maandag 31 oktober 2005

Massawerkloosheid is goedkoop voor werkgevers

Enkele rekensommetjes van het CPB die laten zien wat de motieven zouden kunnen zijn voor het in stand houden van de massawerkloosheid en zelfs uitbreiding ervan (met name vrouwen moeten minder in deeltijd gaan werken en een volledige baan nemen en je moet doorwerken tot je 65ste). Aardig zou zijn om eens uit te rekenen of het opheffen van de massawerkloosheid misschien wel duurder is voor de werkgevers dan het in standhouden ervan door afname van de arbeidsproductiviteit en toename ziekteverzuim…..Commentaar op www.nu.nl : bedrijven wisten het al, maar nu heeft het CPB de cijfers erbij geleverd…

*CENTRAAL PLANBUREAU*
Onderwerp: persbericht
Nummer: 43
Datum: 31 oktober 2005
Gunstige conjunctuur leidt tot meer ziekteverzuim
Bij een gunstige economische ontwikkeling melden meer werknemers zich
ziek. Een daling van de werkloosheid met 1%-punt leidt naar schatting
tot een stijging van het ziekteverzuim met 0,25%-punt. Naast de
conjunctuur hebben ook beleidsmaatregelen en wijzigingen in de
samenstelling van de beroepsbevolking voor veranderingen in het
ziekteverzuim gezorgd.
Dit concludeert onderzoeker Hans Stegeman van het Centraal Planbureau
(CPB) in het vandaag verschenen CPB Document ‘/De
conjunctuurgevoeligheid van het ziekteverzuim/’.
*Kosten ziekteverzuim 6 mld euro*
Het ziekteverzuim is vanaf 1980 trendmatig gedaald. In 1980 werd ruim 9%
van de beschikbare werkdagen verzuimd. Medio jaren negentig was dit
percentage nagenoeg gehalveerd; zowel structurele als conjuncturele
factoren hebben hieraan bijgedragen. In de economisch gunstige periode
daarna is het verzuimpercentage echter weer wat opgelopen.
Het ziekteverzuim vormt een kostenpost voor werkgevers. Zo betalen
bedrijfsleven en overheid in 2005 circa 6 mld euro loon door aan zieke
werknemers, ongeveer 3% van de totale loonsom.
*Het verband tussen conjunctuur en ziekteverzuim*
Bij hoogconjunctuur melden werknemers zich eerder ziek. Dit blijkt zowel
uit een analyse met jaargegevens over de periode 1980-2003 als uit een
analyse van kwartaalcijfers op bedrijfstakniveau voor de jaren
1996-2003. Een daling van de werkloosheid met 1%-punt leidt naar
schatting tot een stijging van het ziekteverzuim met 0,25%-punt. Dit
verband geldt ook bij een stijging van de werkloosheid.
Ook literatuuronderzoek wijst overwegend op een positief verband tussen
conjunctuur en ziekteverzuim. Vermindering van de werkdruk door
laagconjunctuur kan bijvoorbeeld leiden tot een betere gezondheid en
daarmee tot minder ziektegevallen. Daarnaast kan de werkinstelling van
werknemers een rol spelen: een grotere kans op ontslag kan resulteren in
minder verzuim. Ook het aanname- en ontslagbeleid van werkgevers kan van
invloed zijn. Werknemers die in het verleden relatief vaak ziek zijn
geweest, zullen misschien minder snel een baan krijgen of bij
reorganisaties eerder worden ontslagen. Hierdoor is vooral het gezonde
personeel werkzaam als de economie zich in een conjunctureel dal bevindt.
*Structurele invloeden: beleid en samenstelling beroepsbevolking*
Naast de conjunctuur hebben ook beleidsmaatregelen een effect gehad op
de ontwikkeling van het ziekteverzuim. De verlaging van de uitkeringen
bij ziekte en arbeidsongeschiktheid in de jaren tachtig en tal van
instroombeperkende maatregelen in de WAO hebben er aan bijgedragen dat
het verzuimpercentage in Nederland nu structureel lager is dan tien tot
twintig jaar geleden. Het gaat onder meer om de Wet Uitbreiding
Loondoorbetalingsverplichting Bij Ziekte (WULBZ) uit 1996 waarbij de
loondoorbetalingsverplichting van werkgevers eerst tot zes weken werd
verlengd en later tot een jaar. De loondoorbetalingsperiode is overigens
recent nog eens verlengd tot 2 jaar; dit is nog niet in het onderzoek
meegenomen.
Demografische ontwikkelingen, zoals de toegenomen arbeidsparticipatie
van vrouwen en ouderen, hebben de daling van het ziekteverzuim echter
getemperd. Het ziekteverzuimpercentage van vrouwen (exclusief
zwangerschaps- en bevallingsverlof) ligt ruim 1%-punt hoger dan dat van
mannen, terwijl ook ouderen meer verzuimen dan jongeren. Nu vrouwen en
ouderen een groter deel van de beroepsbevolking vormen, komt het
ziekteverzuim hierdoor hoger uit dan het geweest zou zijn bij de
vroegere verhouding tussen ouderen en jongeren en tussen mannen en vrouwen.
CPB Document 99, ‘/De conjunctuurgevoeligheid van het ziekteverzuim/’,
ISBN 90-5833-239-X, is te bestellen bij:
Bibliotheek Centraal Planbureau
Postbus 80510
2508 GM Den Haag
Telefax: 070-3383350
e-mail: bibliotheek@cpb.nl
Prijs: 9,- euro
CPB Document 99 is tevens
(gratis) beschikbaar als PDF-bestand op de website van het CPB
(www.cpb.nl).

woensdag 19 oktober 2005

De gevaarlijke borreltafelpraatjes van Jos Dautzenberg

CWI projectleider probeert werklozen, werkenden, Polen, Nederlanders en
illegalen tegen elkaar uit te spelen.

Enige tijd geleden kwamen Poolse slaplukkers in het nieuws, die
weigerden na 12 uur arbeid voor 5 euro per uur nog eens 4 uur door te
werken, en die daarop op staande voet werden ontslagen. Met de steun van
FNV Bondgenoten hebben de slaplukkers actie gevoerd, en de rechter gaf
hen gelijk, ze mochten niet ontslagen worden. De zaak geeft wel aan, dat
het met de arbeidsvoorwaarden en omstandigheden in de tuinbouw niet best
gesteld is. Langdurig zware arbeid op een tijdelijk contract en tegen
een laag loon. Het project Seizoensarbeid van het Centrum voor Werk en
Inkomen (CWI), gemeenten, uikeringsinstantie UWV en land en
tuinbouworganisatie LTO poogt Nederlandse werkzoekenden te vinden voor
het zware werk in de tuinbouw. Ruim 10.000 werklozen werden het
afgelopen jaar benaderd om te werken als sla- of tomatenplukker, of als
aspergesteker. Tegelijkertijd nam de regering de maatregel, dat voor
Poolse arbeiders die naar Nederland komen om in de tuinbouw te werken
een uitzondering geldt: zij ondervinden geen enkele belemmering meer die
in andere sectoren nog wel geldt als overgangsmaatregel voor vrij
verkeer van personen tussen de nieuwe EU-landen en Nederland. Er waren
850 Nederlandse werklozen die als slaplukker of in een andere functie in
de land en tuinbouw aan de slag gingen.
Het CWI probeert in navolging van de maatregelen van de Nederlandse
regering duidelijk de Nederlandse en Poolse werklozen tegen elkaar uit
te spelen om hen te dwingen de slechte arbeidsvoorwaarden en
omstandigheden te aanvaarden. Nederlandse werklozen worden bedreigd met
strafkortingen of zelfs stopzetting van de uitkering als ze het zware
werk onder de huisige omstandigheden niet aanvaarden, de Polen zijn wel
gedwongen, gezien de massa-werkloosheid in eigen land, zonder goede
werkloosheidsuitkering, de onaanvaardbare toestanden in de tuinbouw te
aanvaarden.
Jos Dautzenberg, projectleider van het project Seizoensarbeid, geeft op
19-10 2005 een interview aan de Telegraaf waarin hij de Nederlandse werklozen
nog eens extra in een kwaad daglicht zet, om zo de druk verder op te
voeren. Meneer Dautzenberg zegt dat de Nederlandse werklozen door de
telefoontjes merkten dat ze aan de slag moesten. Ach, meneer
Dautzenberg, dat was blijkbaar nog niet tot hen doorgedrongen met al die
strenge maatregelen van tegenwoordig. ‘Veel werklozen zagen een baan op
het land niet zitten en solliciteerden gauw ergens anders’ zegt meneer
Dautzenberg. Hoe hij dat weet? ‘We hebben geen exacte cijfers, maar het
is opvallend dat mensen na maanden werkloosheid ineens weer werk vonden
en geen uitkering meer hoeven’. Meneer Dautzenberg weet donders goed dat
statistisch gezien al jaren een groot deel van de werklozen sowieso na
verloop van tijd weer aan het werk gaat als ze eindelijk iets hebben
gevonden. Dat is allang zo. Dus het is maar de vraag, wat dat ene
telefoontje nu voor invloed heeft. Dat weet meneer Dautzenberg ook niet,
want hij heeft geen exacte cijfers. Het is maar een vage impressie van
meneer Dautzenberg om zijn eigen winkeltje als belangrijk naar voren te
schuiven. Borreltafelpraat dus uit de categorie: ik ken verschillende
werklozen uit mijn omgeving die niet willen werken, dus de werklozen
willen niet werken. Maar er zijn inderdaad werklozen die een
strafkorting hebben gekregen of wier uitkering werd stopgezet omdat ze
weigerden. En terecht.
De borreltafelpraatjes van Jos Dautzenberg zijn niet zonder gevaar. Zijn
opmerkingen dragen bij aan het tegen elkaar opzetten van verschillende
groepen, om hen te dwingen de soms onaanvaardbare arbeidssituaties in de
land en tuinbouw te aanvaarden door hun onderlinge concurrentie te
verscherpen. Daar trappen wij niet in. Samen strijden voor betere
arbeidsvoorwaarden en omstandigheden. De Nederlandse werklozen, die
weigeren onaanvaardbare arbeidsomstandigheden te aanvaarden en de Poolse
actievoerders, die strijden voor verbetering van hun situatie. Duidelijk
is dat ze daarvoor niet bij meneer Dautzenberg moeten zijn.

maandag 18 juli 2005

De invoering van de onaangekondigde huisbezoeken in Amsterdam

Enkele punten uit de activiteiten van de Bijstandsbond in 2004 en 2005. Sinds september 2004 vroegen de door de sociale dienst georganiseerde huisbezoeken de nodige aandacht. Hoewel de huisbezoeken toen al meer dan een half jaar aan de gang waren, riepen de huisbezoeken pas in september 2004 de nodige reacties op. Dit naar aanleiding van een artikel in de Sociale Dienst Post, waarin werd aangekondigd dat alle cliënten een huisbezoek zouden krijgen. Wij werden overstelpt met telefoontjes van ongeruste bijstandsgerechtigden, die zich afvroegen wat de ambtenaren tijdens zo’n huisbezoek nu wel en niet mogen en welke informatie nu wel en niet moet worden overlegd. Daarvoor waren de huisbezoeken oa aan de orde geweest in de clientenraad en in de gemeenteraad, in de vorm van een discussie over een pilot, maar erg veel was er in de vertegenwoordigende organen niet over gediscussieerd, terwijl toch al in januari 2004 een reportage werd gemaakt door het Tv-programma NOVA. Blijkbaar was men zich er niet van bewust, welke impact de intensivering van de huisbezoeken zou hebben op de bijstandsgerechtigden en hoe ingrijpend het toegepaste middel was. 

Naar aanleiding van de reacties in september besloot de Bijstandsbond in die maand twee bijeenkomsten te beleggen. Op de beide bijeenkomsten waren een zestigtal mensen aanwezig. Er werd een juridische werkgroep gevormd, die ging inventariseren wat de juridische ins en outs van de huisbezoeken waren. Tevens werd een plan gemaakt om klachten te verzamelen over de huisbezoeken. Besloten werd maandelijks in het Dijktheater over de voortgang te vergaderen en voorlichting te geven over rechten en plichten en er werd een forumdiscussie gepland met lokale politici en juridische deskundigen. Deze forumdiscussie werd in december bij het HTIB gehouden. Tevens werd ingesproken in de desbetreffende commissie van de gemeenteraad door verschillende mensen die met de huisbezoeken te maken hadden en er werden pamfletten en folders gemaakt waarin de standpunten van de Bijstandsbond werden opgenomen. Deze pamfletten werden oa verspreid tijdens de grote vakbondsdemonstratie van de FNV in oktober. 

Daarnaast bracht een grote delegatie een bezoek aan de clientenraadsvergadering waar de huisbezoeken op de agenda stonden. De gemeenteraad bleef  echter de huisbezoeken op grote schaal, ook bij mensen waarvoor geen aanleiding bestaat, goedkeuren. Wel zegde de wethouder toe dat in februari een eventuele bijstelling van het beleid mogelijk was. Deze bijstelling heeft inderdaad plaatsgevonden. Het plan is nu, slechts bij 50% van het bestaande cliënten bestand een huisbezoek af te leggen op basis van zogenaamde frauderisicoprofielen, die overigens geheim zijn.

In eerste instantie bestond er geen enkele juridische beleidsnota waarop de huisbezoeken waren gebaseerd. Pas na aandringen van de gemeenteraad en anderen werd zo’n kader gemaakt. De huisbezoeken waren toen al meer dan een half jaar aan de gang. Uit dit kader bleek - na advies van de gemeenteadvocaat - dat cliënten die al een uitkering hadden de eerste maal een huisbezoek mochten weigeren. Tot op de dag van vandaag bestaat er verwarring over de status van het juridisch kader en over of iemand de eerste maal wel of niet mag weigeren. Ook is onduidelijk of nu inderdaad het beleid is dat maar bij 50% van de cliënten een huisbezoek wordt afgelegd. De verklaringen hierover van de afdeling juridische zaken zijn voor de rechter strijdig met wat de wethouder daarover in de gemeenteraad heeft gezegd. Inmiddels is ook besloten een voorlichtingsfolder vanuit de sociale dienst te verstrekken bij een huisbezoek. Het komt echter nog regelmatig voor, dat deze folder niet wordt verstrekt en als hij wordt verstrekt pas achteraf, als het huisbezoek al geweest is. In 2005 is door kritische bijstandsgerechtigden de ‘projectgroep controleurs in beeld’ opgericht. De activiteiten daarvan speelden zich af in 2005. De Bijstandsbond heeft in 2005 weer verschillende voorlichtingsbijeenkomsten over de huisbezoeken gehouden en een brochure gemaakt getiteld ‘de klop op de deur’, waarin de juridische ins en outs van de huisbezoeken aan de hand van praktijkvoorbeelden worden uitgelegd.

zondag 26 juni 2005

Periodisering van de geschiedenis

Periodisering van de geschiedenis is meer dan het indelen ervan in perioden waarbij een nieuwe periode begint op basis van ingrijpende gebeurtenissen zoals nieuwe economische activiteiten, oorlogen en revoluties of  grote culturele veranderingen. In de geschiedenis kun je vele van dit soort grote gebeurtenissen onderscheiden, dus welke indeling kies je dan? Periodisering is dikwijls ook een indeling van de geschiedenis op basis van bepaalde maatschappijtheorien, waarin het ene of andere element of een bepaald samenstel van oorzaken voor de ontwikkeling van de maatschappij als doorslaggevend wordt beschouwd. En deze theorien veranderen in de loop van de tijd. 

Oude transitietheorien

Kort door de bocht gezegd werden sinds de tijd van de Romantiek in de 19e eeuw verschillende theorien over (evolutionaire) stadia in de maatschappelijke ontwikkeling gepresenteerd, waarbij de ene fase bijna noodzakelijkerwijs werd gevolgd door de volgende en waarbij er sprake zou zijn van meer gesloten samenlevingen naar meer openheid met een meer gecompliceerde economische structuur, met toenemende arbeidsdeling en technologische ontwikkeling. Samenlevingen ontwikkelden zich van meer gesloten ‘primitieve’ samenlevingen naar de open moderne mondiale samenleving. Meestal werd er in dergelijke evolutionaire theorien van uitgegaan, dat er een ontwikkeling is van ‘Gemeinschaft’ naar ‘Gesellschaft’: een ontwikkeling van een gesloten, egalitaire samenleving met weinig onderlinge sociale verschillen en verschillen in rijkdom en bezit naar de moderne samenlevingen, waarin een grotere openheid bestaat en wel grote verschillen in sociale stratificatie.[1] Er worden daarbij duidelijke breuken gezien in de ontwikkeling, zeg maar mutaties. Bijvoorbeeld de drie mutaties van Linton: eerst was er de uitvinding van het gebruik van vuur en het gebruik van gereedschappen, in een volgende fase de domesticatie van plant en dier (de overgang van jagers en verzamelaars naar landbouwende volken) en tenslotte met de industriele revolutie de productie van energie op grote schaal en toepassing van nieuwe, wetenschappelijk rationele methoden in een kapitalistisch productieproces. Wat de conservatieve uitwerking van deze theorien over de stadia in de maatschappelijke ontwikkeling betreft: veel mensen hadden in de 19e eeuw een nostalgische, conservatieve hang naar het ideale verleden met haar vaststaande tradities. Daarbij speelden allerlei oorsprongsteorien een rol; de ene fase bouwt voort op de vorige en zo kan uitgaande van de vroegste steentijd tot de huidige tijd een continue ontwikkelingslijn worden geschetst. Wanneer men teruggaat in de tijd kan men de ‘oorspronkelijke’ basiskenmerken van een volk of groep en haar cultuur vaststellen  Deze oorspronkelijke cultuur werd geïdealiseerd als de nastrevenswaardige, meest ‘zuivere’ cultuur. Deze theorien werden gebruikt om zaken als het min of meer erfelijk ‘volkskarakter’, en het ‘eigene’ van een volk, evenals het begrip zelf, te verklaren.[3]
 In de tijd van de Romantiek in de negentiende eeuw ontstond in zijn algemeenheid bij delen van de burgerij een idealisering van de goede oude tijd. Men idealiseerde het dorpsleven in vroeger tijden: de mensen handelden in onderlinge consensus en volgens tradities. Er is weinig sociale differentiatie. Iedereen is gelijk en werkt voor de gemeenschap. De mensen blijven hun hele leven in het eigen, vertrouwde dorp waar men in vrede samenleeft. In de tijd van de Romantiek verlangde men terug naar deze dorspgemeenschappen. Tegenover deze dorpsgemeenschap werd de moderne maatschappij met haar opkomende industrialisatie en kapitalisme als kil afgeschilderd: een samenleving, waarin ieder individu zijn eigen, particuliere belang nastreefde en waarbij sociale relaties vaak een beperkt commercieel, instrumenteel en onpersoonlijk karakter hebben. De individuen zijn in een voortdurende onderlinge concurrentie met elkaar bezig hun eigen belang na te streven, waarbij de samenleving wordt gereguleerd door wetten en niet door tradities. 



[1] Het onderscheid komt oorspronkelijk van de socioloog Tönnies
[3] De nationalistische tendenties die in de 19e eeuw opkwamen baseerden zich ook op de gemeenschappelijke kenmerken van een volk, niet alleen hun gemeenschappelijke afkomst en geschiedenis maar ook tot in de moderne tijd voortlevende basiskenmerken waarin zij zich zouden onderscheiden van andere volkeren. Dit werd verbonden met het bestaansrecht van de natie-staat. In Nederland ontwikkelde zich de volkskunde, de bestudering van gewoonten, de cultuur en economie van de boerenbevolking.

zaterdag 25 juni 2005

Periodisering van de geschiedenis deel II


De echo's van de romantisering uit de 19e eeuw vinden we ook nu nog terug in beschouwingen over het eigen karakter van een deel van Noord-Nederland van voor de industriele revolutie. Bijvoorbeeld in discussies over wat de middeleeuwse Friese vrijheid wordt genoemd. De middeleeuwse grietenijen zoals de Stellingwerven worden dan voorgesteld als rechtvaardige, democratische republieken van vrije boeren, waar een stedelijke elite en adel ontbraken en waar dus een grote en rechtvaardige gelijkheid tussen de mensen bestond. Er bestaat zelfs een boek uit de vijftiger jaren van de twintigste eeuw dat als titel draagt: 'de vrije natie der Stellingwerven'. De stellingwervers worden in deze en andere publicaties dan voorgesteld als boeren en boerinnen, die erg op hun vrijheid en onafhankelijkheid gesteld waren, waarbij ze nuchter hun eigen weg gingen en solidair met elkaar waren. Op basis van hun vrijheidsideaal, dat bij hen sterker was dan bij andere volkeren, hebben zij zich verzet tegen (onrechtvaardige) machten van buiten. Is dit een goede beschrijving van die samenleving, of idealiseren we die samenlevingen dan teveel, kijken we teveel met nostalgische twintigste en een en twintigste eeuwse ogen en begrippen naar een samenleving, die zeer ver van ons afstaat?  De in de Romantiek opgekomen tegenstelling tussen de ideale, warme, vredige, vertrouwde dorpsgemeenschap en de kille moderne samenleving is verouderd. Onderzoekingen van antropologen in dorpsgemeenschappen in de wereld, waar men nog steeds in het pre-industriele tijdperk leefde hebben aangetoond, dat die oude dorpsgemeenschappen helemaal niet zo ideaal waren als eerst werd aangenomen. Er was vaak wel degelijk een sociale differentiatie tussen arm en rijk met een grote groep landlozen. Er heerste vaak een groot onderling wantrouwen en er waren vetes tussen families die elkaar het leven zuur maakten. Het zou verder ook onjuist zijn, de tribale samenlevingen als 'primitief' te kenschetsen. Vaak bezitten zij een cultuur die erg complex is, met een uitgebreid stelsel van normen en waarden, religie en verwantschapssystemen.

Naast deze theorien uit de meer conservatieve hoek was er ook de opkomst van marxisme en socialisme in de 19e eeuw. Ook in het marxisme werd een theorie over de verschillende stadia in de maatschappelijke ontwikkeling opgesteld. Deze theorie werd echter niet verbonden met nationalistische tendenzen en een nostalgische hang naar het verleden. In de arbeidersklasse die in het ontwikkelden kapitalisme opkwam werd de voorbode gezien van een emancipatiestrijd, die zou leiden naar ene moderne, rechtvaardige, socialistische samenleving, waarin enerzijds moderne productiemethoden en organisatie hun plaats krijgen, maar anderzijds het kapitalisme werd afgeschaft. De indeling in perioden was die van de natuur-economie, de eenvoudige warenproductie,  het handelskapitalisme en  het industriele kapitalisme. Deze marxistische theorie speelt tot op de dag van vandaag bij wetenschappelijke analyses een rol en zal verderop in verschillende interpretaties ana de orde komen, naast andere  moderne uitwerkingen. 

Maar ook in de 20ste en 21 ste eeuw hebben wetenschappers zich bezig gehouden met het vraagstuk van verschillende stadia in de maatschappelijke ontwikkeling. Het  vraagstuk blijft bestaan waarin de huidige samenleving verschilt van vorige en door welke oorzaken bepaalde veranderingsprocessen zich hebben voltrokken. Nog steeds zijn er wetenschappers, die trachten te werken met behulp van bepaalde ontwikkelingsmodellen bij de indeling van de geschiedenis op basis van een evolutionaire ontwikkeling en bij de analyse van maatschappijformaties waarbij getracht wordt de ontwikkeling en kenmerken van die maatschappij te beschrijven en te verklaren.  [1]



[1] Naast deze discussies is er toen de Franse revolutie in 1987 200 jaar geleden plaats vond een stortvloed aan boeken over dat onderwerp geweest. Met als een van de hoofdprobleemstellingen of het een plotselinge omwenteling was of dat revoluties niet bestaan, dwz er waren voor 1787 ook al belangrijke verschuivingen in de maatschappij. De Bonald en Marx hebben hier aandacht aan besteed.

vrijdag 24 juni 2005

De ontwikkeling van peasant-samenlevingen. Beschrijving van het model en kritiek erop

De eerste nederzettingen die men ‘stad’ zou kunnen noemen, waarbij een betrekkelijk grote groep mensen dicht op elkaar woonde en er specialisatie in de samenleving plaatsvond van landbouwers, die alles zelf deden naar handelaren, kooplieden en ambachtslieden in de steden zien we in Nederland verschijnen in de 10e en 11e eeuw. Steden als Dorestad, Deventer en Stavoren werden handelsplaatsen, waar goederen uit ver van elkaar verwijderde gebieden werden aangevoerd en verhandeld en weer uitgevoerd naar andere gebieden. Daarnaast bleef er een overwegend agrarische samenleving, die het surplus produceerde waarvan de burgers in de steden moesten leven. Het geld gaat een geleidelijk aan steeds belangrijkere rol spelen in de economie. Om deze samenlevingen te beschrijven gebruikt men wel het ‘peasant-model’.

Antropologen gebruiken deze term om samenlevingen aan te duiden die zowel trekken hebben van pre-industriele, tribale, gesloten samenlevingen zonder relaties met de buitenwereld als van moderne, open samenlevingen. Een Nederlands woord voor 'peasant'  bestaat er eigenlijk niet. In het Engels maakt men een onderscheid tussen 'peasant' en 'farmer'. Het Engelse woord 'peasant' is vergelijkbaar met het Nederlandse woord keuterboer: een kleine conservatieve boer, die met vrij primitieve middelen landbouw bedrijft en die deel uitmaakt van traditionele dorpssamenlevingen, waar de moderne wereld nog nauwelijks doorgedrongen is. De farmer is meer vergelijkbaar met een moderne boer in de IJsselmeerpolders.

Antropologen noemen peasantsamenlevingen ook wel intermediaire samenlevingen. Daarmee bedoelen ze, dat deze samenlevingen qua sociale en economische ontwikkeling tussen oudere samenlevingen en de moderne samenleving in staan. Je kunt bij de beschrijving van samenlevingen uitgaan van een soort continuum: aan de ene kant staat de moderne, westerse samenleving, aan de andere kant de tribale samenlevingen die een grote mate van geslotenheid kenden en waar sprake was van zelfvoorziening. Jagers en verzamelaars of de eerste boeren produceerden voor het eigen gebruik en niet voor de markt.
Bij de moderne boer is het precies omgekeerd; hij produceert voor de markt en nauwelijks voor het eigen gebruik. De producten van zijn bedrijf worden fabrieksmatig verwerkt tot eindproducten en daarna verkocht.

Maar er zijn vele verschillen tussen tribale samenlevingen en moderne samenlevingen. In tribale samenlevingen is een minder vergaande taak en arbeidsverdeling dan bij ons. Een persoon in zo'n samenleving kan veel meer zelf en is van minder mensen afhankelijk dan iemand in onze maatschappij. Veel meer taken zijn in een persoon verenigd. Iemand is zowel visser, jager, boer, heeft politieke en juridische functies en vervaardigt een groot deel van zijn eigen gereedschappen en voorwerpen.
Er is ook minder organisatie en calculatie. Er zijn geen doelgerichte taak-organisaties zoals bij ons. Dus verdeling in organisaties die verschillende taken hebben: het onderscheid dat na de Franse revolutie is ontstaan tussen wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht kende men niet. Het begrip 'staat' is onbekend.
Ook de technische ontwikkeling is geringer; men is meer afhankelijk van en onderworpen aan de grillen van de natuur. Qua energie heeft men alleen de bezielde energie van mens en dier ter beschikking. Men kan met de spierkracht van mens en dier minder grote hoeveelheden land in een beperkte, daartoe door de natuur beschikbare, tijd bewerken dan bij ons met grote landbouwmachines. Er is daardoor ook nauwelijks een economisch surplus en dat betekent dat niemand kan worden vrijgesteld van de dagelijkse landarbeid.
Er is ook minder grote mobiliteit. Er zijn krachten, die het losmaken uit de oude context bemoeilijken, er zijn meer krachten aanwezig die als een rem en als sociale beheersingsmechanismen werken. Een individu zit meer verankerd in zijn kleine maar hechte context.
Onze samenleving kent een verdergaande taak en arbeidsverdeling, de technische ontwikkeling is groter er is veel verandering en mobiliteit en we bezitten het schrift en andere communikatiemedia. Ook gaat het bij moderne samenlevingen om grotere aantallen mensen die bijeen wonen in een stad. Het dorp is in tribale samenlevingen een tamelijk gesloten geheel, met een eigen cultuur. In de moderne samenleving heeft het dorp nauwelijks een eigen gezicht meer. Een modern dorp in Drente verschilt nauwelijks van een modern dorp in Holland.

In het navolgende wil ik vanuit twee invalshoeken die samenleving volgens dit model verder beschrijven. De eerste invalshoek is het economisch-technologische aspect en de tweede invalshoek is het sociaal-struktureel aspect.

Het economisch-technologische aspect.

Het gaat in peasantsamenlevingen om boeren, die in de agrarische sector werkzaam zijn en produceren met gebrekkige, traditionele, paleotechnische gereedschappen. Zij oefenen het boerenberoep uit om in hun onderhoud te voorzien. Het zijn dus boeren die op zelfvoorziening zijn gericht (subsistence boeren). Maar toch produceren de peasants in beperkte mate ook voor de markt. De meeste productie is echter bedoeld voor het eigen onderhoud. Ze verbouwen wel wat voor de markt, maar het geld dat ze hiermee verdienen wenden ze aan om bepaalde zaken te kopen die ze zelf niet maken. (lucifers, tabak, suiker, petroleum). Ze investeren verder niet in het eigen bedrijf.
Er is een intensieve bewerking van de grond met een simpele technologie. Zo'n samenleving bestaat uit een veelheid van agrarische dorpen op het platteland, met een paar steden. In grote meerderheid zijn de bewoners van de plattelandsgemeenschappen agrariërs. De welvaart van de elite, de steden en alle verder complexere entiteiten drijven op het werk van de plattelanders. De markten waarvoor de boeren produceren zijn vaak in de steden gevestigd. De steden kunnen bestaan als bevolkingsconcentraties dankzij een surplus-ekonomie.

Het sociaal-structurele aspect


Dit aspect heeft betrekking op de aard, de intensiteit en de frequentie van kontakten met de buitenwereld en hoe die gestructureerd zijn. De steden vormen in intermediaire samenlevingen de politieke, bestuurlijke, religieuze en economische centra. In de steden woont de nationale elite. Veelal zit die niet op het platteland hoewel er wel lagere 'goden' in de kleinere plattelandsgemeenschappen zijn te vinden. Zij vormen veelal de lokale vertegenwoordigers van systemen uit de grote steden. (Bestuurlijke, militaire en religieuze functionarissen).
De dorpssamenlevingen zijn niet geïsoleerd, zoals de tribale samenlevingen, maar ook niet in die mate ingebed in en verbonden aan grotere gehelen als in complexe maatschappijen zoals in de onze het geval is. De dorpen zijn in een aantal opzichten verbonden met supra-lokale systemen en instituten, maar de relaties zijn veelal beperkt, niet zo omvangrijk en intensief en meestal van sterk persoonlijke aard. Personalisering van zakelijke relaties is sowieso in dit soort samenlevingen zeer belangrijk en kenmerkend. Voorzover er overeenkomsten in bijvoorbeeld cultuur bestaan tussen verder van elkaar verwijderde gebieden spreekt men van de Grote Cultuur (Grand Culture) in peasantsamenlevingen. De beperkte mate van inbedding in de grotere verbanden brengt met zich mee, dat zo'n dorp veelal nog vrij sterk een eigen karakter heeft, een eigen cultuur, maar een en ander is toch niet helemaal bepaald door het dorp zelf. De mate van inbedding in supralokale systemen is minder dan in complexe, westerse samenlevingen. De relaties van de inwoners onderling zijn van veel grotere frequentie en intensiteit dan die met de buitenwacht.

Een voorbeeld van zulke samenlevingen zijn de feodale samenlevingen. Dorpen waren in belangrijke mate autark en autonoom, maar stonden toch in een zekere relatie met het grotere centrum (landelijk en regionaal). Men spreekt hier van de Kleine Cultuur. Wanneer een element uit een lokale cultuur wordt verspreid over een groter gebied en wordt opgenomen in de Grote Cultuur spreekt men van universalisatie, wanneer een element uit de Grote Cultuur werd opgenomen en weer bewerkt in een lokale cultuur, waardoor het een ‘eigen’ karakter krijgt spreekt men van parochialisatie. De typische wisselwerking tussen Grote en Kleine cultuur komt bijvoorbeeld tot uiting bij de verbreiding van het Christendom over West-Europa. De nieuwe godsdienst, die werd gedragen door de opkomende elite van feodale machthebbers kwam in botsing met het heidendom en de daarmee verbonden vereringen en rituelen. Deze botsing komt tot uiting in de vele legenden, die de strijd van heiligen tegen het heidendom tot onderwerp hebben. In de intermediaire samenleving behoorden deze heiligenlegenden tot de Grote Cultuur. In de Grote Cultuur van het bisdom Utrecht waren bijvoorbeeld de legenden van de 11.000 maagden en van St Maarten en St Nicolaas belangrijk. Ook in de manier, waarop legenden zich hebben verspreid en werden geinterpreteerd komt het specifieke karakter van de intermediaire samenlevingen tot uiting. Enerzijds een kultuurpatroon, dat in vele streken hetzelfde is (Grand Culture)  anderzijds een kultuurpatroon met kenmerken, die alleen in een bepaalde streek voorkomen (Kleine Cultuur).

Op politiek plan was het in feodale samenlevingen vaak zo, dat de feodale machthebbers of de staat of de stad bepaalde dat de dorpelingen belasting moesten betalen, maar men liet aan de dorpelingen vaak zelf over, via eigen bestuur, de organisatie hiervan te bepalen. Het supra-lokale systeem had dus wel relaties met het dorp, maar de frequentie en intensiteit waren gering. Nu onderscheidt men wel meer gesloten en meer open peasant-samenlevingen. Het is duidelijk, dat zo'n dorpssamenleving of combinatie daarvan in de buurt van een grote of middel-grote stad een ander karakter heeft dan tamelijk geïsoleerde dorpen, bijvoorbeeld op de Drentse zandgronden in de middeleeuwen.

Men kan in dit model stellen, dat naarmate het dorp of de kombinatie van dorpsgemeenschappen meer gesloten is, de dorpelingen meer communaal georienteerd zijn, meer gezamenlijk doen, waarbij er weinig verschillen in ekonomische rijkdom zijn en geen sociale stratificatie, dwz er was geen sterke bovenlaag van rijkere boeren of hoogwaardigheidsbekleders, men kent dorpsraden die uit alle mannen bestaan. De relaties met markten zijn zeer beperkt, dwz alleen kleine overschotten worden direct geruild tegen kleine hoeveelheden goederen die je zelf niet kunt maken. In meer open peasant-samenlevingen blijft het hoofdonderscheid tussen subsistence vs herinvestering wel bestaan, maar dorpssamenlevingen bijvoorbeeld in de buurt van de stad produceren toch grotere hoeveelheden goederen voor de markt. (Vis, bier, turf en hout). Wat betreft het grondbezit zien we hier een tendens tot individualisering en er ontstaan verschillen in rijkdom tussen de boeren onderling. Wat wordt verdiend met de verkoop van goederen wordt minder gebruikt voor communale activiteiten en meer voor het verhogen van de eigen status. Op politiek gebied beginnen de crediteuren van de peasants macht te krijgen; het zijn kooplieden die een grotere invloed op de dorpssamenleving gaan uitoefenen. Op deze wijze zien we, dat het ekonomisch systeem en het socio-kulturele systeem samenhangen. 

methodische knelpunten
·         De ontwikkeling van gebeurtenissen in de tijd. Je kunt bijvoorbeeld een peasant samenleving in de middeleeuwen beschrijven als een peasant-society met bepaalde kenmerken, die door cultureel antropologen zijn uitgewerkt. Probleem is echter, dat bepaalde structurele kenmerken van die samenleving zich voordeden toen andere alweer waren verdwenen of omgekeerd. 
·         De situering van bepaalde ontwikkelingen in geografische zin, dwz de geografische afbakening van de samenleving of het onderzoeksgebied. 
·         De afgrenzing van de stratificatie van de samenleving in een bepaalde sociale gelaagdheid, waarbij aan bepaalde sociale groepen veel betekenis wordt toegekend. Dit heeft grote debatten opgeleverd. De analyse en beschrijving van sociale ongelijkheden, de ongelijke verdeling en beschikkingsmacht over schaarse goederen en middelen is een centraal thema in de sociologie. Hier staan bijvoorbeeld marxistische klassentheoretische benaderingen en Weberiaanse stratificatie-theoretische tradities tegenover elkaar. In de moderne tijd spelen debatten over de verzorgingsstaat daarbij een rol. (Uitleggen?)
  • Het inpassen van een bepaalde dynamiek in de samenleving in een model, dat vanuit zichzelf tamelijk statisch is. (Boeren op het zand)
Wanneer men naar verdere ontwikkelingen van de technologie in de landbouw kijkt, blijkt dat het typisch regionaal boerderij-type pas in de zestiende eeuw is ontstaan. De zelfstandigheid van het gebied in bestuurlijk opzicht in de late middeleeuwen was toen al afgeschaft met de komst van de Habsburgers terwijl tegelijkertijd in die tijd dus de typische boerderijvormen ontstonden.
Ook in geografische zin zijn er problemen. Wanneer men de verschillende kenmerken van het cultuurpatroon nagaat, zijn er verschillende grenzen vast te stellen. Bijvoorbeeld op het gebied van de taal, de verspreiding van boerderijvormen, de volksverhalen, de landbouwtechnieken, de patronen van het cultuurlandschap.

donderdag 23 juni 2005

Het Neo-Malthusiaanse model

Het Neo-Malthusiaanse model


Dit model baseert zich op de theorien van de achttiende eeuwse filosoof Thomas Malthus en is in de jaren zestig en zeventig nader uitgewerkt door de Duitser Abel, de Engelasman Postan en de Fransman Le Roy Ladurie. [1] In Nederland is ook de meest recente Algemene Geschiedenis der Nederlanden in sterke mate op dit model geent. [2] Kern van het model is de bepalende rol die demografische processen hebben gespeeld bij de ontwikkeling van de economische conjunctuur en daarmee ook op de ontwikkeling van de landbouw in de desbetreffende landen en regio’s. Neomalthusiaanse theoretici gaan ervan uit dat in de pre-industriële periode een voortdurende cyclus van bevolkingsgroei en -krimp is opgetreden. Daarbij stuitte de bevolkingstoename steeds tegen een plafond waarvan de hoogte bepaald wordt door bodemgesteldheid, omvang van het cultuurareaal, landbouw-techniek en andere productiebepalende factoren. Steeds wanneer de bevolkingsomvang dit plafond bereikte, ontstond een crisis (epidemie, hongersnood, landver-lating, enzovoort) die de bevolking terugwierp op een nieuw, lager gelegen, evenwicht. Na herstel van de balans kon vervolgens een nieuwe groeifase beginnen, die door voortschrijdende techniek en dergelijke tot eefi hoger plafond kan reiken dan in de voorafgaande ronde. Volgens de theorie leidden veranderingen in de bevolkingsomvang tot sterke wijzigingen in de loon-en prijsontwikkeling en daarmee ook lot sterke wijzigingen van de economische conjunctuur. Bekende groeiperioden zijn in dit model de Volle Middeleeuwen (1050-1350) en de lange zestiende eeuw (1450-1650). De perioden 1350-1450 en 1650-1750 staan daarentegen als crisisperioden bekend.




[1] Abel 1967, Postan 1972, Le Roy Ladurie, 1966. Zie ook Grigg, 1980
[2] Blok et. Al. 1981