extra bezuinigingen binnen te halen.
Vakbondsbestuurder Roel Berghuis analyseerde in een blog de positie van de vakbonden en de nieuwe halsstarrigheid van de werkgevers en de regering waarbij bovenstaande analyse wordt bevestigd. ‘ In de laatste decennia is de vakbeweging onvoldoende in staat geweest om met de werkgevers aan de centrale onderhandelingstafel tot gedegen en 'het verschil makende' akkoorden te komen. De laatste jaren is het vooral gegaan over loonmatiging, verslechteringen van sociale zekerheidsregelingen en boterzachte intenties over arbeidsparticipatie. Met dergelijke afspraken konden diverse FNV bonden nauwelijks uit de voeten. Deze bonden hadden vaak zware kritiek omdat zij deze akkoorden gewoon niet konden uitleggen aan hun achterban. Om de lieve 'FNV vrede' te bewaren gingen deze FNV bonden jaar in jaar ontevreden mee met deze matige centrale akkoorden’.
Het akkoord van Dalfsen is een wanhopige poging, de legitimeringsfunctie van de vakbeweging in het poldermodel te herstellen door te streven naar een hernieuwde aanhang waarbij wordt aangesloten bij de belangen van de flexibel werkenden, de zzp-ers en anderen met een onzekere positie in hun werk. Daarbij streeft men naar een erg open structuur, waarbij ook de categorale organisaties die eind jaren zeventig zijn ontstaan zich kunnen aansluiten en waarbij een breed palet van wat radicalere en minder radicale organisaties ontstaat die bij hun beleid uit kunnen blijven gaan van een grote autonomie. Om op die basis in een nieuw soort polderoverleg bij werkgevers en rechtse politieke partijen concessies te verkrijgen voor een socialere politiek.

