maandag 29 juni 1998

Verslag gesprek met Paul Verhey van de NV Werk

d.d. 29-06-1998
Aanwezig: Anke, Paul Verhey en ik. (Dit verslag is een weergave uit m'n hoofd na afloop van het gesprek, de diskussie is uit elkaar gehaald, eerst volgt een weergave van de standpunten van Verhey, dan onze standpunten)

Verhey begon met uit te leggen, dat er in de bijstand een groep is van ongeveer 20.000 fase 4 clienten die eventueel wel weer aan het werk zou kunnen. Hij heeft alle oplossingen niet voorhanden en wil daarom een gesprek om samen naar oplossingen te zoeken. Het gaat nadrukkelijk niet om het Wisconsinmodel, dit is niet de bedoeling en schept verwarring. Hij heeft tijdens zijn verblijf in amerika samen met anderen die hij had meegenomen gekonstateerd, dat er veel kritiek is, oa op de kinderopvang, van mensen die het betrof. (De kinderopvang werkt van geen kant). De praktijk is in de verschillende landen steeds weer anders, en je kunt niet zomaar elkaars modellen overnemen. Enerzijds zou je in de Melkert 1 regeling de selectiecriteria lager moeten stellen. Nu is het zo, dat daar voornamelijk kansrijke mensen in terechtkomen, die anders ook wel zouden zijn doorgestroomd. Dit zou anders moeten. Je zou dsan met die mensen tweejaars contracten kunnen afsluiten, waarbij je na anderhalf jaar gaat kijken, nou, die komt nooit meer aan het reguliere betaalde werk, dus daar creeren we een aangepaste arbeidsplaats voor in een voortgezette melkertregeling, of die kan doorstromen naar betaald werk, of die is in feite arbeidsongeschikt en moet in het zorgtraject. Anderszijds, als je het zo doet, en je laat zien, dat je met die groep iets doet, dan ontstaat ook meer een maaschappelijk draagvlak in de politiek om de andere groep fase 4 clienten vrij te stellen van de socillicitatieplicht en anderszinds voor deze groep facilitair bezig te zijn,  en om de uitkeringen iets te verhogen.
Het gaat Verhey nav opmerkingen van ons hierover in eerste instantie echter om die groep van 20.000. Daarnaast is het zo, dat er sprake moet zijn van een geintegreerde aanpak en een strikt individuele aanpak. Dus mensen zouden terecht moeten kunnen in een soort buurtwinkel of buurtservice punt, waar je huursubsidie formulieren kunt invullen, je schulden sameren, een uitkering aanvragen, werk zoeken, etc. Dit buurtservice punt moet dicht bij de mensen staan, een soort inloopwinkel waar je met een diversiteit aan problemen terecht kunt. Daarbij is samenwerking met bv schuldhulpverlening, sociaal raadslieden, maatschappelijk werk e.d. noodzakelijk. Overigens heeft hij ruzie gehad met Ben Bugter, die verkeerde informatie verstrekt over de plannen. Zo zou er volgens het parool een intern rapport over een experiment in zuid-oost zijn. Er is nog helemaal niet besloten over een experiment in zuid-oost en een intern rapport bestaat niet. Verhey werd al gebeld uit zuid-oost met de opmerking: waarom weten wij hier niets van. Maar er is nog niets besloten. Alle gesprekken zijn nog in een orienterende fase. Het gaat ook helemaal niet om het overnemen van het wisconsinmodel. Naast samenwerking met sociaal raadslienden en maatschappelijk werk is belangrijk in het hele model dat Verhey voor ogen staat, wel de samenwerking met maatschappelijke (buurt) organisaties. In dit verband liet hij in de loop van het gesprek een rapport van de Werkmaatschappij Zuid-Oost zien, waarin een statistiekje stond over 189 fase 4 clienten, die door de werkmaatschappij aan een melkert 1 baan waren geholpen. Van deze 189 was ik geloof 60% binnengekomen via de kerken en belangenorganisaties. Slechts 20% via het arbeidsbureau.
Belangrijk is, een maatschappelijke steun voor het plan op te bouwen. Het moet niet zo gaan als bij het mislukte experiment in de staatsliendenbuurt voor het een loketsysteem, waarbij de grote drie-arbeidsvoorziening, de UVI's en de sociale dienst om de tafel gingen ztten, het grote probleem midden op tafel legden en vervolgens ging men de leuke dingen naar zichzelf toeschuiven en werden de vervelende dingen naar de ander geschoven. (Dit nav mijn opmerking, dat de bedrijfsvernigingen niet bij het plan betrokken waren). De bedrijfsverenigingen vallen in eerste instantie buiten het plan. Wel heeft Verhey over deze plannen overleg met de schuldhulpverlening en de vakbonden. Gezien de competentiestrijd tussen de vele organisaties probeert de NV Werk het initatief voorlopig onder zich te houden. We moeten een goed overleg hebben en praktisch beginnen. Niet allerlei teoretische stellingen laten bedenken door de grote instellingen. Vanuit zo;n praktsiche beginsituatie- hij noemde het een soort super CWI, waarvoor je wel uitgangspunten moet formuleren, al zoiekenden laten zien hoe het kan, en dan gaan anderen vanzelf wel die kant op kijken, en kun je altijd nog gesprekken aanknopen. In het gesprek kwam ook nog ter sprake, dat zo'n buurtservice punt eiegenlijk voor alle buurtbewoners zou moeten gelden. Daar was hij het wel mee eens, maar het bleef in het vage, of de 'super CWI" die hij in zijn hoofd heeft in eerste instantie ook die kant op gaat.

Wij hebben de volgende punten naar voren gebracht.
1. Het is zeer de vraag, of het gaat om 20.000 clienten. Volgens ons zijn het er minder. (Tenzij je natuurlijk, maar dit is in het gesprek niet expliciet aan de orde gekomen, mensen die in feite arbeidsongeschikt zijn in de melkert 1 regeling wilt duwen)
2. Er is in het kader van de participatiemonitor die in het kader van het te maken sociaal struktuurplan is aangekondigd, een onderzoek nodig naar wie die fase 4 clienten nou eigenlijk zijn en wat ze zelf willen. Daarnaast is er een grote groep, die niet permanent in de bijstand zit maar wel af en toe. Die verdwijnt buiten beeld. Wat zijn daar de knelpunten? In dit kader zou geinvenatriseerd moeten worden, wat de knelpunten zijn in het aansluiten van sociale zekerheid op betaald werk en wat de gemeente daar aan kan doen. Een recent rapport wijst uit, dat een derde van de mensen met flexibele kontrakten recht heeft op ww of ziekengeld, maar dit niet aanvraagt.
Verhey zei hier echter van, dat onderzoek mooi is, en dat we dit moeten doen, maar het gaat nu erom, op korte termijn al een plan te maken, waarmee je kunt gaan werken.
3. Een centraal aanspreekpunt voor werkzoekenden en belangenorganisaties, waar je over de aansluiting van sociale zekrerheid en betaald werk dingen te weten kunt komen en waar men op de hoogte is van de vele projekten en regelingen. Dit verbond Verhey met een verhaal over hoge dremples, die je juist moet slechten.
4. In het najaar, wanneer de nieuwe armoedekonferentie wordt gehouden, zou dit plan onderdeel moeten uitmaken van discussie, want daar zijn bijvoorbeeld behalve de belanbgenorganisaties ook maatschappelijk werk en sociaal raadslienden aanwezig. Hier reageerde hij niet op.
5. Tijdens de diskussie hebben wij het volgende naar voren gebracht. Er is niets op tegen, als buurtbewoners naar een buurtservicepunt kunnen, dat dicht bij de mensen staat, waar je zo binnen kunt lopen en waar je met een breed scala aan problemen kunt worden geholpen. Maar zo eenvoudig is het niet.  Dre client is afhankelijk van de sociale dienst en heeft ten opzichte van die dienst geen onderhandelingsruimte. En het is zo, dat de staat cq de sociale dienst vertegenwoordigd wat de bestuurders willen, die zeggen het algemeen belang te vertegenwoordigen (dus het ekonomisch belang van een bepaalde groep) en anderzijds is er de client, die zich graag wil ontplooien en voor zijn eigen belang opkomen. Die twee kunnen overeenstemmen, maar soms niet. Mensen zijn geen robots, en het is belangrijk, dat er een maatschappelijk werk en sociaal raadslieden zijn, die vanuit een onafhankelijke postie vertrouwelijke gesprekken kunnen voeren met de clienten, zodat hun onderhandelingspositie ten opzichte van de staat wordt versterkt en een goede oplossing uit de bus komt. Het maatschappelijk werk en de schuldhulpverlening zal die onafhankelijke positie willen behouden, dat past in hun hulpbverleningsmethodiek, dat je op die manier de mensen het beste kunt helpen. Het is de vraag, hoe die onafhankelijkheid kan worden gerealiseerd in een projekt, ewaarbij alles in elkaar wordt geschoven. De sociale dienst deelt sancties uit, de afgelopen drie jaar is het aantal sancties ieder jaar verdubbeld. Mensen worden onder druk gezet, bepaalde dingen te aanvaarden. Dit schept wantrouwen en een niet-gebruik van de voorzieningen. Verhey antwoordde hierop, dat een evenwichtige oplossing moest worden gevonden, en dat we maar moesten beginnen. Maatschappelijk werk en sociaal raadslienden- en ook andere instanties op het gebied van arbeidsbemiddeling en de vele projketen en uitvoeringsorganisaties zien wij niet zo snel opgaan in een organisatie.

Tijdens het gesprek maakte ik de opmerking, dat de drie criteria voor vrijwilligerswerk en additionele arbeid (dat moest ik niet zo nomen) een probleem waren. En dat het helemaal niet zo erg zou zijn, als langdurig werklozen met een duwtje in de rug iemand anders tijdelijk zonder betaald werk laten zitten. In dit verband zei hij, dat in de melkert 1 regeling in feite ook is afgesproken, dat het verdringingscriterium niet meer zal gelden, ze hebben nog wel wat crietria, en voorlopoig voor een jaar als eerste opzet. We zitten nu in een periode van hoogconjunctuur,e n die mensen die vast werk hebben houden dit toch wel, of vinden snel weer ander werk. Wel wordt streng vastgehouden aan het criterium van de concurrentievervalsing. Dit omdat anders een sector van zwaar gesubsidieerde bedrijven ontstaat, die anderen uit de markt prijst die wel volledig op zichzelf kunnen werken.

Hoewel de konkrete uitwerking in het vage blijft, wil Verhey lobbyen bij iedereen die voor het model belangrijk is, voor de volgende punten, die gemeenschappelijk zijn met de amerikaanse aanpak.
1. Een integrale totaal aanpak. Er worden buurtservicepunten opgericht, die tot doerl hebben, de totaalsituatie van de client in ogenschouw te nemen en een totaalpakket aan te bieden. Sanering van schulden, eventuele oplossing van gezinsporblemen, en daarna een melkertbaan. Hoe de koppeling wordt tussen die twee is onduidelijk.
2. Noodzakelijk voor die totaal aanpak is een individuele benadering van de client, waarbij de medewerking wordt gevraagd van schuldhulpverlening zoals die nu ind e regio bureau's wordt opgezet, en op wat langere termijn instituten als sociaal raadslienden en maatschappelijk werk, die de professionele hulpverlening aan verschillende groepen bieden.
3. In Amerika wordt samengewerkt met partikuliere organisaties, zoals de kerken, belangenorganisaties en buurtorganisaties. Zij leveren de clienten aan, en zorgen voor het maatschappelijk draagvlak in de buurten, zodat de mensen niet te wantrouwend zijn om binnen te lopen. Deze aanpak wil verhey ook in amsterdam. Nu al is er een samenwerking tussen de kerken en de werkmaatschappij zuid-oost. Dit zou moeten worden uitgebreid.
4. In principe is er voor iedereen werk, ook voor mensen, die nu als arbeidsongeschikt te boek staan. Daarom wil verhey de toelatingscriteria voor de melkert een banen fors verlagen, eventueel met aangepaste arbeidsplaatsen. Dan wordt na anderhalf jaar gekeken, wat er verder moet gebeuren.

5. Het gaat nu om een experiment, dat hopelijk succesvol is, zodat op wat langere termijn 20.000 fase 4 clienten via deze regeling kunnen instromen. Eenb gedeelte zal ind e regeling blijven. Uitiendelijk gaat het om een groep van 40.000 clienten, waarvan 15.000 zal doorstromen naar regulier betaald werk.

donderdag 18 juni 1998

Standpunt van de Vereniging Bijstandsbond Amsterdam over de privatisering van de sociale zekerheid en de arbeidsbemiddeling

Standpunt van de Vereniging Bijstandsbond Amsterdam over de privatisering van de sociale zekerheid en de arbeidsbemiddeling naar aanleiding van de konferentie van Nijfer in het Mariott-hotel d.d. 18-06-1998

Na lezing van enkele stukken over wat wel het Amerikaanse Wisconsinmodel bij de uitvoering van de bijstandswet wordt genoemd hebben wij de volgende opmerkingen.
     Naar onze mening is het de taak van de staat, basisvoorzieningen voor alle burgers te garanderen, zoals een dak boven je hoofd en mogelijkheden om hjezelf te ontplooien. Dit behoort tot de grondrechten van de staatsburger, naast rechten als vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging en vergadering. Deze rechten zijn absoluut en staan in principe los van ekonomische argumenten op het gebied van effectiviteit en efficiency, of het functioneren van de arbeidsmarkt.
     Naast rechten hebben mensen ook plichten. Je kunt erover discussieren hoe ver de staat moet gaan, om mensen die door eigen toedoen zonder geld zitten of niet solliciteren een uitkering te geven. De uitkomst van die discussie dient echter gebaseerd te zijn op een demokratisch besluitvormingsproces. De maatregelen die daaruit voortvloeien dienen te worden uitgevoerd door staatsorganen of door de overheid gekontroleerde organen. Bij de beoordeling van de fundamentele grondrechten van de burger (recht op voedsel, recht op een dak boven je hoofd) mag alleen het demokratisch bepaalde algemeen belang en nooit de individuele prive-belangen van politici, bestuurders en ambtenaren een rol spelen.
     Dit is wel het geval bij de privatisering van de sociale zekerheid en de arbeidsbemiddeling, waarbij middels het winstprincipe (winstdelingsregelingen voor ambtenaren) de grondrechten van de burger worden bepaald en beoordeeld. Ook wanneer het alleen de uitvoering betreft, heeft het personeel van de commerciele uitvoerings-of bemiddelingsorganisaties persoonlijke belangen bij de zaak, waarbij ze beoordelingsrapporten schrijven die een rol spelen bij beroepsprocedures en waarbij ze hun specifieke deskundigheid en door de commerciele organisatie met veel geld ontwikkelde expertise inzetten om gelijk te krijgen.
     De gevaren van de privatisering voor het demokratisch gehalte van onze samenleving waarbij de grondrechten van de burgers niet meer worden gegarandeerd kunnen niet worden tegengegaan door een privatisering, waarbij de beoordeling of men voor een uitkering in aanmerking komt en de uitvoering worden gekontroleerd door maatschappelijke organisaties als de vakbeweging en de werkgeversorganisaties. Zeker het sociale minimum en het recht daarop dient te worden bepaald door de staat en niemand anders. De rechten van bijstandsontvangers mogen niet de speelbal worden van belangenorganisaties.
     Organisatie van de samenleving, waarbij de grondrechten van de staatsburger moeten worden gegarandeerd door commerciele bedrijven heeft verstrekkende gevolgen die ver uitstijgen boven een discussie over het beter functioneren van de arbeidsmarkt en het werkgelegenheidsbeleid. Het raakt de demokratische kontrole op de handhaving van de burgerrechten. Wanneer een demokratische kontrole ontbreekt en de grondrechten van de burgers op basis van het algemeen belang niet meer zijn gedefinieerd, ontstaat een vechtmaatschappij op basis van ieder voor zich en God voor ons allen.
     Door de privatisering op vele gebieden is de afgelopen jaren een schemergebied ontstaan van semi-private organisaties en uitvoeringsorganen, waarbij het vaak onduidelijk is wie wanneer over wat beslist en waarbij de overheid een onderhandelingspartner met beperkte invloed wordt naast allerlei organisaties met specifieke deelbelangen. Meer in zijn algemeenheid ontbreekt op dit moment een diskussie over de gevolgen van de privatiseringsgolf voor het demokratisch gehalte van de samenleving. 
    
Gevolgen van de Amerikaanse wetgeving

Onze indruk is, dat de Amerikaanse staat de grondrechten van haar burgers niet in alle gevallen kan of wil garanderen. Er bestaat in dit land een nieuwe bijstandswet, waarbij men maximaal twee jaar in de uitkering kan zitten terwijl men gedurende zijn of haar leven slechts maximaal vijf jaar recht heeft op een bijstandsuitkering. Deze algemene grens is willekeurig en belachelijk. Stopzetting van de uitkering betekent in veel gevallen geen geld en dus huurschulden, kinderen kunnen niet naar school en uiteindelijk is er huisuitzetting en dakloosheid.
     In een artikel in De Elsevier van 13 juni staat, dat de helft van de ongeveer tachtigduizend mensen die de afgelopen tien jaar de bijstand de rug hebben toegekeerd in een zwart gat zijn verdwenen, niemand weet waar ze zijn omdat de overheid de gevolgen van de uitvoering van de bisjtandswet niet onderzoekt. Dit is onaanvaardbaar. Een amendement van een demokratische senator bij de behandeling van de federale bijstandswet om de overheid te verplichten het lot van de bijstandsontvangers in de gaten te houden en van die bevindingen verslag uit te brengen werd verworpen. De overheid controleert niet, wat er gebeurt en verzaakt daarmee haar demokratische taak om de grondrechten van de burgers te garanderen.
     In het Elsevier artikel staat, dat volgens wetenschappelijke onderzoekingen in sommige amerikaanse staten zeer veel uitkeringsgerechtigden die op basis van de nieuwe bijstandswet gedwongen werden werk te aanvaarden na een jaar weer werkloos waren en bleven. Blijkbaar hangt het zo geroemde succes van het Wisconsinmodel niet zozeer samen met de aanpak van de werklozen maar met de lokale situatie op de arbeidsmarkt en het aantal en het soort vacatures.
     Naast de mensen die opnieuw werkloos worden zijn er, die terechtkomen in slecht betaalde banen met slechte arbeidsvoorwaarden. Sommige mensen hebben meerdere banen om in leven te blijven en om toch maar vooral buiten het bijstandsregiem te blijven, met alle gevolgen voor de opvoeding van de kinderen. Dit worden dikwijls sleutelkinderen die alleen zijn in een harde amerikaanse samenleving. Zo ontstaat een groep mensen die alleen is aangewezen op de slecht betaalde flexibele banen zonder perspectief. Deze perspectiefloosheid van de 'working poor' wordt erfelijk.
    
De gevolgen voor Nederland

In Amsterdam willen sommige uitvoeringsinstellingen naar wij uit krantenberichten hebben begrepen het Wisconsinmodel of belangrijke principes daarvan ook invoeren, waaronder een sterke privatisering van de uitvoering. Het model wordt daarbij gepresenteerd als een model van voor wat hoort wat. Naast rechten heb je ook plichten. Als je aan een streng regiem wordt onderworpen, heeft de overheid c.q de commerciele organisatie ook de plicht kinderopvang, sanering van de schulden, het een loketmodel voor samenwerking van organisaties en klientgerichtheid te regelen. De uitvoeringsorganisaties werken in dit opzicht niet goed, en privatisering zou een prikkel zijn om het beter te regelen.   Wij geloven daar niet in. Voor de sanering van schulden bestaan lange wachtlijsten van het maatschappelijk werk en er is een schreeuwend tekort aan kinderopvang. Daar moet gewoon geld bij en het is de vraag of de overheid dat wil. Wij zien het al gebeuren: de beperkte groep, die in het experiment valt, krijgt bij voorrang kinderopvang en sanering van de schulden waarbij dit ten koste gaat van andere groepen die niet onder het experiment vallen. Er wordt met potjes geschoven zonder dat het iets oplost.
     In hoeverre is het experiment een nieuw initiatiefje van uitvoeringsorganisaties en bemiddelingsinstellingen, die op stadsniveau gezien elkaars concurrenten zijn en niet door een deur kunnen blijkens een onderzoeksrapport van Regioplan, en waarbij de diskussie wordt afgeleid van waar het ook om gaat: dat al die uitvoeringsinstellingen hun eigen winkeltje eens wat minder belangrijk gaan vinden en gewoon samenwerken om samen te doen waarvoor ze zijn opgericht: de kansen van werklozen op betaald werk verbeteren zonder mensen van fase zoveel naar fase zoveel en van club a naar club b te schuiven en weer terug.
     Maar wij willen wat betreft het amsterdamse experiment andere vragen niet uit de weg gaan. De privatisering van de arbeidsbemiddeling en de sociale zekerheid betekent een vermenging van publieke en private taken bij het toezicht op de handhaving van de grondrechten van de burgers. Of de Nederlandse overheid-gemeente of rijk- kan de burgerrechten op basis van het algemeen belang niet meer garanderen, of er moet naast de geprivatiseerde sector een uitgebreid systeem van controles en beroepsprocedures in het leven worden geroepen, wat in de toch al onoverzichtelijke amsterdamse situatie de dingen alleen maar bureacratischer en onoverzichtelijker maakt. Ook indien alleen de uitvoering wordt geprivatiseerd en de beoordeling van het recht in overheidshanden komt (dit zal op grond van de bijstandswet wel moeten?) blijft de vraag hoe een onevenredig grote invloed van de commerciele uitvoeringsorganisatie kan worden voorkomen en hoe de plichten van de overheid in het experiment tegenover de plichten van de client worden gerealiseerd, zoals kinderopvang en sameringsmogelijkheden van schulden. Dit mag niet ten koste gaan van andere groepen die er ook recht op hebben, in een situatie waarin er over het geheel te weinig geld voor is.
Wij zijn benieuwd hoe de wethouders voor sociale zaken en voor werkgelegenheid deze vragen willen beantwoorden en wat ze van het voorgestelde experiment vinden.


zaterdag 25 april 1998

Arbeidsbureau's schenden privacy

Op 24 maart heeft Marijnissen van de Socialistische Partij in het wekelijks vragenuurtje van de Tweede kamer vragen aan minister Melkert gesteld over de schending van privacy door arbeidsbureau's en de privatisering van de arbeidsbemiddeling.

Er is veel te doen geweest over een brief die het arbeidsbureau naar alle werkzoekenden stuurde. In de brief stond, dat het arbeidsbureau informatie die ze van je hadden wilde doorgeven aan oa uitzendbureau's. Je kon bezwaar maken tegen het doorgeven van deze prive-gegevens. Deed je dit niet, dat werden de gegevens doorgegeven. Wat dit betreft konstateerde Marijnissen, dat er zich een soort kwartetspel ontwikkelt, waarbij uitzendbureau's en arbeidsbureau over en weer met informatie van werkzoekenden gaan schuiven. Marijnissen kreeg een vieze smaak in de mond van het voorstel. Hij stelde de minister verschillende vragen.

Wordt de privacy van de werkzoekende niet geschonden? Kan iemand die zich inschrijft bij een arbeidsbureau onder druk gezet worden?. Wellicht komen er zelfs sancties, indien iemand niet meewerkt aan het uitleveren van zijn persoonlijke gegevens?. Start en Vedior beschikken al over de gegevens van werkzoekenden die zijn ingeschreven bij het arbeidesbureau.

Hoe kan dat?

De minister heeft hier geantwoord, dat Marijnissen er maar aan moet wennen dat publiek en privaat meer zullen gaan samenwerken op het gebied van arbeidsbemiddeling. Verder geeft de minister nauwelijks antwoord op de gestelde vragen. Niet over mogelijke sancties als iemand niet wil dat zijn gegevens worden doorgegeven, en niet over het feit, dat Start en Vedior nu al beschikken over de gegevens.
Marijnissen citeert een brief van de Registratiekamer, waarin staat: "Het is de registratiekamer echter gebleken dat ook gegevens van diegenen die uitdrukkelijk bezwaar hebben gemaakt, worden verstrekt aan uitzendbureau's binnen het samenwerkingsverband". Blijkbaar gebeurt het gewoon, of je daarvoor wel of geen toestemming hebt gegeven. Marijnissen herhaalt aan de hand van brief van een advokaat uit Roermond nog eens, dat de werkzoekende bezwaar kan maken, en dat de gegevens worden doorgegeven als de werkzoekende dat niet doet.
Dit zou anders moeten. Er zou gevraagd moeten worden of men het goed vindt, dat de gegevens doorgestuurd worden en niet dat de gegevens doorgestuurd worden als men niet reageert.  Het arbeidsbureau rechtvaardigde de handelwijze met de volgende tekst: "dat het vragen van schriftelijke toestemming praktisch niet goed uitvoerbaar is en een belemmering vormt voor effectieve uitwisseling van gegevens met andere intermediairs, zoals uitzendbureau's." De minister heeft oa  
geantwoord, dat er binnenkort een rapport van de Registratiekamer zal verschijnen, waar op deze kwestie wordt ingegaan.

Over de uitwisseling van gegevens tussen arbeidsbureau's en bedrijven verscheen een gedegen artikel in het maandblad Doen van Robert Loeber. Het artikel werd ookgepubliceerd in Kleintje Muurkrant uit Den Bosch.

maandag 9 maart 1998

De acties van de Franse werklozen. Wie misère zaait zal colère oogsten

De Franse werklozencomitees weten van geen ophouden. De actiebereidheid is nog steeds groot. Na drie maanden aktievoeren gingen de uitkeringsgerechtigden op 7 maart en 8 april weer de straat op. De kwaadheid (Frans: colère) over de armoede en werkloosheid is groot. In de woorden van een Vlaams spandoek: 'wie misère zaait zal colère oogsten'. En er zijn grote plannen voor akties in de maanden mei en juni, waarbij Duitse en Franse organisaties gaan samenwerken. Maar de beweging moet vele hindernissen nemen. In de woorden van Christophe Aguiton, een van de organisatoren van de Franse acties: 'de beweging stuit op grenzen. Actieve solidariteit van de werkenden blijft uit'.

Vrijdag 6 maart gingen vier vertegenwoordigers van de Bijstandsbond en de Werklozen Belangen Vereniging naar Parijs om deel te nemen aan de akties van Franse werklozen voor verhoging van de uitkeringen en arbeidstijdverkorting/ recht op werk. We gingen als vertegenwoordigers van het Nederlandse netwerk van de Euromarsen tegen werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting, die op 15 juni in amsterdam geleid hebben tot de grote demonstratie waar 50.000 mensen aan deelnamen. Er gingen ook mensen uit Utrecht naar Parijs. (Van de Werklozenbond en van het Samenwerkingsverband Mensen Zonder Betaald Werk).
Zaterdags namen we deel aan een demonstratie in Parijs. Op die dag gingen in vijf verschillende Franse steden de werklozen weer de straat op. In Marseille waren er 10.000 demonstranten, in Toulouse, Nancy en Rennes waren er vele duizenden. De grootste demonstratie vond echter plaats in Parijs, waar tussen de 15.000 en 20.000 demonstranten waren, die in een meer dan zes uur durende demonstratie van het Gare du Nord naar de Place de la Nation liepen. Centrale eisen waren evenals bij voorgaande akties verhoging van de minimumuitkeringen met 1500 Francs en de innvoering van een RMI (vergelijkbaar met onze bijstand) voor jongeren onder de 25 jaar. Daarnaast waren er in de verschillende blokken nog andere eisen, zoals een drastische arbeidstijdverkorting. De demonstraties waren georganiseerd door de vier belangrijkste organisaties van werklozen: APEIS, Action Chomage, de MNCP en de werklozencomitees van de CGT. Opvallend was, dat er ook vele organisaties van de 'sans beweging' aanwezig waren. (sans papier, sans logis, sans droit). 
Wij liepen mee in het 'Euromarsenblok', dat bestond uit Italianen, Belgen, Duitsers en Nederlanders.
Het was een enerverende demonstratie, met veel spandoeken, balonnen en gezang. De demonstratie was een groot succes, vooral omdat in de maand februari de akties een beetje leken te zijn ingezakt.

evaluatie

Aguiton zei na afloop op een vergadering waar de aktie geevalueerd werd, dat deze nationale aktie met demonstraties in vijf verschillende steden voor de organisatoren een beetje een gok was: zou men in staat zijn, nu weer massademonstraties van de grond te krijgen?. Het antwoord luidde dus: ja. De beweging is nu sterk genoeg om periodiek akties op nationale schaal te organiseren. Het inzakken van de beweging in febnruari was gedeeltelijk ook schijn. Een vertegenwoordiger van de CNT, een anarcho-syndikalistische vakbond, die ik voor de demonstratie sprak zei, dat de overheid de bezettingen van uitkeringskantoren en blokkades van wegen in eerste instantie accepteerde, maar dat na verloop van tijd steeds sneller en harder door de politie werd ingegrepen; ontregelingsakties die wat langer duren zijn nu niet meer mogelijk. Bij de laatste bezettingen werden ook mensen gearresteerd, vier werklozen hebben twee weken vastgezeten. Hun proces vindt eind maart plaats en dan zijn er ook weer allerlei solidariteitsakties. De werklozen hielden in februari de moed erin door picketlines en andere kleinere demonstraties te organiseren, maar die waren minder spectaculair dan de bezettingen, zodat de media er weinig aandacht aan hebben besteed.

plannen regering

Toch heeft de sociale beweging met moeilijkheden te kampen. De regering heeft naast het hardere politieingrijpen- tegenvoorstellen gedaan, waarvan de wet tegen de uitsluiting van minister Aubry wel de belangrijkste is. In drie jaar tijd wordt voor maatregelen in het kader van de wet 30 miljard Francs uitgetrokken. Ook voor de jaren daarna wil men geld uittrekken. Dat lijkt veel, maar een groot deel is in feite bedoeld om reeds bestaande maatregelen op het gebied van werkgelegenheid te financieren. Daarnaast wil men verbetering van de arbeidsbemiddeling en meer scholingsmogelijkheden voor werklozen. De 'verbetering' van de arbeidsbemiddeling doet denken aan de werklozenbestrijding in ons poldermodel, die eind jaren tachtig begon met de 'heroerientatiegesprekken' met langdurig werklozen op initiatief van de toenmalige minister van sociale zaken de Koning. In Frankrijk konstateert men hetzelfde als bij ons toen: 57% van de werklozen heeft hooguit eenb gesprekje van tien minuten gehad met de ANPE (vergelijkbaar met ons arbeidsbureau) en 29% van de werklozen heeft sinds de inschrijving nog nooit een gesprek gehad. Nu wil men binnen zes maanden langdurige gesprekken met een half miljoen jongeren, en binnen tien maanden zulke gesprekken met een miljoen andere werklozen. Onze oude brochure 'heroerientatie is geen werk. De straf moet eraf' uit 1989 nog maar eens uit de kast halen. Misschien kan iemand die vertalen. Aubry is overigens op deze gedachten gekomen naar aanleding van de europese werkgelegenheidstop in Luxemburg..... De Franse regering spreekt over een 'soutien personalise': vrij vertaald: individueel maatwerk. Daarbij komen er -net als in Nederland- mogelijkheden contracten af te sluiten met individuele werklozen, die zich in ruil voor hun uitkering verplichten individuele trajecten richting arbeidsmarkt te volgen. De individualisering en depolitisering van het werkloosheidsvraagstuk komt ook in Frankrijk van de grond. Verder wordt er voor 60.000 randgroepjongeren een soort Jeugd Werk garantie Wet ingevoerd, en komen er riumere bijverdienstemogelijkheden naast de ASS (de werkloosheidsuitkering). Op groind van meer dan tien jaar ervaring met soortgelijke maatregelen kunnen wij wel stellen, dat dit soort werklozenbestrijding de werkloosheid niet oplost en ook geen oplossing is voor de tweedeling tussen arm en rijk.

nieuwe plannen

Hoezeer er ook meningsverschillen in de beweging aan het daglicht treden, over een ding is iedereen het eens: de plannen van de regering Jospin zijn volstrekt onvoldoende en nieuwe akties zijn nodig.
Men heeft daarbij twee doelen: uitbreding van de coalitie met de vrouwenbeweging en met de 'sans' beweging en internationalisering van de akties. Op de evaluatievergadering van de genoemde organisaties werd een veelheid aan aktieplannen besproken. De Duitsers waren op deze vergadering met een sterke delegatie aanwezig. Zowel op de korte als op de lange termijn worden nieuwe akties gepland van Duitse en Franse werklozen gezamenlijk. Er is een gemeenschappelijke groep gevormd, die de aktie gaat voorbereiden. Op 8 mei voerden de werklozen uit de twee landen gezamenlijk aktie in de grenssteden van de twee landen, met name in Keulen en Straatsburg. Daarbij werd de brug op de weg tussen de twee steden geblokkeerd. De Duitse werklozen hebben op 11 september in Berlijn een grote massa-demonstratie gepland, die het voorlopig eindpunt is van de akties die nu gevoerd worden. Tot die tijd zijn er aan het begin van iedere maand akties als de werkloosheidscijfers in Duitsland bekend worden gemaakt. (de eerstvolgende aktiedag was 5 april). Op de grote demonstratie in Berlijn zullen de Fransen met vele honderden aktievoerders aanwezig zijn. En....voorjaar 1999 moet een nieuw hoogtepunt worden, met een massademonstratie in Keulen tijdens de Eurotop, die dan in deze stad wordt gehouden. En dit is nog maar een greep uit de vele plannen.
De Fransen van hun kant plannen voor de maand mei een nieuwe aktiemaand. Met name tussen 1 mei en 6 juni, wanneer de plannen van Jospin en Aubry in het parlement behandeld zullen worden.


Piet van der Lende

vrijdag 9 januari 1998

Evaluatie Derde Kamer na enkele jaren

Evaluatie Derde Kamer

Bij de Derde Kamer haden we de volgende uitgangspunten/gedach­ten.

1. De Derde Kamer moet organisatorisch en inhoudelijk een alternatief zijn voor politieke partijen en het overtheidsbe­leid. Het is de bedoeling, buiten politieke partijen en over­legstrukturen met de overheid om een soort tegenbeweging op te bouwen, die zich niet laat inkapselen en die met name de thema's demokratie, migratie, armoede en milieu met elkaar in verband brengt. Een beweging nadrukkelijk tegenover de huidige politiek/beleid.

2. Sociale bewegingen zijn in Nederland one issue bewegingen geworden, die zich maar met een bepaald onderwerp bezig hou­den, zodat er geen over all analyse van de maatschappij en het formuleren van een alternatief daarvoor tot uitgangspunt gekozen wordt. Een visie op het geheel ontbreekt. Verder zijn er ook organisatorisch weinig kontakten tussen de mensen, die in een bepaalde sociale beweging aktief zijn. Er zou bij deze mensen wel eens een grote behoefte kunnen bestaan om met andere bewegingen in kontakt te komen en gezamenlijk een alternatief te ontwikkelen. De Derde Kamer kan als functie hebben, deze mensen met elkaar in kontakt te brengen en dat gezamenlijke alternatief te ontwikkelen.

3. We moeten daarbij niet een van te voren geformuleerd alter­natief op tafel leggen, maar van onderop, dwz de mensen uit de verschillende sociale bewegingen moeten al diskussierende met elkaar tot de formulering van een gemeenschappelijk inhoude­lijk alternatief komen. De tijd is voorbij, dat je een verkla­ring dropte van bovenaf en daar dan aanhang vopor probeerde te werven. De mensen zijn mondig genoeg om zelf dingen te formu­leren. Hierover hebben echter voortdurend diskussies in de Derde Kamer plaatsgevonden, vanaf het begin. Het besluit is in feite geweest, dit niet te doen.

4. Aansluitend bij het niet van bovenaf opleggen van analyses en methoden om dingen te bereiken moeten we proberen op lokaal nivo plaatselijke Derde Kamers te ontwikkelen, waarbij de mensen uit verschillende sociale bewegingen die de plaatse­lijke situatie goed kennen samen op lokaal nivo aktief worden vanuit een bredere visie (glokalisering). Deze plaatselijke coalities van derde kamers vormen een soort federatie op landelijk nivo, de landelijke Derde Kamer.

5. De tijd is rijp voor een dergelijk alternatief. Er is een krisis in het besluitvormingssysteem, die de legitimatie ervan ondergraaft. Mensen geloven steeds minder in de huidige poli­tiek. Door de privatisering van publieke taken, het ontstaan van een neo-liberaal Europa en andere faktoren wordt de macht van de nationale staat als regulerende instantie uitgehold. Politieke partijen spreken steeds minder mensen aan, omdat men het geloof in de huidige politiek heeft verloren. Dit is oa genanalyseerd in de eerste grote brochure van de Derde Kamer. De Derde Kamer zal een alternatief zijn voor mensen, om zich bij aan te sluiten. Er kan een tamelijk radikaal links alter­natief ontstaan voor de huidige politiek, die enige aanhang en invloed heeft.

De bovenstaande doelstellingenen klinken zeer ambitieus, en misschien zijn onze ambities iets minder geweest, maar ik geloof, dat ik de belangrijkste uitgangspunten van de Derde Kamer in haar opzet wel heb genoemd. De praktijk bleek wat weerbarstiger dan de teorie. Wat is er, sinds de oprichting van de Derde Kamer de afgelopen jaren gebeurd?

1. De Derde Kamer heeft geen coalities kunnen vormen met andere groeringen, waarbij de Derde Kamer een duidelijk ge­zicht had en een meerwaarde vormde ten opzichte van die andere groeperingen. Daarvoor zijn verschillende redenen. De opzet van een nieuw links blad als coalitie tussen Konfrontatie, Autonoom Centrum, SAP en Lekker Fris is mislukt, evenals het projekt van Konfrontatie zelf. In Amsterdam kwam er geen coali­tie tussen het referendum komitee en de Derde Kamer. Wij hebben een konferentie belegd, op basis van oa een kritiek op het referendumkomitee, dat zij de nationalistisch-Amsterdamse sentimenten probeerden uit te spelen, en dat het om meer ging dan groot of klein Amsterdam. Wij wilden op de konferentie de inhoudelijke achtergronden van het ontstaan van groot-amster­dam naar voren brengen, zodat de diskussie over demokratie en lokale ekonomie inhoudelijk nieuwe impulsen zou krijgen. Dit is niet begrepen. De doelstellingen van de Derde Kamer bleven abstrakt en vaag.

2. In sociale bewegingen bleek het opzetten van one-issue groeperingen met een specifiek doel een bewuste politiek te zijn, in het licht van de onmogelijkheden op dit moment in Nederland op werkelijk grote sociale bewegingen van de grond te krijgen, op basis van een gemeenschappelijke analyse, die de regering onder druk zetten. Wijnand Duivendak heeft daar oa een intervieuw over gegeven. De behoefte, met andere sociale bewegingen te praten bleek niet zo groot, en het is vanuit een specifieke beweging ook mogelijk, een totaal analyse te maken. De ervaringen met het Platform naar een Ander Europa hebben mij geleerd, dat zeker bij de kaderleden van verschillende groeprringen geen behoefte bestaat aan langdurige coalities. Men komt alleen tot gelegenheidscoalities, naar aanleiding van gebeurtenissen, die zich voordoen. (De Europese Top)

 PvdL

donderdag 1 januari 1998

De organisatie van de arbeidsbemiddeling in Nederland in 1998

In Nederland is de organisatie van de arbeidsbemiddeling een onoverzichtelijke lappendeken van allerlei organisaties. Arbeidsbureaus, gemeen­telijke instellingen, zorgverzekeraars, uitzendbureaus etc. Al die instellingen houden zich bezig met de uitvoering van allerlei regelingen, maar ook met arbeidsbemiddeling, omscholing, trajectbegeleiding, sollicitatiecursussen, etc. Allemaal ac­tiviteiten om de werkzoekende klaar te stomen voor de kennis en vaardigheden die de werkgever eist. Het is een erg onoverzichte­lijk geheel van instel­lingen, die langs elkaar heen werken of elkaar beconcurreren.
Toch zal ik proberen, in het volgende enige lijnen van de arbeidsbemiddeling in Nederland aan te geven.
In het poldermodel zijn er globaal 4 methoden, om de deelname van de beroepsbevolking aan betaalde arbeid te bevorderen. Ten eerste de algehele loonkostenverlagingen voor werkgevers op basis van belastingverlagingen en loonmatiging. In dit artikel komt dat verder niet ter sprake; het is een macro-ekonomisch verhaal, dat een beetje buiten de organisatie van de arbeidsbemiddeling valt. Ten tweede door een systeem van arbeidsbemiddeling, waarbij getracht wordt vraag en aanbod op de arbeidsmarkt zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. Ten derde door gerichte subsidiëring van werkgevers, om bepaalde groepen, bijvoorbeeld langdurig werklozen- weer aan werk te helpen.
En tenslotte door de opzet van de zogenaamde additionele arbeid, de creatie van door de overheid betaalde ? banen.
Ik ga eerst in op de organisatie van de arbeidsbemiddeling. 

arbeidsvoorziening

Op landelijk niveau is er de Arbeidsvoorziening Nederland. Daaronder ressorteren Regionale Besturen Arbeidsvoorziening. (RBA's), die voor de arbeidsbemiddeling in een bepaalde regio zorgen. In het bestuur van Arbeidsvoorziening Nederland en de RBA's zitten vertegenwoordigers van de overheid, de werkgevers en de werknemers. De arbeidsvoorzieningsorganisaties zijn verantwoordelijk voor de volgende taken:
registratie van werkzoekenden en van vacatures, beroeps keuzevoorlichting in samenwerking met de Adviesbureaus voor Opleiding en Beroep, waarvan er een is in iedere regio, arbeids -medische advisering, arbeidsbemiddeling, scholing, behandeling ontslagaanvragen en uitvoering van de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV).
De uitvoering van al deze taken van arbeidsvoorziening is in handen van arbeidsbureau's en de centra voor vakopleiding (CVV's)
Mensen met een WW of bijstandsuitkering moeten zich bij het arbeidsbureau als werkzoekende laten inschrijven. Maar in principe kan iedereen zich laten inschrijven. Men kan gebruik maken van de vacaturebank. Verder kan men bij het arbeidsbureau terecht voor omscholing, sollicitatiecursussen, beroepskeuzetests, de Wiw, diverse projekten, enz.

andere organisaties

Naast het arbeidsbureau houden verschillende organisaties zich bezig met de arbeidsbemiddeling voor specifieke groepen, zoals de Stichting Inzet (middelbaar en hoger personeel), de AVO en de HSA (voor mensen met een handicap), Emplooi (voor Vluchtelingen), RPD advies (voor een baan bij de rijksoverheid), uitzendbureau Start (oa voor langdurig werklozen).
Daarnaast zijn er nog organisaties die zich met toeleiding naar de additionele arbeid en de zogenaamde trajectbegeleiding bezig houden. Ik kom daar nog op terug.
Het regionaal bestuur arbeidsvoorziening is betrekkelijk autonoom in het te voeren beleid. Ze kijken vooral naar de verhouding tussen vraag en aanbod in de betreffende regio. In de ene regio kan er een tekort zijn aan arbeidskrachten voor een bepaald beroep, en in een andere regio weer niet. Dit kan er toe leiden, dat je de scholingskos­ten voor een bepaalde opleiding in de ene regio wel vergoed krijgt (het is nood­zakelijke scholing) en in een andere regio weer niet.
Maar uitgangspunt zijn eigenlijk altijd de wensen van de werkgeve­rs. Die zijn auton­oom in hun personeelsbeleid, en zij beslissen of ze iemand wel of niet aannemen. Vervolgens wordt gezocht naar (langdurig) werklozen die moeten worden klaar ges­toomd voor die werkgevers-eisen. In dit kader kunnen de consulenten gesprekken voeren met werklozen om bijvoorbeeld een omscholingsc­ursus, of een sollicitatietraining te volgen. Ook zijn er 'Melkert consulenten' die mensen moeten selecteren voor de additionele arbeid.

regelingen

We komen nu op de tweede methode om de werkgelegenheid te bevorderen en mensen aan het betaalde werk te helpen, nl de loonkostensubsidies voor specifieke groepen, meestal regelingen, die ook door het arbeidsbureau worden uitgevoerd.  Het zijn loonkostensubsidies voor werkgevers. Consulenten van het arbeidsbureau kunnen deze regelingen gebruiken, om een werkgever ertoe te bewegen een werkloze of een andere werkzoekende in dienst te nemen. Er zijn veel van die regelingen. Er is bijvoorbeeld gerichte subsidiëring om in bepaalde sectoren meer laag­ betaalde, ongeschoolde arbeid te scheppen. Een voorbeeld van dat laatste zijn de wettelijke maatregelen van afdrachtsver­minde­ring op loonkosten.
Werkgevers kunnen een afdrachtskor­ting van fl 3660,- gulden krijgen wanneer ze iemand voltijds in dienst nemen op het niveau van maximaal 115% van het Wettelijk minimumloon. Dit geldt dus niet alleen voor langdurig werklozen.
Dan is er nog de premievrijstelling bij kortdurende arbeid door uitkeringsgerechtigden. Voor kortdurende arbeid door personen die een WW, WAO of Ziektewet uitkering ontvangen, kan een werkgever vrijstelling van premies voor de werknemers verzekeringen krijgen. Bijvoorbeeld bij seizoenwerk, zoals werk in de aspergeteelt.
Er zijn nog veel meer regelingen, zoals de kaderregeling uitzen­darbeid, subsidies van de Europese Unie en de regeling marktverruiming schoonmaakbranche. Verder de bijdrage regeling bedrijfstakgewijze scholing werklozen. Maar het zou hier te ver voeren alle regelingen op te sommen en uit te leggen.

Fasering van werklozen

Werklozen die zich aandienen, worden eerst op hun kansen op werk beoordeeld en in vier categoriën ingedeeld. Dit wordt aanbodanalyse genoemd. De indeling wordt gemaakt door een Ar­beidsbureau-consulent. Hierbij wordt tijdens een mondeling gesprek met de cliënt een inschatting van de mate van bemiddelbaarheid gemaakt.
Hierbij worden vier categorieën gehanteerd: fase een goed bemiddelbaar, fase twee bemiddelbaar na inzet van instrumentarium arbeidsbureau, fase drie pas bemiddelbaar na intensief traject waarbij het arbeidsbureau en anderen (sociale diensten, gemeenten) samenwerken en fase vier zijn mensen, die niet bemiddelbaar zijn.
Het Arbeidsbureau verzorgt in beginsel bij alle gevallen de bemid­deling naar betaalde arbeid op de reguliere arbeidsmarkt, al dan niet na enig traject.
De mensen die in fase 4 vallen worden door de GSD begeleid. Hierbij heeft de GSD drie mogelijkheden, namelijk een uitstroomtraject, zorg/inkomenstraject en (uitsluite­nd) inkomenstraject. Wordt van je de inschatting gemaakt dat je nog kansen hebt op de arbeidsmarkt of een gesubsidieerde baan na enige scholing/begeleiding, dan wordt je overgeheveld naar 3 of hoger. Zijn je arbeidskansen klein dan val je in het zorg/inko­menstraject, waarbij je te kennen kunt geven dat je zorg nodig hebt, en waarbij je doorverwezen wordt naar een zorginstelling. Heb je geen hulp nodig, val je in het inkomenstraject, waarbij je met rust gelaten wordt. Zonodig worden je kenmerken geregistreerd, zoals "arbeidso­ngeschikt, lichamelijk, of gees­telijk gehandicapt". In totaal zijn de mensen in de zogenaamde fase 4 weer ingedeeld in 15 verschillende kategorien.
Met name de gemeenten subsidiëren wel of niet met gelden van de rijksoverheid of van het Europees sociaal fonds projekten, In Amsterdam zijn daarvoor bijvoorbeeld zogenaamde toeleidingscentra opgericht. Deze toeleidingscentra houden zich bezig met sociale activering en toeleiding naar allerlei ook vaak weer door de overheid gesubsidieerde zelfstandige projekten, die mensen weer klaar moeten stomen voor de arbeidsmarkt.
In de toeleidingscentra worden cliënten op zogenaamde vóór-trajecten worden geplaatst. Je volgt allerlei cursussen of gesprekken en je wordt soms doorverwezen. Is een voor-traject met goed gevolg doorlopen, dan volgt verwijzing naar een consulent van het Arbeidsbureau, die dan voor bemiddeling naar de arbeidsmarkt zorgt. Eigenlijk mogen de 'bemiddelaars' van de 'toeleidingscentra' die de voor-trajecten uitvoeren niet aan arbeidsbemiddeling doen. Cliënten worden naar die toeleidingscentra verwezen door Ar­beidsbureau en Sociale Dienst. Voorbeelden zijn het C.O.P in Zuid-Oost, het Brugproject, Centrum Oost Vooruit, Werkwinkel Plus, Instapcentrum Nieuw West. In totaal zijn er zeven van zulke 'toel­eidingscentra' in Amsterdam.

een loket

Bedrijfsverenigingen, Sociale Diensten en Arbeidsbureaus zijn al jaren bezig te proberen de een-loket gedachte in praktijk te brengen. De werkzoekende krijgt dan slechts een intakegesprek voor meerdere organisaties, en hij/zij hoeft niet iedere keer opnieuw zijn/haar doopceel op tafel te leggen. Bovendien kunnen de versch­illende deelnemers aan het een loketsysteem hun werkzaamheden beter op elkaar afstem­men, zodat de kansen voor de werkzoekende worden vergroot. Dat is tenminste de bedoeling.
Uiterlijk op 1 januari 2001 moeten alle arbeidsbureau's sociale diensten en uitvoeringsinstellingen opgegaan zijn in een 'front-office' in ongeveer 219 Centra's voor Werk en Inkomen. De werkzoekende komt binnen langs een haag van vacatures en helemaal aan het einde van de gang zit een mannetje voor de aanvraag van de uitkering. Voordat een uitkering sowieso in zicht komt, wordt eerst pogingen in het werk gesteld iemand aan werk te helpen. De druk op de werkzoekenden wordt groter. Dit proces van de een loket ­benadering kent veel moeilijkhe­den, teveel om op te noemen. Com­petentiestrijd, computers die niet op elkaar aangesloten kunnen worden, gebruik van verschillende termen voor hetzelfde, etc.
Ik noem hier kort ook de uitzendbureau's. Wat doen zij? 5% van de totale werkgelegenheid gaat via uitzendburoos.
Via een uitzendbureau is het mogelijk tijdelijk werk te krijgen. Uitzendbureau's zijn geen arbeidsbemiddelaars zoals arbeidsbureaus. Uitzendbureau's stellen arbeidskrachten ter beschikking. Men is in dienst van het uitzendbureau. Uitzendbureau's mogen uitzendkrachten gedurende een periode van maximaal zes maanden uitlenen aan hetzelfde bedrijf. Overschrijding van deze termijn met ten hoogste een half jaar wordt gedoogd door de Arbeidsinspectie.

Additionele arbeid

De vierde methode om de werkgelegenheid te bevorderen en mensen aan betaald werk te helpen is de invoering van de additionele arbeid. Nederland kende tot 1januari 1998 verschillende regelingen, om langdurig werklozen weer aan het werk te helpen. In de eerste plaats de banenpool en de Jeugd Werk Garantiewet, In de tweede plaats de Melkertregelingen, 1 en 2. In de derde plaats de sociale activering op grond van artikel 144 van de bijstandswet. Tenslotte is er nog de Wet Sociale Werkvoorziening om lichamelijk of geestelijk gehandicapten aan het werk te helpen.
Deze regelingen zijn per 1 januari afgeschaft, en vervangen door de Wet Inschakeling Werkzoekenden (W.I.W), die een integratie van al die regelingen beoogt.
Doelgroepen zijn alle bijstandsgerechtigden, alle werkloze jongeren, andere werklozen die langer dan een jaar bij het arbeidsbureau staan ingeschreven.
De instrumenten die gehanteerd kunnen worden zijn sociale activering (bijvoorbeeld vrijwilligerswerk), scholing, detachering en werkervaringsplaatsen.
Voor elke jongere die zich aanmeldt voor een uitkering of zich inschrijft als werkloze, wordt door de gemeente en het arbeidsbureau een trajectplan gericht op werk opgesteld. Binnen uiterlijk een jaar moet de gemeente met de jongere een dienstverband aangaan. Deze 'sluitende aanpak' is in het algemeen beperkt tot jongeren jonger dan 23 jaar.
Gemeenten kunnen bovendien personen uit de doelgroep bij wijze van opstap naar een reguliere baan tijdelijk werkervaring laten opdoen door een werkervaringsplaats bij een werkgever in de markt‑ of collectieve sector. De bemiddeling daarvoor loopt via het arbeidsbureau. De deelnemers hebben een dienstverband van meestal een jaar met de werkgever, die hiervoor subsidie krijgt van de gemeente.
Dan is er nog het W.I.W. dienstverband. Werknemers hebben een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht met de gemeente, of een daartoe aangewezen uitvoeringsorganisatie. In Amsterdam bijvoorbeeld zijn de werknemers in dienst van de organisatie Maatwerk. De werknemers worden gedetacheerd bij (inlenende) werkgevers in de collectieve en marktsector. Een detacheringsperiode van een jaar heeft de voorkeur. De arbeidsduur is in beginsel 32 uur. 
De duur van de arbeidsovereenkomst is in eerste instantie beperkt tot maximaal twee jaar met een beloning op het niveau van het wettelijk minimumloon. 
Ik heb nu verschillende maatregelen genoemd om de werkgelegen­heid te bevorderen, nl gerichte en ongerichte lastenverlichting en additionele arbeid, de derde sector, die ontstaat door een deel van de bezuinigingen in te zetten en door het terugploegen van uitkeringsgelden. Daarnaast zijn er nog andere maatregelen om bepaalde groepen die nu buiten de boot vallen omdat ze niet vol­doen aan de eisen van de werkgevers toch aan werk te helpen. Dat zijn oa de Wet gelijke Behandeling van mannen en vrouwen bij de Arbeid (WBA), en de nieuwe wet REA (Reintegratie Arbeidsgehandicapten).

Piet van der Lende

vrijdag 21 november 1997

Het poldermodel "We moeten een nieuwe sociale kwestie stellen"

Demonstreren in Luxemburg

Op vrijdag 21 november was er in Luxemburg een overleg van de Europese regeringsleiders over werkgelegenheid. Het Euro­pees Verbond van Vakverenigingen (EVV) riep op tot een demon­stratie aan de vooravond van de top, op donderdag, met als een van de cen­trale eisen: een effectieve, drastische arbeids­tijd­verkor­ting om de werkloosheid te verminderen. De FNV deed echter niet mee. Het komitee dat in Neder­land de Euromarsen tegen werk­loos­heid, armoede en sociale uitsluiting had georga­niseerd besloot daarop, een delegatie naar Luxewmburg te sturen. Zo namen toch nog ruim 50 demon­stranten uit Nederland deel aan de grote demonstratie, die ruim 25.000 mensen telde. Enkele ervaringen.

s'Morgens om zeven uur vertrok de bus achter het Centraal station in Amsterdam. In Utrecht en Eindhoven werden nog groepjes demonstranten opgehaald, en toen zat de bus vol. Aangekomen in de stad Luxemburg reden we naar het station van de spoorwegen, waar de demonstratie begon. We stapten uit en voegden ons bij het blok van de Euromarsen. Alle demonstranten in dit blok hadden zwart-witte hesjes met het embleem van de Euromarsen erop. En op de achterkant: Chomage Ya Basta!. Het was een kleurige demonstratie met rode, groene en blauwe hesjes van de verschillende blokken. Men demon­streerde in de verschillende blokken vooral voor arbeids­tijd­verkorting met herbe­zet­ting. We liepen de Avenue de la Li­berte af, een grote Boule­vard van 25 meter breed. Zo ver je kon kijken waren er demon­stranten. Zij liepen in de blokken van hun vakbonden, vooral Belgi­sche en Franse. Maar er waren ook Grieken, Italia­nen en Span­jaarden en veel Duitsers. Een Neder­lander vertelde mij, dat hij met de bus uit Duisburg was gekomen. De Duitse vakbonden hadden niet opgeroe­pen tot de demonstratie, maar veel kaderle­den waren toch tot mobiliseren overgegaan. Zo waren er oa drie bussen uit Duisburg. Het was een levendige demonstratie met vuur­werk, gezang, muziek, toortsen en grote ballonnen. Uit een grote luidspreker op een auto schalde een Vlaamse versie van het Mariannelied. Dit riep bij mij gemengde gevoelens op. Aan de ene kant: een meer dan honderd jaar oud, prachtig lied uit een mooie tradi­tie. Aan de andere kant besefte ik, hoe ver de grote groep van werklozen in zijn/haar dagelijkse leefwereld inmiddels verwij­derd is van deze tradi­tie, vooral in Neder­land.

bekenden

Tij­dens de demon­stra­tie heb ik allerlei beken­den ontmoet uit de tijd van de Euromar­sen. In dit blok van ongeveer 2000 mensen waren veel vertegenwoordigers van het Franse Action Chomage en van de vakbond SUD. Er waren veel beken­den van AC! Gironde, die ook meegelopen hebben in de Euromar­sen. Veel Fransen waren met een trein gekomen. Zij hadden enkele dagen eerder in Parijs een pamflet verspreid, waarin opgeroepen werd op de twintigste om acht uur s'morgens te verzamelen bij het Gare de l'Est. Daar zou men eisen, dat er een trein naar Luxemburg zou gaan, zonder dat de reizigers hoefden te beta­len, zodat ook mensen met weinig geld konden deelnemen aan de demonstratie. De trein is inderdaad in Luxem­burg aangekomen. Maar vrijdag­nacht zijn de ongeveer twee­hon­derd treinreizigers bij terug­komst in Parijs gearresteerd. Ik weet niet, hoe het hen verder is vergaan.
Bij het eindpunt verliep de demonstratie. Er was geen centrale manifestatie. Iede­reen liep via de winkel­straten in het cen­trum een park in, terug naar de par­keerplaats voor de bussen. Het netwerk van de Euromarsen had wel een manifes­tatie georga­niseerd, in de halle de Victor Hugo. Maar de zeer grote hal nauwelijks gevuld met mensen. De meesten van het Euromar­sen­blok waren direct met de bus terug­ge­gaan naar huis. Het was sommigen ook niet duide­lijk, dat er na afloop nog een manifes­tatie was, en de halle Victor Hugo was ook niet eenvou­dig te vinden. 

FNV doet niet mee

Wat moet je verder denken van zo'n demonstratie? Je kunt je op het standpunt stellen van Lodewijk de Waal, voorzitter van de FNV, die in een brief aan de bestuurders van de aangesloten bonden schreef, dat demonstreren op dit moment geen zin heeft. Beter is overleg met de werkgevers en met Kok en lobbywerk achter de schermen. Behalve de beinvloeding van de top heeft zo'n demonstratie echter ook als functie: een bijdrage in het opbouwen van een Euro-kritische beweging van onderop, waarbij een veelheid van internationale contacten ontstaat. De vakbe­weging ontleende in het verleden haar macht en invloed aan de mobili­satie van de achter­ban, waarbij mid­dels een grote varie­teit aan aktievormen druk werd uitgeoefe­nd op werkgevers en overheid. Deze lijn lijkt De Waal te hebben verlaten. Alles wordt op het overleg gegooid, waar­bij men in feite de voor­waarden van de tegenpar­tij accepteert. De leiding van de Neder­landse vakbewe­ging accepteert de uitgangspunten van het pol­dermodel en van de invoering van de Europese munt, die grote overheids bezuinigingen met zich meebrengt. Uit het proefschrift van Ruud Vlek -'Inactieven in actie' blijkt, dat de vakbewe­ging geen prioriteit geeft aan de belan­gen van de laagstbe­taalden, met hun flexibele arbeid, en de werklozen en arbeids­ongeschik­ten, die vaak moeten rond­komen van een mini­mumuitke­ring. De verdediging van hun belangen wordt gesmoord in de vaak stroperige en bureacratische besluitvormingsproce­dures van de bonden.

resultaten top

De activiteiten van Action Chomage in Frankrijk, de Euromar­sen, de demonstratie in Luxemburg en andere akties hebben ertoe bijgedragen, dat het vraagstuk van de werkloosheid op de Europese agenda is geplaatst. Vooralsnog zijn de afspraken die in Luxemburg werden gemaakt echter boterzacht. Men wil binnen vijf jaar stage­plaatsen of werk regelen voor jongeren die werkloos zijn, maar landen met een grotere werkloosheid mogen er langer over doen. Er wordt op de Europese begroting een miljard uitgetrokken voor startende ondernemers. De lidstaten moeten verder werken aan nationale banenplannen, maar harde verplichtingen voor de landen zitten daar niet aan vast. De lidstaten gokken op lastenverlaging voor werkgevers, die meer werk zou opleveren. Nederland probeerde op de top in Luxemburg haar poldermodel te exporteren. Het is nu zaak, de kritiek op dit model te intensiveren en alternatieven aan te dragen.

Piet van der Lende