maandag 12 oktober 1981

Investeringspolitiek van Nederlandse scheepswerven

In de jaren zestig begon de aftakeling van de Nederlandse scheepsbouwindustrie. In vijf jaar tijds kelderde het aandeel van Nederlandse bedrijven in de wereldmarkt van 7,4% in 1960 tot 1,6% in 1965. In dat jaar werd de zogenaamde commissie Keyzer ingesteld, die de oorzaken van de zwakke concurrentiepositie van de Nederlandse scheepwbouw moest onderzoeken. Er werd een uitgebreide studie gemaakt van de verschillen tussen Nederlandse en buitenlandse bedrijven. De werforganisatie en de productietechnieken werden daarbij met elkaar vergeleken. De conclusie luidde, dat de Nederlandse werven na 1955 waren achtergebleven in de omschakeling van ambachtelijke naar industriele productie. De diepteinvesteringen waren drastisch gedaald, zodat de stijging van de arbeidsproductiviteit terugliep tot gemiddeld 1,4% per jaar in de periode 1961-1965.
De Nederlandse werven hadden zich niet tijdig gespecialiseerd in seriebouw, aan automatisering werd weinig gedaan en de productieplanning was vaak gebrekkig. De buitenlandse bedrijven waren goedkoper, omdat men zich daar vaak wel had gespecialiseerd in eigen standaardontwerpen, die in serie werden gebouwd. Dit betekende bijvoorbeeld dat in een land als Zweden de schepen die van de helling gleden in 1965 gemiddeld 6% goedkoper waren dan in Nederland, ondanks het feit dat de lonen daar hoger waren dan in ons land. Verder hanteerde men in het buitenland de zogenaamde moduulbouw, waardoor de tijd dat een schip op de helling lag met de helft werd teruggebracht.
Er was in andere landen ook een betere productieplanning en de voorraadplanning was zeer nauwkeurig, zodat de kosten voor het aanhouden van voorraden zo laag mogelijk konden worden gehouden. De commissie keyzer adviseerde, de Nederlandse werven in een of enkele concerns te concentreren en over te gaan tot een snelle modernisering van de productiemiddelen. Daarbij moesten de verschillende werven zich specialiseren in een of enkele typen schepen, zodat binnen het concern als geheel toch veel verschillende typen in serie konden worden gemaakt.
De concentratie is er in de scheepsbouw wel gekomen, maar van de andere voorstellen kwam weinig terecht. In 1966 komt de fusie tussen de Schelde, RDM em de motorenfabriek Tomassen tot stand. In 1971 wordt na de fusie met Verolme het Rijn-Schelde –Verolem concern opgericht (RSV). Verder kwamen er nog enkele losse samenwerkingsverbanden tot stand, zoals HSA en Rijn-Waal. De modernisering van scheepswerven voor de nieuwbouw is echter grotendeels uitgebleven. In de tweede helft van de jaren zestig vonden er vooral breedteinvesteringen plaats; aanapssing aan dokken, kaden en hellingen aan het bouwen  van steeds grotere schepen, waarvan de bouw als eenmalig project werd opgezet. Verolme bouwde bijvoorbeeld voor 34 miljoen een nieuwe helling en kranen voor een order van drie tankers.
Verder investeerde de NDSM 31 miljoen in de verbetering van de helling en de bouw van een grote portaalkraan, ook voor de bouw van mammoettankers. Daarbij paste men in Nederland als een van de eersten de moduulbouw toe, zodat er efficienter gewerkt kon worden. Investeringen die een tijdige omschakeling van tankers op andere schepen mogelijk konden maken vonden echter niet plaats. Dit zal hierna nog ter sprake komen. De standarisatie en seriebouw van speciale schepen bleef voornamelijk beperkt tot marineschepen en visverwerkingsschepen, die met subsidies van de overheid werdne gebouwd.
Verschillende commissies die aan het einde van de zestiger en begin zeventiger jaren werden ingesteld om de problemen in de scheepsbouw te onderzoeken constateerden hetzelfde: er was een grote achterstand in diepteinvesteringen. En wanneer in 1971 als eindresultaat van verschillende fusies de RSV tot stand komt vinden er bijna helemaal geen investeringen meer plaats. Tot 1973 is er zelfs een inveseringsstop. Argument: er moet eerst een herstructurering binnen het concern plaatsvinden, om de bij de fusie ontstane overcapaciteit weg te werken.
Waarom werd er na 1965 zo weinig aan modernisering gedaan en vonden er vooral breedte-inveseringen plaats? Na 1965 werd de problemen van de Nederlandse scheepsbouw wat minder, omdat de vraag naar schepen toenam; de wereldcapaciteit raakte bezet en ook de Nderlandse werven konden wel aan orders komen, temeer omdat zij hun grote troef konden uitspelen: korte levertijden door de nabijheid van de nodige toeleveringsbedrijven. Bovendien werd door de regering in 1976 een rente-overbruggingsregeling ingesteld, die de financiering van orders beter mogelijk maakte. Daarnaast werden de bedrijven in de gelegenheid gesteld, op grote schaal buitenlandse arbeidskrachten te werven, die in het tekort aan personeel konden voorzien. De werving van Joegoslaven  die aanhet einde van de zestiger jaren begon paste in het beleid, om zonder scholingskosten in het benodigde personeel te voorzien. Zoals hiervoor al opgemerkt werd de aandacht volledig geconcentreerd op de bouw van grotere schepen door investeringen in de breedte. Anders gezegd: het aantrekken van de nieuwbouwmarkt werd gebruikt, om via korte termijn investeringen een zo groot mogelijk profijt van de conjuncturele situatie te trekken. Het betekende, dat er geen of weinig investeringen werden verricht om de omschakeling van de bouw van mammoettankers op de bouw van andere schepen tijdig mogelijk te maken. Er werd geen research verricht voor de bouw van nieuwe serietypen. Dit had desastreuze gevolgen voor de NDSM. Toen in 1973 de tankermarkt instortte constateerde men,  dat de RSV jarenlang aan de tankerbouw had verdiend maar dat men het bedrijf nu liet zitten. Het kapitaal werd geinvesteerd in andere sectoren.

De investeringspolitiek van de RSV

Welke waren de sectoren, waarin wel investeringen plaatsvonden? Om dit te onderzoeken zal de investeringspolitiek van de RSV, het grootste Nederlandse scheepsbouwconcern, nader worden bekeken. Vervolgens zal worden nagegaan, hoe de gevolgen van deze investeringspolitiek werden afgewenteld op de gemeenschap.
Er werd reeds vanaf 1966 door de in dat jaar tot stand gekomen ‘Schelde’een bewuste keuze gemaakt voor spreiding van de activiteiten. Diversificatie en internationalisatie werden de parolen van de jaren zeventig. Als voordeel van de fusie die in 1966 tot de ‘Schelde’leidde wordt in het jaarverslag van dat jaar genoemd: ‘er zijn nu grote mogelijkheden voor het verder betreden van nieuwe afzetmarkten, zoals die van de chemie, petrochemie en kernenergie, mede met het oog op de daarmee gepaard gaande productontwikkeling en engineering’. In ieder jaarverslag wordt deze politiek weer opnieuw benadrukt; in dat van 1974 bijvoorbeeld, wanneer de RSV reeds enige jaren bestaat. ‘Het behalen van een voor de continuiteit en werkgelegenheid noodzakelijk rendement op het geinvesteerde vermogen’wordt vooral gezocht in ‘spreiding van het geinvesteerde vermogen door diversificatie en internationalisatie binnen en buiten de EEG’. Men ging dus daar investeren, waar op langere termijn winst werd verwacht. Men koos daarbij voor het wegvoeren van kapitaal uit de scheepsnieuwbouw naar andere, naburige industriele activiteiten, soms in andere landen, en men koos niet voor  het verstereken van de concurrentiekracht en het rendement in de scheepsnieuwbouw door gebruik te maken van overheidssteunen conjunctureel gunstige ontwikkelingen.

‘Landactiviteiten’.

Een sector waarin veel wordt geinvesteerd is die van de zogenaamde ‘landactiviteiten’. Het gaat hierbij vooral om ontwikkelingen op het gebied van machine- en chemische apparatenbouw, kernenergie en electrotechniek. In dit kader wordt een intensief overnamebeleid gevoerd, dat een groot deel van de investeringen opslorpt. Men tracht de activiteiten op het gebied van stoomketelinstallaties en papparaten voor de procesindustrie uit te breiden, onder andere in 1965 door de fusie met de motorenfabriek Thomassen, die gespecialiseerd is in kompressoren voor de chemische industrie en gasturbines. In 1967 wordt de machinefabriek Braat en pannevis overgenomen, bij een overname van Wilton- Feyenoord verwerft men onder andere de machinefabriek de Verenigde Grofsmederijen. En de fusie met Verolme brengt de machinefabrieken Ijsselmonde en Ijmuiden in. In 1971 zijn er nieuwe overanames, onder andere het Algemene Industriele Montagebedrijf. Verder vinden er omvangrijke investeringen in deze sector plaats, zoals bij Thomassen in 1976.
Ook op het gebied van de kernenergie is men actief. In 1969 wordt door Rijn-Schelde samen met oa Philips, Shell en VMF de Ultra-Centrifuge NV opgericht. In 1971 wordt door RSV een reactorvat opgeleverd voor een 300 milliwat centrale in Argentinie. En in 1972 wordt Interfuel opgericht samen met de Shell en het reaktor Centrum Nederland voor het ontwerpen en produceren van splijtstof elementen. Men neemt verder deel in Rotterdam Nucleair, samen met general Electric. Deze laaste invesering vergt in 1975 alleen reeds een invesering van honderd miljoen. Het bedrijf bouwt reactorvaten en binnenwerken van centrales. RSV is na 1974 ook betrokken bij een joint venture voor de bouw van kernenergie centrales in Zuid-Afrika en Zwitserland, samen met oa General Electric, Brown Boveri en Sulzer. De RSV wil zo graag een plaats op deze markt veroveren, dat zij bereid is de vele aanloop verliezen te accepteren. De rendementsverwachtingen worden in dit opzicht echter niet gehonoreerd, temeer omdat de Nederlandse orders om poltieke redenen uitblijven. En de binnenlandse markt is voor het concern toch ook van groot belang, omdat dit een basisomzet garandeerd, terwijl het daarbij voor buitenlandse ondernemingen aantrekkelijker wordt om met de RSV samen te werken en know how te delen.
De tegenvallende bedrijfsresultaten kunnen waarschijnlijk na 1975 voor een deel aan deze ontwikkelingen worden toegeschreven. (Zie ook het staatje van de verliezen en winsten verderop)
Men heeft zich in de RSV verder nog toegelegd op toeleveringsbedrijven voor de bouwnijverheid. Het  zou echter te ver voeren, al de activiteiten van RSV-dochters en deelnames te noemen. Op een aspect zal hierna nog worden ingegaan: het beleid, dat in 1967 begon met de overname van het ingenieursbureau Delta Engineering voor het ontwerpen, construeren en leveren van complete industriele installaties. In verschillende andere ingenieursbureau's werd in dit kader een meerderheidsbelang verworven. De RSV is een voorbeeld van concentraties die worden gekenmerkt door spreiding van activiteiten, waarbij het gaat om groepsvorming van industriele en dienstverlenende bedrijven, die samen een systeem vormen. Het doel is het leveren van warenpaketten, van urbanisatieprojecten in het Midden-Oosten tot complete fabrieksinstallaties.

Het overnamebeleid van Schelde, RDM en uiteindelijk de RSV is echter ook gericht op versterking van de scheepsreparatiesector. In 1965 is 85% van de investeringen van 'Schelde' bestemd voor uitbreiding van de reparatiewerf de ' Scheldepoort' . Enkele jaren later vinden hier nog meer investeringen plaats. Bij de samenvoeging met de RDM ontstaat een bedrijf, dat ook beschikt over de reparatiewerf de ' Nieuwe waterweg'. En bij de fusie met de werf Wilton feijenoord komt er een bedrijf bij, waarvan 75% van de activiteiten in de reparatiesector liggen. (De poot feijenoord bronswerk gaat bij de fusie naar de Verenigde machine Fabrieken VMF).
De Rijn-Schelde wordt een reparatieconcern; de omzet in deze sector stijgt van 30% van de totale productie in 1966 naar 50% in 1970. En dan komt er in 1971 nog een nieuwe fusie met Verolme. Hierdoor verwerft men het Prins Alexander dok, met 75 miljoen overheidssteun speciaal gebouwd voor de reparatie van mammoettankers. Verder verwerft men naar aanleding van deze overname in 1973 de nieuwbouwwerf van Verolme in Brazilie. Bovendien wordt via de NDSM die ook tot het Verolmeconcern behoort, toegang verkregen tot de Amsterdamse reparatiemarkt.
En dan wordt er na 1973 druk geinvesteerd in modernisering en uitbreiding van de reparatiewerven; bijvoorbeeld in 1975 wordt de reparatiewerf Waalhaven gerenoveerd, in 1976 de reparatie-dwarshellingen bij Piet Smit. Verder worden er tankerschoonmaakbedrijven opgericht en een zogenaamd reisreparatiecentrum in het Europoortgebied. In de reparatiesector zijn er dus blijkbaar wel mogelijkheden. Men zegt, dat de nederlandse werven door hun gunstige geografische ligging aan de mond van Rijn en Schelde een sterke positie op de markt hebben. Schepen moeten immers vaak in de buurt van drukke waterwegen of havens worden gerepareerd omdat verslepen veel geld kost en soms zelfs onmogelijk is. Bovendien veronderstelt men, dat de fluctuaties op deze markt minder groot zijn dan op die van de nieuwbouw. Daar komt nog bij, dat japan in de reparatiesector weinig actief was.
Uit het bovenstaande moet echter niet worden afgeleid, dat er geen investeringen in de scheepsnieuwbouw meer plaatsvonden. Verschillende werven in het buitenland werden aanzienlijk uitgebreid en gemoderniseerd. Reeds in 1965 nemen verschillende nederlandse bedrijven deel in de oprichting van de Curacaose Dok maatschappij. Deelnemers zijn in de loop van de tijd onder andere RSV, Lisnave Navias de Lisboa, Nederhorst en de Antilliaanse staat. In 1972 werd het grootste droogdok van de Antillen in gebruik gesteld en in 1979 stonden een groot aantal uitbreidingen op het programma, onder andere een nieuw dok van tachtig ton met alle benodigdheden in samenwerking met Small Craft Yarces Antilles NV. Door deze investering kon het personeelsbestand in 1979 van 1026 tot 1500 werknemers worden uitgebreid.
Verder heeft de RSV nieuwbouwwerven in Brazilie en Ierland. Het jaarverslag van 1975 vermeldt, dat de werven in deze twee landen voor 1600 miljoen aan orders hebben, tegen Nederland 400 miljoen. Bij de Brzaliaanse werf gaat het om de ' Verolme Estraleiros Reunidas do Brasil SA' .(VERB)
De positieve resultaten van VERB zijn onder andere het gevolg van steun die de Brazliaanse overheid geeft bij de export van schepen. Zo werd een order van 113 miljoen dollar in de wacht gesleept voor de bouw van vier bulkcarriers voor GULF. Naast de exportsubsidies zijn de Brazliaanse staatsbedrijven Docenave en Petrobras goede klanten. Het Braziliaanse staatsoliebedrijf Petrobras is zelfs de grootste opdrachtgever. De positieve resultaten van de werf worden verder nog veroorzaakt door de slechte arbeidsomstandigheden. De meeste arbeiders verdienen 220 gulden netto per maand en wonen in krottenwijken, de ' favellas' . (Zie het blad ' vergelijk' meinummer 1980). Het werktempo wordt bovendien hoog gehouden, er moet veel overwerk worden verricht en er zijn veel bedrijfsongevallen. Vakbondsactiviteiten zijn verboden buiten de vakbond die door het bedrijf is opgericht en er is een eigen bewakingsdienst van 60 man die de gang van zaken op de werf in de gaten moet houden. De desinvesteringen van RSV in Nederland en de investeringen in Brazilie blijken uit het feit, dat tussen 1975 en 1979 het aandeel van VERB in de omzetwaarde van de productie opliep van 14% tot 54 % in de divisie scheepsbouw.
In de jaren '75-'77 vinden 17% van de totale investeringen van RSV in Brazilie plaats, terwijl het daar aanwezige bedrijf slechts 6% van de totale omzet levert. Het jaarverslag van 1977 vermeldt, dat investeringen in de scheepsbouw uitsluitend nog in het buitenland plaatsvinden. De verliezen bij VERB in de jaren 77 en 78 worden veroorzaakt door onvoorziene tegenslagen bij het afleveren van twee tankers aan Patrobras. Onenigheid met dit bedrijf over de kwaliteitseisen hebben er uiteindelijk toe geleid, dat de tankers aan ene buitenlandse afnemer werden verkocht.
De steeds belangrijkere positie van VERB en de afbraak van de scheepsnieuwbouw in Nederland is nog duidelijker, wanneer men bedenkt, dat onder het hoofdje 'scheepsbouw' geen onderschied werd gemaakt tussen reparatie en nieuwbouw. In de reparatie werdne immers in de zeventiger jaren nog belangrijke investeringen verricht. De omzet van VERB nam ieder jaar toe, ondanks het instorten van de tankermarkt.
Belangrijke oorzaken voor de verliezen van 1975 werden hiervoor al genoemd: de tankermarkt stortte in en de verwachtingen in de kernenergiezector werden niet gehonoreerd. De desinvesteringen in de Nederlandse scheepsnieuwbouw en de diversificatiepolitiek hebben na 1975 niet tot goede bedrijfsresultaten geleid. In de loop van 1976 werd duidelijk, dat er in het concern ingrijpende reorganisaties moesten komen die zouden gaan leiden tot het versneld afstoten van verliesgevende sectoren als de scheepsbouw. De recessie betekende ene versnelling van het saneringsproces. De plannen van de RSV-directie zouden onder andere gana betekenen, dat de spreiding van scheepsbouwactiviteiten over verschillende steden zou worden opgeheven. Toen het concern in 1971 tot stand kwam, had deoverheid bij de fusie bedongen, dat men de zogenaamde ' Noord-Zuid' gedachte in stand zou houden, hetgeen betekende: een grote werf in Rotterdam, en een in Amsterdam, de NDSM. De directie heeft dit uitgangspunt echter nooit zien zitten. In 1977 krijgt het concern een nieuwe structuur met elf divisies, waarvan vier in de scheepsbouwsector.

Hierna zal worden bekeken hoe de RSV erin slaagde, haar reorganisatiepolitiek door te voeren, met steun van de overheid. Na 1969 pompte de Nederlandse staat minimaal 1,5 miljard in het bedrijf. Dat is exclusief de WIR (Wet op de Investerings rekening) en de steun die de Braziliaanse overheid gaf. Vooral na 1976 kreeg het bedrijf veel geld. Wellicht moet de tijdelijke omzetstijging van de divisie scheepsbouw in 1977 hierdoor worden verklaard.

Onderhandelingen over sanering van de scheepsbouw

De moeilijkheden in de scheepsbouw hebben in februari 1976 geleid tot de instelling van de zogenaamde beleidscommissie scheepsbouw, waarin overheid, vakbonden en werkgevers gingen overleggen welke voorstellen moesten worden geformuleerd die tot verbetering van de situatie konden leiden.
De RSV bleef echter buiten dit overleg in deze commissie haar eigen doelstellingen nastreven. 20 december 1976 laat de directie van RSV aan de Industriebond weten, dat de in 1975 gesloten Overenekomst Sociale Begeleiding Herstructurering zou worden opgezegd. Na het bekend worden van de beslissing de OSBH op te zeggen was de verontwaardiging binnen het concern groot. De directie kreeg van verschillende Ondernemingsraadsleden boze brieven, waarin het beleid werd afgekeurd. Op 5 januari hebben de bonden pamfletten verspreid onder de 30.000 werknemers van RSV-vestigingen in Nederland, waarin men tegen de beslissing protest aantekent.
Men verwijt de concerndirectie, met fusiebesprekingen bezig te zijn ten aaanzien van de "off-shore" activiteiten en de zware apparatenbouw, terwijl intern reorganisatieplannen worden opgezet. Verder wordt opgemerkt, dat scheepsbouw orders worden gemist omdat de RSV niet bereid is het rapport van de commissie II te tekenen. Dit rapport beoogt samenwerking tussen de middelgrote werven van RSV en Van der Giessen. Dat de RSV met reorganisatieplannen bezig is zullen de vakbonden al snel merken. Vooreerst is men echter optimistisch. Door de protesten wordt de opzegging van de OSBH herroepen. NKV-bestuurder Waumans ziet de herroeping als een grote overwinning van de kaderleden bij de verschillende bedrijven. De RSV verbindt echter wel de voorwaarde aan het weer accepteren van de beslissing: men wil nieuw overleg met de vakbeweging over eventuele wijzigingen in de regeling. Iets waar de bonden geen bezwaar tegen hadden mits dit niet in het nadeel van de werknemers zou uitvallen. En verder moet dit overleg worden afgestemd op de bemoeienis van de overheid met de herstructurering van de totale scheepsbouwsector.
Eind januari 1977 komt de beleidscommissie Scheepsbouw (BKS) met haar saneringsplan: de capaciteit van de nieuwbouw moet met 30% worden ingekrompen, hetgeen voor eind 1978 gepaard zal gaan met een verlies van 6500 van de 21.000 arbeidsplaatsen. De kosten van de sanering worden geraamd op twee miljard. Iedereen schrikt want… niet de totale scheepsbouw moet met 30% verminderen, nee de capaciteitsvermindering moet worden gevonden door het sluiten van bepaalde afdelingen in bepaalde regio' s. En iedereen is bang, dat het juist zijn werf is. Er zullen verder een vijftal werfgroepen moeten worden geformeerd, groep I betrof de werven voor grote schepen met als kern de RSV. Iedere groep moest in onderling overleg maar een beleidsplan opstellen om tot capaciteitsvermindering te komen.

De sanering in werfgroep I

In het vervolg zal nog slechts aandacht worden besteed aan de plannen in groep I, die onder andere betrekking hadden op het samenvoegen van reparatiewerven in Amsterdam en het sluiten van de nieuwbouwafdeling van de NDSM en Verschure. De commissie komt met haar verwerping van de Noord-Zuid gedachte een eindweegs tegemoet aan de RSV-directie, al kunnen ook de vakbonden het met sommige voorstellen hartgrondig eens zijn. De commissie adviseert bijvoorbeeld een studie te houden gericht op de toekomstige functies van de scheepsbouw waarbij rekening wordt gehouden met de herstructurering van bedrijven, alsmede een inventarisatie en administratie van de mede daaruit voortvloeiende vacatures binnen de scheepsbouw. In dit kadermoeten er nieuwe scholingsactiviteiten voor de nieuwe functies komen het aantal buitenlandse werknemers moet worden beperkt en er moet werktijdenverkorting komen. Het compromis in de BKS is het resultaat van zes maanden moeizaam onderhandelen en dan moet het plan nog worden voorgelegd aan de leden van de bonden. Er vinden felle discussies plaats tussen voor- en tegenstanders, met name tussen kaderleden die het plan wel willen aanvaarden en personeelsleden van verschillende bedrijven die dat niet willen. Wordt vervolgd.



donderdag 21 november 1974

Ontwikkeling van opvattingen over medezeggenschap in de vakbeweging na 1903

Onderstaand verhaal is in 1974 geschreven voor de invoering van de nieuwe Wet op de Ondernemingsraden in 1979. De wet werd toen ingrijpend gewijzigd.

Er bestonden aan het begin van de 20-ste eeuw syndikalistische, socialistische en rudimentaire konfessionele (christelijke) arbeidersorganisaties met sterk uiteenlopende visies omtrent de wijze waarop veranderingen in de samenleving tot stand moesten komen. De stakingen van 1903 leidden tot het aannemen van antistakingswetten in de Tweede Kamer (de worgwetten van Kuyper) en tot de oprichting van konfessionele vakbonden, die de emancipatie van de arbeiders gerealiseerd wilden zien via overleg met de werkgevers. Deze vakbonden vormden direkt al een belemmering voor het omverwerpen van het kapitalisme, omdat zij bereid waren, bij stakingen georganiseerd door radikalen als stakingsbreker op te treden. Wel dient hieraan te worden toegevoegd, dat ook de konfessionele bonden onder druk van N.V.V.en N.A.S. steeds meer vakbondsstrijd gingen voeren.
De gebeurtenissen van 1903 hadden tot gevolg, dat het N.A.S, die de algehele staking had nagestreefd, haar ledental aanzienlijk zag teruglopen, omdat velen na de staking gedesillusioneerd waren. Uit het A.N.D.B. en de niet bij het N.A.S. aangesloten bonden ontwikkelde zich toen het NVV waarbinnen de overtuiging post vatte, dat men zich primair moest richten op de opbouw van een sterke organisatie dmv een sterk gecentraliseerd beheer van landelijke bonden, die els bewakers van de arbeidersbelangen op moesten treden, zodat materiele ellende en politieke rechteloosheid zouden verdwijnen. De leiders van het N,V.V. kwamen tot de overtuiging, dat de klassenteorie niet voldoende het gedrag van de arbeiders kon verklaren, en dat het gedrag van de konfessionele bonden bewees, dat een gemeenschappelijk geloof ven katholieke of protestantse werkgevers en werknemers de tegenstelling tussen de klassen minder scherp maakte.
De bedreigde positie van het neutrale Nederland tijdens de eerste wereldoorlog bracht vakbondsbestuurders ertoe, te verklaren, dat het nationale belang boven het klassenbelang diende te worden gesteld, .een versterking van het idee, dat werkgevers en werknemers vnl gemeenschappelijke belangen hebben. Bovendien hadden de stakingen van 1903 bewezen dat de werkgevers over grote macht beschikten; de overheid stond aan hun kant en zij hadden op suksesvolle wijze verdeeldheid gezaaid onder de arbeiders. Om deze redenen leek de N.V.V-bestuurders een voorzichtige opstelling noodzakelijk; de positie van de arbeiders kon het best stapsgewijs verbeterd worden door opbouw van de sociale wetgeving en door het afsluiten van Collectieve Arbeids Overeenkomsten (CAO’ s) met de werkgevers.
Desondanks droegen aanvankelijk de opvattingen over medezeggenschap binnen het N.V.V wel een zeer ingrijpend karakter. Medezeggenschap werd beschouwd als het tot stand brengen van fundamentele veranderingen in de produktieverhoudingen, omdat dit de enige manier was om reële verbeteringen tot stand te brengen.Onder de dreiging van het nationaal-socialisme werden deze opvattingen echter losgelaten en indachtig het nationale belang dat het bestrijden van gemeenschappelijke vijanden noodzakelijk maakte, kwamen de socialisten tot de overtuiging, dat medezeggenschap beschouwd diende te worden als een middel om binnen de bestaande samenlevingsstrukturen (dus binnen het kapitalisme) gelijkberechtiging van loonarbeid en kapitaal te bewerkstelligen. De strategie van de vakbeweging was niet meer gericht op omverwerping van het kapitalisme en op een verandering van het loonsysteem zelf, maar op het wegwerken van ongewenste neveneffekten van het bestaande systeem.
Reeds tijdens de Eerste Wereldoorlog deed de strategie der geleidelijkheid ven de vakbeweging de werkgevers beseffen, dat het inwilligen van sommige eisen geen omverwerping maar juist een betere werking van het bestaande systeem kon betekenen omdat de hoogte van de lonen beter kon worden beheerst en niet meer volledig afhankelijk was van de economische conjunctuur.
0verlegstrukturen voor de Tweede Wereldoorlog.
Hierboven is in korte trekken het klimaat beschreven, waarin het korporatisme tot ontwikkeling kwam: de samenwerking tussen klassen met uiteenlopende belangen. Welke overlegvormen ontstonden er nu? (zie ook Windmuller biz 86 tm 107)
Toen Troelstra vlak na de Eerste Wereldoorlog als gevolg van de ontwikkelingen in het buitenland verklaarde, dat er ook in Nederland revolutionaire veranderingen zouden komen, mobiliseerde de overheid snel regeringsgetrouwe troepen, terwijl zowel de konfessionele bonden als de volgelingen van Troelstra zelf zich onmiddelijk van zijn uitspraken distantieerden. Toch werden er door vakbondsleiders eisen gesteld om radikale groepen tevreden te stellen. De regering verklaarde zich bereid sommige van die eisen in te willigen. Zo werd in 1919 de Hoge Raad ven de Arbeid opgericht, waarin werkgevers, werknemers en overheid met elkaar konden overleggen. Dit adviesorgaan heeft een belangrijke rol gespeeld in het tot stand brengen van de sociale wetgeving voor de Tweede Wereldoorlog.
Verder poogde de regering in deze woelige jaren na de Eerste Wereldoorlog de gemoederen tot rust te brengen door het ontwerpen van invaliditeits- en ouderdomswetten en door het steunen van plannen om tot medezeggenschap te komen dmv het instellen van Raden, de Publiekrechtelijke Bedrijfs Organisaties (PBO’s) die Collective Arbeidsovereenkomsten (CAO’s) arbeidsvoorwaarden en productie moesten regelen. Deze plannen kwamen uit katholieke kringen waar men zocht naar alternatieven voor de ideeen van de socialisten die meer zeggenschap van arbeiders en een gencentraliseerde staat wilden en waar het idee van de klassenstrijd nog steeds bestond. De P.B.O. moest gebaseerd zijn op belangenharmonie en niet op klassentegenstellingen en sloot aan bij de Pauselijke encycliek ‘Rerum Noverum. Ook N.V.V en S.D.A.P. bleken bereid het idee van de P.B.O. te accepteren. Althans in rapporten van deze organisaties uit l923 worden de konfessionele plannen gezien als een eerste stap in de richting van gemeenschapsbeheer .
Ondanks vele pogingen kwam de regering niet tot een wettelijke regeling van de P.B.O. Alleen werd in 1933 de bedrijfsradenwet aangenomen, waarin de mogelijkheid tot het instellen van overlegstructuren op bedrijfsniveau werd aangegeven. De vakbeweging kreeg overigens bij deze wet geen plaats toegewezen. De positieve houding van het N.V.V. ten opzichte van de P.B.O. had als oorzaak, dat in de uitbreiding daarvan een versterking gezien kon worden van het streven in de vakbeweging om in het kader van het reeds genoemde gecentraliseerd beheer vertegenwoordigers van werkgevers te laten onderhandelen boven ondernemingsniveau.
Dit geschiedde vlak voor de tweede Wereldoorlog t.a.v. de CAO’ s. Overeenkomsten met ondernemers waarvan allen die bij hem werkten gebonden waren. Dit had als voordeel, dat de onderlinge concurrentie bij de arbeiders weggenomen werd, zodat daarvan geen negatieve invloed op de lonen kon uitgaan. Al bij de Wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst van 1927 kregen de vakbonden gedaan, dat in de wet een clausule werd opgenomen die een aan een CAO gebonden werkgever verplichtte de bepalingen daarin te laten gelden voor al zijn werknemers. In de Wet op het Algemeen Verbindend verklaren van CAO’ s uit 1937 werd bepaald dat dergelijke contracten golden voor alle werknemers in een bepaalde bedrijfstak, wanneer de regering daartoe besliste.
Na 1920 dacht men bij het begrip medezeggenschap niet meer aan de P.B.O. Medezeggenschap was arbeidersinvloed op het niveau van de onderneming, terwijl de P.B.O. vooral ging om organisaties op het niveau van de bedrijfstak. De enige organisatievorm op bedrijfsniveau was in de twintiger jaren de personeelskern, een overlegorgaan van personeel en werkgever, dat op initiatief van een van beiden kon worden opgericht. De werkgever nam in de kern veelal een dominerende positie in en probeerde haar vaak te gebruiken om de vakbond te verzwakken.
De vakbonden namen t.o.v. de kern een weifelende houding aan. Enerzijds kon de ontwikkeling daarvan de democratisering bevorderen, anderzijds vreesde men overname van vakbondstaken door de kernen, en fixatie op van de belangen van de onderneming waardoor verdeeldheid onder de arbeiders zou kunnen ontstaan. Deze houding had de vakbeweging die na de teruggang van het NAS gevormd werd ook t.a.v. de PBO en de ondernemingsraden na de Tweede Wereldoorlog.
Er bestaan ook in 1974 spanningen in de bonden die volgens Poppe in navolging van Touraine voortvloeien uit het feit, dat de vakbeweging een algemeen politiek doel heeft (veranderingen in de sociaal-economische productie en beslissingsstructuur van de samenleving als geheel) terwijl de doelstellingen hun basis vinden in een zeer grote specifieke groep uit de samenleving. De eisen van de vakbeweging aangaande een grotere betrokkenheid van de werkende bevolking bij het productieproces zullen bestaan, zoalang die specifieke basis bestaat, dwz zoalng de samenleving niet ook zijn productieproces heeft gedemocratiseerd. Men zou kunnen zeggen, dat de vakbeweging de democratisering mede nastreeft door een beroep te doen op een overheid, die geacht wordt boven de partijen te staan maar deze overheid functioneert nu juist in een systeem, waarin plaats is voor de zoeven genoemde specifieke groep die men dmv democratisering poogt op te heffen.
De ontstane ideen over de rol van de overheid blijken al uit het jaar 1938 door de S.D.A.P. gelanceerde plan van de Arbeid dat tot doel had, de economische depressie van de jaren dertig te boven te komen. In het plan werd gesteld, dat de overheid moest streven naar een aanzienlijke groei van de uitgaven, zodat overeenkomstig de teorien van Keynes de koopkracht en daarmee het aantal arbeidsplaatsen op korte termijn zou stijgen. Uit dit plan blijken ook weer de opvattingen over medezeggenschap die binnen de vakbeweging waren ontstaan. Wel een groot aantal maatregelen om de productie te reguleren maar geen omvangrijke nationalisatie. Toen de verkiezingen van 1937 voor de S.D.A.P. teleurstellend waren, werd het plan als onhaalbaar terzijde geschoven.
De ontwikkeling van overlegvormen na de Tweede Wereldoorlog.
Reeds tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de wens tot samenwerking en de gedachte, dat werkgevers en werknemers voornamelijk gemeenschappelijke belangen hebben verder uitgewerkt door het maken van plannen voor het instellen van een zogenaamde Stichting van de Arbeid en het verder uitwerken van de P.B.O. zodat na de bezetting een gezamenlijk standpunt over het sociaal-economische beleid bepaald zou kunnen worden.
In de Stichting van de Arbeid moesten werkgevers en werknemers via gezamenlijk overleg meewerken aan de heropbouw van de nationale economie. Voor de vakbeweging dus een nadere uitwerking van het principe dat het nationale belang voorrang heeft boven het klassebelang. De Stichting van de Arbeid nam na de oorlog een belangrijke plaats in bij de vorming van het beleid inzake de loonontwikkeling, het tot stand brengen van sociale verzekeringen en het opstellen van regels bij ontslag.
Een van de belangrijkste zaken waarmee de Stichting van de Arbeid zich bezig hield was het formuleren van een standpunt over de inspraak op ondernemingsniveau. Kwam dit adviesorgaan van de overheid tot de conclusie, dat wettelijke regeling niet nodig was, de daarna geformeerde commissie van Rheyn formuleerde een tegenovergestelde mening en in 1950 werd een wetsontwerp op de ondernemingsraden losgekoppeld van de P.B.O. door de Twwede Kamer aangenomen.
Na 1950 nam de betekenis van de Stichting van de Arbeid af door invoering van een Sociaal-Economische Raad, een adviesorgaan waarin overheid, vakbeweging, werkgevers, landbouw en middenstand zijn vertegenwoordigd. De S.E.R. kwam tot stand na invoering van de wet op de P.B.O. en had tot taak, toezicht te houden op de volgens de wet te vormen overlegorganisaties van het bedrijfsleven met een structuur van verticale en horizontale nedrijfschappen en productschappen.
De reeds genoemde afwachtende houding van de vakbeweging en ook het hardnekkige verzet van werkgeverszijde tegen werknemersparticipatie hebben ertoe geleid, dat de P.B.O. als systeem van zelfbestuur is mislukt. Wel zijn er soms bedrijfstakorganen, vrijwillig opgerichte privaatrechtelijke organen op bedrijfstaknivo, waarin werk-nemers en werkgevers via vertegenwoordiging allerlei zaken kunnen regelen.
Ontwikkeling ven de ondernemingsraad tot 1970.
De Wet op de Ondernemingsraden van 1950 geeft de overtuiging weer, dat kapitaal en arbeid in de onderneming gelijke doel-stellingen hebben en dat alle bij de onderneming betrokkenen gemeenschappelijke belangen hebben. De ondernemingsraad is een orgaan van de onderneming en niet een vertegenwoordigend orgaan van een der betrokken groepen. De werkgever is voorzit-ter van de raad en hij moet waken voor het harmonies funktio-neren van een raad, die wel advies mag geven maar geen sankties kent. Verder werden er bedrijfskommissies benoemd die tot taak hebben erop toe te zien dat ondernemingsraden worden ingesteld waar dat volgens de wet moet. üe samenstelling van de raden verliep erg langzaam. In 1958 hadden nog maar 20% van de bedrijven een raad.
In een rapport van de Wiardi Beckman Stichting ‘Hervorming van de onderneming’ werd gesteld, dat de raden niet funktioneerden, oa omdat in de wettelijke regeling de belangen van de werknemers onvoldoende waren beschermd. Ook Windmuller(blz 30) gaf oorzaken aan voor de onvolkomenheden van de raad; Alle leden hadden een dubbele rol; de direkteur was enerszijds degene die de uiteindelijke beslissing nam, anderszijds was hij onpartijdige voorzitter en moest hij waken voor de harmonie in de onderneming. De andere leden moesten de belangen van het personeel behartigen, maar zij moesten ook het algemene bedrijfsbelang in het oog houden.
De Wet op de Ondernemingsraden van 1970
Veranderingen t.o.v. de wet van 1950:
l. De zelfstandige plaats van de direkteur is niet volledig gehandhaafd, sommige beslissingen kunnen alleen genomen worden met uitdrukkelijke toestemming ven de raad bv t.a.v arbeidsreglement, pensioenregeling, winstdelingsregeling spaarregeling, maatregelen op gebied van de hygiëne, veilig-heid en gezondheid.
Wanneer het gaat om tarief of beloningssystemen of om een beoordelingsregeling, hoeft alleen nog maar om advies gevraagd te worden.
2. De raad kan vergaderen zonder voorzitter, hetgeen een accentverschuiving naar personeelsvertegenwoordiging betekent.
3. De scheiding vakbeweging– O.R. is niet volledig gehandhaafd, bonden kunnen in de persoon van een adviseur/deskundige voor een vergadering worden uitgenodigd.
In de oude wet kwamen geen strafbepalingen voor, sinds 1970 kon een OR- lid in sommige gevallen de bedrijfskommissie of zelfs de kantonrechter om bemiddeling vragen. Ondanks verbeteringen in de nieuwe wet, had de werknemer nog steeds geen werkelijke inspraak in de ekonomiese doelstellingen van de onderneming. Ook bij andere ondernemingswetten en kodes van 1970, nl de wetten op de jaarrekening, het enquêterecht, de strukuur van de onderneming en kode op de fusiegedragsregels was nergens sprake van meebeslissen. Men kan stellen, dat de uit het korporatisme ontstane wetgeving en organisatiestrukturen tot 1970 weinig veranderd hebben aan het feit, dat de macht nog steeds in handen was van zeer weinigen.
De houding die de vakbeweging aannam t.o.v. de bedrijfskernen van voor de oorlog, nam zij ook aan tegenover de O.R. Nog steeds bestonden er meningsverschlllen over de vraag, of de ondernemingsraad de vakbond versterkt dan wel ondermijnt en nog steeds hadden de bonden geen voldoende ontwikkelde struktuur op bedrijfsnivo. Mede om de invloed van de bonden beneden bedrijfstaknivo te doen toenemen, en om de afstand leiding leden te verkleinen werd het bedrijvenwerk opgezet.
Bij dit artikel is gebruik gemaakt van:
John P. Windmuller- Arbeidsverhoudingen in Nederland. Utrecht/ Antwerpen 1970
Dit bericht is geplaatst in DemocratieFNV. Bookmark de permalink. Bewerken