vrijdag 15 september 1995

Formulieren. Te uitgebreide vragen formulier en te vergaande vragen over arbeidsongeschiktheid

Ook verschenen in de MUG, Maandblad voor uitkeringsgerechtigden in Amsterdam in het octobernummer 1995. In de rubriek 'De gang van zaken'. 

Formulieren

De laatste tijd brengen verschillende cliënten bij de Bijstandsbond naar voren, dat sommige formulieren van de sociale dienst verkeerd zijn opgezet. De kritiek richt zich vooral op een bepaald heronderzoeksformulier. Het gaat om een uitgebreid vragenformulier, dat zowel wordt gebruikt bij cliënten die voor het eerst een uitkering aanvragen, als bij cliënten die alleen voor een periodiek heronderzoek op het rayonkantoor moeten komen. Iemand die al een uitkering heeft, moet in dit geval een onnodig lange lijst met vragen doorwerken. Dat is meteen het eerste kritiekpunt.
Daarnaast moeten niet alleen de eigen gegevens worden ingevuld, maar ook die van de partner. Wanneer er een partner is, moet de opgeroepene niet alleen alle bewijzen van zichzelf meenemen, maar ook die van de ander, zoals paspoort, giro-afschriften, origineel bewijs van het sofinummer, enzovoort. En dat terwijl de oproep voor hercontrole op een bepaalde naam gesteld is en de ander niet officieel wordt opgeroepen. Dit leidt tot misverstanden. 'Waarom roept u mijn vriend niet zelf op? Waarom moet ik met zijn paspoort en giro-afschriften over straat gaan sjouwen? We hebben ieder ons eigen leven en ik ga niet zitten snuffelen in de privé-papieren van mijn partner.' De ambtenaren van de sociale dienst hebben meestal weinig begrip voor de afspraken tussen twee samenwonenden. 'Dan neemt u hem toch gewoon mee?'
Wanneer je ziek bent, moet op het heronderzoeksformulier de aard van de ziekte worden ingevuld en verder de naam van de behandelende arts en/of van de huisarts. Ook hier hebben veel cliënten bezwaar tegen. Zij vinden dat de sociale dienst hier niets mee te maken heeft. Je bent arbeidsongeschikt, punt uit. De procedure voor cliënten die ziek worden is als volgt: Wanneer je ziek wordt, kun je dit invullen op het werkbriefje. Als het goed is, word je dan na enige tijd opgeroepen door een keuringsarts van de GG&GD. Die voert een gesprek met je, waarin de redenen van de arbeidsongeschiktheid worden vastgesteld. Daarna stelt de keuringsarts een rapportje op voor de sociale dienst, waarin je wel of niet arbeidsongeschikt wordt verklaard. Als je arbeidsongeschikt bent, moet je overgaan van de RWW met sollicitatieplicht naar de ABW zonder sollicitatieplicht. (Dat gaat wel eens fout, omdat de sociale dienst iemand soms jaren in de RWW houdt.) Sommige cliënten vinden dat deze gegevens de sociale dienst niet aangaan. De dienst hoeft niet te weten waarom je arbeidsongeschikt bent, en zeker niet wie de behandelende artsen zijn.
Op het gewraakte formulier staat verder een verklaring, die je moet ondertekenen. Onder punt vijf van deze verklaring staat, dat je aangeeft ermee bekend te zijn, dat de dienst inlichtingen kan inwinnen bij GAK, werkgever, boekhouder, en diverse andere instanties. Sommige cliënten denken, dat dit een soort vrijbrief is voor de sociale dienst om maar bij alles en iedereen naar van alles en nog wat te informeren, zonder dat de cliënt hierover hoeft te worden ingelicht. Is dat geen schending van de privacy? Wij adviseren cliënten de verklaring wel te ondertekenen (anders wordt je uitkering misschien stopgezet), maar op de bladzijde ernaast protest aan te tekenen tegen de verklaring, en een voorbehoud te maken ten aanzien van de instanties, die de sociale dienst zonder je in te lichten mag raadplegen.
Daarnaast adviseren wij, een klacht in te dienen waarin de bezwaren tegen het formulier staan geformuleerd. Er zijn voorgedrukte klachtenformulieren bij de rayonkantoren verkrijgbaar, waarin de procedure staat uitgelegd. Om misverstanden te voorkomen: dit is dus iets anders dan de officiële bezwaarschrift-procedure. De klacht kan worden gericht aan het hoofd van het rayonkantoor of worden toegestuurd aan het antwoordnummer, dat op het formulier staat vermeld. Over het heronderzoeksformulier hebben al gesprekken plaatsgevonden met het hoofd van rayonkantoor De Baarsjes. Wanneer veel mensen een klacht indienen, zal het formulier misschien veranderd worden.

Piet van der Lende

zaterdag 29 juli 1995

Ideeën van Bart van Wijck

Het gaat om een culturele omslag. In de zeventiger jaren hadden wij het idee, dat we met iets groots bezig waren, dat we deel uitmaakten van een internationalistische wereldwijde beweging voor een betere maatschappij. Enthousiast werkten wij aan een betere toekomst. Dit subjectieve gevoel is helemaal weg. Het gaat erom, dit gevoel weer terug te krijgen. Het had ook wel iets te maken met de levensfase waarin je verkeerde, je afzetten tegen je ouders, je was jong, begon de wereld te ontdekken. Toen ik een boek las over 1917 raakte ik helemaal enthousiast, dat was het, ik voelde me verbonden met een we­reldwijde beweging. Het postmodernisme heeft ook wel iets positiefs. Wat bedoelt hij daarmee?. Het internationalisme van de zeventiger jaren was goed. Je voelde je betrokken bij derde wereld bewegingen voor bevrijding van het eigen land. Mensen kijken bij een identificatie naar een range van dingen. Naar het enthousiasme dat de reeds deelnemenden uitstralen, naar het wij gevoel dat zij uitstralen, of ze zelf in die beweging aktief kunnen zijn om zelf dingen te ontdekken, etc. Niet alleen naar het objektivistische van: hele goede doelstellin­gen, die mensen willen iets moois, daar ben ik het wel mee eens. Wat Jan Müter en Rob Marijnissen doen, is een objectie­ve analyse van de krachtsverhoudingen en daar dan tegenover zetten wat goed is, daar moet iedereen het toch wel mee eens zijn, en dan proberen te intervenieren in het krachtenveld, en best ook wel dingen bereiken. Dit doet de SAP heel sterk, ze willen geen oude dingen loslaten, terwijl als je revolutionair bent, je toch de dingen op hun kop moet durven zetten. Men gaat met een soort dodelijke ernst de dingen analyseren. Hoewel het best goed is om af en toe dodelijk ernstig te zijn. Minstens even noodzakelijk is een inschatting/ analyse van de subjektieve kant van de sociale bewegingen. Die twee dingen moeten precies op elkaar aansluiten. Je gaat een inschatting maken bij een huis bouwen van het veld, hoe ziet dat eruit, welke materialen heb je, en dan ga je het huis gewoon bouwen. Het gaat erom, dat we geen truucs gebruiken om mensen te manipuleren, maar om mensen zelf te laten denken. Wij gebruiken ook een mooie lay-out voor het blad. Het gaat ook best goed zijn om een totaal-scepticisme neer te zetten tegen het groene hart van Nederland zoals in de laatste tijd gebeurt.
De derde kamer komt op voor de mensen aan de onderkant, de naamlozen die geen stem hebben. Wij streven naar radikale demokratie, wat verschillende vormen kan aannemen.
Dit leidt tot de volgende conclusies voor de tekst:
1. Het moet een tekst zijn, waar mensen zich mee kunnen iden­tificeren. Dit betekent echter geenzins dat wij alleen maar een objektieve analyse plegen van de werkelijkheid en van de krachtsverhoudingen daarin, daarna Het Goede formuleren en ertegenover plaatsen, meedelen, dat wij dit Goede, waar ieder­een het wel mee eens (moet) zijn nastreven en het daarbij laten. Identificeren betekent ook heel andere dingen. Mensen identificeren zich om diverse redenen. Omdat de deelnemers enthousiasme uitstralen, omdat er felle, spitsvondige diskus­sies worden gevoerd, of omdat men denkt door deelname zelf nieuwe dingen bij zichzelf en bij anderen te kunnen gaan ontdekken. Dit heeft tot gevolg, dat wij niet streven naar een tekst, waarvan wij denken, dat veel mensen het ermee eens moeten zijn, of dat alleen uit voor de hand liggende dingen in staan. Er kunnen best dingen in staan, waar bijna niemand het mee eens is.
2. De tekst is niet zozeer bedoeld als een hergroepering van de derde kamer, een evaluatie van het voorgaande en een moti­vatie voor onszelf, maar als een tekst naar buiten toe, om mensen te werven,als een ontwikkeling in het gezicht van de derde kamer, als een mijlpaal op weg naar een beweging, waar­van de mensen denken: daar wil ik bijhoren, (ook al ben ik het er niet mee eens).
3. De tekst moet niet truucs gebruiken om mensen te laten denken, wat wij ook denken, maar om mensen zelf te laten denken. Waarom willen wij dit? Dat is een goede vraag. Waarom willen wij eigenlijk geen verlichte dictatuur van een deskun­dige minderheid, die de werkelijkheid van de historische maatschappijvormen uitgebreid geanalyseerd heeft, en die dus om die reden de enige elite is, die weet, wat goed is voor de mensen? Als je het teveel aan de mensen zelf overlaat, ont­staat er maar chaos, of misschien wel een burgeroorlog, of een terugval in voorgaande historische maatschappij-formaties. De eerste filosoof die dit vond, was Plato.
4. Wij moeten expliciet vermelden, dat wij geen dubbele bodem nastreven. Moeten we dat wel expliciet vermelden?.
5. De tekst moet wel een analyse zijn van de werkelijkheid, bijvoorbeeld van "een jaar paars" maar daar minstens even belangrijk aan koppelen een inschatting van de subjektieve positie van sociale bewegingen, dat inmiddels een leeg bregrip geworden is, en proberen een tekst te maken, waarbij deze twee dingen precies op elkaar aansluiten. Dit geeft mensen het gevoel, dat ze zich met de tekst kunnen identificeren!.
6. Dit betekent dat we bij het maken van de tekst tewerk gaan volgens de methode: eerst analyseren, hoe het in elkaar zit en inschatting subjektivisme, en dan een tekst, waarbij deze twee op elkaar aansluiten.
 

donderdag 15 juni 1995

Naturalisatie ingewikkeld geworden. Moeizame prcedures bij verkrijgen Nederlanderschap

Ook verschenen in het juli/augustus nummer van MUG, Maandblad voor uitkeringsgerechtigden in Amsterdam in de rubriek 'De gang van zaken'. 

Naturalisatie ingewikkeld geworden

Deze maand een stukje over de recente moeilijkheden die migranten ondervinden, wanneer ze Nederlander willen worden. Vroeger schreef je een brief aan de koningin, per adres ministerie van Justitie, waarin je motiveerde waarom je Nederlander wilde worden. Kopieën van verblijfsvergunning en een bewijs van het bevolkingsregister werden meegestuurd en enige tijd later was de zaak geregeld. Je moest voldoen aan de volgende voorwaarden: 18 jaar of ouder zijn, een vergunning voor verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, men moest tenminste 5 jaar in het koninkrijk woonachtig zijn en men moest ingeburgerd zijn in de Nederlandse samenleving.
Over de invulling van het begrip 'ingeburgerd zijn' werd niet moeilijk gedaan. Meestal was een schriftelijke afhandeling van een en ander voldoende. Niet wetende wat voor moeilijkheden wij zouden ondervinden, stuurde ik samen met de heer T. ook zo'n brief, gedateerd 28 januari 1994. Eind maart kregen wij een brief van het ministerie, dat de regels veranderd waren en nu de gemeenten waren belast met de uitvoering van naturalisatieverzoeken. Op 1 april 1994 kreeg de heer T. een brief van de gemeente, waarin werd meegedeeld, dat hij over twee maanden een brief zou krijgen met een uitnodiging voor de verdere afhandeling van het verzoek. Tevens werd het dossiernummer vermeld. Op 10 mei werd vervolgens een brief gestuurd, waarin werd gevraagd om zeer vele bescheiden, die vroeger niet hoefden te worden overlegd. Het zou een halve bladzijde vergen om alle bescheiden op te noemen. Er mochten alleen originele stukken mee worden genomen. De heer T. moest een afspraak maken en zijn vrouw en kinderen meenemen. Er diende een originele huwelijksakte en een originele geboorteakte te worden meegenomen. Indien deze niet in het Frans, Duits, Engels of Nederlands gesteld waren moesten ze vertaald worden door een beëdigd tolk-vertaler. Dat kost al een hoop geld.
Deze akten moesten vervolgens worden gelegaliseerd, dat wil zeggen het ministerie van Justitie moest verklaren dat de documenten en de handtekeningen daarop echt waren. Alvorens deze legalisatie kon plaatsvinden, moesten de documenten eerst worden gelegaliseerd door de autoriteiten van het land van herkomst. Alleen voor akten uit Marokko gold, dat zij ook mochten worden gelegaliseerd door de Marokkaanse autoriteiten in Nederland. Wij haalden opgelucht adem, want de heer T. is Marokkaan.
Bovendien kost naturalisatie plotseling 500,- aan leges. Mensen die dit niet kunnen betalen moeten een verklaring omtrent inkomen en (on)vermogen ophalen bij de sociale dienst. Daarvoor moeten alle financiële gegevens op een formulier worden ingevuld en bewijzen worden ingeleverd. Als de verklaring wordt afgegeven, kost naturalisatie de persoon in kwestie 125,-.
Wij lieten ons niet uit het veld slaan door de plotselinge bureaucratische moeilijkheden die opdoemden. Opgewekt ging de heer T, die al 25 jaar in Nederland woont, naar de Marokkaanse ambassade, waar hij een 'extrait d'acte de naissance' (geboortebewijs) liet maken. Dit werd ondertekend door de vice-consul. Vervolgens stuurden wij de stukken aangetekend naar het ministerie van Justitie. Wij kregen een maand later bericht dat de stukken niet konden worden gelegaliseerd, omdat zij ondertekend waren door de vice-consul. Het ministerie kan alleen van de consul zelf controleren of de handtekening echt is, en niet van anderen. Daarom kon legalisatie niet plaatsvinden. Zuchtend ging de heer T. terug naar het consulaat om terug te komen met de handtekening van de consul. Wij stuurden de papieren weer op (opnieuw aangetekend). Toen gebeurde er niets. Na twee maanden belden wij maar eens. Zouden wij mogen weten wat er met de papieren is gebeurd? 'Meneer, dat weten wij niet, wij sturen papieren die gelegaliseerd moeten worden meteen terug.' Maar hebt u dan geen registratiesysteem? 'Meneer, doet u nou niet zo moeilijk, u kunt het beste de papieren nogmaals insturen, dan krijgt u ze zo snel mogelijk terug.' Dat hebben wij gedaan, maar we zijn nu medio juni 1995 en we hebben nog geen antwoord ontvangen. Als het al lukt de gelegaliseerde papieren terug te krijgen, moeten we vervolgens met alle eventueel vertaalde stukken naar de gemeente. Daar volgt dan een gesprek. Waarover? Dat is ons nog niet duidelijk. Wel constateren we, dat door alle bureaucratische rompslomp het zeer moeilijk is geworden genaturaliseerd te worden tot Nederlander, ook al zijn in principe de voorwaarden die in het begin werden genoemd nog steeds van kracht.
Ook Nederlanders die in het buitenland geboren zijn ondervinden dergelijke moeilijkheden. Wanneer ze bijvoorbeeld weer in Nederland wonen en willen trouwen, alles goed gepland hebben, de trouwdag vastgesteld is, krijgt menigeen het bericht dat het huwelijk helaas voorlopig niet kan doorgaan, omdat de originele geboorteakte uit het land van herkomst moet worden overlegd. Vooral bij landen, waar geen geordende bevolkingsadministratie bestaat, is dit onmogelijk. En het duurt altijd erg lang voor alles in kannen en kruiken is. Bestanden worden gekoppeld, ze weten alles van je, maar toch wordt het steeds moeilijker om te bewijzen dat je bent wie je bent. Hoe kan dat?

Piet van der Lende

zaterdag 10 juni 1995

Uitkeringsgerechtigden - wie niet werkt, zal niet eten. Melkert en de 'derde sektor'

Solidariteit nr. 67, juni 1995, Melkert en de 'derde sektor' 1/2
http://www.solidariteit.nl/nummers/67/inhoud.html

De winsten stijgen, de ekonomie groeit, maar de werkloosheid blijft toenemen.
Minister Melkert wil als oplossing voor de werkloosheid een soort 'derde sektor' kreëren - naast de markt- enpublieke sektor - waarin langdurig kansen meer hebben op de reguliere arbeidsmarkt. De manier waarop deze derde sektor wordt gefinancierd, betekent een verdere afbraak van de sociale zekerheid en heeft verdringing van bestaande, betaalde arbeid tot gevolg.

ER ZIJN IN NEDERLAND ongeveer 1,2 miljoen mensen die betaald werk zoeken. Daarvan hebben ongeveer 800.000 een werkloosheidsuitkering (RWW, WW of een wachtgeldregeling). Onder die
werklozen doet zich een ontwikkeling voor die kan worden geï llustreerd aan de situatie in Amsterdam. Het aantal bi jstandsgerechtigden is in Amsterdam de afgelopen vijf jaar gelijk gebleven. Het zijn er ongeveer
70.000, onder wie 40.000 RWW-ers. Het aantal RWW-ers is gedaald, terwijl het aantal ABW-ers zonder sollicitatieplicht is toegenomen. Overigens staat tegenover de daling van het aantal RWW-ers een stijging
van het aantal WW-ers. Welke konklusie kan uit deze gegevens worden getrokken?

Wegzakken in de armoede

De bijstand is steeds meer een laatste toevlucht voor uitkeringsgerechtigden die ook bij toenemende werkgelegenheid aangewezen zullen blijven op de bijstand. Te denken valt aan oudere migranten met
onvolledige AOW-rechten, oudere kleine zelfstandigen die het niet volhouden tegen Dirk van den Broek, arbeidsongeschikte alleenstaanden die hun WAO zijn kwijtgeraakt, langdurig werklozen die door leeftijd
en andere oorzaken niet kunnen voldoen aan de eisen van de werkgevers. Een recent rapport van het Komitee Amsterdam Tegen Verarming toont aan dat uitkeringsgerechtigden en werkenden met een minimuminkomenlangzaam maar zeker verder wegzakken in de armoede. Niet alleen zijn de uitkeringen
te laag, ook allerlei voorzieningen en hulpverleningsinstellingen verdwi jnen of zitten tot over hun oren in het werk, zodat er lange wachtli jsten bestaan. Het aantal mensen met schulden neemt toe en zij kunnen niet meer worden geholpen.
Hulpverleningskanalen slibben dicht. Een apart vraagstuk is daarbij de toegankelijkheid van de Sociale Dienst. Deze instelling is telefonies moeili jk bereikbaar, er heerst een organisatoriese chaos, er worden veel
fouten gemaakt, en alleen mensen met mediese problemen of grote schulden komen nog in aanmerking voor 'bijzondere bijstand'.

Tussensektor

Ekonomies gezien gaat het op dit moment goed. De winsten stijgen, de hele ekonomie groeit, ook de export. Maar de werkloosheid blijft onveranderlijk hoog. De kranten staan vol met verhalen over wat we aanmoeten
met deze 'baanloze groei' en met de uitkeringsgerechtigden die hoe dan ook nooit meer zullen werken. Minister Melkert wil het volgende.
In de eerste plaats meer additionele arbeid, dus 'Melkert-banen', banenpools, Jeugdwerkgarantieplan,
WSW, dienstencheques enzovoort. Van die Melkert-banen worden er voor lopig 40.000 gemaakt. Daarnaast krijgen gemeenten de gelegenheid verder met de inzet van uitkeringsgelden te experimenteren. En tenslotte wil Melkert het werken met behoud van uitkering, het zogenaamde verplichte vrijwilligerswerk. De
Minister heeft grootse plannen met deze drie speerpunten van zijn beleid. Hij gaat ervan uit dat er in de toekomst drie arbeidsmarkten zullen zijn. Eén voor de publieke sektor, één in de marktsektor en een soor t
tussensektor, waar langdurig werklozen en andere kanslozen in te werk worden gesteld.
Hij ziet deze derde arbeidsmarkt als een aanvulling op de andere twee. De derde sektor zal volgens hem in de toekomst fors worden uitgebreid en zal ook op langere termijn blijven bestaan. Melkert zegt: 'We
hebben de lonen gematigd, de overheidsuitgaven verminderd en de loonkosten voor de werkgevers verlaagd, maar we moeten erkennen dat de markt toch onvoldoende in staat is voldoende werk te kreëren.' Daarom die derde arbeidsmarkt. Er kan arbeid in worden verricht die gedeeltelijk wel geld opbrengt, maar op deze arbeidsmarkt is de prijs van de arbeid te hoog om zichzelf geheel terug te verdienen. Daarom is ook op de langere termijn subsidiëring van banen in deze sektor, onder andere door de inzet van uitkeringsgelden, noodzakeli jk.

Bezuinigingen

Hoe wordt deze derde sektor gefinancierd? Er staan, na de afbraak van de WAO, nieuwe forse bezuinigingen op stapel. Op de bijstand: 580 mi ljoen, op de arbeidsbemiddeling 200 miljoen. Wat de arbeidsbemiddeling betreft, wordt dus geld weggehaald bij bemiddeling naar de reguliere arbeidsmarkt.
Dat wordt ingezet voor de derde sektor. Verder wordt geld weggehaald bij mensen die nooit meer zullen werken. Wat de bijstand betreft, is een ontwikkeling te zien van verruiming van de beleidsvrijheid van de
gemeenten. Zij mogen toeslagen gaan geven op een basisuitkering van 50 procent. Alleen samenwonenden en 'echte' alleenstaanden krijgen een toeslag. Dit betekent dat om de bezuinigingen te halen, 40 procent van de bijstandsgerechtigden met een verlaging van de uitkering te maken krijgt die varieert van 10 tot 20 procent. In Amsterdam bijvoorbeeld zullen alle bewoners van gelegaliseerde kraakpanden die juridiese konstrukties hebben bedacht om aangemerkt te worden als alleenstaande met 70 procent van het
minimumloon, teruggezet worden naar 50 procent van het minimumloon.
Het is duidelijk wat de gevolgen zullen zijn van dit beleid. Nu is het aantal banen in de derde sektor nog beperkt, maar in de toekomst, wanneer volgens de plannen deze sektor zal worden uitgebreid, zal op de één
of andere manier steeds meer arbeid uit de publieke en marktsektor worden weggezogen. In deze derde sektor worden migranten, oudere bijstandsvrouwen, gedeeltelijk arbeidsongeschikten en anderen te werk gesteld. Dit in ruil voor de bijstandsuitkering of een minimaal loon, zonder goede sekundaire arbeidsvoorwaarden en zonder dat er voor hen hoop is op doorstroming naar de reguliere arbeidsmarkt. En het Rijk kan niet meer op dit beleid worden aangesproken, want het zijn de gemeenten die een grote beleidsvrijheid krijgen om wel of geen toeslagen te geven in het kader van de bijstandswet, regels te stellen voor werken met behoud van uitkering enzovoort.
De VNG, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, heeft altijd op deze beleidsvrijheid aangedrongen. Vele gemeentelijke bestuurders staan al te trappelen om de wegbezuinigde buurtwerkers, buurtkonciërges,
kondukteurs en andere overheidsfunktionarissen weer terug te halen, maar nu op basis van de uitgangspunten van de derde sektor.

Afschaffing sollicitatieplicht

Wat moet er gebeuren? Het li jkt me dat de vakbonden, sterker dan tot nu toe, op landeli jk nivo moeten eisen dat er grenzen worden gesteld aan de grootte van deze derde sektor. Daarnaast moet er worden geëist dat de 'additionele arbeid' niet leidt tot verdringing van bestaande, betaalde arbeid. En ten slotte kunnen de
vakbonden zich ervoor inzetten dat de banen in de derde sektor omgezet worden in echte banen. Dit zal echter vooral moeten gebeuren door het organiseren van mensen die in de deze sektor werkzaam zijn. De tram kondukteurs in Amsterdam hebben al laten zien wat op dit punt de mogeli jkheden zijn.
Dit blijven echter defensieve eisen. Naast arbeidstijdverkorting met behoud van loon zijn de direkte belangen van de (langdurige) werklozen minstens even belangrijk. Zij mogen niet gedwongen worden baantjes te aksepteren in de derde sektor die ze niet willen. Daarom en dat is overigens ook het officiële standpunt van de FNV, zal er moeten worden uitgegaan van wat de werkloze zelf wil. Hij/zij moet een bepaalde keuzevrijheid hebben bij het kiezen van het werk dat hij/zi j wil doen. Daar hoort geen dwang bij op basis van sankties.
De Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam (WBVA) gaat nog een stap verder. Wij willen voorzieningen en afschaffing van de sollicitatieplicht voor deze groep, zoals in het verleden de 'projekten mensen zonder werk'.
Wanneer de vakbonden hun doelstelling willen waarmaken, namelijk dat ze zowel voor de werkenden als de uitkeringsgerechtigden willen opkomen, zullen ze zich feller moeten verzetten tegen de steeds strakkere
koppeling van inkomen aan werk.

Werken voor uitkering

Door deze koppeling doet zich bij de kreatie van de derde sektor een ontwikkeling voor die een nieuwe stap is op weg naar afbraak van de sociale zekerheid. Oorspronkelijk was de bijstand bedoeld voor diegenen die niet via betaalde arbeid in hun inkomen konden voorzien. Nu is er een eis bij gekomen, namelijk datje in ruil voor je uitkering arbeid in de derde sektor moet verrichten. Dan pas heb je recht op een inkomen. De mensen die nog kunnen werken, krijgen een toeslag, zodat ze uitkomen op een ui tkering die geli jk is aan het huidige minimum. Een gedeelte van degenen die niet kunnen werken, krijgt niets, dat wil zeggen uitsluitend de uitgeklede bijstandsuitkering. Hoe de rijksoverheid additionele arbeid financiert, heb ik hiervoor al genoemd. Ook in Amsterdam zie je dat de bijzondere bijstand en andere gemeentelijke middelen, die ook bedoeld zijn voor groepen die niet kunnen werken, in toenemende mate worden ingezet om werk in de derde sektor te
scheppen. De gemeente trekt voor dit beleid 100 miljoen ui t in de komende vier jaar.
Voor het 'minimabeleid' dat ook ten goede komt aan groepen die niet meer hoeven of kunnen werken, wordt geen geld uitgetrokken. Sterker nog, potjes die ook voor deze groepen bestemd zijn, worden steeds meer gebruikt voor het werkgelegenheidsbeleid. De gedachte dat je pas een uitkering krijgt als je er arbeid voor verricht, doet in het kader van het bezuinigingsbeleid het aloude adagium weer een stukje dichterbij komen: wie niet werkt, en dus niet nuttig is voor het kapitalisme, zal ook niet eten.

Piet van der Lende
(WBVA)

zaterdag 13 mei 1995

Tekst uit verslag Derde Kamer bijeenkomst over de stadsprovincie in het Barleus gymnasium op 13 mei 1995

Diskussie werkgroep 2 plus 3.

Bernard Stolte begint zijn inleiding met te stellen dat het
onderwerp van de bestuurlijke herindeling al heel lang speelt.
In 1981 zijn de deelraden Noord en Osdorp opgericht. Ze waren
bedoeld als een strategisch idee op een schaakbord, dwz men
poogde op die manier de deelraden erdoor te drukken.
Op stedelijk niveau in de gemeenteraad speelden vervolgens twee punten:
- Het is een gigantische operatie, hoe moeten we de ambtenar-
ern spreiden? Hoeveel deelraden moeten er komen?. Het CDA was
voorstander van 8, de PvdA 16 en Groen Links geen.
- Er werden beslissingen genomen over de bestuurlijke herinde-
ling, zonder dat er sprake was van een goede evaluatie met de
deelraden Noord en Osdorp.
Dat laatste zien we nu met de stadsprovincie weer. In feite worden
in de diskussie over de verdere bestuurlijke herindeling de
ervaringen van de afgelopen tien jaar nauwelijks meegenomen. Er
wordt alleen gediskussieerd over hoe de top, de stadsprovincie
eruit moet zien.
De buurtgroepen zouden zich eigenlijk op het standpunt moeten
stellen: we hebben veel ervaring met de deelraden, ze zouden
van onszelf moeten zijn, hoe kunnen we ons verdedigen tegen
het oprukkend centralisme?
De deelraden zijn 5 jaar geleden ontstaan. In feite zijn de
stadsdelen in de afgelopen vijf jaar aan hun lot overgelaten.
Enerzijds werd er door maatschappelijke organisaties niet in
geinvesteerd, anderzijds keken de mensen die de macht kregen
in de deelraden naar boven. Daardoor zijn de stadsdeelraden
een soort wegwerpartikel geworden. Ze worden alleen maar
gebruikt als leerschool voor jonge politici, die het zien als
begin van hun carriere.
De stadsdeelraden zijn ingevoerd onder het motto: het bestuur
moet dichter bij de burger. Het gekke is, dat een model daar-
voor al was gevonden, nl de A.P.G, de Ambtelijke
Projekt Groep Stasdvernieuwing. De voorzitters van deze pro-
jektgroepen kregen bepaalde mandaten, en er ontstond een goed
kontakt tussen de burgers en de hogere ambtenaren, dat in
grote lijnen goed funktioneerde. Dit model heeft gewerkt. Er
was een goede relatie tussen de buurt en het bestuur. Dit
model is overgenomen oa bij de uitbreiding van de Nederlandse
Spoorwegen en andere ruimtelijke ordeningsproblemen. Daar
werden dezelfde codes toegepast. Toch zat er in deze projekt-
groepen ook wel een spanningsveld, omdat men er vanuit ging,
dat projekt groepen ook voor de buurt werkten, maar er zat
toch ook een andere kant aan, nl werken voor de politieke
bestuurders. Bij deze A.P.G's was er echter het recht van de
burgers om bij de projekten betrokken te worden en ook de
plicht van de overheid om dat te organiseren. Toen zei men bij
de stadsdeelraden, ja, maar wie kontroleert vanuit de politiek
nu die A.P.G's? Dit heeft tot gevolg, dat alles nu via de
portefeuillehouder van de deelraad loopt, en dat er zg voor-
trajekten ingesteld worden, waarbij het recht op inspraak of
erbij betrokken worden steeds weer opnieuw bij ieder geval
bevochten moet worden.
Ik zou in dit verband ook nog ter diskussie willen stellen,
dat de instelling van de stadsdelen heeft geleid tot een
enorme brain-drain vanuit de buurtorganisaties, die daardoor
verzwakt werden.
Ben Bles maakt de opmerking, dat de deelraden alleen werden
opgericht, om de macht van de ambtelijke instanties op het
stadhuis te breken, de deelraden zijn nooit bedoeld geweest om
het bestuur dichter bij de burger te brengen. In feite zijn
die projketgroepen ook opgericht, om die macht van de ambtena-
ren nog eens een keer te breken.
Bernard antwoord, dat dit waar mag zijn, maar dat als de
instelling van stadsdeelraden tegelijkertijd leidt tot de
conclusie dat het een middel is om verder te komen, dat we dat
dan moeten aannemen.
Iemand merkt op, dat je die deelraden eigenlijk niet nodig
hebt, wat je nodig hebt zijn aktieve, betrokken burgers, die
bezig zijn met hun eigen straat, maar die tegelijkertijd ook
verder willen kijken dan hun eigen stoepje. De betrokkenheid
van dergelijke mensen is essentieel, dat is belangrijker dan
de vorm.
Iemand anders maakt nogmaals de opmerking dat de deelraden
niet zijn opgericht om het bestuur dichter bij de burger te
brengen. Dit argument werd gebruikt als eem modieus omhulsel
voor de buitenwereld. Het argument had per ongeluk inderdaad
waar kunnen worden, maar het is in feite niet gebeurd. De
politici in de deelraden hebben de neiging, zich af te sluiten
van de burgers, die willen participeren in het maken van het
beleid. Aktieve burgers lopen tegen een muur op. Bovendien
ligt het niveau van besturen bij de deelraden erg laag. Er
wordt verteld, dat een politica na vijf jaar als wethouder van
een deelraad ruimtelijke ordening in haar portefeuille gehad
te hebben, bekende, dat ze niet wist wat een bestemmingsplan
was. De inspraak/invloed van de buurtbewoners zit niet in het
syteeem ingebakken, het is afhankelijk van enkele goedwillende
ambtenaren/politici.
Daarna houdt Luud Schimmelpennink zijn inleiding. Hij heeft
oorspronkelijk een technische opleiding genoten en houdt zich
bezig met technische innovatie, dwz het ontwikkelen van nieuwe
produkten. Zijn politieke opvoeding heeft hij gekregen in de
zestiger jaren, toen er krenten uitgeeeld werden op de Dam, en
werden een aantal begrippen ontwikkeld over demokratie en
solidariteit. Luud is ook tien jaar voorzitter geweest van het
wijkcentrum d'oude stad, toen de aanleg van de metro speelde
en de metrorellen zijn geweest. Zijn ervaring was in die tijd:
een groep buurtbewoners stapte naar het wijkcentrum om bij-
voorbeeld een projekt voor herbestrating gerealiseerd te
krijgen. Belanghebbenden belegden dan een vergadering, waar
ook ambtenaren voor werden uitgenodigd. Tot hun eigen verba-
zing konden de buurtbewoners dan op zo'n grote vergadering tot
een gemeenschappelijk standpunt komen, en mochten de buurtbe-
woners beslissen, wat er zou gaan gebeuren. Luud noemt dit
even verder in zijn betoog 'volksvergaderingen' het heeft hem
verbaasd, hoe enorm wij het als mensen in ons hebben, om op
zo'n vergadering tot een besluit te komen, ook met ondernemers
en zo erbij. Voor de pauze wordt er gediskussieerd, en zijn er
meningsverschillen, dan is er in de pauze koffie en na de
pauze wordt een besluit genomen. Je zou het kunnen vergelij-
ken met de kerk. Eer is nog veel religieus besef onder de
menaen, maar dit vertaalt zich niet meer in het naar de kerk gaan.
Zo is het ook met deze vergaderingen. Er leven onder de mensen
best veel politieke gevoelens, maar dit vertaalt zich niet in
politieke partijen, dwz de demokratie, de deelname van de
mensen aan de politiek komt niet meer in het bestaande kader
van de politieke partijen tot gelding.
Bernard merkt op, dat je niet alleen over de vorm moet praten,
die de demokratie aanneemt. Moet je praten over een gecen-
traliseerd of gedecentralisserd systeem? Moet je praten over
anarchie of iets anders? De probleemstelling moet anders
geformuleerd worden. Het gaat erom, dat er een soort controle
van de politiek nodig is, dat er een soort feed-back komt. De
vraag is nu, hoe zullen de noodzakelijke veranderingen in het
bestuur doorgevoerd worden, waarbij van de politci en de
ambtenaren niet een soort monsters moeten maken. Het gaat om
dit soort processen, dwz, hoe kunnen we ervoor zorgen, dat
politici streven naar dienstbaarheid aan de mensen, zodat de
politici het vetrouwen dat we in hen stellen waarmaken.
Luud wil het vraagstuk van de schaal waarop mensen dingen
beleven en waarop dingen gebeuren bij de diskussie betrekken.
Waaraan ontlenen we onze identiteit als Amsterdammer? Dat
ontlenen we aan het centrum van de stad, je zou kunnen zeggen
de grachtengordel, het gebied waar Osdopr niet meer bijhoort,
hoewel de Osdorper wel een identiteit als Amsterdammer be-
leeft. Er is blijkbaar een centraal gebied, waar een soort
schaalidentiteit bij hoort. Men wil de deelgemeenten laten
samenwerken, maar men weet niet hoe. Toch is samenwerking
noodzakelijk. Dat is het leuke van het proces van nu.
Van der Laan heeft gezegd:
dan splitsen we amsterdam niet op. We zullen er in de toekomst
rekening mee moeten houden, dat we voldoende draagkracht
organiseren.
De schaal van de dingen is heel belangrijk. We zullen ons
ervan bewust moeten zijn, dat we elk moment op een andere
schaal bezig zijn. De diskussie Noord-Zuid lijn gaat over een
heel andere schaal dan de eigen straat. Maar hoe verhouden die
twee zich tot elkaar?
Een ander punt is de ekonomie, hier vinden voortdurende veran-
deringen en schaalvergrotingen plaats. De ekonomie is belang-
rijk voor de werkgelegenheid. Amsterdam is een stad waar veel
ekonomische aktiviteiten worden geboren, die elders worden
gerealiseerd. Amsterdam zou ook in de toekomst veel nieuwe
werkgelegenheid moeten raliseren. Hier speelt ook de schaal-
vergroting een rol, vroger zaten de konfektionairs en hun
vervoerder op de grachten, daarna zijn veel konfektionairs het
land ingegaan. Toen is er in de buitenring een groot konfek-
tiecentrum geopend, en toen kwamen al die vedrijven weer terug
want dat konfektiecentrum werd een soort bijenkorf, waar alles
gebeurde.
De stad is niet een eenheid, het stedelijk gebeuren in de
verschillende wijken is enorm verschillend. Vergelijk Osdorp
eens met het centrum. In het centrum is de bebouwingsdichtheid
vele malen groter dan in Osdorp. Men bouwde Osdorp vanuit een
soort idealisme: veel groen, niet te dichte bebouwing, mooie
ruime lichte huizen, etc. Maar het werd een soort slaapstad,
waar de mannen s'morgens naar hun werk gingen en de vrouwen
boodschappen deden en thuis zaten. Het waren geen levende
steden. Zo zie je, dat iets wat je vanuit idealisme doet, ook
iets negatiefs heeft. Wij zijn toen met het idee van de kom-
pakte stad gekomen. Het centrum, en het gaat erom dat te
behouden, is een kompakte stad, die niet alleen maar voor
overlast zorgt. De mensen dicht bij elkaar betekent ook meer
aktie, gezelligheid, intensieve kontakten. Dat zijn voordelen.
Later zijn die ideeen van ons overgenomen door en misbruikt
door politici, om op de hele stad toe te passen, maar ik denk,
dat wat wij Amsterdam noemen, daaronder verstaan wij het oude
centrum. Die andere dingen zijn er later bijgekomen. Kijk nu
eens naar Almere, hoe dat gebouwd wordt en hoe verkwistend dat
is in de ruimte. We moeten erover praten, hoe we voor de stad
lijnen uitzetten naar de toekomst, maar nu gaat het erom, in
de eerste plaats, die stad te beschermen.
Ben Bles brengt naar voren, dat er gisteravond een diskussie
was met de mokummers in zaal 100, en dat amsterdam-liederen
werden gezongen door een iranier, en nog enkele andere natio-
naliteiten. De migratie zorgt voor een politike vitaliteit,
die het amsterdam gevoel versterkt. Het: wij zij amsterdam
gevoel is heel belangrijk.
De voorzitter stelt vervolgens de probleemstelling aan de
orde, die oorspronkelijk hoorde bij werkgroep 3, nl hoe is de
positie van de stedelijke belangengroepen. Rob merkt op, dat
het Komitee Moet Amsterdam Amsterdam Blijven tot nu toe vooral
bestaat uit individuen. Organisaties zijn er nauwelijks bij
betrokken. Het gaat er nu om: hoe brengen we de informatie
voor het voetlicht van de maatschappelijke organisaties.
Er zou een stedelijk platform moeten komen, evt met
een stedelijk blad, waar tal van groepen aan deelnemen, en
waarbij ze diskussieren over: hoe nu verder met de stad? Er
zijn al geluiden voor een nieuwe politieke partij voor de stad
Amsterdam. Maar we moeten nu niet werken aan een nieuwe poli-
tieke partij. Iemand anders merkt op, dat er wel de mogelijkheid is
van een politike partij van migranmten. Dergelijke
geluiden zijn er meer. Ook de ervaringen van buurtbewoners met
het Karrewiel waren aanleding om te zeggen, we doen het zelf
wel en we richten een nieuwe politieke partij op.
Ben Bles brengt naar voren, dat er tussen de mensen hooguit
een gemeenschappelijkheid is, die zit in de verscheidenheid.
Het traditionele organisatorische denken heeft zijn tijd
gehad. Vorige week stond in de NRC een stuk van een hoogleraar
uit Groningen met een analyse over Frankrijk, die correspon-
deert met de situatie in Nederland. Namelijk dat iedere burger non-
stop leeft in verschillende schalen.
De traditionele politieke partijen hebben het gevoel, dat ze
de mensen niet onder een gemeenschappelijke noemer kunnen
brengen, dat mensen daar niet onder zijn te brengen. Dat komt
juist, omdat die belangenverscheidenheid, en die verschillen
er zijn. Daarom moet je niet zoeken naar het gemeenschappelij-
ke als basis, maar naar de verscheidenheid. Daar zul je dan
echter wel een sturingsmechnanisme voor moeten hebben (?).
Maar dan komen de belangrijke intituties pas goed in Moeilijk-
heden.
Ik geef een voorbeeld. Het ziekenfonds heeft jaren geleden de
ziekenfondsbode afgeschaft. Door de ziekenfondsbode was het
ziekenfonds precies op de hoogte van wat er bij de mensen
gebeurde. Door de afschaffing en de automatisering is men niet
meer op de hoogte. Zou je de automatisering niet als instru-
ment kunnen gebruiken, dwz dat je als ziekenfonds terugkoppelt
naar de mensen: kijk, zoveel heb je gebruik gemaakt van het
ziekenfonds, zoveel premie heb je betaald, begrijp je nu dat
het redelijk is? Je zou de automatisering meer als instrument
moeten gaan gebruiken.
Iemand anders ziet daar niet zoveel in. Het gaat er toch om,
de solidariteitsgedachte nieuwe inhoud te geven. De burgers
zijn mondiger geworden, maar juist daarom kun je hen op hun
solidariteit aanspreken, dus geen referendumgedoe, maar buurt-
groepen oprichten op basis van die solidariteit.
Luud: het probleem is, dat die buurtaktivisten ook aan parle-
mentarisme gaan doen. Ik heb het meegenaakt in de Nieuwmarkt,
dat de buurtbewoners zeiden: we willen hier bomen hebben.
Daarvoor werd geld opgehaald en er werd een boomplantdag
georganiseerd. Toen zei de bewonersraad: nee, wij hebben juist
besloten, dat hier geen bomen komen. Precies hetzelfde model
heb je bij de gemeenteraad. Je blijft altijd zitten met het
probleem van de gekozen en de betaalde funktionaris.
Je zou incidenteel het mechanisme van de oude volksvergaderin-
gen moeten gebruiken, Incidenteel, niet te vaak. Het is een
instrument, wat grote mogelijkheden biedt. Het gaat erom, hoe
krijg je het politieke model, om tot een gezamenlijk besluit
te komen op buurtniveau. Vraag is dan, hoe krijg je die kracht
op het bestuurlijke niveau. Het blijft toch de vraag, wie
kontroleert wie.
Iemand zegt, dat er geen enkele bestuursvorm is ontwikkeld die
gebaseerd is op het goede in de mens. ieder bestuur is erop
gericht, de slechte kanten van de mensen in te snoeien. Maar
wie kontroleert dat dan weer? de goede dictator?
De parlementaire demokratie is een slecht model. Maar toch ben
ik het eens met Churchill, die heeft gezegd, dat de parlemen-
taire politieke demokratie zoals wij die kennen de aller-
slechtste staatsvorm is op alle andere na. Benoem maar eens
wat anders.
Bernard merkt nog op, dat het gaat om controle en feed back.
De hele maatschappij draait dol.
Luud merkt op, dat er altijd een vertegenwoordigend systeem
moet zijn, dus je kiest vertegenwoordigers met een mandaat,
maar het mag niet andersom zijn. Het probleem van de kleine
baasjes zul je altijd houden. Het probleem is dat de mensen
er niet in geinteresseerd zijn.

zaterdag 15 april 1995

Toenemende armoede voor WAO-ers. Onrechtvaardige afschattingen in de WAO

Ook verschenen in het mei nummer van MUG, Maandblad voor uitkeringsgerechtigden in Amsterdam in de rubriek 'De gang van zaken'. 

Toenemende armoede voor WAO-ers

Hoe moet je het verdwijnen van de sociale zekerheid in kaart brengen? Je kunt cijfers noemen, verlies van koopkracht, aantallen werklozen. Meestal zeggen die cijfers me niet zoveel. Het meest word ik geraakt als ik zie, welke gevolgen de afbraak van de sociale zekerheid heeft voor de leefsituatie van veel mensen.
Enkele weken geleden: ik fiets naar de rechtbank aan de Parnassusweg. De advocaat van Omar H. is in beroep gegaan tegen de bedrijfsvereniging omdat Omar in de WAO zit, maar bij de herkeuring is afgeschat tot 40-45 procent arbeidsongeschiktheid. Ik ga mee om Omar te ondersteunen. Na een half uurtje wachten in de grijze betonkolos gaan we de rechtszaal binnen. Achter een lange tafel vier rechters, links de vertegenwoordiger van de bedrijfsvereniging en rechts de advocaat van Omar. De advocaat begint haar betoog. Omar werd door de bedrijfsvereniging geschikt bevonden voor verschillende functies, zoals plantenstekker. Het wordt een medisch-technisch betoog, waarbij de maatschappelijke situatie, dat wil zeggen de grote werkloosheid, buiten beeld blijft. Het argument dat voor bepaalde functies geen werk is te vinden, geldt niet meer in de nieuwe WAO. Als Omar het medisch gezien kan, dan is de afschatting terecht. De advocaat citeert uit de medische rapporten. Omar werkte tot 1993 bij een alcoholoverslagbedrijf in de Amsterdamse haven. Daar heeft hij twintig jaar gewerkt. Tanks schoonmaken, sjouwen met zware vaten. Door het twintig jaar lang inademen van kwalijke dampen heeft Omar een vergrote lever en een vergrote milt. Het zware werk eiste zijn tol. Omar kan zijn bovenlichaam maximaal 15 keer per uur voorover buigen. Dan ben je er slecht aan toe. De advocaat zegt: als Omar slechts 15 maal per uur voorover kan buigen, hoe kan hij dan de functie van plantenstekker vervullen, waarbij je minimaal 50 keer per uur voorover moet buigen? De advocaat gaat alle functies waar Omar geschikt voor zou zijn na. Conclusie: Omar kan niet meer werken. Dan begint de vertegenwoordiger van de bedrijfsvereniging zijn verhaal. Het is een droge opsomming van functies, functiebeschrijvingen en allerlei regeltjes. Een technocraat, die niet de mensen ziet en alleen de regeltjes. Zijn conclusie: Omar is wel geschikt voor plantenstekker, want volgens de medische rapporten kan hij zich maximaal 15 keer per uur vooroverbuigen tot 45 graden, en de functie van plantenstekker vereist dat je 50 keer voorover buigt tot 30 graden. Nader overleg met eem keuringsarts en een arbeidsdeskundige zou hebben geleid tot de conclusie, dat in beide gevallen sprake is van een even zware belasting. De advocaat reageert kwaad: ,,Er staat wel vaker in de rapporten dat zo'n nader overleg heeft plaatsgevonden'', zegt ze. ,,Maar een arbeidsdeskundige heeft mij toevertrouwd, dat een dergelijke overleg bij de bedrijfsvereniging vrijwel nooit plaatsvindt. Daar hebben ze geen tijd voor. Het is een telefoontje van drie minuten. 'Och ja, het kan wel, in beide gevallen is de belasting even zwaar'.'' De technocraat reageert niet, en gaat door met een droge opsomming van functiebeschrijvingen, die leiden tot de conclusie, dat Omar geschikt is voor dat werk. De rechter sluit af. Zij bedankt de beide advocaten, en zegt dat er over zes weken uitspraak is. Buiten gekomen vraag ik aan de advocaat wat de kansen zijn van Omar. Die zijn er nauwelijks. De rechter kan niet om de medische rapporten heen waarin staat dat Omar geschikt is voor bijvoorbeeld de functie van plantenstekker. ,,Ik dacht dat al die verhalen over WAO-ers die worden afgeschat omdat ze geschikt zouden zijn voor de functie van plantenstekker of bonsaiboompjeskweker een beetje overdreven waren. Maar nu weet ik wel beter'', zeg ik tegen de advocaat. ,,Ja, zegt ze, het is echt zo. Ik heb al verschillende beroepsprocedures gevoerd voor cliënten, die werden afgeschat omdat ze wel bonsaiboompjes konden kweken, het lichtste ongeschoolde werk dat er is. Er schijnt in Nederland welgeteld één bedrijf te zijn dat zich met deze werkzaamheden bezig houdt, in Limburg. De werkloosheidscomponent is uit de WAO gehaald, dus het argument, dat er voor dergelijke functies geen vacatures meer zijn geldt niet meer.''
Wat is de toekomst voor Omar? Hij heeft nu gedeeltelijk WAO en gedeeltelijk WW. Hij is 57 jaar. Als over twee jaar de WW ophoudt, komt hij in de bijstand. Hoe moet dat nu verder?
Enkele weken voor de beroepszaak van Omar zit ik naar de televisie te kijken. De schrijnende verhalen over de uitwerking van de nieuwe WAO hebben zelfs het gebouw van de Tweede Kamer bereikt. Een reportage van een kamerdebat over de gevolgen van de nieuwe WAO. Karin Adelmund, eens leidster van de grote WAO-acties, beklimt het spreekgestoelte. Na een kort betoog legt zij zich neer bij enkele toezeggingen van de regering, zoals dat voor chronisch zieken aanvullende maatregelen zullen worden getroffen. Ze rechtvaardigt deze opstelling met: ,,We willen werk voor al die WAO-ers, dan hebben ze weer perspectief, er moet meer werk komen, daar doen we alles aan.''
Deze en andere uitspraken hebben de afgelopen twintig jaar niet geleid tot een vermindering van de werkloosheid, maar ondertussen wordt het argument wel gebruikt om de afbraak van de sociale zekerheid te rechtvaardigen. De toekomst ziet er voor Omar en vele van zijn lotgenoten somber uit.

Piet van der Lende

donderdag 23 maart 1995

En de vakbonden?

Er wordt in de regio Amsterdam best wel veel gelobbyed, verga­derd en aktie gevoerd door kleine groepen uitkeringsgerechtig­den. Ik denk daarbij aan het komitee Amsterdam Tegen Verar­ming, maar ook aan de aangesloten organisaties. Bij al die aktiviteiten kom je de FNV en CNV zelden tegen. Eigenlijk alleen af en toe een distriktsbestuuder van de FNV en enkele individuele personen, die op vergaderingen aanwezig zijn of die bijvoorbeeld deel uitmaken van de clientenraad. Inloop­spreekuren van bonden voor uitkeringsgerechtigden zijn er nauwelijks. In de afgelopen tien jaar zijn er wel bijeenkom­sten met een manifestatieachtig karakter voor WAO-ers geweest, maar wat betreft aktiviteiten voor werklozen kan ik mij van de afgelopen tien jaar slechts twee aktiviteiten herinneren, nl een tocht langs de rayonkantoren van de sociale dienst, geor­ganiseerd door de Voedingsbond en een "aktiekaravaan" tegen de herziening van de bijstandswet.
Conclusie: er doet zich bij de FNV een groot probleem voor, namelijk dat de aangesloten bonden als ze bijvoorbeeld druk willen uitoefenen op de gemeente, wat steeds belangrijker wordt, ze als een geheel naar buiten moeten treden met een geza­menlijk standpunt. Dit schijnt problemen op te leveren. Wel in de wandelgangen en in informele gesprekken, maar verder niet.
De communikatie tussen de aangesloten bonden is slecht en ze hebben blijkbaar verschillende standpunten. Zo iets eenvoudigs als een korte brochure voor alle werklozen, waarin je je standpunt uitlegt kunnen ze niet maken.