woensdag 12 februari 1997

Reactie op ingezonden brieven in Het Parool van de wethouder en de directeur van de Sociale Dienst

In Het Parool van donderdag 6 februari 1997 en van dinsdag 10 februari hebben respectievelijk Hans Denijs, directeur van de sociale dienst in Amsterdam en wethouder Jaap van der Aa, verantwoordelijke wethouder voor de dienst, hun commentaar gegeven op de hoorzittingen in de Tweede Kamer over de nieuwe bijstandswet. Hieronder een commentaar, dat niet is gepubliceerd.

Ik ben blij dat van hoog tot laag het armoedeprobleem eindelijk serieus wordt genomen en dat de schrijvers voorstander zijn van ruimere financiële armslag voor de gemeenten om de armoede te bestrijden. Maar tegelijkertijd getuigt hun visie van verouderde opvattingen over de toekomst van de sociale zekerheid.
De heer Denijs begint met te stellen, dat we in een beschaafd land leven. We hebben de ruimtelijke ordening in de hand, een zorgvuldige euthanasie-wetgeving en ook de sociale zekerheid is een fundament onder onze beschaving. In andere landen hebben ze dat niet zozeer. Deze sociale zekerheid moet drastisch gewijzigd worden. Betere sturing, betere beheersbaarheid en vooral ook betaalbaar houden. Met de inhoud van de nieuwe bijstandswet is niets aan de hand. Het is een pijler onder de nieuwe sociale zekerheid. Het gaat er nu om hem goed uit te voeren. Er zijn echter nog enkele beren op de weg, die de beleidsmakers hebben uitgestippeld om onze beschaving te handhaven. Dat zijn in de eerste plaats de langdurig werklozen en de fraudeurs, en de mensen die wel kunnen werken, maar dat niet willen. Zij veroorzaken, dat de kosten van de bijstand 'gierend' uit de hand lopen, ze maken het stelsel onbetaalbaar. De langdurig werklozen mogen wel in de bijstand blijven, want zij kunnen niet werken. De wetgeving van de beleidsmakers is goed. In de tweede plaats is het probleem, dat de wetgever geen rekening houdt met de uitvoeringspraktijk. Er is geen 'task force' voor het maken van een uitvoeringsstrategie. En dus loopt de uitvoeringsorganisatie vast. De boodschap van de heren is duidelijk: de uitgangspunten van het (lokale) beleid zijn goed, alleen de vele taken de die gemeente worden opgelegd (uitstroom naar betaalde arbeid, fraudebestrijding) moeten leiden tot meer geld voor de uitvoeringsorganisatie. Ik zal niet uitgebreid ingaan op de visie van de heer De Nijs over onze beschaving, hoewel ik het niet met hem eens ben. Er valt wel wat te zeggen over de vraag, of we onze ruimtelijke ordening in de hand hebben en of de Betuwelijn wel onder de grond wordt gestopt. Ook spreekt uit zijn visie het klassieke superioriteits-besef, dat veel westerse beleidsmakers kenmerkt: 'wij' zijn of 'Nederland' is beschaafd, in andere landen schieten ze mekaar dood, omdat 'ze' niet beschaafd zijn.

fraude

Ik wil het hebben over de visie van de heer Denijs op de cliënten van de sociale dienst en de feiten die hij debiteert. Het beleid is goed, alleen de mensen in de bijstand kunnen en of willen niet. Ze frauderen, of hebben een gebrek. Daarom moet er flink aan hen gesleuteld en gecontroleerd worden, en daarom moet er meer geld komen voor de uitvoeringsorganisatie In enkele zinnen wordt een koppeling gelegd tussen de betaalbaarheid van de sociale zekerheid en het gedrag of de eigenschappen van mensen in de bijstand. Laten we nog eens naar de prioriteiten in het overheidsbeleid kijken.
De 'omvangrijke' fraude zou de betaalbaarheid van onze sociale zekerheid in gevaar brengen. Denijs noemt geen cijfers. Dus doe ik dat maar. Het CBS heeft in het kwartaalbericht rechtsbescherming en veiligheid 96/2 een artikel gepubliceerd, dat bij mijn weten het belangrijkste op feiten gebaseerde overzicht is. Het artikel is geschreven door D. Koper en R.P.C. Baak. Een onthullend artikel over de effecten van het overheidsbeleid bij de bestrijding van fraude. In 1995 werd door de sociale diensten 226,58 miljoen aan fraude gekonstateerd. Dit jaarlijkse bedrag is tussen 1992 en 1993 opmerkelijk gestegen, evenals het aantal fraude gevallen, vooral als gevolg van de belastingsignalen. Opmerkelijk is dat absoluut de stijging van het aantal door de uitvoeringsorganen vastgestelde fraudegevallen vooral plaatsvindt in de categorie onbekend (nihil) en minder dan zesduizend gulden als fraudebedrag. Voor de omvang van de schade zijn vooral de fraudegevallen uit de schadecategorie twaalfduizend en meer gulden van belang. Ongeveer driekwart van het totale schadebedrag komt voor rekening van fraudeurs uit deze categorie. De omvang van dit fraudebedrag stijgt door de jaren heen nauwelijks, ondanks de verhalen in de pers over de toenemende fraude van grote criminele organisaties.
Ik pleit niet voor een grote uitbreiding van fraude, maar ik trek uit deze cijfers wel twee conclusies. Ten eerste is het aantal fraudeurs zeer beperkt; ongeveer 79 op de 1000 bijstandsgerechtigden fraudeert. Denijs heeft het alleen over omvangrijke fraude, maar in ieder geval is het kletskoek als hij bedoelt dat de huidige omvang van de kleine fraude (de bijklussende bijstandsvrouw) de betaalbaarheid van de sociale zekerheid in gevaar brengt. Driekwart van het schadebedrag komt voor rekening van de grote fraudeurs.
En hiermee kom ik op mijn tweede conclusie. De overheid (de heer Denijs incluis) baseren hun beleid van fraude bestrijding op onjuiste uitgangspunten. De fraude is omvangrijk, en brengt de betaalbaarheid van de sociale zekerheid in gevaar. Dus trekt de overheid alle registers open om alle bijstandsgerechtigden steeds strenger te controleren en om de bijklussende bijstandsvrouw, een minderheid onder de bijstandsgerechtigden te achtervolgen en op te sporen. Uitgebreide inzet van buitendienst ambtenaren, sociale rechercheurs, wat niet al. Daarom meer geld voor de uitvoeringsorganisatie. En.. de grote criminele organisaties waarover Bart Middelkoop in deze krant schrijft en die de bijstand als dekmantel gebruiken voor hun criminele activiteiten blijven buiten schot. Een uitvoeringsprobleempje of fundamenteel verkeerde keuzen in de prioriteiten van het beleid, waarvoor ook de lokale overheid verantwoordelijk is?.

kosten van bijstand.

De heer Denijs veronderstelt ook, dat de kosten van de bijstand 'gierend' uit de hand lopen, waarbij dit ook weer gekoppeld is aan het gedrag en de eigenschappen van bijstandsgerechtigden. Laten we weer eens naar het beleid en de cijfers kijken. Het aantal bijstandsgerechtigden stijgt licht, maar ligt al jaren rond de half miljoen. Het bedrag aan bijstandsuitkeringen is de afgelopen vijf jaar gestegen van 11 miljard naar 13 miljard per jaar, voor een groot gedeelte een gevolg van de (onvoldoende) stijging van de uitkeringen als compensatie voor de inflatie.
Wel zijn er prognoses, dat de kosten van bijstand voor de gemeenten de komende jaren met 23% zullen stijgen. Dit is echter een gevolg van het feit, dat de gemeenten een groter deel van de bijstand zelf moeten financieren (er moet 380 miljoen op de bijstand worden bezuinigd) en omdat elders in de sociale zekerheid ook fors wordt bezuinigd waardoor meer mensen een beroep op de bijstand moeten doen. (de invoering van de nieuwe Algemene Nabestaanden Wet). Hoezo armoedebestrijding?. De verlaging van de norm-uitkeringen en het toeslagenbeleid, waarbij de gemeenten een toeslag zelf moeten gaan financieren, is de opmaat van nieuwe bezuinigingen, waarbij de gemeentelijke bestuurders bij het doorvoeren daarvan naar Den Haag kunnen wijzen. Op de inhoud van die wet valt heel wat aan te merken, maar dan zou dit artikel veel te lang worden. 

arbeidsethos

Ook het aantal langdurig werklozen neemt toe, terwijl het aantal werklozen momenteel ongeveer gelijk blijft. Ook Amsterdam heeft daar geen oplossing voor.
De heer van der Aa zegt, dat de gemeenten niet hebben te klagen over de steun van het rijk om mensen weer aan het werk te krijgen. Dus daar kan het niet aan liggen. Met de arbeidsbemiddeling in Amsterdam gaat veel fout vooral als gevolg van een gebrek aan visie van de lokale bestuurders. De arbeidsbemiddeling in Amsterdam zit hopeloos verstopt. Belangenorganisaties hebben de afgelopen tijd bijeenkomsten in verschillende buurten georganiseerd en daarbij kwam het volgende naar voren.
Sommige uitkeringsgerechtigden hangt de voortdurende dreiging van een korting boven hun hoofd als ze niet solliciteren. Ook als duidelijk is, dat al dat solliciteren niet tot resultaat zal leiden. De sollcitatieplicht en de daaraan verbonden sancties leiden niet tot een nieuw perspectief op bestaanszekerheid. De dreiging van sancties op de achtergrond weerhoudt werklozen ervan, contact te zoeken met arbeidsbemiddelaars. Het belemmert zo eerder activering dan dat zij deze stimuleert.
Aan de andere kant worden veel werklozen in de categorie van onbemiddelbaar gestopt, terwijl ze vaak graag betaald werk willen en niet als onbruikbaar aan de kant gezet. Er zijn maar liefst vier categoriën van werklozen, waarbij de vierde categorie weer is ingedeeld in een stuk of twaalf sub-categoriën. De sociale dienst zet werklozen onder druk, die (tijdelijk) tevreden zijn met hun karige uitkering en het vrijwilligerswerk dat ze doen, waarbij ze in een situatie van grote werkloosheid ruimte maken voor mensen, die graag betaald werk willen maar minder kansen hebben. De sociale dienst en het arbeidsbureau zouden meer energie moeten steken in het ondersteunen van de laatste categorie.
Terwijl Utrecht kiest voor een frisse aanpak, in de voorwaarden scheppende sfeer, die vele werkzoekenden ook op korte termijn perspectief biedt, kiest Amsterdam voor de doodlopende weg. Alle energie en financiële middelen worden ingezet om een kleine groep aan betaald werk te helpen. Op 18 februari zal tijdens een feestelijke bijeenkomst worden gevierd, dat 875 moeilijk plaatsbare werkzoekenden via maar liefst zeven toeleidingscentra na intensieve begeleiding aan arbeidsbemiddeling kunnen worden overgedragen. (Daarmee hebben ze nog geen werk). En er zijn 50.000 langdurig werklozen in Amsterdam, dus dat schiet op. Ik pleit niet voor het opheffen van deze bemiddeling, maar de cijfers maken wel duidelijk, dat er meer zal moeten gebeuren in de voorwaarden scheppende sfeer, waarbij de langdurig werklozen nu eens niet worden benaderd als mensen met een gebrek, maar als mensen, die iets kunnen, die misschien vrijwilligerswerk doen, zich nuttig maken voor de maatschappij, waarvoor op korte termijn waardering en erkenning van de overheid tegenover staat zoals vrijstelling van de sollicitatieplicht en een premie.
Maar bij het premiebeleid voor vrijwilligers is een beperkt bedrag uitgetrokken, het beleid is op dit punt nog niet van de grond gekomen en Amsterdam houdt strak vast aan de sollicitatieplicht, waarbij ook weer kleine groepen tijdens een korte periode van intensieve trajectbegeleiding worden vrijgesteld.
Wethouder van der Aa houdt vast aan het klassieke arbeidsethos: alleen betaald werk is echt belangrijk, het geeft niet wat. Dit weerhoudt hem ervan, een beleid te ontwikkelen dat vele langdurig werklozen op korte termijn perspectief biedt en dat de sociale zekerheid werkelijk vernieuwd door een andere opvatting welke arbeid belangrijk is en welke niet.

de wethouder

Wethouder van der Aa sluit zich aan bij het betoog van Denijs waarbij de nadruk wordt gelegd op de uitvoeringsproblemen, die een gevolg zijn van te weinig geld hiervoor van het rijk. Vervolgens benadrukt hij het belang van bijzondere bijstand en legt hij uit, dat Amsterdam al veel doet om de toenemende armoede in de stad te bestrijden. Maar Amsterdam heeft nu zijn financiële grenzen bereikt. De heer van der Aa trekt uit de toenemende armoede niet de conclusie, dat het sociale minimum in de bijstand moet worden verhoogd, zoals men in Groningen en ook vele van zijn partijgenoten wel doen. Hij kiest voor een uitbreiding van de bijzondere bijstand, dat lapmiddel, een methode die veel energie en geld voor de uitvoering kost, en dat met een sociale dienst waar de automatisering mislukt is (gevolg van het rijksbeleid?) en waar de ambtenaren alle energie nodig hebben om de bijstandsgerechtigden te controleren, en nog eens te controleren, en nog eens...
Aardig is de opmerking, dat hulpverleners en belangenbehartigers de armoede uit de dagelijkse praktijk kennen, en dat daarom op lokaal niveau snel en adequaat gereageerd wordt om de problemen die de armoede veroorzaakt aan te pakken. Gelukkig erkent wethouder van der Aa nu ook, dat er een toenemend armoedeprobleem in de stad is en dat er meer maatregelen moeten komen om de armoede te bestrijden. Maar dit is niet zomaar gegaan. De gemeentelijke bestuurders hebben zelf dit probleem slechts schoorvoetend erkent, in de afgelopen jaren. Reeds enkele jaren geleden is vanuit ons komitee erop gewezen, dat de gemeente drie pijlers onder zijn beleid had, nl de onderwijsnota, de ekonomische nota en het plan, om mensen aan het werk te helpen. Wij zeiden; er ontbreekt een vierde pijler, nl de armoedebestrijding voor mensen die nooit meer kunnen of hoeven te werken. Pas na lang aandringen is er een armoedeconferentie gekomen, en werden maatregelen op stapel gezet om tot bestrijding van armoede over te gaan. En nu nog malen de molens langzaam. Pas dit voorjaar, dwz meer dan een jaar na de armoedeconferentie, komt er een 'armoedenota' waarin de belangrijkste maatregelen worden opgesomd. Snel en adequaat reageren op lokaal niveau is dit niet.


Piet van der Lende

vrijdag 17 januari 1997

Een solidariteitsfonds voor werklozen

Discussie W.B.V.A. met Wim van Seeters beleidsmedewerker Voedingsbond FNV over een solidariteitsfonds voor werklozen d.d. 17 januari 1997 op de Da Costakade. Notulen door mij gemaakt.

Belangrijk is het begrip passende arbeid. Dit is de insteek van de voedingsbond bij de acties van de aardbeienplukkers, aspergestekers e.d. Uitgangspunt is, dat het arbeidsbureau niet zomaar mag zeggen: we vinden dat de categorie van langdu­rig werklozen daar wel geschikt voor is, en die een uitnodi­ging sturen om dat te gaan doen. Passende arbeid moet indivi­dueel getoetst worden, dus ook als Melkert zegt: aspergesteken is passende arbeid voor langdurig werklozen, en als ze het niet doen, dan krijgen ze een strafkorting, dat is onzin. Mag niet aan een groep als geheel opgelegd worden. Hoewel de regelingen wel wat soepeler zijn geworden geldt nog steeds dat in individuele situaties dit medisch, sociaal en fysiek ge­toetst moet worden. Iemand moet in alle drie opzichten voor die arbeid geschikt zijn. Dat staat ook in de Nieuwe Algemene Bijstandswet.
Op een bijeenkomst van de Voedingsbond in Drente trad tijdens de acties voor de potentiële aspergestekers, die in Noord-Holland moesten gaan bollenpellen, een van de aanwezigen naar voren, en zei: als ik nu weiger, en ik krijg een korting, wat doen jullie dan? Uiteindelijk kwam daar uit, dat staken vanwe­ge passende arbeid, georganiseerd door de Voedingsbond, de stakende uitkeringsgerechtigden dezelfde rechten hebben als werkenden, dwz de stakingskas gaat open, na goedkeuring van het Bondsbestuur. Als de Voedingsbond oproept tot actie. Er is toen een reglement gemaakt, als bijlage bij de statuten dat de voorwaarden regelt.
Eerste beperking: het moet gaan om de uitleg van de wet, niet om tegen de wet actie te voeren. Centraal staat het begrip passende arbeid, je moet binnen de wet blijven.
De situatie van Sjaak komt aan de orde. Wat heeft het voor zin, te solliciteren op banen, waar je of niet voor in aanmer­king komt of die niet passend zijn. Dat is hypocriet, je zoekt wel, maar kunt niks vinden. Later werd nog gezegd, dat je ook het perspectief mag benadrukken; uitstroming uit de bijstand betekent, dat je bestaanszekerheid kunt ontlenen aan je werk, en dus niet flexibele arbeid via een uitzendbureau. (Tegenar­gument: dan doe je werkervaring op). Je moet een langdurig werkloze niet dwingen sollicitatiebrieven te schrijven, die geen zin hebben. Behalve dat het hypocriet is, komen hier de sociale factoren om de hoek kijken. In een gemeente werden huisvrouwen in de nieuwe bijstandswet van 50 jaar sollicita­tieplicht opgelegd, dat staat in de nieuwe wet, beide partners hebben die plicht nu. Dan onderhandelt de Voedingsbond met de wethouder om te zeggen: wat heeft het voor zin, die huisvrou­wen dat op te leggen als de ervaring van de afgelopen dertig jaar bestaat uit het huishouden doen? Nadeel van deze redene­ring zie verderop.
Als er niet gespeeld kan worden op het begrip passende arbeid, dan moet je wel principieel zijn. In Utrecht zeggen ze ook, dat er sociale factoren in het spel zijn, zoals een familielid verzorgen. Dat is dan vrijwilligerswerk wat je doet als socia­le factor.
Tweede beperking: er moet sprake zijn van een actie van meer­dere mensen, of er moet sprake zijn van een individueel geval, dat een grote voorbeeldwerking heeft, een 'structureel voor­beeld'.
Derde beperking: de Bond bepaalt uiteindelijk, hoe hoog de uitkering wordt en hoe lang het duurt. Dat moet je niet uit handen geven. Als de bond geen heil meer ziet in actie, houdt het op.
Een volgende principiële vraag is, of je iemand beneden het bestaansminimum mag drukken. De strafkorting is bedoeld als prikkel, en als je op het bestaansminimum blijft (90% van de bijstandsuitkering) kan het misschien, maar er beneden gaat het de samenleving in feite meer geld kosten, want zo iemand of een gedeelte van mensen met en korting komt in moeilijkhe­den en dan gaat de samenleving daar toch voor betalen.
Vervolgens komt de vraag aan de orde: zal de sociale dienst iemand met een uitkering uit de stakingskas niet korten, omdat je extra inkomsten hebt? Het gaat erom onder welke noemer je die uitkering verstrekt. Verhaal over afschaffing van het vakbondstientje uit fondsen die door werkgever s werden gevuld en uitbetaald achteraf jaarlijks aan de leden. Nu is er nog wel een jubileum uitkering, die in de vorm van cheques aan de jubilaris wordt betaald. Bedrijfstakfonds. Ook kerken kunnen een gift doen; als het niet periodiek is?? Waarom zouden vakbonden dan niet eenmalig een gift kunnen doen?
Er is bij de voedingsbond ook een fonds voor bijzondere finan­ciële hulp. waar oa iemand een uitkering uit kreeg die een nakomertje wilde hebben en daardoor voor bijzondere kosten kwam te staan. Je kunt er in bijzondere omstandigheden een beroep op doen.
Wel zou je eventueel een periodieke uitkering kunnen doen, wanneer iemand door de kortingen beneden het bestaansminimum dreigt te geraken en je zegt: we vullen aan tot dat minimum omdat wij als samenleving vinden, dat iemand daar niet beneden mag zakken en dat principieel uitvechten juridisch.
Maar de medaille heeft ook een andere kant. Je kunt ook zeg­gen: de gemeente en het arbeidsbureau hebben verplichtingen. Dus je wilt voor de mensen, die graag betaald werk willen, en die aan hun lot worden overgelaten een trajectplan. Er zijn mensen die zeggen: ik hoor niet thuis in de D-categorie, waarom stoppen jullie mij daarin? Geef mensen die willen nou een baan. Je kunt mensen niet zomaar zonder ze te raadplegen en in te lichten en overleggen indelen in deze of gene catego­rie.
Je moet in je benadering een onderscheid maken tussen een strategische en een principiële discussie. Zie verderop.
Aan de andere kant van de medaille staat: mensen ertoe ver­plichten, die niet willen, leidt tot niets. Dan moet je op het werk er iemand naast zetten met een zweep. Dat leidt tot niets. Ook daarvoor krijgt de gemeenschap uiteindelijk de rekening betaald.
Als het arbeidsbureau of de sociale dienst nou aanvoert, gezien de arbeidsmarktsituatie ben je daar en daar niet ge­schikt voor-dat moeten ze wel eerst nauwkeurig onderzoeken kun je als tegenargument gebruiken, dat je zegt: het gaat me niet perse om betaalde arbeid, maar om zinvol bezig te zijn in de maatschappij, en daar heb ik bv een opleiding voor nodig. Ook als ik me op die manier wil ontplooien.
Seeters noemt het voorbeeld van eem mevrouw op een bijeen­komst, die zei: ik ben 55 jaar maar ik zou best willen timme­ren en daar een opleiding voor volgen. De zaal lachte haar uit. Maar Wim zei: probeer het te realiseren, want als er in zo'n plaats nou een klussenprojekt is, misschien kan die vrouw daar met enige opleiding best in passen.
Voor iedere werkzoekende \werkloze geldt:
1. wil ik betaalde arbeid 2. wil ik vrijwilligerswerk/onbe­taalde arbeid 3. ik wil niks.
Genoegen nemen met vrijwilligerswerk, zeggen laat me dat nou maar doen met vrijstelling van sollicitatieplicht, heeft een nadeel, nl dat je in feite genoegen neemt met zwaar onderbe­taalde arbeid. Je zet aan tot onderbetalen. Je ondermijnt daarmee de positie van mensen die wel een betaalde baan wil­len.
De discussie komt op de basisbaan in Rotterdam. Daar krijgt een beperkte groep een basisuitkering van fl 700,- de WIk is precies hetzelfde. Mensen, die al een deeltijdbaantje hebben, hebben daar belang bij.
In de FNV nota 'Tijd voor Nieuwe Zekerheid' wordt gepleit voor een basisuitkering van fl 900,- per individu, die voor alleen­staanden kan worden uitgebreid met een toeslag. Als bijvoor­beeld na twee jaar of een aantal jaren blijkt, dat sociale factoren de inschakeling in het arbeidsproces belemmeren, en de betrokkenen vindt geen werk, dan vrijstelling van de solli­citatieplicht.
De principiële en de strategische keuze komt weer naar voren. Welke invalshoek kies je in je raadsadres?.
Inhoud:
1. De uitkeringen zijn te laag om van rond te komen. Van dien aard.
2.Verplichtingen leiden zeker voor langdurig werklozen niet tot een perspectief op actief zijn. (Dus perspectief op be­staanszekerheid).
3. Sancties leiden niet tot banen of het moet zinvol zijn voor kortdurende werkloosheid of jongeren die zeggen: laat me maar een tijdje niks doen. Het leidt niet tot extra banen, wel tot druk op de ar­beidsmarkt.
4. De sociale dienst moet eerst bezig gaan met mensen die wel een betaalde baan willen die op andere wijze maatschappelijk actief willen worden en die dan op een traject zetten. (Het is nu al zo, dat de sd haar doelstellingen lang niet haalt.)
5. Als blijkt, dat een baan er niet in zit, dan voor die categorie een extra verhoging van de uitkering.

Daarnaast de principiële invalshoek: het is goed dat mensen maatschappelijk actief zijn, dat is goed voor de samenleving die wordt er rijker van. Wie bepaalt wat maatschappelijk zinvol is?.

woensdag 4 december 1996

Bijstandsbond Amsterdam jubileert.

In gewijzigde vorm gepubliceerd in: De Arme Krant van Neder­land jaargang 2 nummer 4 december 1996

Op 18 oktober organiseerde de Bijstandsbond Amsterdam een feest bij haar twintigjarig bestaan. De Bijstandsbond is een belangenorgani­satie van uitkeringsgerechtigden in Amsterdam. iedere dinsdag, woensdag en donderdag is er een spreekuur voor uitkeringsge­rechtigden. De strukturele problemen die de mede­werkers van de Bijstandsbond op dit spreekuur tegenkomen worden gebruikt bij het voeren van akties en bij lobbywerk om de positie van mensen met een minimuminkomen te verbeteren. Zo is er op aandringen van de Bij­stands­bond een clientenraad gekomen, die iedere twee maan­den vergadert met vertegenwoordi­gers van de sociale dienst. Op de agenda van de vergaderingen staan oa knelpunten in het functi­oneren van de dienst. Daar­naast komen beleidsnota's van de sociale dienst ter sprake, nog voor die door de gemeente­raad worden beoordeeld, zodat in een vroeg stadium invloed kan worden uitgeoefend op het beleid dat de dienst formuleert.

geschiedenis

In Amsterdam was de Bijstandsbond al in de zeventiger jaren actief. In de eerste helft van de zeventiger jaren werd door de VARA het televisieprogramma "De Ombudsman" uitgezonden. Het programma werd in die tijd gepresenteerd door Johan van Min­nen. In dit programma werden oa klachten behandeld over het functioneren van sociale diensten, bedrijfsverenigingen en andere uitvoerende instanties. Men kwam op het idee deze klach­ten te bundelen en een belangenvereniging op te richten om acties tegen de bovengenoemde instanties te ondernemen. Dit leidde tot de oprichting van de Landelijke vereniging Bij­standsbond op 26 mei 1976 in Hilversum. Al spoedig werden er ook plaatselijke afdelingen opgezet, oa in Amsterdam en Alk­maar. Op 23 oktober 1978 werd de amsterdamse afdeling als zelfstandige vereniging ingeschreven bij de kamer van Koophan­del. En er kwam ook een eigen ruimte, nl in het Bols­huis op de Rozengracht. De landelijke Bijstands­bond, die eind zeventiger jaren zo'n 1300 leden telde, is na enkele jaren ter ziele gegaan door interne conflicten. De twee verenigingen in Alk­maar en Amsterdam bestaan echter nog stee­ds. De Amsterdamse Bijstandsbond is momenteel gevestigd op de Da Costakade 158 in het woon-werk pand Tetterode. 

Feest

Ongeveer 80 mensen bezochten het feest, dat de Bijstandsbond n.a.v. haar twintigjarig bestaan had georganiseerd. Er waren veel sociale dienst-ambtenaren aanwezig en ook veel uitke­ringsgerechtigden. Twee medewerksters van de Bijstandsbond hadden hindoestaanse hapjes gemaakt die goed smaakten.
Er waren ook veel oud-medewerkers van de bond aanwezig; vele oude bekenden ontmoetten elkaar weer voor het eerst sinds jaren. Er ontstonden tijdens de borrel levendige discussies tussen uitkeringsgerechtigden onderling en met de sociale dienst-ambte­naren. Verschillende aanwezigen benadrukten het belang van een organisatie als de Bijstandsbond. Het is voor veel uitkerings­gerechtigden een mogelijkheid, om hun stem te laten horen en er kunnen tijdens het spreekuur veel misver­standen met de sociale dienst recht worden gezet. Want er gaat nogal eens wat mis bij de sociale dienst in amsterdam. Uitke­ringen worden zonder duidelijke reden stopgezet, bijverdien­sten verkeerd berekend, etc. Al met al een geslaagd feest.


Piet van der Lende

dinsdag 3 december 1996

Burgemeester Patijn op bezoek bij Bijstandsbond d.d 4 december 1996


1. Welkomstwoord met inleiding door Piet.

Het gaat al jaren bergafwaarts met de inkomensposi­tie van de minima. De meningen zijn verdeeld over de mate, waarin de armoede toeneemt. Alle onderzoekingen tonen echter aan, dat de mensen die langdurig op een minimum zijn aangewezen steeds armer worden. Nader onderzoek naar de positie van de minima is noodzakelijk. Onbegrijpelijk, dat het onderzoek, dat op de armoe­decon­ferentie is toegezegd, en waarvoor ook probleem­stellingen in het verslag van de armoedeconferentie zijn geformuleerd, nog niet plaatsvindt. Derge­lijke onder­zoekingen zouden in feite de basis van het beleid moeten zijn. Er wordt te weinig aan minimabeleid gedaan. Het gaat zowel op rijks-als gemeenteniveau om beperkte lapmiddelen, die geen structurele oplossing betekenen. Een voorbeeld is de uitbetaling van fl 50,- voor mensen met huursubsidie. De regeling is voor een beperkte groep en wat gebeurt hiermee volgend jaar?
Ook op het spreekuur van de Bijstandsbond wordt het steeds druk­ker; er komen steeds meer mensen in noodsituaties, die soms niet meer bij ons weg willen gaan voor er een oplossing is bereikt. De vrijwilligers bij de Bijstandsbond komen zo steeds meer onder druk te staan. Als dat zo doorgaat, komt er een tijd, dat we dit werk niet meer kunnen doen.
Veel mensen raken in een stress, omdat ze voelen, dat de basis van hun bestaan: eten, een bed en een dak boven je hoofd- begint te schuiven. Onze ervaring is, dat hulpverleningsin­stellingen in het algemeen en de sociale dienst in het bijzon­der totaal niet zijn gericht op het tijdig opvangen van men­sen, zodat ze niet terecht komen in een fatale spiraal naar beneden. Stopzetting van de uitkering in het kader van de nieuwe bijstandswet, omdat er is bijverdient of omdat de computer de nieuwe gegevens niet kan verwerken, of om andere redenen kan vaak moeilijk ongedaan worden gemaakt. Dit neemt vaak vele weken in beslag. Ook de tijd tussen het tijdstip van aanvraag van een uitkering en de defintieve beschikking neemt veel te veel tijd in beslag. Mensen met dreigende schulden, die hun huis kwijt dreigen te raken, worden niet op tijd gehol­pen. Een schrijnend voorbeeld is de brief, die wij u aan het eind van de discussie zullen aanbieden, van een meneer uit Amsterdam-Noord, die al een half jaar zonder gas en licht zit.
Hulpverleningsinstellingen zijn vaak moeilijk toegankelijk, of beperken zich alleen tot de afhandeling van een bepaald aspect van het probleem. Wat betreft het energiebedrijf en de woning­bouwverenigingen en andere huisbazen kan worden gesteld, dat zij zich zeer strak opstellen en dat zij vaak nauwelijks willen meewerken aan een oplossing. In Zuid-Oost proberen louche particuliere schuldbemiddelingsburo's de mensen hele­maal uit te kleden. Een voorbeeld daarvan is Crecencia.

Uiteindelijk komen mensen in onoplosbare situaties terecht en kan huisuitzetting en dakloosheid volgen. Het gaat echter om het opolssen van problemen in een voorgaande fase, het pre­ventieve beleid. De gemeente moet in de eerste plaats bij het rijk sterker aandringen op maatrege­len, ook in de openbaar­heid, om verbeteringen tot stand te brengen. Meer reageren, bijvoorbeeld met de wet boeten en maatregelen. Protest laten horen. Vaak gaat het uitoefenen van invloed langs omwegen, bijvoorbeeld de VNG of DIVOSA. Dit neemt vaak veel tijd in beslag. Deze burokratische besluitvor­mingsprocedures moeten worden doorbro­ken. De gemeente moet meer aan de weg timmeren om de uitzichtloze positie van mensen op het minimum aan de orde te stellen.
Ook door de gemeente wordt gesteld, dat werk uiteindelijk de beste oplossing is om uit de armoede te komen. De werkloosheid blijft echter hoog, ondanks de invoering van de additionele arbeid. Voor velen is betaalde arbeid nooit meer weggelegd, zoals ouderen, arbeidsongeschikten en langdurig werklozen. De sociale dienst is hier in haar beleidsnota veel te positief over. Voor deze kategorie moet er een verbetering van het inkomen komen. Overigens geldt dit ook voor veel werkenden. Er zijn ook werkenden die langdurig aangewezen zijn op een mini­muminkomen. Een voorbeeld is de melkertregeling. Velen komen daardoor niet uit de financiële problemen, terwijl er geen kans op doorstroming bestaat. Daarnaast moeten er meer faciliteiten komen om zonder burokratische procedures vrijwilligerswerk te doen met een premie. De gemeente heeft in haar beleidsnota sociale zekerheid een eerste aanzet toe gemaakt, maar alles dreigt weer te verzanden in incidentele projekten die burok­ratisch zijn opgezet.

- een goed minimabeleid moet nu echt van de grond komen op basis van een gedegen onderzoek. Zie verslag armoedeconferen­tie en beleidsnota is verschillend.
- meer mogelijkheden om een HBO-opleiding te volgen
- automatische kwijtschelding gemeentelijke heffingen
- verbetering bijverdiensteregeling (herstel van de oude regeling)
- verruiming bijzondere bijstand naast de Amsterdam plus voor­ziening. Zie beleidsnota sociale zekerheid
- meer mogelijkheden voor uitkeringsgerechtigden om met vrij­stelling van sollicitatieplicht en een premie vrijwilligers­werk te doen (zie voorwaarden reaktie beleidsnota)
- Verbetering van de organisatie van de sociale dienst, waar­bij ambtenaren tijd hebben voor hun cliënten en uitkeringen niet te pas en te onpas worden stopgezet.
- Uitbreiding van de steun aan het noodfonds.
- Verbetering van de schuldhulpverlening; in zijn algemeenheid geldt, dat de samenwerking tussen instellingen moet verbete­ren.
- Arbeidsbemiddeling meer afstemmen op de wensen en mogelijk­heden van de cliënten. Mensen, die graag betaald werk willen, helpen en anderen die tijdelijk tevreden zijn met een uitke­ring en vrijwilligerswerk doen daartoe de mogelijkheden geven.



dinsdag 29 oktober 1996

Commentaar op de concept nota 'Beleidsplan Sociale Zekerheid 1997'. Hoofdlijnen van het beleid van 29 oktober 1996.

In de concept-beleidsnota 'sociale activering' van de Utrechtse Dienst Welzijn staat de volgende formulering: 'Bin­nen de hedendaagse verzorgingsstaat is sprake van een over­waardering van betaalde arbeid en een onderwaardering van onbetaalde arbeid. In het verlengde daarvan is er een over­waardering van materiele waarden en consumptie tegenover een onderwaardering van kwalitatieve aspecten van het leven van burgers. In die context krijgen mensen aan de onderkant van de samenleving een lage maatschappelijke status toegekend. Socia­le activering beoogt evenwicht te brengen in de verhouding tussen betaalde en onbetaalde arbeid en slaagt wanneer de onmisbare zorg voor leefomgeving, sociale verbanden in de stad Utrecht en mantelzorg een gelijkwaardige status als betaalde arbeid verwerven'.

Over bovenstaande tekst valt veel te zeggen. Zo mag de zinsnede over de onderwaardering van het kwalitatieve aspect van het leven geen alibi zijn om te zeggen: 'jullie hebben een zeer lage uitkering, maar de kwalitatieve aspecten van het leven worden ondergewaardeerd, dus richt je daar maar vooral op en laat de lage uitkering maar zo'. Van belang is echter de formulering 'sociale activering beoogt een evenwicht te bren­gen tussen betaalde en onbetaalde arbeid'. Over de verhouding tussen die twee is in de maatschappij uitgebreid gediscus­sieerd, waarbij vooral een technische uitwerking ter discussie staat. Allerwegen is men het er echter over eens, dat onbe­taalde arbeid wordt ondergewaardeerd en dat een nieuw even­wicht tussen betaalde en onbetaalde arbeid tot stand moet worden gebracht, voor zowel mannen als vrouwen. Het besef dat onbetaalde arbeid wordt ondergewaardeerd zal men in de be­leidsnota 'sociale zekerheid' van de gemeente Amsterdam ver­geefs aantreffen, zoals verderop nog zal blijken.

Wanneer de Utrechtse beleidsnota spreekt over de 'blijvers in de bijstand' wordt gesteld: Ook voor hen gaat het om activiteiten, die aantrekkelijk uitdagend en stimulerend zijn en voor de samenleving in een behoefte voorzien of om andere redenen positief worden gewaardeerd. We hebben daarbij te
maken met geemancipeerde, mondige burgers en dat vraagt om tweerichtingsverkeer bij het maken van afspraken over individuele arrangementen.'
In de nota worden concrete voorstellen gedaan voor een voorwaardenscheppend beleid, waar clienten op kunnen bouwen en rechten aan kunnen ontlenen. In het licht van deze uitgangs­punten zoekt de gemeente Utrecht een uitbouw van het minimabe­leid langs vier sporen: participatie, kwijtschelding, schuld­hulpverlening en intensivering van het gebruik van bijzondere bijstand. In de nota worden de grenzen van de gemeentelijke beleidsvrijheid verkent en worden op open wijze de eisen genoemd die het rijk aan experimenten stelt. De moeilijkheid daarbij is, dat het Rijk bij de uitvoering van experimenten met vrijwilligerswerk in principe een uitgebreide controle verlangt, waarbij aan een groot aantal administratieve eisen moet worden voldaan. Bovendien verplicht het Rijk de gemeente
te voorzien in een intensieve trajectbegeleiding. Maar in de onderhandelingspositie die de gemeente Utrecht inneemt worden verschillende onorthodoxe voorstellen gedaan, gebaseerd op de visie die hiervoor ter sprake kwam, daarvoor wil men zich sterk wil maken.

Vergelijk dat eens met de beleidsnota van de gemeente Amsterdam! Nadat is benadrukt, dat betaald werk de absolute prioriteit heeft, wordt slechts eenmaal gesteld: 'maar ook het doen van onbetaald werk is voor onze clienten en voor de stad van maatschappelijk belang'. Verder worden in de nota 'werk' en betaalde arbeid voortdurend aan elkaar gelijk gesteld. 'Wie aan het werk kan wordt daarbij gestimuleerd. Voor wie een betaalde baan nog wat verder weg is, zijn er andere mogelijkheden voor maatschappelijke deelname.' Wanneer het om zorgar­beid van bijstandsvrouwen of vrijwilligerswerk gaat wordt niet gesproken over werk. Zo weerspiegelt de nota 'sociale zeker­heid' de onderwaardering van onbetaald werk en vrijwilligers­werk. Het is eigenlijk geen werk. Voor de schrijvers van de nota zijn er maar twee mogelijk­heden: betaald werk of 'zorg' waarbij ook weer 'werk' en 'betaalde arbeid' aan elkaar gelijk worden gesteld. 'Clienten waarvoor werk nog niet (direct) bereikbaar is, krijgen zorg
aangeboden. Voor wie een betaalde baan nog even op zich laat wachten, geeft een uitkering op grond van de bijstandswet als tijdelijk inkomen een ondersteuning' (blz 1)
De beleidsnota spreekt steeds over zorgtrajecten, poortwach­tersfunctie, handhaving, repressie, etc. Allemaal begrippen, waarbij de client eenzijdig als een te sturen object wordt gezien en niet als een mondige burger, waarmee een tweerich­tingsverkeer mogelijk is. Niet eenmaal wordt aan de orde gesteld, in hoeverre kan worden aangesloten bij positieve eigenschappen van uitkeringgerechtigden, bij de initiatieven die zij vaak vanuit zichzelf ondernemen om weer een perspectief te krijgen, zoals in de Utrechtse nota wel gebeurt. Niet eenmaal wordt in de beleids­nota de suggestie gewekt, dat vele uitkeringsgerechtigden verantwoordelijkheid tonen voor de maatschappij, dat velen van hen zonder de sociale dienst allerlei werk doen, en hoe wellicht bij deze activiteiten kan worden aangesloten. Uitke­ringsgerechtigden worden eenzijdig gezien als mensen met een handicap, waaraan gesleuteld moet worden om hen weer bij de maatschappij te betrekken. Zij behoeven alleen maar zorg en
controle.
In hoofdstuk 3 veronderstelt de sociale dienst, dat zij een grote kennis heeft opgebouwd over de clienten. Maar is dat wel zo?. Geheel in het verlengde van 'alles of niets', dus zorg of betaald werk, wordt veronderstelt, dat voor maar liefst 70% van de clienten uit de D categorie een 'uitstroomperspectief op lange termijn' bestaat. Deze boute bewering wordt op geen enkele wijze onderbouwd. Tegenover de optimistische prognoses staan geen konkrete cijfers over de resultaten van het beleid tot nu toe. De beleidsnota is in dit opzicht behoorlijk vaag.
Er worden daarvoor verschillende redenen genoemd. Het is een beetje de redenering: 'ons beleid van positieve en negatieve prikkels en de grote nadruk op het belang van betaald werk heeft effect, maar we kunnen het helaas niet aantonen. Het moet logisch gesproken wel zo zijn'.

De eenzijdige, gesloten bureaucratische benadering van boven af zoals die in de beleidsnota van de gemeente Amsterdam tot uiting komt roept weerstanden op in de Amsterdamse samen­leving bij individuele clienten maar ook bij organisaties van uitkeringsgerechtigden en andere organisaties die op enigerlei wijze betrokken zijn bij het (preventieve) anti-armoede be­leid.
De schrijvers van de beleidsnota zijn zich van deze weerstanden oproepende eenzijdigheid niet bewust. 'Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat de animo bij de clienten voor het toepassen van verschillende instrumenten voor zorg en herintreding niet heel groot is. In 1997 zullen daarom grote
inspanningen moeten worden verricht om het draagvlak bij de clienten te vergroten. In eerste instantie gebeurt dit door positieve prikkels, uiteraard in planmatig overleg met de clienten. Daarbij kan het verstrekken van premies een rol spelen. Maar voor mensen die wel kunnen maar niet willen, zal het sanctiebeleid stringent worden toegepast. Van belang is daarbij de nieuwe wet boeten. Wie niet kan, zal uiteraard worden geholpen binnen de zorginstelling' (blz 16). Er wordt wel gesproken over een 'planmatig overleg met clienten', maar verder wordt alles geinterpreteerd in termen van positieve en negatieve prikkels. Je moet ze prikkelen, anders doen ze niks. Wie kan en niet kan, dat bepaalt uiteraard de sociale dienst in samenwerking met het arbeidsbureau, op basis van een door de sociale dienst uit te voeren 'individuele diagnose'. (blz 17).
Omdat een visie op de verhouding tussen betaalde en onbetaalde arbeid in de Amsterdamse nota ontbreekt, en niet wordt nage­gaan hoe vanuit deze visie voorwaardescheppend kan worden
opgetreden, staan de verschillende soms positief te waarderen voorstellen in de Amsterdamse nota los van elkaar, waarbij ze zonder onderlinge samenhang worden gepresenteerd, of het moest het voortdurend benadrukken van de prioriteit van de betaalde arbeid en de poortwachtersfunctie van de dienst zijn.
In plaats van het ontwikkelen van een visie wordt in de beleidsnota verder veel aandacht besteed aan de technisch bureaucratische problemen van samenwerking met anderen, waarbij een projektmatige aanpak wordt gehanteerd die aansluit op de visie van een client als te sturen object en niet als een
persoon, die vaak zelf allerlei oplossingen zoekt om uit de armoede te komen. Voor de opzet van allerlei projekten wordt een nieuwe uitvoeringsorganisatie in het leven geroepen die controlerend en sturend moet optreden of wordt samenwerking gezocht met andere grote organisaties, waartussen afspraken en convenanten worden gemaakt op basis van contracten. Naar onze mening leidt dit in sommige opzichten tot een grote mate van inefficiency. Het kost veel geld (overheadkosten) en er worden slechts kleine groepen bereikt. Het projekt in Zuid-Oost, opgezet door de BZO en de thuiszorg voor de creatie van Mel­kert 3 banen bereikt in het eerste jaar slechts een 120 tal
mensen, althans dat is de door een van de medewerkers optimis­tisch ingeschatte prognose. Het 'vrijwilligers' project in De Baarsjes kon in het kader van vrijwilligerswerk voor uitkeringsgerechtigden slechts 12 allochtonen aan een vrijwilli­gersbaan helpen. Ook het aantal clienten, dat van een premie­regeling gebruik zal kunnen maken is minimaal. Vernieuwende
ideeen om voorwaarden te scheppen voor grote groepen van uitke­ringsgerechtigden die hen weer perspectief en een toekomst geven ontbreken.

De eenzijdige visie van de client als te sturen object, het zoeken van bureaucratisch-technische oplossingen, de projectmatige hap snap aanpak en de grote nadruk op individuele beoordeling zonder een voorwaarden scheppend beleid waaraan clienten rechten kunnen ontlenen weerspiegelt zich in de dage­lijkse contacten van de clienten met medewerkers van de dien­st.
In de eerste plaats kan worden gesteld, dat op het spree­kuur van verschillende belangenorganisaties dagelijks clienten komen, die vertellen over de negatieve manier waarop ze door sociale dienst ambtenaren zijn benaderd. (De goede ambtenaren niet te na gesproken). "Je wordt behandeld als oud vuil', 'ik had het gevoel, bij voorbaat in het verdachtenbankje te zit­ten', 'als je niet van je afbijt lopen ze over je heen' en: 'ik zat te huilen. Toen hebben ze zonder mij te raadplegen een keuringsarts ingeschakeld en mij daarvoor een oproep gestuurd. Maar ik ben niet ziek'. Vaak is er een onontwarbare kluwen ontstaan van administratieve procedures die misgelopen zijn en een negatieve opstelling van ambtenaren. Het Komitee Amsterdam Tegen Verarming schreef het rapport 'Schrijf het van je af' waarin vele voorbeelden in dit verband worden genoemd. Dit voorjaar zal een nieuw rapport verschijnen over deze 'conti­nuing story'.
In de tweede plaats kan worden gesteld, dat de arbeidsbemidde­ling hopeloos verstopt zit, wat niet alleen aan de sociale dienst is te wijten. Er wordt in de beleidsnota van de gemeente Amsterdam verder niets over gezegd, behalve de zin: 'Wij willen in Amsterdam geen situatie dat een deel van de clienten met premies of straffen worden geprikkeld om te gaan werken, terwijl andere clienten aan hun lot worden overgelaten' Wij zouden het iets anders willen stellen als het om de effecten van het huidige beleid gaat en om wat de beleidsnota 'integra­le activering' noemt:  veel clienten, die zinvol vrijwilli­gerswerk doen, en die (tijdelijk) genoegen nemen met een karige uitkering, worden onder druk gezet betaalde arbeid te aanvaarden en krijgen vaak te maken met sancties die zinloos zijn, veel clienten die graag betaald werk willen krijgen een stempel opgedrukt van D of C categorie waarbij hun kansloos zijn door de bemiddelingsinstanties wordt gereproduceerd. Voorbeelden zijn er in dit verband te over.

De afgelopen maanden organiseerden de W.B.V.A. en de Bijstandsbond acht buurtbijeenkomsten over het functioneren van bemiddelingsin­stanties en de sociale dienst. Op deze bijeenkomsten waren in totaal 150 mensen aanwezig. Wat opviel, was dat clienten die zeer gemotiveerd waren om betaald werk te aanvaarden en die er ook veel naar zochten, in hun dossiers bij de diverse instan­ties allerlei negatieve formuleringen terugvonden, zoals 'weinig flexibel', gestresst' etc. Wanneer je dan probeert te solliciteren op een bepaalde vacature, of een bepaalde scho­ling wilt volgen, wordt je in de voorselectie van het arbeids­bureau al afgewezen, omdat je niet een de gestelde criteria zou voldoen.

Geheel in het verlengde van de eenzijdige visie wordt nergens gesproken over de zeggenschap van de belangenorganisa­ties die opkomen voor de rechten van de minima. In hoeverre is bijvoorbeeld het overleg met de clientenraad, het komitee amsterdam tegen verarming en het stedelijk signaleringsoverleg van belang voor de sociale dienst en hoe wil zij dit verder ontwikkelen?.

Het beleidsplan sociale zekerheid 1997 heeft een dubbele doelstelling: 'de gemeente Amsterdam beschrijft in dit plan de beleidslijnen voor het begrotingsjaar 1997' Daarnaast heeft het plan de bedoeling, het kader aan te geven waarbinnen de sociale dienst als uitvoeringsorganisatie haar kerntaken in 1997 verricht. De armoedeconferentie van een half jaar geleden wordt daar niet bij betrokken. Er is een conferentie geweest over armoede in Amsterdam, waarover een rapport ver­scheen en waarin door maatschappelijke organisaties vele con­crete voorstellen werden gedaan die op korte termijn uitvoer­baar zijn. In de beleidsnota wordt gesteld dat 'de output van de minimaconferentie en de voorstellen uit de 'andere kant van Nederland' zullen meegenomen worden in de concrete uitwerking van de beleidslijnen zorg voor 1997'. (blz 12) In de beleids­nota sociale zekerheid wordt hier verder geen aandacht aan besteed. Had een half jaar na de conferentie nu in dit be­leidsplan niet meer aandacht kunnen worden besteed aan de vele voorstellen die daar zijn gedaan? Malen de bureacratische molens zo langzaam?.

In de beleidsnota staat geen duidelijke omschrijving van de doelgroep, waarop de lokale sociale zekerheid in Amsterdam zich richt. Min of meer stilzwijgend wordt er echter van uitgegaan, dat het hier de clienten van de sociale dienst betreft. Met name deze categorie wordt in de beleidsnota tenminste uitgebreid geanalyseerd. Heeft de lokale sociale zekerheid geen betrekking op andere groepen?. Bijzondere bijstand is toch voor alle minima, zoals ouderen?. Op de minimakonferentie is oa gevraagd om een minima-effect rappor­tage en een onderzoek naar de omvang en karakter van armoede in Amsterdam. Wij vinden dat dergelijke voorstellen thuishoren in een beleidsnota over lokale sociale zekerheid. Op de minimakonferentie zijn vele andere voorstellen gedaan voor een beleid op het gebied van lokale sociale zekerheid.

dinsdag 15 oktober 1996

Uitleg van Jacq Wijnen van buro voor rechtshulp oost over de nieuwste maaregelen in de sociale onzekerheid dd 15-10-1996


Bijeenkomst bij komitee amsterdam tegen verarming

Enige tijd geleden is de oude ziektewet in principe afgeschaft en ervoor in de plaats komt de WULPS. Wel blijft voor mensen die vanuit tijdelijke kontrakten of de WW ziek worden de oude ziektewet bestaan. De Wulps is eigenlijk loon, dat door de werkgever uitbetaald moet worden gedurende een jaar maximaal. Hij moet 70% van het laatstverdiende loon uitbetalen en minimaal het wettelijk minimumloon (dus 70% daarvan). In de cao kunnen nadere afspraken over de hoogte van de ziektewetuitkering zijn gemaakt. Sommige werkgevers lezen de wet, en veronderstellen dan, dat ze alleen 70% van het WML moeten uitbetalen, maar dat is lang niet altijd zo. Het begrip passende arbeid in de ziektewet is afgeschaft. Dus als een jurist bij het buro voor rechtshulp ziek wordt, en de werkgever zegt: ik heb nog een koffiejuffrouw nodig, dat kun jij mooi doen, dan kan de jurist niet zeggen, dat past niet bij mijn opleiding en talenten/mogelijkheden. Dan ben je gedwongen dat te gaan doen. Omgekeerd betekent het, dat als een werknemer of de bedrijfsvereniging tegen de werkgever zegt: er is passend werk, en de werkgever doet het niet, dan krijgt ie problemen met de bedrijfsvereniging.

De beroepsprocedures bij meningsverschillen over wel of niet ziek zijn gewijzigd. Er is nu altijd een deskundigenrapport nodig. Dit mag ook van de eigen huisarts zijn, maar of men daar veel waarde aan hecht is de vraag. Daarnaast, als iemand ziek wordt, moet de werkgever een begeleidingstraject opstellen dat moet terugleiden naar het werk of ander werk. Als een werkgever dat niet doet, kan hij problemen krijgen wanneer de werknemer in de wao terecht komt. De bedrijfsvereniging kan dan besluiten dat de werknemer omdat er geen traject was gedurende langere tijd na een jaar door de werkgever betaald moet worden. De WULPS wordt dan verlengd omdat er geen begeleiding was.

Wijnen konstateert, dat we hard op weg zijn naar het beruchte ministelsel. De rest moet je dan maar bijverzekeren. De werkgevers doen dat soms collectief, omdat dit goedkoper is dan individueel. De werknemer krijgt dan bv 45,- minder loon per maand.

Nemen werkgevers mensen niet meer aan, omdat het risico bestaat dat iemand ziek wordt? Daarover is bij het Buro voor Rechtshulp niets bekend, daarvoor is de maatregel nog maar te kort van kracht. Wel is het zo, dat aan de andere kant het voor een werkgever aantrekkelijk kan zijn een wao-er in dienst te nemen; de eerste drie jaar krijgt hij forse subsidies, plus dat de werknemer als hij in die periode weer ziek wordt, kan terugvallen in de wao en de werkgever dus niets hoeft te betalen. Dat is de andere kant van de medaille.
Bij iemand in de WULPs moet na drie maanden afspraken worden gemaakt over het herintredingstraject met de werkgever. Dan volgt na een half jaar de wao-keuring. In de wao is het begrip gangbare arbeid ingevoerd, dwz er wordt gekeken wat je met gangbare arbeid nog kunt verdienen, en dit wordt vergeleken met je laatstverdiende loon in de functie die je had. Het verschil is dan de wao-uitkering of zo, qua percentage.

Sommige wao-ers weten het niet, maar vaak is hun betrekking niet opgezegd en bestaat het arbeidscontract nog steeds, dus ze hebben officieel nog steeds de status van werknemer. Eerst zei de Hoge Raad, dat de werknemer uit zichzelf naar de werkgever moest gaan om te vragen om passende(?) arbeid, maar nu zegt de Hoge Raad, dat de werkgever uit zichzelf deze arbeid moet aanbieden. Zo kun je op basis van het bestaande arbeidscontract weer aan het werk komen, dat is makkelijker dan eerst ontslag en dan via de wao proberen werk te vinden. De werkgever mag na twee jaar wao ontslagvergunning vragen bij het arbeidsburo. Maar de werkgever kan naar de kantonrechter stappen, die door de besluiten van het arbeidsburo heen kan fietsen. Het WAO-gat (dat ik niet helemaal heb begrepen) wordt aangevuld via cao's.

Als je naast de wao gaat werken wordt in tegenstelling tot vroeger je percentage arbeidsongeschiktheid verlaagd. Tenzij de bedrijfsarts zegt: nou, ik weet niet of ie het wel redt. Je moet in principe al je verdinede geld inleveren. je houdt er niet s aano ver. De maximum duur van de WAO is vijf jaar. Daarna moet je op eigen initiatief de uitkering opnieuw aanvragen. De invoering van de koppelingswet betekent, dat illegalen met een wao-uitkering in nederland geen uitkering meer krijgen, dwz de uitkering wordt stopgezet, en wanneer de illegaal zich in het land van herkomst op een bepaalde plaats meldt, kan de uitkering weer gaan lopen. De bedrijfsverenigingen zoeken die illegale wao-ers op op basis van de koppelingswet.

De Toeslagenwet kan zowel bij ziektewet als wao en ww worden toegekend. Aanvulling tot wettelijk minimumloon maar nooit meer dan wat je bij je oude werkgever verdiende. De toeslagenwet kent een partnertoets. Sommige bedrijfsverenigingen kennen hem automatisch toe, maar anderen hanteren het bekende piepprincipe. Sommige mensen hebben dus drie uitkeringen: ww, tw en bijstand.

Een nieuwe ontwikkeling is de WAGW van toepassing verklaren voor bijstandsgerechtigden. De WAGW regelt, dat de bedrijfsvereniging je moet begeleiden naar werk. De bv kan ook loonkostensubsidies voor de werkgever regelen. Vroeger kon voor mensen uit de bijstand geen beroep op de wagw worden gedaan. Maar nu zijn door de sociale dienst in amsterdam afspraken met het gak gemaakt. Met ingang van 1-10-1996 worden de nieuwe gevallen van mensen die zich ziek melden niet meer naar de GG en GD gestuurd, maar naar het GAK voor een keuring. Er wordt vanaf die datum mee gewerkt in de rayonkantoren centrum en drie in oost. Met ingang van 1 januari zal dit gaan gelden voor alle rayonkantoren. Iedereen wordt dan gekeurd door het GAK. Doel van de sociale dienst is, dat ze zeggen: we zijn niet zozeer geinteresseerd in wat mensen niet kunnen maar wat ze wel kunnen, en we willen de groep onbemiddelbaren zo klein mogelijk houden.
In de wagw zit een percentage, dat werkgevers aan arbeidsongeschikten in diesnt moeten hebben. Daar staan geen sancties op.

Een volgende maatregel is de wet boeten en maatregelen die op 1 augustus is ingevoerd (?)Niet bij de sociale dienst???
De wet kent een onderscheid tussen maatregelen en boeten. De eerste hebben betrekking over een overtreding van de voorschriften enzovoorts. Dus een sanctie wegens niet solliciteren betekent een maatregel. Daarnaast kun je een boete krijgen, als je niet aan de informatieverplichtingen voldoet. Het TICo speelt hierin een belangrijke rol. Zij hebben het maatregelbesluit en boetebesluit genomen. Vroeger hadden de bedrijfsverenigingen een grote beleidsvrijheid. Er was in de wet sprake van kan bepalingen en nu is er in de wet sprake van moeten bepalingen. In principe hoort bij een bepaalde overtreding een bepaalde boete. Men kan het in principe ook niet meer individueel beoordelen. Men kan alleen in zeer dringende gevallen van de wet afwijken. De maximale boete bedraagt 5000 gulden. Maar het tica heeft 1800 gulden vastgesteld. De boete is een strafrechtelijke maatregel. Dit betekent, dat je cautie hebt. Als iemand je wil gaan vervolgen, moet hij je waarschuwen. Dit kan mondeling, en hoeft niet schriftelijk. De gsd heeft momenteel een boetebesluit in voorbereiding.

Bij 6000 gulden moet het openbaar ministerie beslissen, of ze gaan vervolgen. Dan moet de bv wachten.
Bij verwijtbaar ontslag is men verplicht te korten op grond van de nieuwe wet boeten. Heel verhaal over toneelstuk voor de rechter. Vroeger was het zo, als de werknemer het zat was, en beslist niet terug wilde, dan konden de advokaten voor de kantonrechter een stukje opvoeren, waarbij ze het in feite eens waren, en waarna men ervoor zorgde, dat door de uitspraak van de kantonrechter de betrokkene recht had op ww, ook al was er in feite sprake van vrijwillig ontslag. Nu moet de bv een korting opleggen, dus men moet voor de rechter een heel toneelstuk opvoeren, alsof het niet zo is. Wat het ontslag op medische gronden betreft, wordt het ook moeilijker. Vroeger, als je absoluut niet met je werkgever kon opschieten, en je werd er ziek van, en het was duidelijk, dat je na ontslag na drie maanden weer beter was, dan kon je ondanks het feit, dat je zelf ontslag had genomen toch ww krijgen en vandaaruit weer nieuw werk. Hoe de rechters in de nieuwe situatie gaan oordelen is onbekend, daarvoor is de maatregel nog te vers.

Dan volgt uitleg van de nieuwe algemene nabestaanden wet. Inkomen van arbeid en inkomen uit arbeid. 1 kind jonger dan 18 jaar, voor 1-1-1950 geboeren en oarbeidsongeschikt. Overgangsrecht. Het ANW-gat. Geen vermogenstoets, wel een inkomenstoets.
Tenslotte: de VO 18 plus. Geldt voor mensen ouder dan 18 die voortgezet onderwijs volgen zoals havo, mavo en vwo voor uitwonenenden was de uitkering vroeger 1000,- per maand. Deze kategorie van uitwonenden gaat naar de wet tegemoetkoming studiekosten. Dan gaat de helft eraf. Het betreft ruim 10.000 leerlingen. De kinderbijslag voor 18 plus wordt ook afgeschaft in principe.

De wet is in 1995 aangenomen. Vanuit SSO brief gestuurd naar vaste kamercie voor onderwijs. Gebeld om met ze te praten. De wet wordt per 1 januari ingevoerd. Divosa heeft al gezegd, dat ze het niet via de gsd gaan aanvullen, omdat het een bezuiniging op een voorliggende voorziening is. De afdeling bios heeft wel een brief gestuurd of zij bijzondere bijstand kunnen verlenen, maar eigenlijk kan dat niet in de nieuwe bijstandswet. Projekten in de stad voor begeleid wonen.
Er is een nieuw werkvoorschrift voor mensen die een opleiding volgen, bijvoorbeeld een beperkt aantal uren per week, en die niet voor studiefinanciering in aanmerking komen en die een arbeidsmarktrelevante opleiding volgen. Geldt per definitie niet voor hogere beroepsopleidingen en academische studies. Die zijn per definitie niet arbeidsmarktrelevant. Want met een middelbare opleiding kun je altijd wel aan de slag.

PvdL

maandag 14 oktober 1996

Creatieve beleidsvorming


Sinds kort ben ik namens de Bijstandsbond betrokken bij een proces van 'creatieve beleidsvorming' in Amsterdam Oost. Doel van deze 'creatieve beleidsvorming' is voor het stadsdeel een beleid ter bestrijding van de verarming te bedenken. Hiervoor werden hulpverleners uit het stadsdeel en vertegenwoordigers van stedelijke organisaties van uitkeringsgerechtigden uitgenodigd. Dus niet eerst een beleidsnota, waar vervolgens commentaar op gegeven kan worden, nee, eerst wordt aan ons, vertegenwoordigers, gevraagd wat wij belangrijk vinden en via het ‘creatieve beleidsproces’ komen er dan voorstellen voor een nieuw beleid.
Op de eerste dag van het ‘creatieve proces’ werden 'aandachtspunten'genoteerd. Ieder van de vijftien aanwezigen mocht roepen wat hij of zij belangrijk vond. Dit werd op grote flap-overs geschreven, en aan het eind van de dag werden al deze aandachtspunten verwerkt tot 'beslispunten', 'randvoorwaarden' e.d. De bedoeling was dat bij het noemen van aandachtspunten niemand die van een ander zou afkraken. De rayonmanager beleid en communikatie van het rayon Oost van de Sociale Dienst stelde echter voortdurend aandachtspunten ter discussie. Ik konstateer bijvoorbeeld, dat veel gedetineerden  bij detentie hun huis kwijtraken, omdat ze de huur niet meer kunnen betalen omdat hun uitkering stopgezet wordt. De wijkagent die naast mij zit, bevestigt dit verhaal. De sociale dienst ambtenaar werpt tegen: ‘maar we hebben een regeling, waarbij het eerste half jaar de huur door de sociale dienst betaald wordt. Als ze een langere gevangenisstraf krijgen, niet, maar als ze dan uit de gevangenis komen, hebben ze binnen drie maanden een woning.’ Weg is de signalering van het knelpunt van de dakloze gedetineerden. Achteraf blijkt zijn verhaal echter niet te kloppen. Er zijn wel degelijk lange wachttijden voor woningzoekenden die uit de gevangenis komen!
Het tweede discussiepunt gaat erover dat niet kunnen lezen en schrijven een vorm van armoede is. De sociale dienst ambtenaar: ‘Er zijn mensen, die dat niet kunnen, en toch gelukkig zijn. Dit hoort dus niet bij het armoede beleid, je moet het beperken tot inkomensvoorzieningen.’
Ook werd gesteld dat als allochtonen die geld sturen naar het land van herkomst, in armoede leven, dat dit hun eigen schuld is. Dus de bijstandswet hoeft op dat punt niet te worden aangepast. Dan wordt de redenering opgezet dat allochtonen soms  een Mercedes kopen van fl 5000,- om naar het land van herkomst te gaan, en dat je dan de vraag moet stellen, of je ze nog wel inkomensondersteuning moet geven. Het is toch hun eigen keuze.
En als mensen arbeidsongeschikt zijn, en ze willen niet meewerken aan een psycho-sociale therapie, waarbij ze vervolgens weer arbeidsgeschikt zouden worden, dan is dat ook hun eigen keuze. ‘Een keuze om in de armoede te blijven, en in het beleid hoeven we daar dus geen prioriteit aan te geven.’
Tenslotte vertelt de sociale dienst ambtenaar trots over een projekt dat enige tijd geleden in Oost is opgezet. “Mensen voelen zich prettiger, als ze in een nette, opgeruimde buurt wonen, en in een huis dat netjes opgeruimd is en goed in de verf zit. Daarom hebben wij als sociale dienst een  klein projektje gestart, waarbij we mensen fl 110,- bijzondere bijstand gaven, om potten verf te kopen. Nou, het liep storm. Dat is ook weer een voorbeeld van hoe je mensen kunt stimuleren.”
De bijdragen van de andere mensen in het creatieve beleidsproces waren gelukkig heel wat positiever, anders zou ik er acuut mee ophouden.

Piet van der Lende