Het armoededebat.
In Nederland wordt op allerlei nivo's gediscussieerd over het thema : armoede in een welvarende samenleving. De Rijksoverheid heeft het initiatief genomen om jaarlijks een
'armoedeconferentie' te organiseren, waarbij voorafgaande aan deze conferentie overal in het land bijeenkomsten worden gehouden, waar belangenorganisaties van uitkeringsgerechtigden, vakbonden en
hulpverleningsinstellingen met elkaar discussieren. Ook op het nivo van de grote steden vinden dergelijke discussies plaats.
Het is echter een 'wit', nederlands debat. Belangenorganisaties van vluchtelingen of allochtonen zijn bij
dit debat afwezig. Zij houden zich vooral bezig met het 'minderheden, antiracisme en integratie debat' waarbij in het kader daarvan ook het vraagstuk van de armoede aan de orde komt. En bij dit debat zijn de Nederlandse uitkeringsgerechtigden en hun organisaties weer niet aanwezig.
Aldus bestaan er twee gescheiden circuits van debatten en soms acties, waartussen niet of nauwelijks verbindingen bestaan.
Hieraan kan worden toegevoegd, dat in de grote vakbonden vooral de werkende Nederlandse man de boventoon voert.
Natuurlijk is dit een schematische weergave. Er zijn misschien wel voorbeelden te noemen van samenwerking tussen organisaties, en er zijn zeker personele verbindingen. (Mensen
die in beide circuits actief zijn). Maar van coalities op wat grotere schaal en wat langere termijn, die struktureel zijn is geen sprake. Dit heeft zo zijn consequenties. In het debat van uitkeringsgerechtigden is de internationale dimensie en het vraagstuk van de migratie afwezig. Ondanks het bestaan van initiatieven als ENU en EAPN en Euromarsen. Toch was en is meer samenwerking in mijn ogen noodzakelijk. Waren er al internationale verbindingen door de komst van migranten uit de Middellandse zee gebieden en de voormalige kolonien, nu met de Europese eenwording dringt de internationale dimensie van het armoedevraagstuk zich wel aan ons op. Neem alleen al dit: nu we in een hoogconjunctuur zitten(hoe lang nog?) ontstaan er vacatures op deelmarkten naast grote strukturele werkloosheid.
Zowel in het migratiedebat als in het anders denken over arbeid debat is er een gemeeschappelijk kritiekpunt op de huidige maatschappij: mensen worden gereduceerd tot arbeidskrachten, waarbij andere dimensies van het menszijn niet aan de orde komen.
zaterdag 10 oktober 1998
zondag 16 augustus 1998
Een veelkoppig monster in verschillende gedaanten
De Armoede is in de afgelopen 20 jaar al diverse malen 'ontdekt'. Telkens duiken er weer discussies op over grote groepen mensen in onze overigens welvarende samenleving, die financieel en anderszins geen perspectief meer hebben. Waarna de discussie gaat over: wat eraan te doen. Maar armoede heeft wel wat weg van een veelkoppig monster.
Om met een van die koppen te beginnen: meestal wordt het inkomen als criterium genomen, om te bepalen of iemand wel of niet in armoede leeft. Wetenschappelijke onderzoekers houden enquetes, verwerken
statistieken en meten de koopkracht. Daaruit blijkt dat de mensen met een minimaal inkomen er de laatste vijftien jaar minstens 15% in koopkracht op achteruit zijn gegaan. Maar een verhoging van de uitkeringen om dit in te halen zit er niet in. Op basis van macro-economische argumenten over lastenverlichting, werkgelegenheid en de noodzaak van een zuinige overheid is daar geen geld voor, beweren de meeste
politici in Den Haag. Toch moet er iets gebeuren. Naast alle bezuinigingen wat extra's voor de bijzondere bijstand of voor specifieke groepen. Op basis van de gegevens die de wetenschap aandraagt wordt een op maat gesneden inkomenspolitiek ontworpen, waarbij men beperkte hoeveelheden geld uittrekt voor de groepen, die er het slechtst aan toe zijn.
Uitgangspunt van het overheidsbeleid is verder, dat de schuldenproblematiek en de armoede vaak het gevolg is van individueel gedrag, dus daarvoor is een speciale interventiepolitiek nodig, een politiek van stimulansen en sancties op basis van allerlei regelingen, maar ook het individueel bijsturen van gedrag door de hulpverlening, of door mensen op te roepen voor persoonlijke gesprekken. En natuurlijk de een loket gedachte van de Centra voor Werk en Inkomen, de nieuwe Wet Inschakeling Werkzoekenden (WIW), etc.
Helpt het wel? Het aantal mensen met schulden of op het absolute minimum blijft in deze tijd van hoogconjunctuur ongeveer gelijk. Het aantal banen groeit, maar het aantal langdurig werklozen loopt met name in de grote steden nauwelijks terug.
In het overheidsbeleid bestrijdt men het veelkoppige monster van de armoede door hier en daar wat koppen af te hakken, waarna even verderop nieuwe koppen aangroeien. Alles is gericht op betaald werk. Als je weer betaald werk hebt, hoor je weer bij de samenleving en ontstaan weer perspectieven is de redenering. Maar door de toenemende flexibilisering van de arbeid zijn velen in toenemende mate op die arbeid aangewezen.
Er dreigt een groep werkenden te ontstaan, voor wie de perspectieven nog steeds minimaal zijn, de 'working poor'.
andere koppen
En het monster heeft veel koppen.... De schattingen lopen uiteen, maar ongeveer een miljoen inwoners van ons land kan niet lezen en schrijven of beheerst deze vaardigheden slecht. En het gaat daarbij niet alleen om allochtonen, die in het land van herkomst deze vaardigheden niet hebben geleerd. Dus gaat men weer een op maat gesneden interventiepolitiek bedenken. Er worden discussies gevoerd over zwarte en witte scholen, financieel stimuleren van scholen in achterstandsgebieden, die wetenschappelijk nauwkeurig in kaart
worden gebracht, en zijn er discussies over de noodzaak van kleinere klassen.
Nog een kop: er is de veelbesproken kloof tussen de burgers en de politiek. Veel Nederlanders, zo niet de meeste ervaren de discussies over de toekomst van ons land als langdradig en vervelend, men begrijpt vaak niet waar het over gaat, en in veel gevallen is werkelijke zeggenschap niet geregeld. Steeds minder Nederlanders worden lid van of zelfs aktief in een politieke partij, waarbij ze zich sterk betrokken voelen bij
de discussies over de besluiten die de overheid van plan is te nemen. De kloof tussen de burgers en de politiek betekent niet, dat men in het publieke domein niet meer aktief is; men komt echter op allerlei manieren op voor deelbelangen en sluit zich zoals gezegd niet meer aan bij politieke partijen, die de
deelbelangen proberen te verenigen. Je zou het ook een soort verarming kunnen noemen: het verdwijnen van het besef van de samenhang tussen deelbelangen waarbij de emancipatie van de groep waar men zich toe rekent wordt geplaatst in het kader van een meer algemene maatschappijanalyse.
een ander monster
Je kunt als wetenschapper, politicus, bestuurder, hulpverlener, het monster van de verarming beschrijven,
opmeten, en maatregelen bedenken om het te bestrijden. Maar er is met dat monster iets aan de hand. Het heeft niet alleen veel koppen, het neemt ook verschillende gedaanten aan. Hoe duidelijk de hiervoor genoemde verarming ook is, zeker voor de mensen die het treft, juist bij hen leeft het besef, dat de methode en de opvattingen waarmee al die beleidsmakers het monster bestrijden, zelf in sommige opzichten een armoedige en monsterlijke vertoning is. Uitkeringsgerechtigden spreken over betutteling van uitkeringsinstanties, schending van de privacy, de geslotenheid van de politieke cultuur, de lange duur van de afhandeling van aanvragen en van beroepsprocedures, het langs elkaar heen werken van instanties, van het kastje naar de muur gestuurd worden, fouten in de uitvoering van de sociale zekerheid. Mensen worden soms ontmoedigd initiatieven te nemen om zo zelfstandig te worden terwijl de beleidsmakers zeggen dat dit juist wel de bedoeling is. Maar de uitkeringsgerechtigden zeggen ook dat er niet naar hen geluisterd wordt, dat met hun wensen geen rekening wordt gehouden.
Het monster, zeggen veel burgers, dat is eigenlijk de verfijnde interventiepolitiek zelf die de wetenschappers,
bestuurders, de politici, ambtenaren ter bestrijding van de armoede ontwerpen en gebruiken.
verschillende talen
Waarom kijken de betrokkenen zo verschillend naar armoede en de bestrijding ervan? Tussen enerzijds de beleidsmakers die de interventiepolitiek bedenken en anderszijds de mensen die objekt zijn van onderzoek en die benaderd worden is een fundamenteel verschil in positie van waaruit je redeneert, van leef-en denkwereld, van uitgangspunten op basis waarvan een mens kan zoeken naar een evenwicht met zijn omgeving. Lolle Nauta heeft op het verschil in belevingswereld, uitgangspunten en daarop gebaseerd taalgebruik gewezen in een essay over culturele armoede. ( Lolle Nauta. 'culturele armoede' in: 'De factor van de kleine c. Essays over culturele armoede en politieke cultuur'. 1987 Van Gennep, Amsterdam.)
Hij noemt in zijn essay een V.P.R.O documentaire uit 1987, waarin een langdurig werkloze pogingen doet, de beleidstaal van politici te begrijpen en met hen in contact te komen. De werkloze snapt niet, waarom hij ondanks vele sollicitaties niet aan de bak komt. Zijn vrienden in de kroeg vermoeden, dat het iets met politiek te maken heeft. De werkloze schaft zich daarop van z'n laatste centen een net pak aan, en koopt
kranten, waaruit hij artikelen knipt over ekonomie, werkgelegenheid, en aanverwante onderwerpen. Hij vraagt allerlei beleidsnota's op en begint die aandachtig te lezen.
Hij noteert uitspraken van politici wanneer die op de televisie verschijnen en bezoekt vergaderingen van politieke partijen. Zo maakt hij zich het taalgebruik van bestuurders eigen. 'Mijnheer de voorzitter! De lastenverlichting en de ombuigingen in het kader van de budgettering zullen zeker leiden tot een gunstiger verhouding tussen het aantal aktieven en het aantal in-aktieven'. De werkloze raakt steeds verder in
een isolement. Zijn vrienden begrijpen hem niet meer. Maar ook alle politieke deuren blijven voor de werkloze gesloten. Bij een vergadering van een kamercommissie over werkloosheid wordt hij buiten de deur gezet. 'Meneer, wij praten hier niet over'. De werkloze gooit vervolgens zijn nieuwe aktetas in de
Hofvijver, en keert terug naar zijn vrienden in de kroeg.
Hij slaagt er niet in, zijn persoonlijke situatie, waarvan de werkloosheid deel uitmaakt, te vertalen in termen van beleid en politiek. Bij zijn pogingen daartoe lijkt het, alsof zijn persoonlijke situatie in de politiek helemaal niet bestaat.
Zijn situatie is weggedefinieerd. De werkloze tracht criteria uit de wereld waarin mensen elkaar herkennen in buurt, gezin en cafe toe te passen op een wereld, waarin niet herkenbaarheid en vriendschap maar efficiency, strategisch handelen en doelmatigheid binnen teoretische macro-ekonomische modellen het laatste woord hebben. Zo communiceert hij telkens op de verkeerde manier.
culturele verarming
De documentaire brengt ons op het spoor van armoede, die meer is dan het ekonomische probleem van inkomsten en uitgaven en eventuele sociale problemen die daarmee kunnen samenhangen.
Armoede is ook een cultureel probleem, een probleem van de manier waarop individuen en groepen -rijk en arm- reageren op de materiele en sociale omstandigheden waarin zij verkeren, de verklaringen die zij daarvoor geven, het handelen dat daarop gebaseerd is en de gevolgen die dit heeft. Het gaat hier dus om het begrip cultuur dat breder is dan de kunst met een grote K. Over wat ik de ideologische component van cultuur noem, zegt Nauta, dat 'individuen relatief zelfstandige symbolische nissen vormen, waarbinnen oplossingen worden gezocht voor de problemen die materiele en sociale omstandigheden opwerpen'. Er kunnen daarbij verschillende nivo's worden onderscheiden waarin het verschil tussen de cultuur, de ideologie en het daarbij behorend taalgebruik uit de dagelijkse wereld van de werkloze en die van de politici tot uitdrukking komen.
Ik voeg aan de nivo's die Nauta onderscheidt de knelpunten toe, die er m.i uit voortvloeien. In de eerste plaats is er het individuele nivo van de zingeving en de rechtvaardiging van het eigen handelen. Op dit nivo liggen de spanningen en de communicatiestoornissen tussen de werkzoekende en de sociale dienst -ambtenaar, die het door de politici geformuleerde beleid moeten uitvoeren. Klachten over onheuse bejegening zijn het gevolg. Op het tweede nivo ligt de identifikatie met een groep (belangenorganisatie, sociale beweging, club, vakbond).
Hier uit het verschil in cultuur en taalgebruik zich in het gebrek aan invloed van belangenorganisaties van
uitkeringsgerechtigden, of de ondergeschiktheid van de belangen van mensen met een minimuminkomen aan die van anderen (in de grote vakbonden). 'Deskundigen' die de taal van de beleidsmakers spreken onderhandelen vaak voor de armen in plaats van de armen zelf of hun vertegenwoordigers die verantwoording moeten afleggen. Op het derde nivo ligt de intellectuele konfrontatie in het politieke debat. Mensen wensen met argumenten te komen, zich een mening te vormen endie mening te konfronteren met die van anderen. Hier worden de mensen met een laag inkomen vaak gebruikt als 'excuus-truus'. Ze mogen hun persoonlijke verhaal vertellen in hun eigen taal, op de televisie, in de krant, tijdens politieke bijeenkomsten,
waarbij iedereen begrijpend knikt en men weer overgaat op die andere taal, de taal van de beleidsmakers, omdat na het persoonlijke verhaal de 'deskundigen' komen uitleggen hoe het allemaal zo gekomen is, en wat de politiek eraan gaat doen.
slachtoffergroepen en ekonomische modellen
Wanneer Nauta vervolgens het begrip culturele armoede verder analyseert, doet hij echter hetzelfde wat de bestuurders ook doen: culturele armoede wordt uitsluitend gedefinieerd als een gebrek van mensen aan de onderkant van de samenleving.
Werklozen zouden zich op individueel nivo pessimistisch, machteloos en moedeloos voelen. Ze zouden zich alleen aansluiten bij slachtoffergroepen (wij gehandicapten, wij bijstandsmoeders) en niet bij partijen of bewegingen die een meer algemeen programma voorstaan waarin de verschillende belangen worden afgewogen. Ze zijn tot een intellectuele konfrontatie niet in staat, omdat ze geen geld hebben om een krant te kopen, laat staan een hele studie te bekostigen, en zich zo te ontwikkelen.
Aan deze culturele armoede moet gesleuteld worden, vindt Nauta. Het is de vraag of, de waarneming van Nauta klopt. Onderzoekingen naar de leefwereld van uitkeringsgerechtigden tonen aan, dat werklozen dikwijls helemaal niet zo pessimistisch en moedeloos zijn als vaak wordt aangenomen en de hierboven genoemde kloof tussen de burgers en de politiek is niet een specifiek minimaprobleem. Zie oa: Drs A.J.E. Edzes en drs A.C. van Bruggen. 'Fase 4 gefaseerd'. Centrum voor Arbeid en Beleid BV. Mr S.D.
Korevaar. Taskforce Kwaliteit Bijstand.
Natuurlijk moeten er materiele en immateriele voorzieningen zijn die alle burgers in staat stellen zich te ontplooien. Nauta veronderstelt echter, dat de ideologie, de taal van de bestuurders de juiste is en dat mensen die in armoede leven zich hierbij maar moeten aanpassen. Door deze aanpassing kunnen 'sociaal en cultureel isolement, segregatie en gebrek aan sociale cohesie in de samenleving worden opgeheven'. Hierbij gaat hij voorbij aan de culturele armoede van de bestuurders.
De politici zitten verstrikt in macro-ekonomische modellen, die maar een beperkt deel van de maatschappelijke werkelijkheid definieren en analyseren. Dit komt tot uiting in het denken over arbeid. Nu worden afhankelijkheid en onafhankelijkheid uitsluitend gedefinieerd in termen van het wel of niet hebben van betaald werk. Maar er zijn vele andere, misschien wel belangrijker criteria, die iemand afhankelijk of
onafhankelijk maken. Ook de zin of het nut van arbeid wordt voornamelijk afgemeten aan wel of niet betaald. Nut of zin worden afgemeten aan een ekonomisch nut, dat kortzichtig gedefinieerd is. Opvoeding, gemeenschapszin, solidariteit en andere belangrijke waarden in de samenleving die essentieel zijn voor het funktioneren ervan blijven buiten beschouwing.
De boodschap die bestuurders uitzenden is daardoor tegenstrijdig: ekonomisch gezien worden individuen geacht met elkaar te concurreren, maar tegelijkertijd wordt opgeroepen tot de waarden die hierboven werden genoemd. Deze tegenstrijdigheid heb ik aan de orde gesteld in het artikel 'De slachtoffers van de dynamiek van het poldermodel'. (In: Maarten Baltussen en Johan van Workum red.'De rijke kant van Nederland. Armoede staat zelden op zichzelf'. Van Gennep Amsterdam 1998.)
Als Ricardo Petrella spreekt over de ekonomische modellen die in Europa opgang doen, waarbij in het kader van loonkostenverlagingen als oplossing voor de werkloosheid programma's worden ontwikkeld om werklozen laagbetaald, additioneel werk te laten doen, zegt hij: 'Een maatschappij die alleen nog kan kiezen tussen het in hun afhankelijkheid bestendigen van werkloze steuntrekkers of het vergoeden van arme en steeds verder verpauperende bedienden en arbeiders, is een samenleving die, in de greep van het recht van de sterkste en de 'struggle for life, alle gevoel voor sociale verbanden en voor de lange termijn
verloren heeft'. (Ricardo Petrella. 'De Klippen van de monidalisering'. 'De dringende noodzaak van een nieuw sociaal contract'. In: Tijdschrift 'De Witte Raaf'. nr 74. juli/augustus 1998)
Piet van der Lende
Om met een van die koppen te beginnen: meestal wordt het inkomen als criterium genomen, om te bepalen of iemand wel of niet in armoede leeft. Wetenschappelijke onderzoekers houden enquetes, verwerken
statistieken en meten de koopkracht. Daaruit blijkt dat de mensen met een minimaal inkomen er de laatste vijftien jaar minstens 15% in koopkracht op achteruit zijn gegaan. Maar een verhoging van de uitkeringen om dit in te halen zit er niet in. Op basis van macro-economische argumenten over lastenverlichting, werkgelegenheid en de noodzaak van een zuinige overheid is daar geen geld voor, beweren de meeste
politici in Den Haag. Toch moet er iets gebeuren. Naast alle bezuinigingen wat extra's voor de bijzondere bijstand of voor specifieke groepen. Op basis van de gegevens die de wetenschap aandraagt wordt een op maat gesneden inkomenspolitiek ontworpen, waarbij men beperkte hoeveelheden geld uittrekt voor de groepen, die er het slechtst aan toe zijn.
Uitgangspunt van het overheidsbeleid is verder, dat de schuldenproblematiek en de armoede vaak het gevolg is van individueel gedrag, dus daarvoor is een speciale interventiepolitiek nodig, een politiek van stimulansen en sancties op basis van allerlei regelingen, maar ook het individueel bijsturen van gedrag door de hulpverlening, of door mensen op te roepen voor persoonlijke gesprekken. En natuurlijk de een loket gedachte van de Centra voor Werk en Inkomen, de nieuwe Wet Inschakeling Werkzoekenden (WIW), etc.
Helpt het wel? Het aantal mensen met schulden of op het absolute minimum blijft in deze tijd van hoogconjunctuur ongeveer gelijk. Het aantal banen groeit, maar het aantal langdurig werklozen loopt met name in de grote steden nauwelijks terug.
In het overheidsbeleid bestrijdt men het veelkoppige monster van de armoede door hier en daar wat koppen af te hakken, waarna even verderop nieuwe koppen aangroeien. Alles is gericht op betaald werk. Als je weer betaald werk hebt, hoor je weer bij de samenleving en ontstaan weer perspectieven is de redenering. Maar door de toenemende flexibilisering van de arbeid zijn velen in toenemende mate op die arbeid aangewezen.
Er dreigt een groep werkenden te ontstaan, voor wie de perspectieven nog steeds minimaal zijn, de 'working poor'.
andere koppen
En het monster heeft veel koppen.... De schattingen lopen uiteen, maar ongeveer een miljoen inwoners van ons land kan niet lezen en schrijven of beheerst deze vaardigheden slecht. En het gaat daarbij niet alleen om allochtonen, die in het land van herkomst deze vaardigheden niet hebben geleerd. Dus gaat men weer een op maat gesneden interventiepolitiek bedenken. Er worden discussies gevoerd over zwarte en witte scholen, financieel stimuleren van scholen in achterstandsgebieden, die wetenschappelijk nauwkeurig in kaart
worden gebracht, en zijn er discussies over de noodzaak van kleinere klassen.
Nog een kop: er is de veelbesproken kloof tussen de burgers en de politiek. Veel Nederlanders, zo niet de meeste ervaren de discussies over de toekomst van ons land als langdradig en vervelend, men begrijpt vaak niet waar het over gaat, en in veel gevallen is werkelijke zeggenschap niet geregeld. Steeds minder Nederlanders worden lid van of zelfs aktief in een politieke partij, waarbij ze zich sterk betrokken voelen bij
de discussies over de besluiten die de overheid van plan is te nemen. De kloof tussen de burgers en de politiek betekent niet, dat men in het publieke domein niet meer aktief is; men komt echter op allerlei manieren op voor deelbelangen en sluit zich zoals gezegd niet meer aan bij politieke partijen, die de
deelbelangen proberen te verenigen. Je zou het ook een soort verarming kunnen noemen: het verdwijnen van het besef van de samenhang tussen deelbelangen waarbij de emancipatie van de groep waar men zich toe rekent wordt geplaatst in het kader van een meer algemene maatschappijanalyse.
een ander monster
Je kunt als wetenschapper, politicus, bestuurder, hulpverlener, het monster van de verarming beschrijven,
opmeten, en maatregelen bedenken om het te bestrijden. Maar er is met dat monster iets aan de hand. Het heeft niet alleen veel koppen, het neemt ook verschillende gedaanten aan. Hoe duidelijk de hiervoor genoemde verarming ook is, zeker voor de mensen die het treft, juist bij hen leeft het besef, dat de methode en de opvattingen waarmee al die beleidsmakers het monster bestrijden, zelf in sommige opzichten een armoedige en monsterlijke vertoning is. Uitkeringsgerechtigden spreken over betutteling van uitkeringsinstanties, schending van de privacy, de geslotenheid van de politieke cultuur, de lange duur van de afhandeling van aanvragen en van beroepsprocedures, het langs elkaar heen werken van instanties, van het kastje naar de muur gestuurd worden, fouten in de uitvoering van de sociale zekerheid. Mensen worden soms ontmoedigd initiatieven te nemen om zo zelfstandig te worden terwijl de beleidsmakers zeggen dat dit juist wel de bedoeling is. Maar de uitkeringsgerechtigden zeggen ook dat er niet naar hen geluisterd wordt, dat met hun wensen geen rekening wordt gehouden.
Het monster, zeggen veel burgers, dat is eigenlijk de verfijnde interventiepolitiek zelf die de wetenschappers,
bestuurders, de politici, ambtenaren ter bestrijding van de armoede ontwerpen en gebruiken.
verschillende talen
Waarom kijken de betrokkenen zo verschillend naar armoede en de bestrijding ervan? Tussen enerzijds de beleidsmakers die de interventiepolitiek bedenken en anderszijds de mensen die objekt zijn van onderzoek en die benaderd worden is een fundamenteel verschil in positie van waaruit je redeneert, van leef-en denkwereld, van uitgangspunten op basis waarvan een mens kan zoeken naar een evenwicht met zijn omgeving. Lolle Nauta heeft op het verschil in belevingswereld, uitgangspunten en daarop gebaseerd taalgebruik gewezen in een essay over culturele armoede. ( Lolle Nauta. 'culturele armoede' in: 'De factor van de kleine c. Essays over culturele armoede en politieke cultuur'. 1987 Van Gennep, Amsterdam.)
Hij noemt in zijn essay een V.P.R.O documentaire uit 1987, waarin een langdurig werkloze pogingen doet, de beleidstaal van politici te begrijpen en met hen in contact te komen. De werkloze snapt niet, waarom hij ondanks vele sollicitaties niet aan de bak komt. Zijn vrienden in de kroeg vermoeden, dat het iets met politiek te maken heeft. De werkloze schaft zich daarop van z'n laatste centen een net pak aan, en koopt
kranten, waaruit hij artikelen knipt over ekonomie, werkgelegenheid, en aanverwante onderwerpen. Hij vraagt allerlei beleidsnota's op en begint die aandachtig te lezen.
Hij noteert uitspraken van politici wanneer die op de televisie verschijnen en bezoekt vergaderingen van politieke partijen. Zo maakt hij zich het taalgebruik van bestuurders eigen. 'Mijnheer de voorzitter! De lastenverlichting en de ombuigingen in het kader van de budgettering zullen zeker leiden tot een gunstiger verhouding tussen het aantal aktieven en het aantal in-aktieven'. De werkloze raakt steeds verder in
een isolement. Zijn vrienden begrijpen hem niet meer. Maar ook alle politieke deuren blijven voor de werkloze gesloten. Bij een vergadering van een kamercommissie over werkloosheid wordt hij buiten de deur gezet. 'Meneer, wij praten hier niet over'. De werkloze gooit vervolgens zijn nieuwe aktetas in de
Hofvijver, en keert terug naar zijn vrienden in de kroeg.
Hij slaagt er niet in, zijn persoonlijke situatie, waarvan de werkloosheid deel uitmaakt, te vertalen in termen van beleid en politiek. Bij zijn pogingen daartoe lijkt het, alsof zijn persoonlijke situatie in de politiek helemaal niet bestaat.
Zijn situatie is weggedefinieerd. De werkloze tracht criteria uit de wereld waarin mensen elkaar herkennen in buurt, gezin en cafe toe te passen op een wereld, waarin niet herkenbaarheid en vriendschap maar efficiency, strategisch handelen en doelmatigheid binnen teoretische macro-ekonomische modellen het laatste woord hebben. Zo communiceert hij telkens op de verkeerde manier.
culturele verarming
De documentaire brengt ons op het spoor van armoede, die meer is dan het ekonomische probleem van inkomsten en uitgaven en eventuele sociale problemen die daarmee kunnen samenhangen.
Armoede is ook een cultureel probleem, een probleem van de manier waarop individuen en groepen -rijk en arm- reageren op de materiele en sociale omstandigheden waarin zij verkeren, de verklaringen die zij daarvoor geven, het handelen dat daarop gebaseerd is en de gevolgen die dit heeft. Het gaat hier dus om het begrip cultuur dat breder is dan de kunst met een grote K. Over wat ik de ideologische component van cultuur noem, zegt Nauta, dat 'individuen relatief zelfstandige symbolische nissen vormen, waarbinnen oplossingen worden gezocht voor de problemen die materiele en sociale omstandigheden opwerpen'. Er kunnen daarbij verschillende nivo's worden onderscheiden waarin het verschil tussen de cultuur, de ideologie en het daarbij behorend taalgebruik uit de dagelijkse wereld van de werkloze en die van de politici tot uitdrukking komen.
Ik voeg aan de nivo's die Nauta onderscheidt de knelpunten toe, die er m.i uit voortvloeien. In de eerste plaats is er het individuele nivo van de zingeving en de rechtvaardiging van het eigen handelen. Op dit nivo liggen de spanningen en de communicatiestoornissen tussen de werkzoekende en de sociale dienst -ambtenaar, die het door de politici geformuleerde beleid moeten uitvoeren. Klachten over onheuse bejegening zijn het gevolg. Op het tweede nivo ligt de identifikatie met een groep (belangenorganisatie, sociale beweging, club, vakbond).
Hier uit het verschil in cultuur en taalgebruik zich in het gebrek aan invloed van belangenorganisaties van
uitkeringsgerechtigden, of de ondergeschiktheid van de belangen van mensen met een minimuminkomen aan die van anderen (in de grote vakbonden). 'Deskundigen' die de taal van de beleidsmakers spreken onderhandelen vaak voor de armen in plaats van de armen zelf of hun vertegenwoordigers die verantwoording moeten afleggen. Op het derde nivo ligt de intellectuele konfrontatie in het politieke debat. Mensen wensen met argumenten te komen, zich een mening te vormen endie mening te konfronteren met die van anderen. Hier worden de mensen met een laag inkomen vaak gebruikt als 'excuus-truus'. Ze mogen hun persoonlijke verhaal vertellen in hun eigen taal, op de televisie, in de krant, tijdens politieke bijeenkomsten,
waarbij iedereen begrijpend knikt en men weer overgaat op die andere taal, de taal van de beleidsmakers, omdat na het persoonlijke verhaal de 'deskundigen' komen uitleggen hoe het allemaal zo gekomen is, en wat de politiek eraan gaat doen.
slachtoffergroepen en ekonomische modellen
Wanneer Nauta vervolgens het begrip culturele armoede verder analyseert, doet hij echter hetzelfde wat de bestuurders ook doen: culturele armoede wordt uitsluitend gedefinieerd als een gebrek van mensen aan de onderkant van de samenleving.
Werklozen zouden zich op individueel nivo pessimistisch, machteloos en moedeloos voelen. Ze zouden zich alleen aansluiten bij slachtoffergroepen (wij gehandicapten, wij bijstandsmoeders) en niet bij partijen of bewegingen die een meer algemeen programma voorstaan waarin de verschillende belangen worden afgewogen. Ze zijn tot een intellectuele konfrontatie niet in staat, omdat ze geen geld hebben om een krant te kopen, laat staan een hele studie te bekostigen, en zich zo te ontwikkelen.
Aan deze culturele armoede moet gesleuteld worden, vindt Nauta. Het is de vraag of, de waarneming van Nauta klopt. Onderzoekingen naar de leefwereld van uitkeringsgerechtigden tonen aan, dat werklozen dikwijls helemaal niet zo pessimistisch en moedeloos zijn als vaak wordt aangenomen en de hierboven genoemde kloof tussen de burgers en de politiek is niet een specifiek minimaprobleem. Zie oa: Drs A.J.E. Edzes en drs A.C. van Bruggen. 'Fase 4 gefaseerd'. Centrum voor Arbeid en Beleid BV. Mr S.D.
Korevaar. Taskforce Kwaliteit Bijstand.
Natuurlijk moeten er materiele en immateriele voorzieningen zijn die alle burgers in staat stellen zich te ontplooien. Nauta veronderstelt echter, dat de ideologie, de taal van de bestuurders de juiste is en dat mensen die in armoede leven zich hierbij maar moeten aanpassen. Door deze aanpassing kunnen 'sociaal en cultureel isolement, segregatie en gebrek aan sociale cohesie in de samenleving worden opgeheven'. Hierbij gaat hij voorbij aan de culturele armoede van de bestuurders.
De politici zitten verstrikt in macro-ekonomische modellen, die maar een beperkt deel van de maatschappelijke werkelijkheid definieren en analyseren. Dit komt tot uiting in het denken over arbeid. Nu worden afhankelijkheid en onafhankelijkheid uitsluitend gedefinieerd in termen van het wel of niet hebben van betaald werk. Maar er zijn vele andere, misschien wel belangrijker criteria, die iemand afhankelijk of
onafhankelijk maken. Ook de zin of het nut van arbeid wordt voornamelijk afgemeten aan wel of niet betaald. Nut of zin worden afgemeten aan een ekonomisch nut, dat kortzichtig gedefinieerd is. Opvoeding, gemeenschapszin, solidariteit en andere belangrijke waarden in de samenleving die essentieel zijn voor het funktioneren ervan blijven buiten beschouwing.
De boodschap die bestuurders uitzenden is daardoor tegenstrijdig: ekonomisch gezien worden individuen geacht met elkaar te concurreren, maar tegelijkertijd wordt opgeroepen tot de waarden die hierboven werden genoemd. Deze tegenstrijdigheid heb ik aan de orde gesteld in het artikel 'De slachtoffers van de dynamiek van het poldermodel'. (In: Maarten Baltussen en Johan van Workum red.'De rijke kant van Nederland. Armoede staat zelden op zichzelf'. Van Gennep Amsterdam 1998.)
Als Ricardo Petrella spreekt over de ekonomische modellen die in Europa opgang doen, waarbij in het kader van loonkostenverlagingen als oplossing voor de werkloosheid programma's worden ontwikkeld om werklozen laagbetaald, additioneel werk te laten doen, zegt hij: 'Een maatschappij die alleen nog kan kiezen tussen het in hun afhankelijkheid bestendigen van werkloze steuntrekkers of het vergoeden van arme en steeds verder verpauperende bedienden en arbeiders, is een samenleving die, in de greep van het recht van de sterkste en de 'struggle for life, alle gevoel voor sociale verbanden en voor de lange termijn
verloren heeft'. (Ricardo Petrella. 'De Klippen van de monidalisering'. 'De dringende noodzaak van een nieuw sociaal contract'. In: Tijdschrift 'De Witte Raaf'. nr 74. juli/augustus 1998)
Piet van der Lende
donderdag 13 augustus 1998
Gesprek van Anke en Piet met Jo Kempen van Arbeidsvoorziening Noord-Holland Zuid in Orlyplaza
Donderdag
13-08-1998.
Na
een introductie van het sociaal-juridische spreekuur van de Bijstandsbond, het
samenwerkingsverband Amsterdam tegen verarming en het belang van informatie
over het projekt in zuid-oost voor ons advieswerk legt de heer kempen uit hoe
het projekt in elkaar steekt. Aanleiding is het bezoek aan Amerika op initiatief
van Bomhoff. De vier directeuren van Arbvo, NV werk, Maatwerk en de GSD, de
heren Bugter, Verhey, Van Lijnschoten en Elswijk hebben daarop besloten een
projektgroep te vragen enkel elementen uit het Wisconsinmodel uit te werken voor
een pilotprojekt in amsterdam. Daarvoor is de projektgroep enige tijd geleden de
hei opgegaan. Dit heeft geresulteerd in een werkplan. Dat krijgen we niet. Want
het is in de woorden van Kempen een concept, dat nog niet is afgetikt. De
projektgroep heeft de vier direkteuren verschillende vragen voorgelegd, waar ze
niet goed uitkwamen, en waarvan ze zeiden: gaan jullie daarvan maar zeggen hoe
het moet. De vier direkteuren gaan over veertien dagen bij elkaar komen om een
en ander te bespreken. In die vergadering zal de heer kempen (is die daar dan
ook bij aanwezig??) de direkteuren het vraagstuk voorleggen, wanneer wij het
Werkplan krijgen. (Die bijeenkomst moet de 'nacht van Schiller' zijn geweest PvdL)
De
heer kempen legt uit, wat het cwi-projekt in Amsterdam west inhield. Dit is
eigenlijk alleen een gezamenlijke intake balie, waarna een ieder verder z'n
eigen werkzaamheden doet. Men heeft bij arbeidsvoorziening ervaren (de heer
kempen heeft zich oa met het melkert-conducteursprojekt beziggehouden) dat
sommige mensen naast hun werkloosheid soms schulden hebben. Dit verergert de
kansloosheid, want werkgevers hebben er een broertje aan dood om iemand in
dienst te nemen, waarbij meteen beslag wordt gelegd op het loon, vooral omdat
zowel werkgever als werkzoekende konstateren, dat het financieel niets
opschiet. Naar aanleiding van de eigen
ervaringen en het projekt in wisconsin wil men nu verder gaan. Er komt
een projekt in zuid-oost voor voorzover de heer Kempen nu bekend is voor 1000
fase vier cliënten, waarbij alle hulpverlening, arbeidsbemiddeling,
maatschappelijk werk en kinderopvang in een projekt wordt gerealiseerd. De voer
organisaties brengen ieder hun deskundigheid, financiën, en werkzaamheden in.
Dus ook de uitkeringen worden via de nieuwe BV verstrekt. De heer Kempen zegt
hetzelfde als Ben Bugter daarover, nl dat als iemand een fiets of een
sollicitatiepak wil, dit snel geregeld moet kunnen worden. Daarnaast worden van
bestaande organisaties op het gebied van maatschappelijk werk en
schuldhulpverlening en kinderopvang diensten ingekocht. Het is niet de
bedoeling, dat naast de al bestaande organisaties nog weer een nieuwe
organisatie in dat opzicht in het leven wordt geroepen. Het projekt moet
duidelijk 'geimplanteerd' worden in de bestaande Amsterdamse situatie. Het is
de bedoeling, dat een cliënt een gesprekspersoon van de BV krijgt, waarmee
hij/zij alles moet regelen. Wel blijven de gewone beroepsprocedures van de
Bijstandswet van kracht. Dus als iemand het niet eens is met de beslissing van
de BV kun je gewoon bij B en W in beroep gaan. Voor de selectie van de 1000
cliënten is nog niets bekend. Het gaat niet om een bepaald gedeelte van een
bepaald rayon van de sociale dienst. Mensen van bv zestig die bijstand
ontvangen vallen er niet onder. Wij vragen of arbeidsongeschikten of
gedeeltelijk arbeidsongeschikten hier ook onder vallen die in de bijstand zitten
en gekeurd zijn door de GG en GD of de ??? De heer kemepn is hier geen
voorstander van. Deze mensen zouden kunnen vallen onder de wet RIA
(Reintegratie Arbeidsongeschikten) waarover Arbvo afspraken heeft gemaakt met
de gemeente, en die mensen zouden via zo'n trajekt weer aan werk moeten worden
geholpen, en niet via het projekt in zuid-oost. Anke zegt, dat ze gisteren in
de vergadering van de cliëntenraad gehoord heeft, van de heer Denijs, dat het
niet om 1000 clienten gaat maar om 250. De heer Kempen is hier niets van
bekend. Hij veronderstelt, dat er wellicht zal worden besloten het experiment
in stukjes te knippen: eerst eens 250, en dan weer verder zien, enzovoort.
De
heer kempen verklaart nadrukkelijk, dat het slechts in sommige gevallen
voorkomt, maar we weten ook wel, dat nu de praktijk is, dat bijvoorbeeld Arbvo
een melding stuurt naar de sociale dienst, en dat ze het daar dan druk hebben,
en er een tijdje geen aandacht aan besteden, en als het dan ter sprake komt,
dan zegt de cliënt: het arbeidsbureau heeft niets gedaan. Dat behoort met dit
projekt tot het verleden.
De
heer Kempen legt uit, hoe de Arbvo met de gemeente samenwerkt. Gelden die eerst
aan Arbvo werden toegewezen worden nu gedeeltelijk aan de gemeenten toegewezen,
die dan vrij zijn om ergens inkopen te doen. De gemeente heeft van het rijk in
dit verband voor 1998 19 miljoen gekregen. 12 miljoen daarvan is vastgelegd in
een kontrakt tussen Arbvo en de gemeente, dus daarmee kan de sociale dienst
scholing, arbeidsbemiddeling e.d. van het Arbeidsburo inkopen/gebruiken.
Blijft over zeven miljoen. 1 miljoen daarvan wordt gebruikt voor het projekt
Keerpunt. Blijft over zes miljoen die gebruikt kan worden voor het projekt in
zuid-oost. Daarnaast zeggen de vier direkteuren: er is sowieso geld voor
schuldsanering en kinderopvang, een deel van dat geld kan gebruikt worden voor
de desbetreffende aktiviteiten in het kader van het projekt. Daarnaast
investeren bv Verhey en Bugter in acquisitie van Melkertbanen en
banenpoolplaatsen, begeleiden mensen e.d en een deel van dat geld kan voor die
aktiviteiten ook ingezet worden in het projekt. Dit is de zogenaamde kleine
geldstroom. Daarnaast is er de grote geldstroom van de uitkeringen. Het projekt
krijgt bv drie jaar uitkeringsgeld van een werkloze, en als ze de
desbetreffende persoon binnen drie jaar aan werk helpen, bespaart de overheid
geld. Maar, zeggen wij, dan moet het wel zo zijn dat het totale aantal
uitkeringsgerechtigden ook daadwerkelijk terugloopt, dwz dat niet anderen in de
plaats van de aan het werk geholpenen werkloos worden. Exact, zegt de heer Kempen,
en daarover is ook overleg met het ministerie, waar men ervan overtuigd moet
worden dat er daadwerkelijke besparingen plaatsvinden. Het miniserie zegt
eigenlijk: dat geld strijken we mooi op, en dan kunnen we het
financieringstekort terugbrengen, en de vier direkteuren zeggen: investeer nou
een gedeelte of geheel van dat geld aan de begeleiding van de fase vier
cliënten naar de arbeidsmarkt. De BV gaat winst maken, maar zegt de heer Kempen
dit geld moet wel weer ten goede komen aan de verdere begeleiding van nieuwe
cliënten. Overigens zijn prestatiebeloningen en incentives voor medewerkers die
goed scoren geen punt. Dat gebeurt bij arbeidsvoorziening nu ook al. Overigens maakt hij bezwaar tegen de one-liner, dat mensen die eigenlijk komen voor
schuldsanering, na een gesprek van drie uur worden weggestuurd met de opdracht,
dat men maar een oproepbaantje aanneemt. Voor veel mensen is een langzame,
stapsgewijze aanpak nodig, waar de Melkertbanen en zo ook bij horen, een
instrument wat ze in Amerika niet hebben. Hoe past het vrijwilligerswerk in
het geheel? De heer Kempen is er geen voorstander van, dat het vrijwilligerswerk
waarbij wordt gezegd: nou, dat is het enige wat er voor die persoon inzit, er
is geen kans op betaald werk, laat hem dat maar doen, dat dat onder het
projekt gaat vallen. Blijkbaar is daar nog niet over gesproken. Het projekt in
zuid-oost in dat verband, waar wij twee jaar geleden geweest zijn, is hem niet
bekend. Wel denkt hij, dat bv vrijwilligerswerk, dat een onderdeel is van de
fasegewijze stappen richting arbeidsmarkt deel uitmaken van het geheel. Dat
moet altijd voorop staan. Want werkzoekenden hebben rechten, maar ze hebben ook
plichten. Enerzijds hangt de selectie van eventuele fase vier cliënten en de
mogelijkheden van de mensen samen met hun persoonlijke omstandigheden, en of ze
sowieso wel kunnen werken. Maar anderzijds hangt het ook samen met de situatie
op de arbeidsmarkt. Er zijn nu heel wat fase drie cliënten, die zo aan het werk
komen. Werkgevers zijn meer bereid te investeren in mensen. Eisen die een jaar
gelden volkomen normaal waren op de arbeidsmarkt worden nu niet meer
gesteld.
PvdL
Labels:
arbeidsbemiddeling,
bijstandswet,
Wisconsin model
maandag 29 juni 1998
Verslag gesprek met Paul Verhey van de NV Werk
d.d. 29-06-1998
Aanwezig: Anke, Paul Verhey en ik. (Dit
verslag is een weergave uit m'n hoofd na afloop van het gesprek, de diskussie
is uit elkaar gehaald, eerst volgt een weergave van de standpunten van Verhey,
dan onze standpunten)
Verhey
begon met uit te leggen, dat er in de bijstand een groep is van ongeveer 20.000
fase 4 clienten die eventueel wel weer aan het werk zou kunnen. Hij heeft alle
oplossingen niet voorhanden en wil daarom een gesprek om samen naar oplossingen
te zoeken. Het gaat nadrukkelijk niet om het Wisconsinmodel, dit is niet de
bedoeling en schept verwarring. Hij heeft tijdens zijn verblijf in amerika
samen met anderen die hij had meegenomen gekonstateerd, dat er veel kritiek is,
oa op de kinderopvang, van mensen die het betrof. (De kinderopvang werkt van
geen kant). De praktijk is in de verschillende landen steeds weer anders, en je
kunt niet zomaar elkaars modellen overnemen. Enerzijds zou je in de Melkert 1
regeling de selectiecriteria lager moeten stellen. Nu is het zo, dat daar
voornamelijk kansrijke mensen in terechtkomen, die anders ook wel zouden zijn
doorgestroomd. Dit zou anders moeten. Je zou dsan met die mensen tweejaars
contracten kunnen afsluiten, waarbij je na anderhalf jaar gaat kijken, nou, die
komt nooit meer aan het reguliere betaalde werk, dus daar creeren we een
aangepaste arbeidsplaats voor in een voortgezette melkertregeling, of die kan
doorstromen naar betaald werk, of die is in feite arbeidsongeschikt en moet in
het zorgtraject. Anderszijds, als je het zo doet, en je laat zien, dat je met
die groep iets doet, dan ontstaat ook meer een maaschappelijk draagvlak in de
politiek om de andere groep fase 4 clienten vrij te stellen van de
socillicitatieplicht en anderszinds voor deze groep facilitair bezig te
zijn, en om de uitkeringen iets te
verhogen.
Het
gaat Verhey nav opmerkingen van ons hierover in eerste instantie echter om die
groep van 20.000. Daarnaast is het zo, dat er sprake moet zijn van een
geintegreerde aanpak en een strikt individuele aanpak. Dus mensen zouden
terecht moeten kunnen in een soort buurtwinkel of buurtservice punt, waar je
huursubsidie formulieren kunt invullen, je schulden sameren, een uitkering
aanvragen, werk zoeken, etc. Dit buurtservice punt moet dicht bij de mensen
staan, een soort inloopwinkel waar je met een diversiteit aan problemen terecht
kunt. Daarbij is samenwerking met bv schuldhulpverlening, sociaal raadslieden,
maatschappelijk werk e.d. noodzakelijk. Overigens heeft hij ruzie gehad met Ben
Bugter, die verkeerde informatie verstrekt over de plannen. Zo zou er volgens
het parool een intern rapport over een experiment in zuid-oost zijn. Er is nog
helemaal niet besloten over een experiment in zuid-oost en een intern rapport bestaat
niet. Verhey werd al gebeld uit zuid-oost met de opmerking: waarom weten wij
hier niets van. Maar er is nog niets besloten. Alle gesprekken zijn nog in een
orienterende fase. Het gaat ook helemaal niet om het overnemen van het
wisconsinmodel. Naast samenwerking met sociaal raadslienden en maatschappelijk
werk is belangrijk in het hele model dat Verhey voor ogen staat, wel de
samenwerking met maatschappelijke (buurt) organisaties. In dit verband liet hij
in de loop van het gesprek een rapport van de Werkmaatschappij Zuid-Oost zien,
waarin een statistiekje stond over 189 fase 4 clienten, die door de
werkmaatschappij aan een melkert 1 baan waren geholpen. Van deze 189 was ik
geloof 60% binnengekomen via de kerken en belangenorganisaties. Slechts 20% via
het arbeidsbureau.
Belangrijk
is, een maatschappelijke steun voor het plan op te bouwen. Het moet niet zo
gaan als bij het mislukte experiment in de staatsliendenbuurt voor het een
loketsysteem, waarbij de grote drie-arbeidsvoorziening, de UVI's en de sociale
dienst om de tafel gingen ztten, het grote probleem midden op tafel legden en
vervolgens ging men de leuke dingen naar zichzelf toeschuiven en werden de
vervelende dingen naar de ander geschoven. (Dit nav mijn opmerking, dat de
bedrijfsvernigingen niet bij het plan betrokken waren). De bedrijfsverenigingen
vallen in eerste instantie buiten het plan. Wel heeft Verhey over deze plannen
overleg met de schuldhulpverlening en de vakbonden. Gezien de competentiestrijd
tussen de vele organisaties probeert de NV Werk het initatief voorlopig onder
zich te houden. We moeten een goed overleg hebben en praktisch beginnen. Niet
allerlei teoretische stellingen laten bedenken door de grote instellingen.
Vanuit zo;n praktsiche beginsituatie- hij noemde het een soort super CWI,
waarvoor je wel uitgangspunten moet formuleren, al zoiekenden laten zien hoe
het kan, en dan gaan anderen vanzelf wel die kant op kijken, en kun je altijd
nog gesprekken aanknopen. In het gesprek kwam ook nog ter sprake, dat zo'n
buurtservice punt eiegenlijk voor alle buurtbewoners zou moeten gelden. Daar
was hij het wel mee eens, maar het bleef in het vage, of de 'super CWI"
die hij in zijn hoofd heeft in eerste instantie ook die kant op gaat.
Wij
hebben de volgende punten naar voren gebracht.
1.
Het is zeer de vraag, of het gaat om 20.000 clienten. Volgens ons zijn het er
minder. (Tenzij je natuurlijk, maar dit is in het gesprek niet expliciet aan de
orde gekomen, mensen die in feite arbeidsongeschikt zijn in de melkert 1
regeling wilt duwen)
2.
Er is in het kader van de participatiemonitor die in het kader van het te maken
sociaal struktuurplan is aangekondigd, een onderzoek nodig naar wie die fase 4
clienten nou eigenlijk zijn en wat ze zelf willen. Daarnaast is er een grote
groep, die niet permanent in de bijstand zit maar wel af en toe. Die verdwijnt
buiten beeld. Wat zijn daar de knelpunten? In dit kader zou geinvenatriseerd
moeten worden, wat de knelpunten zijn in het aansluiten van sociale zekerheid
op betaald werk en wat de gemeente daar aan kan doen. Een recent rapport wijst
uit, dat een derde van de mensen met flexibele kontrakten recht heeft op ww of
ziekengeld, maar dit niet aanvraagt.
Verhey
zei hier echter van, dat onderzoek mooi is, en dat we dit moeten doen, maar het
gaat nu erom, op korte termijn al een plan te maken, waarmee je kunt gaan
werken.
3.
Een centraal aanspreekpunt voor werkzoekenden en belangenorganisaties, waar je
over de aansluiting van sociale zekrerheid en betaald werk dingen te weten kunt
komen en waar men op de hoogte is van de vele projekten en regelingen. Dit
verbond Verhey met een verhaal over hoge dremples, die je juist moet slechten.
4.
In het najaar, wanneer de nieuwe armoedekonferentie wordt gehouden, zou dit
plan onderdeel moeten uitmaken van discussie, want daar zijn bijvoorbeeld
behalve de belanbgenorganisaties ook maatschappelijk werk en sociaal
raadslienden aanwezig. Hier reageerde hij niet op.
5.
Tijdens de diskussie hebben wij het volgende naar voren gebracht. Er is niets
op tegen, als buurtbewoners naar een buurtservicepunt kunnen, dat dicht bij de
mensen staat, waar je zo binnen kunt lopen en waar je met een breed scala aan
problemen kunt worden geholpen. Maar zo eenvoudig is het niet. Dre client is afhankelijk van de sociale
dienst en heeft ten opzichte van die dienst geen onderhandelingsruimte. En het
is zo, dat de staat cq de sociale dienst vertegenwoordigd wat de bestuurders
willen, die zeggen het algemeen belang te vertegenwoordigen (dus het ekonomisch
belang van een bepaalde groep) en anderzijds is er de client, die zich graag
wil ontplooien en voor zijn eigen belang opkomen. Die twee kunnen
overeenstemmen, maar soms niet. Mensen zijn geen robots, en het is belangrijk,
dat er een maatschappelijk werk en sociaal raadslieden zijn, die vanuit een onafhankelijke
postie vertrouwelijke gesprekken kunnen voeren met de clienten, zodat hun
onderhandelingspositie ten opzichte van de staat wordt versterkt en een goede
oplossing uit de bus komt. Het maatschappelijk werk en de schuldhulpverlening
zal die onafhankelijke positie willen behouden, dat past in hun
hulpbverleningsmethodiek, dat je op die manier de mensen het beste kunt helpen.
Het is de vraag, hoe die onafhankelijkheid kan worden gerealiseerd in een
projekt, ewaarbij alles in elkaar wordt geschoven. De sociale dienst deelt
sancties uit, de afgelopen drie jaar is het aantal sancties ieder jaar
verdubbeld. Mensen worden onder druk gezet, bepaalde dingen te aanvaarden. Dit
schept wantrouwen en een niet-gebruik van de voorzieningen. Verhey antwoordde
hierop, dat een evenwichtige oplossing moest worden gevonden, en dat we maar
moesten beginnen. Maatschappelijk werk en sociaal raadslienden- en ook andere
instanties op het gebied van arbeidsbemiddeling en de vele projketen en
uitvoeringsorganisaties zien wij niet zo snel opgaan in een organisatie.
Tijdens
het gesprek maakte ik de opmerking, dat de drie criteria voor vrijwilligerswerk
en additionele arbeid (dat moest ik niet zo nomen) een probleem waren. En dat
het helemaal niet zo erg zou zijn, als langdurig werklozen met een duwtje in de
rug iemand anders tijdelijk zonder betaald werk laten zitten. In dit verband
zei hij, dat in de melkert 1 regeling in feite ook is afgesproken, dat het
verdringingscriterium niet meer zal gelden, ze hebben nog wel wat crietria, en
voorlopoig voor een jaar als eerste opzet. We zitten nu in een periode van
hoogconjunctuur,e n die mensen die vast werk hebben houden dit toch wel, of
vinden snel weer ander werk. Wel wordt streng vastgehouden aan het criterium
van de concurrentievervalsing. Dit omdat anders een sector van zwaar
gesubsidieerde bedrijven ontstaat, die anderen uit de markt prijst die wel
volledig op zichzelf kunnen werken.
Hoewel
de konkrete uitwerking in het vage blijft, wil Verhey lobbyen bij iedereen die
voor het model belangrijk is, voor de volgende punten, die gemeenschappelijk
zijn met de amerikaanse aanpak.
1.
Een integrale totaal aanpak. Er worden buurtservicepunten opgericht, die tot
doerl hebben, de totaalsituatie van de client in ogenschouw te nemen en een totaalpakket
aan te bieden. Sanering van schulden, eventuele oplossing van gezinsporblemen,
en daarna een melkertbaan. Hoe de koppeling wordt tussen die twee is
onduidelijk.
2.
Noodzakelijk voor die totaal aanpak is een individuele benadering van de
client, waarbij de medewerking wordt gevraagd van schuldhulpverlening zoals die
nu ind e regio bureau's wordt opgezet, en op wat langere termijn instituten als
sociaal raadslienden en maatschappelijk werk, die de professionele
hulpverlening aan verschillende groepen bieden.
3.
In Amerika wordt samengewerkt met partikuliere organisaties, zoals de kerken,
belangenorganisaties en buurtorganisaties. Zij leveren de clienten aan, en
zorgen voor het maatschappelijk draagvlak in de buurten, zodat de mensen niet
te wantrouwend zijn om binnen te lopen. Deze aanpak wil verhey ook in
amsterdam. Nu al is er een samenwerking tussen de kerken en de werkmaatschappij
zuid-oost. Dit zou moeten worden uitgebreid.
4.
In principe is er voor iedereen werk, ook voor mensen, die nu als arbeidsongeschikt
te boek staan. Daarom wil verhey de toelatingscriteria voor de melkert een
banen fors verlagen, eventueel met aangepaste arbeidsplaatsen. Dan wordt na
anderhalf jaar gekeken, wat er verder moet gebeuren.
5.
Het gaat nu om een experiment, dat hopelijk succesvol is, zodat op wat langere
termijn 20.000 fase 4 clienten via deze regeling kunnen instromen. Eenb
gedeelte zal ind e regeling blijven. Uitiendelijk gaat het om een groep van
40.000 clienten, waarvan 15.000 zal doorstromen naar regulier betaald werk.
Labels:
arbeidsbemiddeling,
bijstandswet,
Wisconsin model
donderdag 18 juni 1998
Standpunt van de Vereniging Bijstandsbond Amsterdam over de privatisering van de sociale zekerheid en de arbeidsbemiddeling
Standpunt
van de Vereniging Bijstandsbond Amsterdam over de privatisering van de sociale
zekerheid en de arbeidsbemiddeling naar aanleiding van de konferentie van
Nijfer in het Mariott-hotel d.d. 18-06-1998
Na lezing van enkele stukken over wat wel het
Amerikaanse Wisconsinmodel bij de uitvoering van de bijstandswet wordt genoemd
hebben wij de volgende opmerkingen.
Naar
onze mening is het de taak van de staat, basisvoorzieningen voor alle burgers
te garanderen, zoals een dak boven je hoofd en mogelijkheden om hjezelf te
ontplooien. Dit behoort tot de grondrechten van de staatsburger, naast rechten
als vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging en vergadering. Deze
rechten zijn absoluut en staan in principe los van ekonomische argumenten op
het gebied van effectiviteit en efficiency, of het functioneren van de
arbeidsmarkt.
Naast
rechten hebben mensen ook plichten. Je kunt erover discussieren hoe ver de
staat moet gaan, om mensen die door eigen toedoen zonder geld zitten of niet
solliciteren een uitkering te geven. De uitkomst van die discussie dient echter
gebaseerd te zijn op een demokratisch besluitvormingsproces. De maatregelen die
daaruit voortvloeien dienen te worden uitgevoerd door staatsorganen of door de
overheid gekontroleerde organen. Bij de beoordeling van de fundamentele
grondrechten van de burger (recht op voedsel, recht op een dak boven je hoofd)
mag alleen het demokratisch bepaalde algemeen belang en nooit de individuele
prive-belangen van politici, bestuurders en ambtenaren een rol spelen.
Dit
is wel het geval bij de privatisering van de sociale zekerheid en de
arbeidsbemiddeling, waarbij middels het winstprincipe (winstdelingsregelingen
voor ambtenaren) de grondrechten van de burger worden bepaald en beoordeeld.
Ook wanneer het alleen de uitvoering betreft, heeft het personeel van de
commerciele uitvoerings-of bemiddelingsorganisaties persoonlijke belangen bij
de zaak, waarbij ze beoordelingsrapporten schrijven die een rol spelen bij
beroepsprocedures en waarbij ze hun specifieke deskundigheid en door de
commerciele organisatie met veel geld ontwikkelde expertise inzetten om gelijk
te krijgen.
De
gevaren van de privatisering voor het demokratisch gehalte van onze samenleving
waarbij de grondrechten van de burgers niet meer worden gegarandeerd kunnen
niet worden tegengegaan door een privatisering, waarbij de beoordeling of men
voor een uitkering in aanmerking komt en de uitvoering worden gekontroleerd
door maatschappelijke organisaties als de vakbeweging en de werkgeversorganisaties.
Zeker het sociale minimum en het recht daarop dient te worden bepaald door de
staat en niemand anders. De rechten van bijstandsontvangers mogen niet de
speelbal worden van belangenorganisaties.
Organisatie
van de samenleving, waarbij de grondrechten van de staatsburger moeten worden
gegarandeerd door commerciele bedrijven heeft verstrekkende gevolgen die ver
uitstijgen boven een discussie over het beter functioneren van de arbeidsmarkt
en het werkgelegenheidsbeleid. Het raakt de demokratische kontrole op de
handhaving van de burgerrechten. Wanneer een demokratische kontrole ontbreekt
en de grondrechten van de burgers op basis van het algemeen belang niet meer
zijn gedefinieerd, ontstaat een vechtmaatschappij op basis van ieder voor zich
en God voor ons allen.
Door
de privatisering op vele gebieden is de afgelopen jaren een schemergebied
ontstaan van semi-private organisaties en uitvoeringsorganen, waarbij het vaak
onduidelijk is wie wanneer over wat beslist en waarbij de overheid een
onderhandelingspartner met beperkte invloed wordt naast allerlei organisaties
met specifieke deelbelangen. Meer in zijn algemeenheid ontbreekt op dit moment
een diskussie over de gevolgen van de privatiseringsgolf voor het demokratisch
gehalte van de samenleving.
Gevolgen van de Amerikaanse wetgeving
Onze indruk is, dat de Amerikaanse staat de
grondrechten van haar burgers niet in alle gevallen kan of wil garanderen. Er
bestaat in dit land een nieuwe bijstandswet, waarbij men maximaal twee jaar in
de uitkering kan zitten terwijl men gedurende zijn of haar leven slechts
maximaal vijf jaar recht heeft op een bijstandsuitkering. Deze algemene grens
is willekeurig en belachelijk. Stopzetting van de uitkering betekent in veel
gevallen geen geld en dus huurschulden, kinderen kunnen niet naar school en
uiteindelijk is er huisuitzetting en dakloosheid.
In
een artikel in De Elsevier van 13 juni staat, dat de helft van de ongeveer
tachtigduizend mensen die de afgelopen tien jaar de bijstand de rug hebben
toegekeerd in een zwart gat zijn verdwenen, niemand weet waar ze zijn omdat de
overheid de gevolgen van de uitvoering van de bisjtandswet niet onderzoekt. Dit
is onaanvaardbaar. Een amendement van een demokratische senator bij de
behandeling van de federale bijstandswet om de overheid te verplichten het lot
van de bijstandsontvangers in de gaten te houden en van die bevindingen verslag
uit te brengen werd verworpen. De overheid controleert niet, wat er gebeurt en
verzaakt daarmee haar demokratische taak om de grondrechten van de burgers te
garanderen.
In
het Elsevier artikel staat, dat volgens wetenschappelijke onderzoekingen in
sommige amerikaanse staten zeer veel uitkeringsgerechtigden die op basis van de
nieuwe bijstandswet gedwongen werden werk te aanvaarden na een jaar weer
werkloos waren en bleven. Blijkbaar hangt het zo geroemde succes van het
Wisconsinmodel niet zozeer samen met de aanpak van de werklozen maar met de
lokale situatie op de arbeidsmarkt en het aantal en het soort vacatures.
Naast
de mensen die opnieuw werkloos worden zijn er, die terechtkomen in slecht
betaalde banen met slechte arbeidsvoorwaarden. Sommige mensen hebben meerdere
banen om in leven te blijven en om toch maar vooral buiten het bijstandsregiem
te blijven, met alle gevolgen voor de opvoeding van de kinderen. Dit worden
dikwijls sleutelkinderen die alleen zijn in een harde amerikaanse samenleving.
Zo ontstaat een groep mensen die alleen is aangewezen op de slecht betaalde
flexibele banen zonder perspectief. Deze perspectiefloosheid van de 'working
poor' wordt erfelijk.
De gevolgen voor Nederland
In Amsterdam willen sommige
uitvoeringsinstellingen naar wij uit krantenberichten hebben begrepen het
Wisconsinmodel of belangrijke principes daarvan ook invoeren, waaronder een
sterke privatisering van de uitvoering. Het model wordt daarbij gepresenteerd
als een model van voor wat hoort wat. Naast rechten heb je ook plichten. Als je
aan een streng regiem wordt onderworpen, heeft de overheid c.q de commerciele
organisatie ook de plicht kinderopvang, sanering van de schulden, het een
loketmodel voor samenwerking van organisaties en klientgerichtheid te regelen.
De uitvoeringsorganisaties werken in dit opzicht niet goed, en privatisering
zou een prikkel zijn om het beter te regelen. Wij
geloven daar niet in. Voor de sanering van schulden bestaan lange wachtlijsten
van het maatschappelijk werk en er is een schreeuwend tekort aan kinderopvang.
Daar moet gewoon geld bij en het is de vraag of de overheid dat wil. Wij zien
het al gebeuren: de beperkte groep, die in het experiment valt, krijgt bij
voorrang kinderopvang en sanering van de schulden waarbij dit ten koste gaat
van andere groepen die niet onder het experiment vallen. Er wordt met potjes
geschoven zonder dat het iets oplost.
In
hoeverre is het experiment een nieuw initiatiefje van uitvoeringsorganisaties
en bemiddelingsinstellingen, die op stadsniveau gezien elkaars concurrenten
zijn en niet door een deur kunnen blijkens een onderzoeksrapport van Regioplan,
en waarbij de diskussie wordt afgeleid van waar het ook om gaat: dat al die
uitvoeringsinstellingen hun eigen winkeltje eens wat minder belangrijk gaan
vinden en gewoon samenwerken om samen te doen waarvoor ze zijn opgericht: de
kansen van werklozen op betaald werk verbeteren zonder mensen van fase zoveel
naar fase zoveel en van club a naar club b te schuiven en weer terug.
Maar
wij willen wat betreft het amsterdamse experiment andere vragen niet uit de weg
gaan. De privatisering van de arbeidsbemiddeling en de sociale zekerheid betekent
een vermenging van publieke en private taken bij het toezicht op de handhaving
van de grondrechten van de burgers. Of de Nederlandse overheid-gemeente of
rijk- kan de burgerrechten op basis van het algemeen belang niet meer
garanderen, of er moet naast de geprivatiseerde sector een uitgebreid systeem
van controles en beroepsprocedures in het leven worden geroepen, wat in de toch
al onoverzichtelijke amsterdamse situatie de dingen alleen maar bureacratischer
en onoverzichtelijker maakt. Ook indien alleen de uitvoering wordt
geprivatiseerd en de beoordeling van het recht in overheidshanden komt (dit zal
op grond van de bijstandswet wel moeten?) blijft de vraag hoe een onevenredig
grote invloed van de commerciele uitvoeringsorganisatie kan worden voorkomen en
hoe de plichten van de overheid in het experiment tegenover de plichten van de
client worden gerealiseerd, zoals kinderopvang en sameringsmogelijkheden van
schulden. Dit mag niet ten koste gaan van andere groepen die er ook recht op
hebben, in een situatie waarin er over het geheel te weinig geld voor is.
Wij zijn benieuwd hoe de wethouders voor
sociale zaken en voor werkgelegenheid deze vragen willen beantwoorden en wat ze
van het voorgestelde experiment vinden.
zaterdag 25 april 1998
Arbeidsbureau's schenden privacy
Op 24 maart heeft Marijnissen van de
Socialistische Partij in het wekelijks vragenuurtje van de Tweede kamer vragen
aan minister Melkert gesteld over de schending van privacy door arbeidsbureau's
en de privatisering van de arbeidsbemiddeling.
Er
is veel te doen geweest over een brief die het arbeidsbureau naar alle
werkzoekenden stuurde. In de brief stond, dat het arbeidsbureau informatie die
ze van je hadden wilde doorgeven aan oa uitzendbureau's. Je kon bezwaar maken
tegen het doorgeven van deze prive-gegevens. Deed je dit niet, dat werden de
gegevens doorgegeven. Wat dit betreft konstateerde Marijnissen, dat er zich een
soort kwartetspel ontwikkelt, waarbij uitzendbureau's en arbeidsbureau
over en weer met informatie van werkzoekenden gaan
schuiven. Marijnissen kreeg een vieze smaak in de mond van
het voorstel. Hij stelde de minister verschillende vragen.
Wordt de privacy van de werkzoekende niet geschonden? Kan iemand die zich inschrijft bij een arbeidsbureau onder druk gezet worden?. Wellicht komen er zelfs sancties, indien iemand niet meewerkt aan het uitleveren van zijn persoonlijke gegevens?. Start en Vedior beschikken al over de gegevens van werkzoekenden die zijn ingeschreven bij het arbeidesbureau.
Hoe
kan dat?
De
minister heeft hier geantwoord, dat Marijnissen er maar aan moet
wennen dat publiek en privaat meer zullen gaan samenwerken
op het gebied van arbeidsbemiddeling. Verder geeft de
minister nauwelijks antwoord op de gestelde vragen. Niet over
mogelijke sancties als iemand niet wil dat zijn gegevens worden
doorgegeven, en niet over het feit, dat Start en Vedior nu
al beschikken over de gegevens.
Marijnissen
citeert een brief van de Registratiekamer, waarin staat:
"Het is de registratiekamer echter gebleken dat ook gegevens
van diegenen die uitdrukkelijk bezwaar hebben gemaakt,
worden verstrekt aan uitzendbureau's binnen het samenwerkingsverband".
Blijkbaar gebeurt het gewoon, of je daarvoor
wel of geen toestemming hebt gegeven. Marijnissen herhaalt
aan de hand van brief van een advokaat uit Roermond nog
eens, dat de werkzoekende bezwaar kan maken, en dat de gegevens
worden doorgegeven als de werkzoekende dat niet doet.
Dit
zou anders moeten. Er zou gevraagd moeten worden of men het goed vindt, dat de
gegevens doorgestuurd worden en niet dat de gegevens doorgestuurd worden als
men niet reageert. Het
arbeidsbureau rechtvaardigde de handelwijze met de volgende
tekst: "dat het vragen van schriftelijke toestemming praktisch
niet goed uitvoerbaar is en een belemmering vormt voor
effectieve uitwisseling van gegevens met andere intermediairs,
zoals uitzendbureau's." De minister heeft oa
geantwoord,
dat er binnenkort een rapport van de Registratiekamer
zal verschijnen, waar op deze kwestie wordt ingegaan.
Over
de uitwisseling van gegevens tussen arbeidsbureau's en bedrijven verscheen een
gedegen artikel in het maandblad Doen van Robert Loeber. Het artikel werd ookgepubliceerd in Kleintje Muurkrant uit Den Bosch.
Labels:
arbeidsbemiddeling,
controlemaatschappij
maandag 9 maart 1998
De acties van de Franse werklozen. Wie misère zaait zal colère oogsten
De Franse werklozencomitees weten van geen
ophouden. De actiebereidheid is nog steeds groot. Na drie maanden aktievoeren
gingen de uitkeringsgerechtigden op 7 maart en 8 april weer de straat op. De
kwaadheid (Frans: colère) over de armoede en werkloosheid is groot. In de
woorden van een Vlaams spandoek: 'wie misère zaait zal colère oogsten'. En er
zijn grote plannen voor akties in de maanden mei en juni, waarbij Duitse en Franse
organisaties gaan samenwerken. Maar de beweging moet vele hindernissen nemen.
In de woorden van Christophe Aguiton, een van de organisatoren van de Franse
acties: 'de beweging stuit op grenzen. Actieve solidariteit van de werkenden
blijft uit'.
Vrijdag
6 maart gingen vier vertegenwoordigers van de Bijstandsbond en de Werklozen
Belangen Vereniging naar Parijs om deel te nemen aan de akties van Franse
werklozen voor verhoging van de uitkeringen en arbeidstijdverkorting/ recht op
werk. We gingen als vertegenwoordigers van het Nederlandse netwerk van de
Euromarsen tegen werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting, die op 15 juni
in amsterdam geleid hebben tot de grote demonstratie waar 50.000 mensen aan
deelnamen. Er gingen ook mensen uit Utrecht naar Parijs. (Van de Werklozenbond
en van het Samenwerkingsverband Mensen Zonder Betaald Werk).
Zaterdags
namen we deel aan een demonstratie in Parijs. Op die dag gingen in vijf
verschillende Franse steden de werklozen
weer de straat op. In Marseille waren er 10.000 demonstranten, in Toulouse,
Nancy en Rennes waren er vele duizenden. De grootste demonstratie vond echter
plaats in Parijs, waar tussen de 15.000 en 20.000 demonstranten waren, die in
een meer dan zes uur durende demonstratie van het Gare du Nord naar de Place de
la Nation liepen. Centrale eisen waren evenals bij voorgaande akties verhoging
van de minimumuitkeringen met 1500 Francs en de innvoering van een RMI
(vergelijkbaar met onze bijstand) voor jongeren onder de 25 jaar. Daarnaast
waren er in de verschillende blokken nog andere eisen, zoals een drastische
arbeidstijdverkorting. De demonstraties waren georganiseerd door de vier
belangrijkste organisaties van werklozen: APEIS, Action Chomage, de MNCP en de
werklozencomitees van de CGT. Opvallend was, dat er ook vele organisaties van
de 'sans beweging' aanwezig waren. (sans papier, sans logis, sans droit).
Wij
liepen mee in het 'Euromarsenblok', dat bestond uit Italianen, Belgen, Duitsers
en Nederlanders.
Het
was een enerverende demonstratie, met veel spandoeken, balonnen en gezang. De
demonstratie was een groot succes, vooral omdat in de maand februari de akties
een beetje leken te zijn ingezakt.
evaluatie
Aguiton
zei na afloop op een vergadering waar de aktie geevalueerd werd, dat deze
nationale aktie met demonstraties in vijf verschillende steden voor de
organisatoren een beetje een gok was: zou men in staat zijn, nu weer
massademonstraties van de grond te krijgen?. Het antwoord luidde dus: ja. De
beweging is nu sterk genoeg om periodiek akties op nationale schaal te
organiseren. Het inzakken van de beweging in febnruari was gedeeltelijk ook
schijn. Een vertegenwoordiger van de CNT, een anarcho-syndikalistische vakbond,
die ik voor de demonstratie sprak zei, dat de overheid de bezettingen van uitkeringskantoren
en blokkades van wegen in eerste instantie accepteerde, maar dat na verloop van
tijd steeds sneller en harder door de politie werd ingegrepen;
ontregelingsakties die wat langer duren zijn nu niet meer mogelijk. Bij de
laatste bezettingen werden ook mensen gearresteerd, vier werklozen hebben twee
weken vastgezeten. Hun proces vindt eind maart plaats en dan zijn er ook weer
allerlei solidariteitsakties. De werklozen hielden in februari de moed erin
door picketlines en andere kleinere demonstraties te organiseren, maar die
waren minder spectaculair dan de bezettingen, zodat de media er weinig aandacht
aan hebben besteed.
plannen
regering
Toch
heeft de sociale beweging met moeilijkheden te kampen. De regering heeft naast
het hardere politieingrijpen- tegenvoorstellen gedaan, waarvan de wet tegen de
uitsluiting van minister Aubry wel de belangrijkste is. In drie jaar tijd wordt
voor maatregelen in het kader van de wet 30 miljard Francs uitgetrokken. Ook
voor de jaren daarna wil men geld uittrekken. Dat lijkt veel, maar een groot
deel is in feite bedoeld om reeds bestaande maatregelen op het gebied van
werkgelegenheid te financieren. Daarnaast wil men verbetering van de
arbeidsbemiddeling en meer scholingsmogelijkheden voor werklozen. De 'verbetering'
van de arbeidsbemiddeling doet denken aan de werklozenbestrijding in ons
poldermodel, die eind jaren tachtig begon met de 'heroerientatiegesprekken' met
langdurig werklozen op initiatief van de toenmalige minister van sociale zaken
de Koning. In Frankrijk konstateert men hetzelfde als bij ons toen: 57% van de
werklozen heeft hooguit eenb gesprekje van tien minuten gehad met de ANPE
(vergelijkbaar met ons arbeidsbureau) en 29% van de werklozen heeft sinds de
inschrijving nog nooit een gesprek gehad. Nu wil men binnen zes maanden
langdurige gesprekken met een half miljoen jongeren, en binnen tien maanden
zulke gesprekken met een miljoen andere werklozen. Onze oude brochure
'heroerientatie is geen werk. De straf moet eraf' uit 1989 nog maar eens uit de
kast halen. Misschien kan iemand die vertalen. Aubry is overigens op deze
gedachten gekomen naar aanleding van de europese werkgelegenheidstop in
Luxemburg..... De Franse regering spreekt over een 'soutien personalise': vrij
vertaald: individueel maatwerk. Daarbij komen er -net als in Nederland-
mogelijkheden contracten af te sluiten met individuele werklozen, die zich in
ruil voor hun uitkering verplichten individuele trajecten richting arbeidsmarkt
te volgen. De individualisering en depolitisering van het werkloosheidsvraagstuk
komt ook in Frankrijk van de grond. Verder wordt er voor 60.000
randgroepjongeren een soort Jeugd Werk garantie Wet ingevoerd, en komen er
riumere bijverdienstemogelijkheden naast de ASS (de werkloosheidsuitkering). Op
groind van meer dan tien jaar ervaring met soortgelijke maatregelen kunnen wij
wel stellen, dat dit soort werklozenbestrijding de werkloosheid niet oplost en
ook geen oplossing is voor de tweedeling tussen arm en rijk.
nieuwe
plannen
Hoezeer
er ook meningsverschillen in de beweging aan het daglicht treden, over een ding
is iedereen het eens: de plannen van de regering Jospin zijn volstrekt
onvoldoende en nieuwe akties zijn nodig.
Men
heeft daarbij twee doelen: uitbreding van de coalitie met de vrouwenbeweging en
met de 'sans' beweging en internationalisering van de akties. Op de
evaluatievergadering van de genoemde organisaties werd een veelheid aan
aktieplannen besproken. De Duitsers waren op deze vergadering met een sterke
delegatie aanwezig. Zowel op de korte als op de lange termijn worden nieuwe
akties gepland van Duitse en Franse werklozen gezamenlijk. Er is een
gemeenschappelijke groep gevormd, die de aktie gaat voorbereiden. Op 8 mei
voerden de werklozen uit de twee landen gezamenlijk aktie in de grenssteden van
de twee landen, met name in Keulen en Straatsburg. Daarbij werd de brug op de
weg tussen de twee steden geblokkeerd. De Duitse werklozen hebben op 11
september in Berlijn een grote massa-demonstratie gepland, die het voorlopig
eindpunt is van de akties die nu gevoerd worden. Tot die tijd zijn er aan het
begin van iedere maand akties als de werkloosheidscijfers in Duitsland bekend
worden gemaakt. (de eerstvolgende aktiedag was 5 april). Op de grote
demonstratie in Berlijn zullen de Fransen met vele honderden aktievoerders
aanwezig zijn. En....voorjaar 1999 moet een nieuw hoogtepunt worden, met een
massademonstratie in Keulen tijdens de Eurotop, die dan in deze stad wordt
gehouden. En dit is nog maar een greep uit de vele plannen.
De
Fransen van hun kant plannen voor de maand mei een nieuwe aktiemaand. Met name
tussen 1 mei en 6 juni, wanneer de plannen van Jospin en Aubry in het parlement
behandeld zullen worden.
Piet
van der Lende
Abonneren op:
Posts (Atom)