Evaluatie Derde Kamer
Bij de Derde Kamer haden we de volgende uitgangspunten/gedachten.
1. De Derde Kamer moet organisatorisch en inhoudelijk een
alternatief zijn voor politieke partijen en het overtheidsbeleid. Het is de bedoeling, buiten politieke partijen en overlegstrukturen met de overheid om een soort tegenbeweging op te
bouwen, die zich niet laat inkapselen en die met name de
thema's demokratie, migratie, armoede en milieu met elkaar in
verband brengt. Een beweging nadrukkelijk tegenover de huidige
politiek/beleid.
2. Sociale bewegingen zijn in Nederland one issue bewegingen
geworden, die zich maar met een bepaald onderwerp bezig houden, zodat er geen over all analyse van de maatschappij en het
formuleren van een alternatief daarvoor tot uitgangspunt
gekozen wordt. Een visie op het geheel ontbreekt. Verder zijn
er ook organisatorisch weinig kontakten tussen de mensen, die
in een bepaalde sociale beweging aktief zijn. Er zou bij deze
mensen wel eens een grote behoefte kunnen bestaan om met
andere bewegingen in kontakt te komen en gezamenlijk een
alternatief te ontwikkelen. De Derde Kamer kan als functie
hebben, deze mensen met elkaar in kontakt te brengen en dat
gezamenlijke alternatief te ontwikkelen.
3. We moeten daarbij niet een van te voren geformuleerd alternatief op tafel leggen, maar van onderop, dwz de mensen uit de
verschillende sociale bewegingen moeten al diskussierende met
elkaar tot de formulering van een gemeenschappelijk inhoudelijk alternatief komen. De tijd is voorbij, dat je een verklaring dropte van bovenaf en daar dan aanhang vopor probeerde te
werven. De mensen zijn mondig genoeg om zelf dingen te formuleren.
Hierover hebben echter voortdurend diskussies in de Derde
Kamer plaatsgevonden, vanaf het begin. Het besluit is in feite geweest, dit niet te doen.
4. Aansluitend bij het niet van bovenaf opleggen van analyses
en methoden om dingen te bereiken moeten we proberen op lokaal
nivo plaatselijke Derde Kamers te ontwikkelen, waarbij de
mensen uit verschillende sociale bewegingen die de plaatselijke situatie goed kennen samen op lokaal nivo aktief worden
vanuit een bredere visie (glokalisering). Deze plaatselijke
coalities van derde kamers vormen een soort federatie op
landelijk nivo, de landelijke Derde Kamer.
5. De tijd is rijp voor een dergelijk alternatief. Er is een
krisis in het besluitvormingssysteem, die de legitimatie ervan ondergraaft. Mensen geloven steeds minder in de huidige politiek. Door de privatisering van publieke taken, het ontstaan
van een neo-liberaal Europa en andere faktoren wordt de macht
van de nationale staat als regulerende instantie uitgehold. Politieke partijen spreken steeds minder mensen aan, omdat men
het geloof in de huidige politiek heeft verloren. Dit is oa
genanalyseerd in de eerste grote brochure van de Derde Kamer.
De Derde Kamer zal een alternatief zijn voor mensen, om zich
bij aan te sluiten. Er kan een tamelijk radikaal links alternatief ontstaan voor de huidige politiek, die enige aanhang en
invloed heeft.
De bovenstaande doelstellingenen klinken zeer ambitieus, en misschien zijn onze ambities iets minder geweest, maar ik
geloof, dat ik de belangrijkste uitgangspunten van de Derde Kamer in haar opzet wel heb genoemd.
De praktijk bleek wat weerbarstiger dan de teorie.
Wat is er, sinds de oprichting van de Derde Kamer de afgelopen
jaren gebeurd?
1. De Derde Kamer heeft geen coalities kunnen vormen met
andere groeringen, waarbij de Derde Kamer een duidelijk gezicht had en een meerwaarde vormde ten opzichte van die andere
groeperingen. Daarvoor zijn verschillende redenen. De opzet
van een nieuw links blad als coalitie tussen Konfrontatie, Autonoom Centrum, SAP en Lekker Fris is mislukt, evenals het
projekt van Konfrontatie zelf. In Amsterdam kwam er geen coalitie tussen het referendum komitee en de Derde Kamer. Wij
hebben een konferentie belegd, op basis van oa een kritiek op
het referendumkomitee, dat zij de nationalistisch-Amsterdamse
sentimenten probeerden uit te spelen, en dat het om meer ging
dan groot of klein Amsterdam. Wij wilden op de konferentie de
inhoudelijke achtergronden van het ontstaan van groot-amsterdam naar voren brengen, zodat de diskussie over demokratie en
lokale ekonomie inhoudelijk nieuwe impulsen zou krijgen. Dit
is niet begrepen. De doelstellingen van de Derde Kamer bleven
abstrakt en vaag.
2. In sociale bewegingen bleek het opzetten van one-issue groeperingen met een specifiek doel een bewuste politiek te
zijn, in het licht van de onmogelijkheden op dit moment in Nederland op werkelijk grote sociale bewegingen van de grond
te krijgen, op basis van een gemeenschappelijke analyse, die de
regering onder druk zetten. Wijnand Duivendak heeft daar oa een
intervieuw over gegeven. De behoefte, met andere sociale
bewegingen te praten bleek niet zo groot, en het is vanuit een specifieke beweging ook mogelijk, een totaal analyse te maken.
De ervaringen met het Platform naar een Ander Europa hebben
mij geleerd, dat zeker bij de kaderleden van verschillende
groeprringen geen behoefte bestaat aan langdurige coalities.
Men komt alleen tot gelegenheidscoalities, naar aanleiding van
gebeurtenissen, die zich voordoen. (De Europese Top)
PvdL
vrijdag 9 januari 1998
Evaluatie Derde Kamer na enkele jaren
donderdag 1 januari 1998
De organisatie van de arbeidsbemiddeling in Nederland in 1998
In Nederland is de organisatie van
de arbeidsbemiddeling een onoverzichtelijke lappendeken van allerlei
organisaties. Arbeidsbureaus, gemeentelijke instellingen, zorgverzekeraars,
uitzendbureaus etc. Al die instellingen houden zich bezig met de uitvoering van
allerlei regelingen, maar ook met arbeidsbemiddeling, omscholing,
trajectbegeleiding, sollicitatiecursussen, etc. Allemaal activiteiten om de
werkzoekende klaar te stomen voor de kennis en vaardigheden die de werkgever
eist. Het is een erg onoverzichtelijk geheel van instellingen, die langs
elkaar heen werken of elkaar beconcurreren.
Toch zal ik proberen, in het
volgende enige lijnen van de arbeidsbemiddeling in Nederland aan te geven.
In het poldermodel zijn er globaal 4
methoden, om de deelname van de beroepsbevolking aan betaalde arbeid te
bevorderen. Ten eerste de algehele loonkostenverlagingen voor werkgevers op
basis van belastingverlagingen en loonmatiging. In dit artikel komt dat verder
niet ter sprake; het is een macro-ekonomisch verhaal, dat een beetje buiten de
organisatie van de arbeidsbemiddeling valt. Ten tweede door een systeem van
arbeidsbemiddeling, waarbij getracht wordt vraag en aanbod op de arbeidsmarkt
zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. Ten derde door gerichte subsidiëring
van werkgevers, om bepaalde groepen, bijvoorbeeld langdurig werklozen- weer aan
werk te helpen.
En tenslotte door de opzet van de
zogenaamde additionele arbeid, de creatie van door de overheid betaalde ?
banen.
Ik ga eerst in op de organisatie van
de arbeidsbemiddeling.
arbeidsvoorziening
Op landelijk niveau is er de
Arbeidsvoorziening Nederland. Daaronder ressorteren Regionale Besturen
Arbeidsvoorziening. (RBA's), die voor de arbeidsbemiddeling in een bepaalde
regio zorgen. In het bestuur van Arbeidsvoorziening Nederland en de RBA's
zitten vertegenwoordigers van de overheid, de werkgevers en de werknemers. De
arbeidsvoorzieningsorganisaties zijn verantwoordelijk voor de volgende taken:
registratie van werkzoekenden en van
vacatures, beroeps keuzevoorlichting in samenwerking met de Adviesbureaus voor
Opleiding en Beroep, waarvan er een is in iedere regio, arbeids -medische
advisering, arbeidsbemiddeling, scholing, behandeling ontslagaanvragen en
uitvoering van de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV).
De uitvoering van al deze taken van
arbeidsvoorziening is in handen van arbeidsbureau's en de centra voor
vakopleiding (CVV's)
Mensen met een WW of
bijstandsuitkering moeten zich bij het arbeidsbureau als werkzoekende laten
inschrijven. Maar in principe kan iedereen zich laten inschrijven. Men kan
gebruik maken van de vacaturebank. Verder kan men bij het arbeidsbureau terecht
voor omscholing, sollicitatiecursussen, beroepskeuzetests, de Wiw, diverse projekten,
enz.
andere organisaties
Naast het arbeidsbureau houden
verschillende organisaties zich bezig met de arbeidsbemiddeling voor specifieke
groepen, zoals de Stichting Inzet (middelbaar en hoger personeel), de AVO en de
HSA (voor mensen met een handicap), Emplooi (voor Vluchtelingen), RPD advies
(voor een baan bij de rijksoverheid), uitzendbureau Start (oa voor langdurig
werklozen).
Daarnaast zijn er nog organisaties
die zich met toeleiding naar de additionele arbeid en de zogenaamde
trajectbegeleiding bezig houden. Ik kom daar nog op terug.
Het regionaal bestuur
arbeidsvoorziening is betrekkelijk autonoom in het te voeren beleid. Ze kijken
vooral naar de verhouding tussen vraag en aanbod in de betreffende regio. In de
ene regio kan er een tekort zijn aan arbeidskrachten voor een bepaald beroep,
en in een andere regio weer niet. Dit kan er toe leiden, dat je de scholingskosten
voor een bepaalde opleiding in de ene regio wel vergoed krijgt (het is noodzakelijke
scholing) en in een andere regio weer niet.
Maar uitgangspunt zijn eigenlijk
altijd de wensen van de werkgevers. Die zijn autonoom in hun
personeelsbeleid, en zij beslissen of ze iemand wel of niet aannemen.
Vervolgens wordt gezocht naar (langdurig) werklozen die moeten worden klaar gestoomd
voor die werkgevers-eisen. In dit kader kunnen de consulenten gesprekken voeren
met werklozen om bijvoorbeeld een omscholingscursus, of een
sollicitatietraining te volgen. Ook zijn er 'Melkert consulenten' die mensen
moeten selecteren voor de additionele arbeid.
regelingen
We komen nu op de tweede methode om
de werkgelegenheid te bevorderen en mensen aan het betaalde werk te helpen, nl
de loonkostensubsidies voor specifieke groepen, meestal regelingen, die ook
door het arbeidsbureau worden uitgevoerd.
Het zijn loonkostensubsidies voor werkgevers. Consulenten van het
arbeidsbureau kunnen deze regelingen gebruiken, om een werkgever ertoe te
bewegen een werkloze of een andere werkzoekende in dienst te nemen. Er zijn
veel van die regelingen. Er is bijvoorbeeld gerichte subsidiëring om in
bepaalde sectoren meer laag betaalde, ongeschoolde arbeid te scheppen. Een
voorbeeld van dat laatste zijn de wettelijke maatregelen van afdrachtsvermindering
op loonkosten.
Werkgevers kunnen een afdrachtskorting
van fl 3660,- gulden krijgen wanneer ze iemand voltijds in dienst nemen op het
niveau van maximaal 115% van het Wettelijk minimumloon. Dit geldt dus niet
alleen voor langdurig werklozen.
Dan is er nog de premievrijstelling
bij kortdurende arbeid door uitkeringsgerechtigden. Voor kortdurende arbeid
door personen die een WW, WAO of Ziektewet uitkering ontvangen, kan een
werkgever vrijstelling van premies voor de werknemers verzekeringen krijgen.
Bijvoorbeeld bij seizoenwerk, zoals werk in de aspergeteelt.
Er zijn nog veel meer regelingen,
zoals de kaderregeling uitzendarbeid, subsidies van de Europese Unie en de
regeling marktverruiming schoonmaakbranche. Verder de bijdrage regeling
bedrijfstakgewijze scholing werklozen. Maar het zou hier te ver voeren alle
regelingen op te sommen en uit te leggen.
Fasering van werklozen
Werklozen die zich aandienen, worden
eerst op hun kansen op werk beoordeeld en in vier categoriën ingedeeld. Dit
wordt aanbodanalyse genoemd. De indeling wordt gemaakt door een Arbeidsbureau-consulent.
Hierbij wordt tijdens een mondeling gesprek met de cliënt een inschatting van
de mate van bemiddelbaarheid gemaakt.
Hierbij worden vier categorieën
gehanteerd: fase een goed bemiddelbaar, fase twee bemiddelbaar na inzet van
instrumentarium arbeidsbureau, fase drie pas bemiddelbaar na intensief traject
waarbij het arbeidsbureau en anderen (sociale diensten, gemeenten) samenwerken
en fase vier zijn mensen, die niet bemiddelbaar zijn.
Het Arbeidsbureau verzorgt in
beginsel bij alle gevallen de bemiddeling naar betaalde arbeid op de reguliere
arbeidsmarkt, al dan niet na enig traject.
De mensen die in fase 4 vallen
worden door de GSD begeleid. Hierbij heeft de GSD drie mogelijkheden, namelijk
een uitstroomtraject, zorg/inkomenstraject en (uitsluitend) inkomenstraject.
Wordt van je de inschatting gemaakt dat je nog kansen hebt op de arbeidsmarkt
of een gesubsidieerde baan na enige scholing/begeleiding, dan wordt je
overgeheveld naar 3 of hoger. Zijn je arbeidskansen klein dan val je in het
zorg/inkomenstraject, waarbij je te kennen kunt geven dat je zorg nodig hebt,
en waarbij je doorverwezen wordt naar een zorginstelling. Heb je geen hulp
nodig, val je in het inkomenstraject, waarbij je met rust gelaten wordt.
Zonodig worden je kenmerken geregistreerd, zoals "arbeidsongeschikt,
lichamelijk, of geestelijk gehandicapt". In totaal zijn de mensen in de
zogenaamde fase 4 weer ingedeeld in 15 verschillende kategorien.
Met name de gemeenten subsidiëren
wel of niet met gelden van de rijksoverheid of van het Europees sociaal fonds
projekten, In Amsterdam zijn daarvoor bijvoorbeeld zogenaamde toeleidingscentra
opgericht. Deze toeleidingscentra houden zich bezig met sociale activering en
toeleiding naar allerlei ook vaak weer door de overheid gesubsidieerde zelfstandige
projekten, die mensen weer klaar moeten stomen voor de arbeidsmarkt.
In de toeleidingscentra worden
cliënten op zogenaamde vóór-trajecten
worden geplaatst. Je volgt allerlei cursussen of gesprekken en je wordt soms
doorverwezen. Is een voor-traject met goed gevolg doorlopen, dan volgt
verwijzing naar een consulent van het Arbeidsbureau, die dan voor bemiddeling
naar de arbeidsmarkt zorgt. Eigenlijk mogen de 'bemiddelaars' van de
'toeleidingscentra' die de voor-trajecten uitvoeren niet aan arbeidsbemiddeling
doen. Cliënten worden naar die toeleidingscentra verwezen door Arbeidsbureau
en Sociale Dienst. Voorbeelden zijn het C.O.P in Zuid-Oost, het Brugproject,
Centrum Oost Vooruit, Werkwinkel Plus, Instapcentrum Nieuw West. In totaal zijn
er zeven van zulke 'toeleidingscentra' in Amsterdam.
een loket
Bedrijfsverenigingen, Sociale
Diensten en Arbeidsbureaus zijn al jaren bezig te proberen de een-loket
gedachte in praktijk te brengen. De werkzoekende krijgt dan slechts een
intakegesprek voor meerdere organisaties, en hij/zij hoeft niet iedere keer
opnieuw zijn/haar doopceel op tafel te leggen. Bovendien kunnen de verschillende
deelnemers aan het een loketsysteem hun werkzaamheden beter op elkaar afstemmen,
zodat de kansen voor de werkzoekende worden vergroot. Dat is tenminste de
bedoeling.
Uiterlijk op 1 januari 2001 moeten
alle arbeidsbureau's sociale diensten en uitvoeringsinstellingen opgegaan zijn
in een 'front-office' in ongeveer 219 Centra's voor Werk en Inkomen. De
werkzoekende komt binnen langs een haag van vacatures en helemaal aan het einde
van de gang zit een mannetje voor de aanvraag van de uitkering. Voordat een
uitkering sowieso in zicht komt, wordt eerst pogingen in het werk gesteld
iemand aan werk te helpen. De druk op de werkzoekenden wordt groter. Dit proces
van de een loket benadering kent veel moeilijkheden, teveel om op te noemen.
Competentiestrijd, computers die niet op elkaar aangesloten kunnen worden,
gebruik van verschillende termen voor hetzelfde, etc.
Ik noem hier kort ook de
uitzendbureau's. Wat doen zij? 5% van de totale werkgelegenheid gaat via
uitzendburoos.
Via een uitzendbureau is het
mogelijk tijdelijk werk te krijgen. Uitzendbureau's zijn geen
arbeidsbemiddelaars zoals arbeidsbureaus. Uitzendbureau's stellen arbeidskrachten
ter beschikking. Men is in dienst van het uitzendbureau. Uitzendbureau's mogen
uitzendkrachten gedurende een periode van maximaal zes maanden uitlenen aan
hetzelfde bedrijf. Overschrijding van deze termijn met ten hoogste een half
jaar wordt gedoogd door de Arbeidsinspectie.
Additionele arbeid
De vierde methode om de
werkgelegenheid te bevorderen en mensen aan betaald werk te helpen is de
invoering van de additionele arbeid. Nederland kende tot 1januari 1998
verschillende regelingen, om langdurig werklozen weer aan het werk te helpen.
In de eerste plaats de banenpool en de Jeugd Werk Garantiewet, In de tweede
plaats de Melkertregelingen, 1 en 2. In de derde plaats de sociale activering
op grond van artikel 144 van de bijstandswet. Tenslotte is er nog de Wet
Sociale Werkvoorziening om lichamelijk of geestelijk gehandicapten aan het werk
te helpen.
Deze regelingen zijn per 1 januari
afgeschaft, en vervangen door de Wet Inschakeling Werkzoekenden (W.I.W), die
een integratie van al die regelingen beoogt.
Doelgroepen zijn alle
bijstandsgerechtigden, alle werkloze jongeren, andere werklozen die langer dan
een jaar bij het arbeidsbureau staan ingeschreven.
De instrumenten die gehanteerd
kunnen worden zijn sociale activering (bijvoorbeeld vrijwilligerswerk), scholing,
detachering en werkervaringsplaatsen.
Voor elke jongere die zich aanmeldt
voor een uitkering of zich inschrijft als werkloze, wordt door de gemeente en
het arbeidsbureau een trajectplan gericht op werk opgesteld. Binnen uiterlijk
een jaar moet de gemeente met de jongere een dienstverband aangaan. Deze
'sluitende aanpak' is in het algemeen beperkt tot jongeren jonger dan 23 jaar.
Gemeenten kunnen bovendien personen
uit de doelgroep bij wijze van opstap naar een reguliere baan tijdelijk
werkervaring laten opdoen door een werkervaringsplaats bij een werkgever in de
markt‑ of collectieve sector. De bemiddeling daarvoor loopt via het
arbeidsbureau. De deelnemers hebben een dienstverband van meestal een jaar met
de werkgever, die hiervoor subsidie krijgt van de gemeente.
Dan is er nog het W.I.W.
dienstverband. Werknemers hebben een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht
met de gemeente, of een daartoe aangewezen uitvoeringsorganisatie. In Amsterdam
bijvoorbeeld zijn de werknemers in dienst van de organisatie Maatwerk. De
werknemers worden gedetacheerd bij (inlenende) werkgevers in de collectieve en
marktsector. Een detacheringsperiode van een jaar heeft de voorkeur. De
arbeidsduur is in beginsel 32 uur.
De duur van de arbeidsovereenkomst
is in eerste instantie beperkt tot maximaal twee jaar met een beloning op het
niveau van het wettelijk minimumloon.
Ik heb nu verschillende maatregelen
genoemd om de werkgelegenheid te bevorderen, nl gerichte en ongerichte
lastenverlichting en additionele arbeid, de derde sector, die ontstaat door een
deel van de bezuinigingen in te zetten en door het terugploegen van
uitkeringsgelden. Daarnaast zijn er nog andere maatregelen om bepaalde groepen
die nu buiten de boot vallen omdat ze niet voldoen aan de eisen van de
werkgevers toch aan werk te helpen. Dat zijn oa de Wet gelijke Behandeling van
mannen en vrouwen bij de Arbeid (WBA), en de nieuwe wet REA (Reintegratie
Arbeidsgehandicapten).
Piet van der Lende
vrijdag 21 november 1997
Het poldermodel "We moeten een nieuwe sociale kwestie stellen"
Demonstreren
in Luxemburg
Op
vrijdag 21 november was er in Luxemburg een overleg van de Europese
regeringsleiders over werkgelegenheid. Het Europees Verbond van
Vakverenigingen (EVV) riep op tot een demonstratie aan de vooravond van de
top, op donderdag, met als een van de centrale eisen: een effectieve,
drastische arbeidstijdverkorting om de werkloosheid te verminderen. De FNV
deed echter niet mee. Het komitee dat in Nederland de Euromarsen tegen werkloosheid,
armoede en sociale uitsluiting had georganiseerd besloot daarop, een delegatie
naar Luxewmburg te sturen. Zo namen toch nog ruim 50 demonstranten uit
Nederland deel aan de grote demonstratie, die ruim 25.000 mensen telde. Enkele
ervaringen.
s'Morgens
om zeven uur vertrok de bus achter het Centraal station in Amsterdam. In
Utrecht en Eindhoven werden nog groepjes demonstranten opgehaald, en toen zat
de bus vol. Aangekomen in de stad Luxemburg reden we naar het station van de
spoorwegen, waar de demonstratie begon. We stapten uit en voegden ons bij het
blok van de Euromarsen. Alle demonstranten in dit blok hadden zwart-witte
hesjes met het embleem van de Euromarsen erop. En op de achterkant: Chomage Ya
Basta!. Het was een kleurige demonstratie met rode, groene en blauwe hesjes van
de verschillende blokken. Men demonstreerde in de verschillende blokken vooral
voor arbeidstijdverkorting met herbezetting. We liepen de Avenue de la Liberte
af, een grote Boulevard van 25 meter breed. Zo ver je kon kijken waren er
demonstranten. Zij liepen in de blokken van hun vakbonden, vooral Belgische
en Franse. Maar er waren ook Grieken, Italianen en Spanjaarden en veel
Duitsers. Een Nederlander vertelde mij, dat hij met de bus uit Duisburg was
gekomen. De Duitse vakbonden hadden niet opgeroepen tot de demonstratie, maar
veel kaderleden waren toch tot mobiliseren overgegaan. Zo waren er oa drie
bussen uit Duisburg. Het was een levendige demonstratie met vuurwerk, gezang,
muziek, toortsen en grote ballonnen. Uit een grote luidspreker op een auto
schalde een Vlaamse versie van het Mariannelied. Dit riep bij mij gemengde
gevoelens op. Aan de ene kant: een meer dan honderd jaar oud, prachtig lied uit
een mooie traditie. Aan de andere kant besefte ik, hoe ver de grote groep van
werklozen in zijn/haar dagelijkse leefwereld inmiddels verwijderd is van deze
traditie, vooral in Nederland.
bekenden
Tijdens
de demonstratie heb ik allerlei bekenden ontmoet uit de tijd van de Euromarsen.
In dit blok van ongeveer 2000 mensen waren veel vertegenwoordigers van het
Franse Action Chomage en van de vakbond SUD. Er waren veel bekenden van AC!
Gironde, die ook meegelopen hebben in de Euromarsen. Veel Fransen waren met
een trein gekomen. Zij hadden enkele dagen eerder in Parijs een pamflet
verspreid, waarin opgeroepen werd op de twintigste om acht uur s'morgens te
verzamelen bij het Gare de l'Est. Daar zou men eisen, dat er een trein naar
Luxemburg zou gaan, zonder dat de reizigers hoefden te betalen, zodat ook
mensen met weinig geld konden deelnemen aan de demonstratie. De trein is
inderdaad in Luxemburg aangekomen. Maar vrijdagnacht zijn de ongeveer tweehonderd
treinreizigers bij terugkomst in Parijs gearresteerd. Ik weet niet, hoe het
hen verder is vergaan.
Bij
het eindpunt verliep de demonstratie. Er was geen centrale manifestatie. Iedereen
liep via de winkelstraten in het centrum een park in, terug naar de parkeerplaats
voor de bussen. Het netwerk van de Euromarsen had wel een manifestatie georganiseerd,
in de halle de Victor Hugo. Maar de zeer grote hal nauwelijks gevuld met
mensen. De meesten van het Euromarsenblok waren direct met de bus teruggegaan
naar huis. Het was sommigen ook niet duidelijk, dat er na afloop nog een
manifestatie was, en de halle Victor Hugo was ook niet eenvoudig te
vinden.
FNV
doet niet mee
Wat
moet je verder denken van zo'n demonstratie? Je kunt je op het standpunt
stellen van Lodewijk de Waal, voorzitter van de FNV, die in een brief aan de
bestuurders van de aangesloten bonden schreef, dat demonstreren op dit moment
geen zin heeft. Beter is overleg met de werkgevers en met Kok en lobbywerk
achter de schermen. Behalve de beinvloeding van de top heeft zo'n demonstratie
echter ook als functie: een bijdrage in het opbouwen van een Euro-kritische
beweging van onderop, waarbij een veelheid van internationale contacten
ontstaat. De vakbeweging ontleende in het verleden haar macht en invloed aan
de mobilisatie van de achterban, waarbij middels een grote varieteit aan
aktievormen druk werd uitgeoefend op werkgevers en overheid. Deze lijn lijkt
De Waal te hebben verlaten. Alles wordt op het overleg gegooid, waarbij men in
feite de voorwaarden van de tegenpartij accepteert. De leiding van de Nederlandse
vakbeweging accepteert de uitgangspunten van het poldermodel en van de
invoering van de Europese munt, die grote overheids bezuinigingen met zich
meebrengt. Uit het proefschrift van Ruud Vlek -'Inactieven in actie' blijkt,
dat de vakbeweging geen prioriteit geeft aan de belangen van de laagstbetaalden,
met hun flexibele arbeid, en de werklozen en arbeidsongeschikten, die vaak
moeten rondkomen van een minimumuitkering. De verdediging van hun belangen
wordt gesmoord in de vaak stroperige en bureacratische besluitvormingsprocedures
van de bonden.
resultaten
top
De
activiteiten van Action Chomage in Frankrijk, de Euromarsen, de demonstratie
in Luxemburg en andere akties hebben ertoe bijgedragen, dat het vraagstuk van
de werkloosheid op de Europese agenda is geplaatst. Vooralsnog zijn de
afspraken die in Luxemburg werden gemaakt echter boterzacht. Men wil binnen
vijf jaar stageplaatsen of werk regelen voor jongeren die werkloos zijn, maar
landen met een grotere werkloosheid mogen er langer over doen. Er wordt op de
Europese begroting een miljard uitgetrokken voor startende ondernemers. De
lidstaten moeten verder werken aan nationale banenplannen, maar harde
verplichtingen voor de landen zitten daar niet aan vast. De lidstaten gokken op
lastenverlaging voor werkgevers, die meer werk zou opleveren. Nederland
probeerde op de top in Luxemburg haar poldermodel te exporteren. Het is nu
zaak, de kritiek op dit model te intensiveren en alternatieven aan te dragen.
Piet
van der Lende
zaterdag 15 november 1997
Ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening en investeringsbeleid van de gemeente Amsterdam
Gedeeltelijk gepubliceerd in Krant voor aktieve Baanlozen in Amsterdam- KABAM- december 1997
De zeventiger jaren waren op het gebied van de ruimtelijke ordening in Amsterdam de jaren van Lammers en De Cloe. Zij vonden dat de gewone Amsterdammers de stad uitmoesten om in plaatsen als Almere en Lelystad te genieten van ruimte en groen. Zaken die tot dan toe als een voorrecht van welgestelden werden gezien. Op deze manier zou er in de hoofdstad plaats vrijkomen voor de rijke mensen, waarmee voorkomen werd dat Amsterdam een stad van relatief arme mensen werd, omgeven door groene voorsteden van welgestelden. Amsterdam zou in deze visie ruim van opzet worden. De Dapperbuurt zou bijvoorbeeld worden afgebroken om plaats te maken voor ruimer opgezette wijken.
1978 is het omslagpunt. Het begrip “compacte stad” (een dicht- bebouwde stad, de Dapperbuurt hoeft dus niet afgebroken worden) wordt naar voren gebracht door wethouder van der Vlis. Deze wethouder heeft blijkens het onderzoek “Het stempel van de besluitvorming – Macht, invloed en besluitvorming op twee amsterdamse beleidsterreinen” door Jaco Berveling- een grote invloed uitgeoefend op het beleid in amsterdam gedurende de tachtiger jaren. Het uitgangspunt van de compacte stad werd aangevuld met Schaefers “bouwen voor de buurt”. De oorspronkelijke bewoners hoefden niet meer te verdwijnen naar de voorsteden, integendeel, er wordt met hun woonwensen rekening gehouden en na de bouw of renovatie keren de bewoners terug naar hun duurdere-dat wel- woning. Het idee van menging van inkomensgroepen wordt daarbij bevorderd.
Het idee compacte stad doet tot op de dag van vandaag opgeld. Functiemenging voor de binnenstad, dat houdt in wonen, werken en vermaak gehadhaafd in het centrum van de stad. Dit is een belangrijke richtsnoer. Het hele idee van een multifunctioneel centrum speelde ook een rol bij de diskussies over de IJ-oevers; tegenover de zich min of meer spontaan ontwikkelende kantoorkolossen aan de Zuid-As moest in het centrum een plan worden bedacht, dat het centrum nieuwe ekonomische impulsen zou geven, om het evenwicht op verschillende lokaties tussen wonen, werken en vermaak te handhaven. Ook het thema van de verdichtingsbouw speelde daarbij; hoe hoog mochten de kantoren aan de Ij-overs worden en hoeveel groen komt tussen de huizen? De IJ-oevers zijn echter behalve een handhaven van het concept van de compakte stad ook een uiting van een nieuwe belangrijke beleidswijziging. Scheaffers slogan “bouwen voor de buurt” wordt afgeschaft.
In de loop van de jaren tachtig gaat de aandacht meer uit naar “stedelijke vernieuwing” en niet meer naar stadsvernieuwing. De aandacht van de sociaal=demokraten wordt verlegd van van het bouwen van goede en goedkope wonin- gen in de buurten naar een herorientering op het stedelijk vernieuwingsproces. “Bouwen voor de buurt” wordt “bouwen voor de markt”. Daarbij worden nieuwe financieringsgrondslagen ontwikkeld, de publiek-private samenwerking. Er moeten finan- ceiringsmaatschappaijen worden opgezet, waarin overheid en bedrijfsleven deelnemen. Door die samenwerking kan een geld- stroom in de richting van concrete projekten op gang worden gebracht. De financieringsmaatschappij moet zich bezig houden met het aantrekken en uitzetten van gelden voor ontwikkelings- maatschappijen die concrete projekten ter hand nemen. Bij de Ij=oevers is deze construktie beproefd maar roemloos ten onder gegaan. Allerlei grote projekten staan echter nog steeds op stapel. Allerlei varianten voor de toekomstige inrichting van Amster- dam zijn al in een vergevorderd stadium van besluitvorming. Het gaat daarbij om projekten als een autoluwe binnenstad, Nieuw Oost, de Noord-Zuidlijn van de metro en de Westpoort.
Deze grote herstruktureringen van de “compacte stad” zullen een grote invloed hebben op het stedelijk sociaal leven. Daarbij denken niet alle groepen in de stad hetzelfde en leggen zij verschillende prioriteiten. Op de door de gemeente (Eise kalk) en het Instituut voor Publiek en politiek georganiseerde stadsconferentie op 29 januari 1994 in de Beurs van Berlage discussieerden Vera Dalm van het Milieucentrum (een samenwerkingsverband van milieuorganisaties) en Jacqueline Kuhn van het Amsterdams Steunpunt Wonen met elkaar. Zij waren het niet eens over het tema van de compacte stad en de verdichtingsbouw. Door de alarmerende woningnood wint de gedachte om groene ruimtes op te offeren voor woningbouw terrein, met name in de westelijke tuinsteden wordt er steeds meer voor verdichtingsbouw gekozen. Door deze ontwikkelingen komen milieu (groenvoorzieningen ) en woningbouw (voor met name kansarmen) op gespannen voet met elkaar te staan. De discussianten waren het met elkaar eens dat anders bouwen (niet langer de eengezinswoning met tuin als standaardmodel) de beste oplossing is. Verdichtingsbouw heeft op dit moment niet de voorkeur van de ASW (“Maar als ons het mes op de keel wordt gezet kiezen we uiteindelijk wel voor verdichtingsbouw, het MCA vergeet wel eens dat leefbaarheid niet alleen slaat op de openbare ruimte maar ook op de woningen”.)
Het concept van de publiek-private samenwerking om in een tijd van toenemende overheidsbezuinigingen op sociale voorzieningen toch voldoende geld voor bepaalde projekten los te krijgen vinden we ook op andere beleidsterreinen, zoals de sociale vernieuwing. Op buurtniveau moeten stadsdeelraden, bewonersgroepen, leefbaarheidsgroepen, en projektontwikkelaars in innige samenwerking de verloedering in de buurt tegengaan en werkgelegenheid in de buurt scheppen. Bij de sociale vernieuwing speelt het “upgraden’ van de buurt een grote rol. Niet alleen sociale huurwoningen in de buurt, maar ook koopwoningen, te bouwen door partikuliere maatschappijen, zodat een menging van verschillende bevolkingsgroepen en inkomensgroepen ontstaat. Je zou kunnen zeggen, dat op Amsterdams niveau de pogingen tot publiek-private samenwerking gepaard gaande aan decentralisatie en deregulering, pogingen zijn van sociaal- demokraten op lokaal niveau, investeringen in de stad op peil te houden en daarbij een verbinding te leggen met het tegengaan van verloedering in de stad en de steun aan de armere bevolkingsgroepen.
De sociale vernieuwing is een roemloze dood gestorven, en heeft vooral gefungeerd als propaganda middel van het kabinet Lubbers/Kok. Verder blijkt dat het beleid op het gebied van ruimtelijke ordening is verbonden met het vraagstuk van segregatie en gettovorming en hoe de overheid daartegenaan kijkt. Dit bleek hierboven ook al bij de ideen van Lammers en De Cloe. Hier volgt een opsomming van de notaas waarin bovengenoemde beleidsuitgangspunten zijn vastgelegd. De eerste nota waarin de ruimtelijke ordening in en om Amsterdam systematisch wordt behandeld is de nota over de uitbreiingsdplannen van 1935 (AUP). Na de oorlog is er een Struktuurplan voor Amsterdam uit 1974. Dit wordt gevolgd door het Struktuurplan uit 1981. Dan is er het Struktuurplan uit 1985 (1986) en het Struktuur- plan 1991. Dan is er nog het Ontwerp Struktuurplan 1994 Ten slotte is er het Regio-Struktuurplan van de ROA voor 1994. (Voorontwerp Regionaal Struktuurplan 1995-2005) Deze struktuurplannen gaan gepaard met onderhandelingen met het rijk over investeringen. Deze onderhandelingen werden gevoerd ook op basis van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening en de Vierde Nota Extra (VINEX), waarbij de ROA de verplich- ting op zich nam om in de periode 1995-2005 tussen de 100.000 en 120.000 woningen te bouwen. Inbreng van de gemeente Amsterdam bij de onderhandelingen van de in 1994 tot stand gekomen VINEX-akkoorden was de nota “Amsterdam op weg naar 2005″.
Amsterdam is in de vierde nota Ruimtelijke ontwikkeling aangwezen als toplokatie; het stedelijk knooppunt Amsterdam moet worden klaargemaakt voor de concurrentieslag met andere Europese steden. Wil de randstad “Gateway” tot Europa blijven, dan zal een toplokatie als de IJ-oevers moeten worden benut. Gebeurt dit niet, zo is de redenering, dan zal de randstad worden overvleugeld door andere regio’s zoals rond Londen, Parijs en Dusseldorf. De IJ-oevers moeten een groot-stedelijk vestigingsmilieu worden dat zich kan meten met La Defence in Parijs. Hiermee zijn we dus op een ander argument gekomen voor de ontwikkeling van de IJ-oevers; het eerste staat hierboven al genoemd, en was, dat in de compakte stad een evenwicht moet worden gevonden ten opzichte van de Zuid-as. De plannen over de ontwikkeling van de IJ-oevers zijn gepaard gegaan met een stroom van nota’s alle genoemd in het boek van Berveling. Ook het milieu krijgt aandacht in de plannen van de gemeente Amsterdam. Met name in het Ontwerp Beleidsnota Ruimtelijke Ordening en Milieu (BROM). Men ontwikkelt daarbij modellen, waarbij een relatie gelegd kan worden tussen de lokatie van bepaalde functies en het milieueffekt ervan. Op die manier wil men komen tot optimale keuzen die zowel voor het milieu als voor de ekonomie het meeste rendement opleveren. Je kunt je echter afvragen, of al die bovengenoemde notaas wel een reeel beeld geven van wat de overheid in feite doet.
Is die planning die door de sociaal-demokraten in de stad wordt nagestreefd, er eigenlijk wel? Op een conferentie over het Zeeburgereiland in 1997 kwam het volgende naar voren. Je kunt de stad beschouwen als een struktuur, waarbij er goederen en personen voortdurend de stad binnengaan, vooral forensen en eindprodukten, en andere goederen en personen de stad uitgaan. Weer forensen en bijvoorbeeld afval. Bij het reguleren van deze stroom van goederen en personen moet met verschillende specten rekening worden gehouden: milieu, bereikbaarheid, afstand wonen werken, leefbaarheid, etc. Er zou eigenlijk voor zo’n stedelijke regio een totaal-plan moeten worden ontwikkeld, op grond waarvan vragen worden beantwoord als: welke industrie of dienstverlening willen we in de stad hebben? Wat kan verder- weg? Hoe is de verhouding tussen wonen en werken in de stad en hoe kan dit worden geintegreerd? Welke delen van de stad maken we autoluw of zelfs autovrij, etc. Ten behoeve van welke groepen creeeren we werkgelegenheid in de stad, en hoe wordt die werkgelegenheid in de vorm van bedrijven opgezet?. En ook: hoe kan er een evenwicht ontstaan tussen woon- en werkfuncties? Nu blijkt het zo te zijn, dat in Am- sterdam een dergelijke totaal-visie geheel ontbreekt. Er is een ambtelijke molen, die doordraaid, en waarin deelbeslissingen worden genomen, die niet meer kunnen worden teruggedraaid. Als voorbeeld werd oa genoemd, dat er bij het Zeeburgereiland nu al een tunnel wordt gebouwd voor een sneltram die daar zou moeten komen voor de bewoners, terwijl de bestemming van het eiland officieel nog moet worden vsstgesteld!. Een van de sprekers gaf aan, dat in Amsterdam in feite visies op deelterreinen worden ontwikkeld door gespecialiseerde afdelingen van ambtenaren, die geen rekening houden met het totaal. Integratie van die verschillende beleidsterreinen in een visie vindt niet plaats. Professor Lambooy zei het zo: de ontwikkelingen in Amsterdam zijn zodanig dat deze stad in feite niet een structuurplan heeft voor de ekonomie. De ekonomie is onderdeel van de ruimtelijke plannen. Er is geen ruimtelijk ekonomisch plan waarin, uitgaande van ekonomische functies, en de logistieke analyses, een behoeftenlijstje is opgezet. Vaak wordt ad-hoc per gebied gewerkt of het wordt helemaal afhankelijk gemaakt van woningbouw. Deze eenzijdige gerichtheid van het Amsterdamse beleid op woningbouw versterkt ook effecten in het kader van het marktmechanisme: de woonfunctie in de binnenstad overvleugeld de werkfunctie, en verdringt deze, omdat door de grote vraag naar woningen er voor een vierkante meter wonen inmiddels op sommige plaatsen meer betaald wordt dan voor een vierkante meter kantoor. Daarom worden bedrijven door partikuliere woningen verdrongen. Bedrijven willen echter graag in de binnenstad zitten: aan de rand van Amsterdam, waar veel bedrijven naartoe verhuizen, is kantoorruimte over, in de binnenstad is een groot tekort aan kantoorruimte. Door het Amsterdamse beleid en de werking van het marktmechanisme worden werken en wonen nog steeds sterk gescheiden, hetgeen weer gevolgen heeft voor de vervoersstromen. De lobby van het bedrijfsleven speelt handig op deze situatie in.
Bedrijven of groepen van bedrijven proberen met verschillende argumenten erdoor te drukken, dat met hun specifieke bedrijfsbelangen rekening wordt gehouden. Zo zeggen de bedrijven die nu op het Zeeburgereiland zitten en die daar willen blijven: “Nieuw Oost komt er toch, evenals allerlei snelwegen, trams en spoorverbinden en de ontwikkeling van de IJ-oevers, dan is het Zeeburgereiland in dit geheel een steeds belangrijker knooppunt, waar bedrijven gevestigd moeten zijn, dichtbij de stad, die afval verwerken, bouwmaterialen aanvoeren en rioolwater zuiveren”. Terwijl over al die projekten nog moet worden beslist!. Zo spelen de bedrijven dus handig in op de nauwelijks te beinvloeden ambtelijke doorloop. Maar ook chantage wordt niet geschuwd: “als wij moeten verhuizen, dan gaan we ver weg, en dan kost dat 60 miljoen, en dat konden we wel eens gaan verhalen op de gemeente Amsterdam, we eisen in ieder geval schadevergoeding, en als we mogen blijven zitten, investeren we veel in nieuwe ontwikkelingen ter plaatse. Zo ontstaat er in mijn ogen een congsi van lobbyende bedrijven, amtenaren en politici, die beslissingen nemen op deelterreinen, waarbij niemand een totaal-overzicht heeft. De conclusie kan luiden, dat de ekonomische ontwikkeling van de regio amsterdam ondergeschikt gemaakt is aan de ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een soort ad-hoc beleid wordt gevoerd: we kijken waar bedrijven zich vestigen, en gaan dan nadenken over wat we daarmee doen, of er wordt op grond van niet-ekonomische overwegingen ergens een bedrijfsterrein gepland. (een voorbeeld daarvan is volgens mij ook de IJ-markt).
Vanuit ekonomisch oogpunt gezien zijn de miljardeninvesteringen die Amsterdam aan het plannen is slecht onderbouwd en de werkgelegenheid lijkt al helemaal een ondergeschikte rol te spelen, ondanks fraaie woorden in beleidsnota’s waar men het tegendeel poogt aan te tonen. Het gemeentebeleid is een rommelig zooitje en met name de Amsterdammers, die op een minimum leven, zijn hiervan de dupe. De verschillende miljardeninvesteringen hebben zo hun gevolgen voor met name mensen met een minimuminkomen. Tegenover de vele investeringen staan forse bezuinigingen op de gemeentebegroting om alles te financieren. De bezuinigingen en de investeringsinspannin- gen leiden tot hogere lasten voor de burgers, die indirect zijn, dwz iedereen moet bepaalde belastingen betalen ongeacht de hoogte van het inkomen. Voor de sociale woningbouw (stads- verniewuing ) is geen geld meer. We moeten ons systematischer afvragen, of er in Amsterdam sprake is van getto-vorming, segregatie, tweedeling, onder- klasse, sociaal isolement van bepaalde groepen en of dit steeds sterker wordt en wat de effecten zijn van het over- heidsbeleid in dit opzicht. Daarvoor is het allerleerst noodzakelijk, de verschillende begrippen goed te definieren. Op Amsterdams niveau zijn mij wat dit betreft geen uitgebreide onderzoeken bekend.
zaterdag 8 november 1997
Partnertoets in de bijstand
Big Brother is watching you
Wanneer bij twee samenwonenden een van beiden een inkomen heeft boven het bestaansminimum, dan heeft de ander geen recht op bijstand. De partner met het inkomen wordt geacht de ander te kunnen onderhouden. Dit is de partnertoets in de bijstand. Vaak verschillen de sociale dienst en clienten van mening over het antwoord op de vraag of er sprake is van een gezamenlijke huishouding en of de partnertoets van toepassing is. Het betreft hier soms zeer ingewikkelde kwesties, waarbij het moeilijk te bepalen is of er wel of geen recht bestaat op bijstand. Om dit te kunnen bepalen moet vaak diep in het priveleven van betrokkenen worden gegraven. Je zou kunnen zeggen, dat dit onderdeel van de bijstandswet bijkans onuitvoerbaar is. Neem de volgende situatie, die onlangs op het spreekuur van de Bijstandsbond ter sprake kwam. Een vrouw koopt een woning voor haar twee zoons. De woning heeft een waarde van fl 60.000,- en bestaat uit de begane grond en de eerste verdieping. De twee broers gaan samen op de eerste etage wonen en zij verhuren de begane grond aan een student. Verder is er nog een bovenbuurman, die op de tweede verdieping woont. In 1994 vraagt een van beide broers een bijstandsuitkering aan. Deze wordt hem verleend onder voorwaarde, dat bij verkoop van de woning een groot gedeelte van zijn aandeel in de woning aan de sociale dienst moet worden terugbetaald. Bij de invoering van de nieuwe bijstandswet vindt een heronderzoek plaats. De uitkering wordt stopgezet, omdat de sociale dienst van mening is, dat beide broers samenwonen en de ene broer voor het onderhoud van de andere kan zorgen. De broer wier uitkering wordt stopgezet gaat in beroep. Er vindt vervolgens een nauwkeurig onderzoek plaats tijdens een hoorzitting, waarbij de rol van de drie hoofdpersonen © de broers en de onderhuurder in het huishouden wordt vastgesteld. Eerst wordt de indeling van de woning op de begane grond en de eerste verdieping bepaald. Waar zijn het toilet, de badkamer, de keuken, de woonkamers etc?. En wie woont waar? Het blijkt, dat de drie hoofdpersonen alledrie hun eigen kamer hebben, maar sommige ruimten gemeen¬schappelijk gebruiken. Vervolgens wordt de keukeninventaris vastgesteld. Wat is van wie, en wie heeft het gekocht?. Het koffiezetapparaat bijvoorbeeld is door de broers gezamenlijk aangeschaft. Wat is de taakverdeling in het huishouden? Wie doet de boodschappen? Wie maakt welke ruimten schoon? Bovendien wordt bepaald, wie welke kosten draagt. Wie doet de boodschappen? Wie betaalt het? Wie betaalt de vaste lasten van de woning? Welke gemeenschappelijke en afzonderlijke giro- en bankrekeningen zijn er? In totaal zijn er vijf van dergelijke rekeningen. De betalingen over en weer worden in kaart gebracht. De onderhuurder stort zijn huur natuurlijk op een van die rekeningen. Hier komt ook de bovenbuurman om de hoek kijken, want er is voor alle bewoners van het pand een gemeen¬schappelijke rekening, waaruit allerlei vaste lasten worden betaald, zoals de brandverzekering. Tijdens de hoorzitting worden vele bescheiden overlegd, zoals de afschriften van een gezamenlijke girorekening in de periode 25 oktober 1996 tot 7 november 1997. En dan de uitspraak: in tegenstelling tot de oude bijstandswet kunnen in de nieuwe ook twee samenwonende broers zijnde bloedverwanten in de tweede graad een gezamenlijke huishouding met elkaar voeren. Belangrijk daarbij is het zogenaamde 'verzorgingscriterium'. Op de vraag of de beide broers een gezamenlijke huishouding voeren dient vast komen te staan dat beiden er blijk van geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage aan het huishouden dan wel anderszins. Bij de beoordeling van dat verzorgingscriterium komt geen zelfstandige betekenis toe aan de omstandigheid dat er sprake is van gezamenlijke eigendom van de woning. Tijdens de hoorzitting werd geconcludeerd, dat er slechts kosten worden gedeeld, die samenhangen met het gezamenlijk bewonen van een eigen woning, -andere kosten worden niet gedeeld- en dat aan het verzorgingscriterium niet is voldaan. Er is derhalve geen sprake van een gezamenlijke huishouding en dus vervalt de grondslag voor de beeindiging van de uitkering. Aangezien in de woning de huurder en de broer tevens hun hoofdverblijf hebben en de client beschikt over de inkomsten uit onderhuur, wordt aan hem bijstand verleend naar de norm van een alleenstaande verhoogd met een gemeentelijke toeslag van 10% van het netto-minimumloon onder verrekening van de inkomsten uit verhuur. Nu denkt u misschien, beste lezer(es) dat dit een weinig voorkomend ingewikkelde situatie is, maar ik kan u verzekeren, dat er nog wel ingewikkelder situaties voorkomen. En nu wil men de 'partnertoets' ook al gaan invoeren in andere sociale wetten, zoals de AOW. Een individualisering van de sociale zekerheid zou veel van dit soort problemen kunnen oplossen.
Piet van der Lende
Wanneer bij twee samenwonenden een van beiden een inkomen heeft boven het bestaansminimum, dan heeft de ander geen recht op bijstand. De partner met het inkomen wordt geacht de ander te kunnen onderhouden. Dit is de partnertoets in de bijstand. Vaak verschillen de sociale dienst en clienten van mening over het antwoord op de vraag of er sprake is van een gezamenlijke huishouding en of de partnertoets van toepassing is. Het betreft hier soms zeer ingewikkelde kwesties, waarbij het moeilijk te bepalen is of er wel of geen recht bestaat op bijstand. Om dit te kunnen bepalen moet vaak diep in het priveleven van betrokkenen worden gegraven. Je zou kunnen zeggen, dat dit onderdeel van de bijstandswet bijkans onuitvoerbaar is. Neem de volgende situatie, die onlangs op het spreekuur van de Bijstandsbond ter sprake kwam. Een vrouw koopt een woning voor haar twee zoons. De woning heeft een waarde van fl 60.000,- en bestaat uit de begane grond en de eerste verdieping. De twee broers gaan samen op de eerste etage wonen en zij verhuren de begane grond aan een student. Verder is er nog een bovenbuurman, die op de tweede verdieping woont. In 1994 vraagt een van beide broers een bijstandsuitkering aan. Deze wordt hem verleend onder voorwaarde, dat bij verkoop van de woning een groot gedeelte van zijn aandeel in de woning aan de sociale dienst moet worden terugbetaald. Bij de invoering van de nieuwe bijstandswet vindt een heronderzoek plaats. De uitkering wordt stopgezet, omdat de sociale dienst van mening is, dat beide broers samenwonen en de ene broer voor het onderhoud van de andere kan zorgen. De broer wier uitkering wordt stopgezet gaat in beroep. Er vindt vervolgens een nauwkeurig onderzoek plaats tijdens een hoorzitting, waarbij de rol van de drie hoofdpersonen © de broers en de onderhuurder in het huishouden wordt vastgesteld. Eerst wordt de indeling van de woning op de begane grond en de eerste verdieping bepaald. Waar zijn het toilet, de badkamer, de keuken, de woonkamers etc?. En wie woont waar? Het blijkt, dat de drie hoofdpersonen alledrie hun eigen kamer hebben, maar sommige ruimten gemeen¬schappelijk gebruiken. Vervolgens wordt de keukeninventaris vastgesteld. Wat is van wie, en wie heeft het gekocht?. Het koffiezetapparaat bijvoorbeeld is door de broers gezamenlijk aangeschaft. Wat is de taakverdeling in het huishouden? Wie doet de boodschappen? Wie maakt welke ruimten schoon? Bovendien wordt bepaald, wie welke kosten draagt. Wie doet de boodschappen? Wie betaalt het? Wie betaalt de vaste lasten van de woning? Welke gemeenschappelijke en afzonderlijke giro- en bankrekeningen zijn er? In totaal zijn er vijf van dergelijke rekeningen. De betalingen over en weer worden in kaart gebracht. De onderhuurder stort zijn huur natuurlijk op een van die rekeningen. Hier komt ook de bovenbuurman om de hoek kijken, want er is voor alle bewoners van het pand een gemeen¬schappelijke rekening, waaruit allerlei vaste lasten worden betaald, zoals de brandverzekering. Tijdens de hoorzitting worden vele bescheiden overlegd, zoals de afschriften van een gezamenlijke girorekening in de periode 25 oktober 1996 tot 7 november 1997. En dan de uitspraak: in tegenstelling tot de oude bijstandswet kunnen in de nieuwe ook twee samenwonende broers zijnde bloedverwanten in de tweede graad een gezamenlijke huishouding met elkaar voeren. Belangrijk daarbij is het zogenaamde 'verzorgingscriterium'. Op de vraag of de beide broers een gezamenlijke huishouding voeren dient vast komen te staan dat beiden er blijk van geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage aan het huishouden dan wel anderszins. Bij de beoordeling van dat verzorgingscriterium komt geen zelfstandige betekenis toe aan de omstandigheid dat er sprake is van gezamenlijke eigendom van de woning. Tijdens de hoorzitting werd geconcludeerd, dat er slechts kosten worden gedeeld, die samenhangen met het gezamenlijk bewonen van een eigen woning, -andere kosten worden niet gedeeld- en dat aan het verzorgingscriterium niet is voldaan. Er is derhalve geen sprake van een gezamenlijke huishouding en dus vervalt de grondslag voor de beeindiging van de uitkering. Aangezien in de woning de huurder en de broer tevens hun hoofdverblijf hebben en de client beschikt over de inkomsten uit onderhuur, wordt aan hem bijstand verleend naar de norm van een alleenstaande verhoogd met een gemeentelijke toeslag van 10% van het netto-minimumloon onder verrekening van de inkomsten uit verhuur. Nu denkt u misschien, beste lezer(es) dat dit een weinig voorkomend ingewikkelde situatie is, maar ik kan u verzekeren, dat er nog wel ingewikkelder situaties voorkomen. En nu wil men de 'partnertoets' ook al gaan invoeren in andere sociale wetten, zoals de AOW. Een individualisering van de sociale zekerheid zou veel van dit soort problemen kunnen oplossen.
Piet van der Lende
zaterdag 1 november 1997
De wetenschap zegt ons na: minstens 15% extra voor de minima
Vereniging Bijstandsbond Amsterdam
Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam
De wetenschap zegt ons na: minstens 15% extra voor de minima
Op maandag 1 december bij de promotie van Ruud Vlek zullen bovengenoemde organisaties actie voeren in de aula van de universiteit van Amsterdam om 11.00 uur. Het proefschrift van Vlek bevestigd wat wij al vermoedden. De verarming van grote groepen in onze samenleving is volop in discussie. De politici
benadrukken, dat ze er alles aan doen om dit tegen te gaan.
Het proefschrift van Ruud Vlek, 'Inactieven in actie. Belangenstrijd en belangenbehartiging van uitkeringsgerechtigden in de Nederlandse politiek' toont ons wat men in werkelijkheid doet:
de bezuinigingen op de sociale zekerheid gaan voort, er wordt een ministelsel ingevoerd en de koopkracht van mensen met een minimuminkomen is onder het kabinet Kok verder teruggelopen.
Het kabinet heeft meer dan 3 miljard bezuinigd op de sociale voorzieningen, zoals bijstand, Wet Sociale Werkvoorziening (de tewerkstelling van arbeidsongeschikten tegen normale arbeidsvoorwaarden) en de kinderbijslag, die eigenlijk een volksverzekering is. Verdere bezuinigingen op de kinderbijslag staan
op het programma. Geen enkel voorgaand kabinet heeft zo sterk op de sociale voorzieningen bezuinigd.
De reeele waarde van de gezinsbijstandsuitkering in prijzen van 1996 is tussen 1980 en 1985 drastisch gedaald (ongeveer 15%). Tussen 1985 en 1992 blijft zij ongeveer gelijk. Na 1993 is er weer sprake van een daling.
De koopkracht van de minima wordt steeds lager, en steeds meer mensen zijn erop aangewezen. Het kabinet voert een ministelsel in. Het percentage minimumuitkeringen in het totale volume van de sociale zekerheid exclusief de AOW zal tussen 1995 en 1998 oplopen van 66% naar 75%.
En de gevolgen worden op het bordje van de gemeenten gelegd zonder dat die daar de financiele middelen voor krijgen.
Tussen 1995 en 1999 lopen de kosten van de kosten van de sociale voorzieningen (voornamelijk bijstand) op van 14 miljard in 1995 tot 17 miljard in 1999. 2 miljard van deze kostenstijging zal opgehoest moeten worden door de gemeenten, zodat de bijdragen van de gemeenten oplopen van 17,7% tot
25,8%.
Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam
De wetenschap zegt ons na: minstens 15% extra voor de minima
Op maandag 1 december bij de promotie van Ruud Vlek zullen bovengenoemde organisaties actie voeren in de aula van de universiteit van Amsterdam om 11.00 uur. Het proefschrift van Vlek bevestigd wat wij al vermoedden. De verarming van grote groepen in onze samenleving is volop in discussie. De politici
benadrukken, dat ze er alles aan doen om dit tegen te gaan.
Het proefschrift van Ruud Vlek, 'Inactieven in actie. Belangenstrijd en belangenbehartiging van uitkeringsgerechtigden in de Nederlandse politiek' toont ons wat men in werkelijkheid doet:
de bezuinigingen op de sociale zekerheid gaan voort, er wordt een ministelsel ingevoerd en de koopkracht van mensen met een minimuminkomen is onder het kabinet Kok verder teruggelopen.
Het kabinet heeft meer dan 3 miljard bezuinigd op de sociale voorzieningen, zoals bijstand, Wet Sociale Werkvoorziening (de tewerkstelling van arbeidsongeschikten tegen normale arbeidsvoorwaarden) en de kinderbijslag, die eigenlijk een volksverzekering is. Verdere bezuinigingen op de kinderbijslag staan
op het programma. Geen enkel voorgaand kabinet heeft zo sterk op de sociale voorzieningen bezuinigd.
De reeele waarde van de gezinsbijstandsuitkering in prijzen van 1996 is tussen 1980 en 1985 drastisch gedaald (ongeveer 15%). Tussen 1985 en 1992 blijft zij ongeveer gelijk. Na 1993 is er weer sprake van een daling.
De koopkracht van de minima wordt steeds lager, en steeds meer mensen zijn erop aangewezen. Het kabinet voert een ministelsel in. Het percentage minimumuitkeringen in het totale volume van de sociale zekerheid exclusief de AOW zal tussen 1995 en 1998 oplopen van 66% naar 75%.
En de gevolgen worden op het bordje van de gemeenten gelegd zonder dat die daar de financiele middelen voor krijgen.
Tussen 1995 en 1999 lopen de kosten van de kosten van de sociale voorzieningen (voornamelijk bijstand) op van 14 miljard in 1995 tot 17 miljard in 1999. 2 miljard van deze kostenstijging zal opgehoest moeten worden door de gemeenten, zodat de bijdragen van de gemeenten oplopen van 17,7% tot
25,8%.
zaterdag 25 oktober 1997
Tussen verzet en apathie. Recensie van het proefschrift van Ruud Vlek
De vragen wanneer komen mensen collectief
in verzet, en
waarom doen ze dat soms wel en soms niet,
heeft vele sociale
wetenschappers en historici in de afgelopen
eeuwen bezig
gehouden. Een echt volledig antwoord kwam
er niet. Als je
denkt, toch ook een bijdrage aan het
antwoord op die vragen te
kunnen leveren stel je jezelf geen geringe
opgave. Maar Ruud
Vlek liet zich niet afschrikken en hij
werkte zes jaar aan de
beantwoording van wat je een onderdeel van
bovengenoemde
vragen zou kunnen noemen: in hoeverre
hebben uitkeringsgerech-
tigden in Nederland in de afgelopen 20 jaar
zich verzet tegen
de afbraak van de verzorgingsstaat en
gestreden voor verbete-
ring van hun rechtspositie en wat waren de
belemmeringen die
zij tegenkwamen? Daarnaast werkte Vlek aan
antwoorden op vele
andere vragen: hoe worden de belangen van
uitkeringsgerechtig-
den gerepresenteerd? Wie vertegenwoordigen
hen? Doen ze dat
zelf, of zijn er anderen- zaakwaarnemers-
die zich als verte-
genwoordigers opwerpen? Kwam het verzet dat
er geweest is
spontaan op, of was het van te voren
georganiseerd? Het resul-
taat van de studie is een dik proefschrift
van 700 bladzijden,
getiteld 'Inactieven in actie.
Belangenstrijd en belangenbe-
hartiging van uitkeringsgerechtigden in de
Nederlandse poli-
tiek. 1974-1994'. Om de vragen te kunnen
beantwoorden, analy-
seert Vlek allereerst de objectieve
belangenposities van
verschillende groepen
uitkeringsgerechtigden, die vooral
ontstaan onder invloed van het
overheidsbeleid. Werklozen
bijvoorbeeld worden door het
overheidsbeleid ingedeeld naar
het soort uitkering dat ze hebben (WW of
bijstand) maar ook
naar hun relatie met de arbeidsmarkt: de
befaamde indeling in
vier categoriën van meer of minder
bemiddelbaar. Als je dan
ook nog bedenkt, dat er vele soorten
uitkeringen zijn met ook
weer indelingen in subgroepen, wordt er
iets duidelijk van de
eindeloze fragmentatie waaraan de
uitkeringsgerechtigden
onderhevig zijn en de diversiteit aan
belangenposities die dat
met zich meebrengt.
Vlek brengt de fragmentatie in kaart en
onderzoekt vervolgens
welke (sub)categoriën tegen de
bezuinigingen in opstand kwa-
men, hoe ze dat deden en welke
omstandigheden zo'n protest
bevorderen dan wel belemmeren.
effecten van fragmentatie
Zelfstandige, categoriale
belangenorganisaties buiten de grote
vakbonden en politieke partijen hebben het
bezuinigingsbeleid
niet kunnen ombuigen.
Uitkeringsgerechtigden zijn er de afge-
lopen twintig jaar niet in geslaagd de door
het overheidsbe-
leid be‹nvloedde fragmentatie in
belangenposities te overstij-
gen door het ontwikkelen van een
collectieve identiteit van de
groep als geheel. De fragmentatie, de
afhankelijkheid van de
staat, de lage sociale en politieke status
van bijvoorbeeld
werklozen, de geringe electorale betekenis
van sommige groe-
pen, de ontoegankelijkheid van de politieke
besluitvorming en
vele andere factoren hebben de invloed van
vaak kleine belan-
genorganisaties beperkt.
Slechts nu en dan slagen subcategorie‰n
erin, een beperkte
sociale beweging op te bouwen.
(bijstandsvrouwen, WAO-ers,
AOW-ers) Dit wisten we eigenlijk al. Maar
soms is het boek
toch ook onthullend, bijvoorbeeld wanneer
Vlek de onrust rond
de WAO-maatregelen in 1991 analyseert,
waarbij blijkt, dat de
sociaal-democratie de WAO-ers in de steek
gelaten heeft. Ook
laat hij zien, dat het paarse kabinet
ondanks alle retoriek
over bestrijding van de armoede gewoon
doorgewerkt heeft aan
de invoering van een ministelsel in de
sociale zekerheid. Een
enquˆte onder de nederlandse vakbonden laat
zien, dat zij aan
de positie van mensen met een minimaal
inkomen uit uitkering
of flexibele arbeid weinig prioriteit
geven.
waarom verzet?
Maar ach, die ene vraag, waarover
sociologen, historici en wie
al niet zich buigen: Why do men rebel.
Waarom komen mensen
soms wel en soms niet in verzet. Want er
zijn voorbeelden uit
de geschiedenis, waarbij mensen in
vergelijkbare omstandighe-
den als de Nederlandse
uitkeringsgerechtigden wel in opstand
kwamen. Bijvoorbeeld de zwarte
burgerrechten beweging in
Amerika in de zestiger en zeventiger jaren
en recentelijk de
Franse werklozen. Hierbij spelen objectieve
belangenposities
in de maatschappij en een veelheid van
historische en politie-
ke factoren een rol. Maar een volledig,
voor meerdere maat-
schappijtypen geldend antwoord is niet te
geven. Het zijn
levende mensen van vlees en bloed, die op
cruciale momenten in
de geschiedenis op basis van een subjectief
ervaren collecti-
viteit onverwachte beslissingen kunnen
nemen. Vlek heeft veel
overhoop gehaald, hij heeft alle -zelfs de
kleinste- politieke
acties van uitkeringsgerechtigden
gedocumenteerd. Daaruit
blijkt, dat verzet van
uitkeringsgerechtigden of werklozen
vooral succes heeft en van de grond komt
wanneer zij coalities
aangaan met een reeds bestaande, sterke
maatschappelijke
organisatie zoals een vakbond of een
politieke partij. Om in
de publiciteit te komen en druk uit te
oefenen op de overheid
moet men dan niet kiezen voor pogingen, een
massa-beweging met
grote demonstraties op te zetten. Vooral
ontregelingsacties,
zoals bezettingen van arbeidsbureau's en
sociale diensten door
kleinere groepen hebben succes. Dit is wat
de nederlandse
Werklozen Belangen Verenigingen in de
zeventiger jaren deden
en wat de Franse werklozen nu doen.
Belangrijk voor het van de
grond komen van verzet is ook, dat groepen
uit meerdere socia-
le lagten van de bevolking door
bijvoorbeeld bezuinigingsmaat-
regelen getroffen worden, zodat mensen met
verschillende
opledingsniveau's en achtergronden aan de
acties deelnemen.
Wat in het proefschrift van Vlek echter
buiten beschouwing
blijft, zijn de met soms onduidelijke
politieke eisen gepaard
gaande, meer spontane opstandjes in de oude
wijken van de
grote steden, zoals de Oosterparkbuurt in
Groningen. Daarbij
keren de bewoners zich soms collectief
tegen de staat, met
name tegen de zichtbare vertegenwoordiger
ervan, de politie.
Op grond van Vlek's analyses kan nauwelijks
worden vastge-
steld, of een dergelijk verzet zich in de
toekomst zal uit-
breiden tot wat grotere spontane opstanden.
Vlek heeft de
politeke betekenis daarvan niet
geanalyseerd. Je zou kunnen
zeggen, dat de relletjes in de
Oosterparkbuurt in Groningen
behoorlijk effectief waren, want het heeft
geleid tot het
vetrek van alle hoogwaardigheidsbekleders
die verantwoordelijk
waren voor de openbare orde.
gevoelens van machteloosheid
Ook de machtigen der aarde weten het
antwoord niet op de
vraag: waarom komen mensen soms wel en soms
niet in verzet.
Wel laat Vlek in zijn soms droge analyses
zien, dat de be-
stuurders bewust of onbewust- naast de
eindeloze fragmentatie
van de belangenposities - streven naar een
ideologische be-
nvloeding van uitkeringsgerechtigden,
waarin voor sommige
interpretaties van de feiten geen plaats
is. Dit beleid is
behoorlijk effectief, als het gaat om het
voorkomen van ver-
zet. De gevoelens van machteloze woede,
schaamte en wanhoop
die dit beleid oproept bij veel mensen, het
gevoel, niet meer
samen met anderen te kunnen protesteren
tegen wat je onrecht-
vaardig lijkt, komen in het boek van Vlek
verder niet aan de
orde. Dit gebeurt wel in de bestseller van
Vivian Forrester,
'de terreur van de economie'. Haar boek is
een schreeuw van
angst over de gevolgen van het flexibele
kapitalisme met zijn
massa-werkloosheid waarin niets meer zeker
is. Zij zegt, dat
het enige antwoord is: ons voortdurend
afvragen of de proble-
men die politici en economen aan de orde
stellen eigenlijk wel
bestaan, of er geen andere, belangrijkere
problemen zijn. We
moeten de heersende discussie ter discussie
stellen en daarbij
nauwkeurig feiten en analyses naar voren
brengen. Vlek heeft
dat met zijn jarenlange studie gedaan en
daarmee heeft hij een
belangrijke bijdrage geleverd aan de strijd
van uitkeringsge-
rechtigden en anderen voor een betere,
rechtvaardiger maat-
schappij.
Piet van der Lende.
Abonneren op:
Posts (Atom)