dinsdag 22 januari 2008

Dinsdag 22 januari 2008. Lezingen van Saskia Sassen en Richard Sennett.


’s Avonds ben ik naar een lezing geweest in Felix Merites, waar Saskia Sassen en Richard Sennett, de twee internationaal bekende sociologen, ingingen op de probleemstelling: hoe denken deze wetenschappers dat de grote stedelijke samenlevingen in de wereld er in 2015 uit zullen zien? Sassen en Sennett zijn wat oudere onderzoekers die ook nog met elkaar getrouwd zijn. Het is wel aardig om te zien hoe die twee mensen, die zich eigenlijk met hetzelfde bezig houden, en die al jaren getrouwd zijn met elkaar na de lezingen discussieerden en communiceerden. Want eerst kregen we een toespraak van Saskia Sassen, daarna van Richard Sennett en daarna was er voor de zaal gelegenheid vragen te stellen en reageerden de twee op elkaar. Voorbeeld in de discussie: op een gegeven moment ging de discussie over de vraag, in hoeverre een restaurant een open, publieke ruimte in de stad kan zijn, waar mensen van verschillende achtergronden en komaf bij elkaar komen en elkaar ontmoeten. Kunnen ruimtes, waar je moet betalen om er te mogen zijn, de functie van publieke ruimte vervullen? Sennett zei onder andere: ‘ik vind de restaurants van Mc Donalds wel een publieke ruimte. Veel mensen, vooral uit de onderste lagen van de samenleving, komen daar. Het is open en toegankelijk. Ik zou niet graag zien dat de Mc Donalds restaurants zouden verdwijnen’. Saskia Sassen reageerde daarop met; ‘Richard, wij hebben de afgelopen jaren echt heel veel met elkaar gepraat, we hebben het over veel dingen gehad, maar dit heb ik je nog nooit horen zeggen. Jij bent nog nooit in een Mc Donalds restaurant geweest. Hoe kun je dan zeggen dat het voor jou een belangrijke publieke ruimte is?’. Sennett: ‘Nou, voor mij misschien niet, maar voor anderen….’Gelach in de zaal. (1)

Om antwoord op de probleemstelling te geven, noemde Sassen een reeks van indicatoren die de ontwikkelingen in de steden kunnen bepalen. De hoofdprobleemstelling voor Saskia Sassen was hoe in de steden, waar de ongelijkheid sterk toeneemt, waar allerlei ambiguiteiten ontstaan van enerzijds steeds grotere verschillen in inkomen en anderzijds de stad als de ruimte (space) van de ongekende mogelijkheden, hoe daar ‘the political’ zich ontwikkelt. Dus het politieke (niet de politiek) als een manifestatie van de exploratie van die ongekende mogelijkheden, waarbij de steeds groeiende verschillen overbrugd worden. De definiering van het verschil tussen de politiek en het politieke bleef een beetje vaag, ze noemde ‘het politieke’ in verschillende talen, ‘das politische’, ‘the political’, maar gaf verder geen definitie. Wat zijn de condities, die tot overbrugging van de tegenstellingen en grote verschillen kunnen leiden? Het gaat daarbij ook om de vraag, in hoeverre het negatieve, de ervaring van de onmogelijkheden van oplossingen voor de eigen situatie en voor die van het collectief dat leeft in de stad, je afzetten tegen anderen, etc. juist het uitgangspunt is voor het zoeken en vinden van creatieve oplossingen. Sassen noemde enkele voorbeelden van feestelijke optochten in de stad van bepaalde etnische groeperingen of juist een heel gemengd gezelschap, die behalve een feest ook uitdrukking zijn van ‘the political’. Mensen manifesteren zich dan in groepen, laten zien dat ze erzijn, en willen deelnemen aan het leven in de stad. In het verleden hebben steden in de wereld in verschillende beschavingen laten zien, dat het mogelijk is ondanks de grote verschillen vreedzaam samen te leven en een stadscultuur te ontwikkelen, waarbij voor iedereen mogelijkheden om vooruit te komen ontstaan. ‘The political’ werd vormgegeven, waarbij er door de migratie, door de toestroom van nieuwe bewoners, die eerst buitenstaanders waren een soort druk ontstond voor de ‘insiders, de mensen die er al lang woonden, burgerschap en ‘the political’ opnieuw vorm te geven, in regelgeving etc. Daardoor worden de buiten staanders tot ingewijden en kwamen er processen op gang waarbij mensen werden ingesloten. Wat ze in haar betoog niet aanhaalde, maar wat wel staat in een artikel dat ze schreef voor de Financial Times dat tijdens de bijeenkomst werd uitgedeeld is de stelling, dat met name de Europese grote steden enorme aantallen migranten ‘verwerkt’ hebben, miljoenen, uit Oost-Europa, maar ook uit Italie, waarbij ze de indrukwekkende cijfers in verschillende steden noemt, en dat men er in die steden (dus de mensen zelf die er wonen) in geslaagd zijn een min of meer geintegreerde stadssamenleving tot stand te brengen zonder oorlog. Dit in tegenstelling tot (natie) staten, die de grote ongelijkheid in de wereld en etnische en sociale tegenstellingen op de spits dreven en die altijd als antwoord op de grote tegenstellingen en ongelijkheden als antwoord gaven: de oorlog. Haar hele betoog draaide om deze probleemstelling, waarbij ze probeerde in te schatten hoe groot de kans is, dat evenals in het verleden de burgers in de grote steden, de civil society, erin zal slagen een bruisende, creatieve, vreedzame stadscultuur te ontwikkelen.
Als eerste indicator noemde ze cijfers van de toenemende ongelijkheid in inkomen van verschillende bevolkingsgroepen in de Verenigde Staten, met name tussen de 20% aan de top en de gemiddelde Amerikaanse arbeider. Deze inkomens verschillen zijn de afgelopen twintig jaar enorm toegenomen. Ze kiest overigens voor deze indicator van inkomensongelijkheid  omdat zij uitdrukking is van spanningen en ongelijkheden op andere gebieden: sociale ongelijkheid, etnische tegenstellingen, etc. Als je van die tegenstellingen en ongelijkheden uitgaat kom je in discussies die sterk beinvloed worden door die tegenstellingen en kom je in troebel vaarwater, als je enigszins op afstand de werkelijke gang van zaken wilt analyseren.
Een tweede indicator heeft betrekking op de vraag, in hoeverre mensen, individuen uit de achtergestelde gebieden, stadszones, erin zullen slagen ‘hogerop’ te komen. Wanneer individuen uit een achtergestelde wijk het goed maken, straalt dit af op de wijk, betekent dit dat aan de werkelijke problemen aandacht wordt besteed en deze mensen spelen een destigmatiserende rol in het publieke debat. Hierbij werden ook weer cijfers ui de VS gebruikt die ze noemde bij de analyse van de inkomensverschillen: in hoeverre hebben mensen afkomstig uit de lagere inkomensklassen de kans hogerop te komen, hoeveel procent lukt het, en hoe groot is de kans dat  kinderen van mensen uit de hoogste 20% naar beneden gaan?
Een derde indicator heeft betrekking op de vraag in hoeverre er evenals in het verleden tussen bevolkingsgroepen met verschillende inkomens een soort gemeenschappelijk besef van de urgentie van de noodzaak ontstaat, om de toenemende tegenstellingen te lijf te gaan. In hoeverre wil men de schier onoplosbare stedelijke problemen oplossen en een gemeenschappelijk issue te ontwikkelen dat de overbrugging van tegenstellingen symboliseert en een aanjaagfactor is voor het exploreren van de ongekende mogelijkheden?. In hoeverre krijgen allerlei groepen in de stad daarbij de kans, ‘the political’ vorm te geven en welke voorbeelden van die ontwikkeling zijn er?
Een vierde indicator. Bij die derde indicator komt ook de globalisering om de hoek kijken. Hierbij analyseerde zij de plaats van de stad of van grote steden in de wereld aan de hand van het voorbeeld van de mijnbouw, de twee grootste mijnbouwbedrijven ter wereld. Er werd een wereldkaart op het scherm getoverd, waaruit het volgende bleek. Het grootste mijnbouwbedrijf in de wereld is overal actief met verschillende productielocaties. Zuid-Amerika, Australie en Zuid-Afrika vooral. De  vele locaties werden op de kaart aangegeven. Maar als je kijkt waar hoofdkantoren van dat bedrijf gevestigd zijn dan zijn dat er maar enkele, Londen, Johannesburg en Melbourne. Dus de macht van die bedrijven concentreert zich in enkele steden, van waaruit een mondiale organisatie wordt bestuurd. Mondiale ontwikkelingen zijn niet alleen een abstractie, ze zijn concreet, de ontwikkelingen zijn zichtbaar en worden bestuurd vanuit de stedelijke machtscentra, slaan daar neer. De bevolking van grote steden kan op die manier een grote invloed op mondiale ontwikkelingen uitoefenen en daar sterk mee verbonden zijn. In het verlengde daarvan ligt de verbinding tussen het in de stad op een creatieve manier proberen te overbruggen van tegenstellingen en de mondiale ontwikkelingen. Mensen opereren bij het ontwikkelen van ‘the political’ niet alleen lokaal, in de stad, maar zijn verbonden met en produceren verbindingen met de grote wereld om de stad heen. ‘The political’ heeft een globale dimensie, waarbij vanuit het gevoel van urgentie voor de oplossing van ene probleem in bepaalde steden, wereldwijd een bepaald gemeenschappelijk issue kan ontstaan, vanuit een bepaalde stad, dat verbindend werkt. In dit verband noemde zij de stijging van de zeespiegel als gevolg van klimaatveranderingen. Dit voorbeeld werd gebruikt vanwege Amsterdam als de zeespiegel stijgt. Ze zei dat ze met dit betoog niet hoefde aan te komen in de woestijn van Nevada, waar de mensen op hoge vlaktes leven, want dan zeggen ze: waar heb je het over. Maar in Amsterdam weten we het wel. Geheel in de stijl van Al Gore en de klimaatverandering toverde ze vervolgens enkele kaarten op het scherm, waarbij  de gevolgen van de zeespiegelstijging in beeld werden gebracht. Wat gebeurt er, als de zeespiegel 10% stijgt en wat als hij 20% stijgt? Eerst Engeland. Dat valt mee. We zien een kaart van Engeland waar alleen aan de uiterste randen enkele gebiedjes rood zijn gekleurd: die lopen onder water, maar er wonen niet veel mensen. Dan New York. Dat is al minder. Maar die mensen met hoge inkomens die in de heuvels van Manhattan wonen zullen denken: wat kan mij gebeuren, ik woon hoog en droog.  Dan Midden China bij Sjanghai aan de kust. Dat ziet er niet best uit. Daar wordt gigantisch veel gebouwd, en grote gebieden lopen onder water. Tenslotte Nederland. Wauw! Bijna het hele land loop onder. De boodschap is duidelijk: vanuit de stad Amsterdam, waar gezien de desastreuze gevolgen de urgentie van het klimaatprobleem en de zeespiegelstijging erg gevoeld wordt, zou een mondiale impuls kunnen uitgaan naar een sterke mondiale beweging om dit op te lossen en het zou een issue kunnen zijn als voorbeeld waarbij de groeiende tegenstellingen in de stad overbrugd worden. Deze laatste conclusie sprak Sassen niet uit, maar de suggestie zat er sterk in.
Als mogelijke indicator van de hoofdprobleemstelling kwam  in de discussie na de inleidingen ook nog het internet, het world wide web ter sprake. In hoeverre biedt dit nieuwe kansen en mogelijkheden voor wereldwijde communicatie tussen zeer verschillende mensen en groepen? Sassen antwoordde dat dit laatste aanvankelijk wel het geval leek. Maar ze noemde Zuid-Amerika als voorbeeld van een tegengestelde ontwikkeling. Toen er daar nog weinig internet was, waren de gebruikers erg gericht op de Verenigde Staten en gebruikten ze engels als voertaal. Maar naarmate het internet zich ontwikkelde, werd het spaans belangrijker en communiceren de mensen daar veelal uitsluitend in het spaans, onderling. De ongekende mogelijkheden van het internet betekenen ook meer mogelijkheden voor nationalistische groeperingen voor onderlinge communicatie en propaganda, en voor rechtse groeperingen die de tegenstellingen willen aanscherpen. Het internet lijkt momenteel het nationalisme te bevorderen.
Een volgende indicator is het antwoord op de vraag, in hoeverre in de grote steden nog zeg maar informele ruimtes ontstaan, waar creatieve antwoorden op de toenemende tegenstellingen worden gegeven, publieke ruimtes vooral, waar mensen van vlees en bloed, die onderling zo verschillend zijn, elkaar ontmoeten en samenleven. Ze noemde als voorbeeld dat in de meeste in iedere geval Europese landen de regel bestaat dat wanneer een gebouw dat lang leeg staat  gekraakt wordt, de politie de krakers drie maanden de gelegenheid geeft een andere ruimte te zoeken. In dat gebouw, dat tijdelijk bezet is, worden dan allerlei winkeltjes en galerien geopend, kunstenaars kunnen in een atelier werken, etc. Saskia Sassen noemde daarbij dat het van belang is dat kunstenaars echt in de stad met hun kunst bezig kunnen zijn en niet zoals in New York, dat eigenlijk alleen maar een kapitalistische markt voor kunst is. Bestaan er in de stad zulke tijdelijke zones? Wordt het meer of minder?
Dergelijke publieke ruimtes of tijdelijke zones kunnen gebonden zijn aan bepaalde (etnische) groepen of lagen in de samenleving. Een van de studenten van Sassen heeft het internetcafe als publieke ruimte onderzocht, wat daar gebeurt en welke functie het heeft. Het bleek, dat dit in veel opzichten een belangrijke publieke ruimte voor communicatie was voor mensen uit een bepaalde etnische groep, maar nauwelijks voor de witte middenklasse.
De conclusie van Sassen is somber. Wanneer ze de indicatoren naloopt, ziet ze voornamelijk negatieve ontwikkelingen, die de tegenstellingen aanscherpen en de kans op stedelijke oorlogen groter maken. Wel benadrukte ze daarbij, dat we nog maar aan het begin staan van nieuwe ontwikkelingen en dat de uitkomst onzeker is. Ze formuleerde als haar taak en van haar medewerkers om de indicatoren verder te onderzoeken, waarbij van belang is de oorlogen die nu woeden in verschillende wereldsteden, zoals denk ik Rio de Janeiro, te onderzoeken en een speurtocht te ontwikkelen naar creatieve vormen van het vorm geven van ‘the political’. In dit verband noemde ze ook dat in datzelfde Rio de Janeiro positieve ontwikkelingen waren.

Het betoog van Richard Sennett sloot goed op haar betoog aan, waarbij Sennett vooral het architectonische ontwerp van de stad analyseerde. Daarbij ontwikkelde hij een kritiek op de hoofdstromingen in de architectuur van de twintigste eeuw, zoals van Le Corbusier uit de twintiger jaren. Als criterium voor zijn kritiek gebruikte hij de term ‘urban fabric’, dat door iemand in de zaal werd vertaald met: het sociale weefsel van de stad. In mijn ogen geen goede vertaling, want de ‘urban fabric’ is meer dan dat: het is juist de combinatie van het sociale weefsel met de fysieke omgeving, de gebouwen, de straten, de pleinen, de publieke ruimtes, de restaurants, etc. en de mogelijkheden om in die fysieke omstandigheden het sociale weefsel vorm te geven. Het is echt een soort stadsfabriek van ideen, producten, ruilhandel, etc. Sennett vergeleek de ‘urban fabric’ van zeg 50 jaar geleden met de ‘urban fabric’ nu. Daarbij is sprake van een fragmentatie in zones, werken, wonen, recreeren, die in de oudere steden minder aanwezig was. Maar ook een fragmentatie in zones van bevolkingsgroepen die niets met elkaar te maken (willen) hebben. (Ik hoop dat ik dit dele van het betoog goed heb begrepen, want ik werd afgeleid door een knippende fotograaf en een onrustige buurman)
Dit hangt samen met nieuwe vormen van controle, die ook betrekking hebben op de inrichting van de publieke ruimtes waar mensen elkaar ontmoeten en met elkaars aanwezigheid worden geconfronteerd en waarbij mensen ook in hun priveleven steeds sterker worden gecontroleerd. Er ontstaan daarbij nieuwe vormen van controle. Intrigerende vraag voor mij is, in hoeverre die nieuwe vormen van controle, die juist tot doel hebben om tegenstellingen te overbruggen, criminaliteit tegen te gaan en een harmonieuze stadssamenleving tot stand te brengen, in feite daarvoor juist belemmerend werken en die ontwikkeling tegengaan.

Mensen ontwikkelen in de publieke ruimtes een soort ritueel van strategien van naar elkaar kijken of juist niet, etc. Sennett noemde dit het drama (in de toneel betekenis van het woord) van het samenleven in de publieke ruimte. Dit was zijn vertrekpunt van zijn kritiek op de architectuur van de twintigste eeuw. Architecten als Le Corbusier in de twintiger jaren wilden dit drama elimineren. Ze vonden dat dit gebaseerd was op knellende conventies, en traditionele gewoonten, die de vrijheid en waarachtigheid van de individuen belemmerde. Zij streefden naar een functionele inrichting van de stad en de gebouwen daarin waarbij ze sterk redeneerden vanuit het centrum. (Niet perse het centrum van de stad, maar bijvoorbeeld ook van een wijk) Daar moesten gebouwen worden neergezet die een bepaalde hoofdfunctie hadden en daar werd de rest dan omheen gedacht, ook functioneel gescheiden. Gebouwen hadden een functionele betekenis. Daardoor verdween de ‘urban fabric’ van de oude steden. Hij noemde als voorbeeld ook de functionele kantoor-wolkenkrabbers die het resultaat zijn van deze filosofie. Kolossen in de stad die slechts een aspect van het menselijk leven vertegenwoordigen en waar eigenlijk niet wordt samengeleefd in de zin van integratie van verschillende functies van de stad, zoals wonen, winkelen, uitgaan, toerisme, werken. Er is eigenlijk dan ook geen stedelijk sociaal weefsel in deze gebouwen. In verband met de plaats van de publieke ruimtes in de stad kwam ook nog ter sprake wat heel snel ging en ik zit niet in de architectuur-kritiek, dat Aldo van Eyck iets van 700 kleine publieke ruimtes of zoiets in de stad Amsterdam had gecreeerd, en dat daarvan nog maar enkele over waren.

Sennett beperkte zich in zijn toespraak niet zoals Sassen tot een inschatting van wat er kan gaan gebeuren, maar hij ontwikkelde een soort alternatief voor de planning in de stad.
Daarbij gaat het om een ander concept van de ‘urban fabric’ waarbij vele functies met elkaar geintegreerd zijn. Hij wil daarbij die integratie tot stand brengen rond het werk dat mensen doen in bepaalde gebouwen. Hij noemde als voorbeeld de inrichting van een kantoor wolkenkrabber. Je zou daar binnen moeten kunnen gaan en dan vind je ahw een stad op zichzelf, met vele functies, winkeltjes, restaurants, kantoren, woonhuizen, waar ook publieke ruimtes zijn en je doorheen kunt wandelen. Na kritische vragen vanuit de zaal zei hij dat bijvoorbeeld schoonmakers geen sociaal leven op hun werk hebben. Ze werken vaak              ‘s nachts, hebben geen specifieke werkplek in het gebouw, hebben geen koffiehoekje en andere mogelijkheden om hun sociaal leven in dat kantoorgebouw vorm te geven. Dat zou moeten veranderen. Verder hield hij een betoog over de inrichting van de ruimte in Londen voor de Olympische spelen die daar schijnen te komen, en hij is daarbij betrokken. In de ruimte waar de Olympische spelen komen wonen enerzijds in een buurt veel migranten die een islamitisch geloof aanhangen, in een andere buurt wonen autochtone Engelse arbeiders. Hierin werkte hij ook weer zijn concept van de ‘urban fabric’ uit zoals het zou moeten zijn: niet werken vanuit een centrum, maar vanaf de randen met verschillende functies, naar het centrum toe.
Hij ontwikkelde zijn architectuurkritiek verder naar aanleiding van een vraag uit de zaal. Daarbij was de vraag, hoe de ‘urban fabric’ vorm gegeven zou kunnen worden of misschien vorm gegeven wordt, vanuit het concept van de compacte stad. De planoloog die deze vraag stelde zei dat in Nederland dit concept ontwikkeld was naar aanleiding van het feit, dat Nederland een klein land is, waar de ruimte schaars is en dat we toch ook veel groen willen behouden. Sennett antwoordde, dat in de twintigste eeuw juist helemaal niet efficient met de ruimte omgegaan is, ondanks het feit, dat nieuwe technologische ontwikkelingen dit wel mogelijk maken. Door de scheiding van functies, waarbij er van integratie geen sprake meer is, en er niet op vele plaatsen publieke ruimtes ontstaan, gaan we juist heel inefficient met de ruimte om. Mensen moeten veel reizen om van de een functie naar de andere te kunnen dagelijks en dat moet weer in een ruimtevretend concept gerealiseerd worden. 
S middags was er naar aanleiding van de lezingen een workshop in Slotervaart geweest waar een stuk of 15 personen aanwezig waren, van woningbouwverenigingen en architecten e.d., die voor ’s avonds vragen hadden voorbereid. Hamvraag was daar, hoe je ervoor kunt zorgen dat mensen die afkomstig zijn uit de periferie van de stad, dus de kinderen van ouders die weinig kansen hadden, kunnen doordringen in het centrum en zich mengen met de bevolking die daar leeft. Hoe krijgen zij toegang tot dat gebied? Dit kan ook de integratie bevorderen. Sennett antwoordde, dat dit niet het geval hoeft te zijn. Hij noemde in dit verband het verschijnsel van ‘symbolic etnicism”. Aan de hand van de geschiedenis van de Ierse migranten in Londen schetste hij, hoe de eerste generatie uit Ierland wegtrok, waar armoede en ellende heerste. De kinderen van deze eerste generatie deden het beter. Ze promoveerden naar betere wijken, hadden een hogere opleiding en betere banen. Maar juist daardoor werden ze letterlijk afgesneden van hun ouders, van de leefwereld van hun ouders, die uit Ierland afkomstig waren. Om dit gemis te compenseren, om contact te houden, ontwikkelde deze tweede generatie een idealisering van het mooie, ydillische, geliefde Ierland, een soort fanatiek nationalisme, waarbij de ellende die er heerste en die de ouders nog hadden meegemaakt  buiten beeld verdween. Dus de tweede generatie mengde zich met andere bevolkingsgroepen in de stad in betere wijken, maar ontwikkelde juist daardoor een soort fanatiek nationalisme waarbij ze zich afzetten tegen anderen.
Al met al zijn de conclusies van de twee wetenschappers somber. ‘The urban fabric’
waar mensen in stedelijke samenlevingen vreedzaam samenleven, wordt vernietigd, of althans er zijn tendenzen in die richting en er is onvoldoende tegenbeweging.

Piet van der Lende

(1)   Zie voor hun publicaties onder andere: Richard Sennett- De cultuur van het nieuwe kapitalisme. Meulenhoff, 2006 en Saskia Sassen- Territory, authority, rights. From Medieval to Global Assemblages. Princeton University press, 2006.

(2)   Zie voor het artikel ‘The  migration fallay’, Financial Times 27 december 2004.

woensdag 16 januari 2008

Verplichting van cliënten om een activeringstraject te volgen terwijl ze afgekeurd zijn

Reactie van de Bijstandsbond op een brief van wethouder Hennah Buyne aan de gemeenteraad d.d. 11-10-2007 over verplichtingen van klanten om een reintegratie- of sociale activeringstraject te volgen terwijl ze volledig afgekeurd zijn.

 De Bijstandsbond heeft de publiciteit gezocht naar aanleiding van het feit, dat er het laatste half jaar steeds meer klanten van het DWI op het spreekuur komen met de klacht, dat ze volledig zijn afgekeurd en vrijgesteld van de sollicitatieplicht maar dat ze van de klantmanager van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) toch allerlei verplichtingen krijgen opgelegd op het gebied van sociale activering (vrijwilligerswerk met behoud van uitkering) of reintegratie-trajecten. Wanneer de keuringsarts van mening was dat de klant ook niet belast kan worden met dergelijke verplichtingen deelt de klantmager vaak mee, dat hij of zij dit advies naast zich neerlegt en dat men toch een traject moet volgen. Bij veel met name psychatrische patienten levert dit evenals de strenge controles op het gebied van huisbezoeken e.d. vaak slapeloze nachten en extra psychische problemen op. Sommige mensen geven aan, weer een terugval te krijgen en dat zij extra hulp moeten zoeken om de vaak stekelige gesprekken met de klantmanagers aan te kunnen. Huisartsen laten weten, de laatste tijd steeds meer mensen met deze problematiek op het spreekuur te krijgen.
Deze zaken werden aan de orde gesteld in een artikel in Het Parool van 4 september, waarbij werd aangegeven dat sommige mensen door een (psychiatrische) stoornis de verplichtingen die worden opgelegd in het kader van sociale activering niet aankunnen, en dat begeleiding van en zorg voor deze mensen moet gebeuren door daartoe opgeleide deskundigen en niet door reintegratiebedrijven, die vaak de kennis niet in huis hebben voor de begeleiding van deze zeer specifieke groep. Tevens werd erop gewezen, dat de gemeente de verplichtingen naar burgers toe gaat uitbreiden door de invoering van verplichte inburgeringscursussen zoals in de Baarsjes gebeurt. Onze krtiek was, dat je niet iedereen zonder aanzien des persoons kunt proberen de straat op te trekken en dat de medische situatie niet kan worden genegeerd, daar komen ongelukken van.
Dit geldt ook voor de verplichte inburgeringscursussen in de ‘ prachtwijken’ van Ellen Vogelaar. De Bijstandsbond vreest een enorme toeloop van de zogeheten hopeloze gevallen, die met psychisch geweld de straat worden opgesleurd. Wij vinden dat mensonterend.
De wethouder heeft naar aanleiding van vragen in de gemeenteraad gereageerd in een brief aan die raad gedateerd 11 october. Teneur van de brief: het valt allemaal wel mee, we wijken slechts in uitzonderlijke gevallen af van het keuringsadvies, we willen niemand aan de kant laten staan, dan laat je de mensen pas echt in de steek. Daarom worden we steeds strenger, het denken over reintegratieverplichtingen van uitkeringsgerechtigden is aan het veranderen. ‘ Er is een politieke en maatschappelijke wens om de effectiviteit van de uitstroom naar werk fors te verhogen’.
De wethouder geeft in haar brief vervolgens echter aan, dat adviezen van keuringsartsen bijna altijd worden opgevolgd.
Onze ervaring is anders. Wij vinden dat de wethouder de gemeenteraad verkeerd heeft voorgelicht. Wanneer beroep wordt aangetekend tegen de beslissing om in gevallen, waar de keuringsarts adviseert geen verplichtingen op te leggen, toch sociale activeringsverplichtingen worden opgelegd stelt men in bezwaar dat het standaardbeleid is dat mensen in principe niet worden vrijgesteld van die verplichtingen. Slechts in uitzonderingsgevallen kan daarvan worden afgeweken. Het is dus precies andersom als de wethouder zegt. In beslissingen op bezwaar wordt altijd naar dit algemene beleid verwezen. Wij hebben een hele rij voorbeelden van casussen waarin mensen niet worden vrijgesteld ondanks het advies van de keuringsarts.
Citaten uit de werkvoorschriften 7.1.3:
‘In Amsterdam is er voor gekozen om met name ontheffing te verlenen van de actieve sollicitatieplicht. Van de verplichting om mee te werken aan aangeboden voorzieningen of aan een gesprek over of een onderzoek naar reïntegratiemogelijkheden wordt in beginsel geen ontheffing verleend. Wel moet bij het aanbieden van een voorziening rekening worden gehouden met de actuele mogelijkheden en belemmeringen van de klant.’.
Onlangs is de brief van de wethouder besproken in de commissie van de gemeenteraad. Daar heeft de wethouder gezegd, dat er voor de klanten altijd de mogelijkheid is, in bezwaar te gaan. Daarmee ontkent zij de problemen en maakt zij zich ervan af. Want dit geldt voor mensen waarvan de arts heeft gezegd: het is het beste, dat ze met rust gelaten worden’. Deze mensen worden dus toch gedwongen moeizame gesprekken en juridische procedures te beginnen, die erg lang kunnen duren. Bovendien worden deze mensen niet door het DWI op de hoogte gesteld van wat de uitslag van de keuring precies is. Dit staat niet in de beschikking die ze krijgen naar aanleiding van de keuring. Het advies van de artds wordt niet meegestuurd. Hoe moeten de mensen dan weten, dat ze een grote kans maken in eventuele beroepsprocedures een kans te maken?.
En als het in gesprekken met klantmanagers ter sprake komt zegt deze soms ene voudigweg: ‘ wij hebben de bevoegdheid van het advies van de keuringsarts af te wijken
En u toch verplichtingen op te leggen’ .
Tenslotte wijzen wij erop, dat wij in het artikel in Het Parool ook gesteld hebben, dat dezelfde knelpunten gelden voor de verplichte inburgeringscursussen voor mensen, die geen uitkering hebben. Hierover en over andere vergelijkbare verplichtingen wordt in de brief van de wethouder helemaal niet gesproken.

P. van der Lende
Bijstandsbond

Mr M. van Hoof
VHM advocaten

dinsdag 15 januari 2008

Betrokken Amsterdamse organisaties richten Alliantie voor Rechtvaardig Amsterdam op

Een aantal Amsterdamse organisaties hebben de handen in één geslagen en het initiatief genomen om de Alliantie voor een Rechtvaardig Amsterdam op te richten. Aanleiding hiervoor is de zorg over de groeiende groep Amsterdammers die onder de armoedegrens leeft en de sociale, maatschappelijke, financiële en psychologische problemen voortkomend uit deze armoede en de reacties van de overheid daarop.
Het initiatief is genomen door diverse organisaties die actief zijn in het maatschappelijk veld in Amsterdam, waaronder Komitee Marokkaanse Arbeiders Amsterdam, Bijstandsbond, Aknarij, Protestantse Diaconie Amsterdam, Oost Alarm, Komitee Vrouwen en de Bijstand/EVA, en de Amsterdamse Raad van Kerken. De betrokken organisaties zijn op 18 mei en 19 juni 2007 voor het eerst bij elkaar gekomen om de problematiek rondom armoede te bespreken. Tijdens deze brainstormsessies is het besluit genomen om onder andere een conferentie te organiseren over armoede én om een alliantie op te richten voor een socialer en meer solidair Amsterdam. De Alliantie organiseert plenaire vergaderingen waarvoor vele maatschappelijke organisaties in Amsterdam zijn uitgenodigd om de conferentie en andere activiteiten voor te bereiden. De eerste plenaire vergadering werd op 30 november 2007 gehouden. Daar werd een manifest vastgesteld dat door maatschappelijke organisaties in Amsterdam kan worden ondertekend.

Hassan Ayi, Abdellah Tallal, Evelyn Schwarz, Piet van der Lende, Benito Callieri, Ton Hendrix, Abdellatif Demsir

Graag nodigen wij u uit voor de tweede plenaire bijeenkomst van de Alliantie voor Rechtvaardig Amsterdam (ARA) op Donderdag 24 januari 2008 om 19.30.

De bijeenkomst vindt plaats op 1e Helmersstraat 106.

zaterdag 20 oktober 2007

Leeservaringen met Naomi Klein de Schockdoctrine

Naomi Klein heeft een vuistdik boek geschreven over de wereldgeschiedenis van de afgelopen 20 jaar. Want zo kun je het wel noemen in mijn ogen. De gang van zaken op het gebied van economie en politiek van een veelheid aan staten passeert de revue, van landen in Latijns Amerika tot Azie. Als je je zet aan zo’n ambitieus project, moet je een kapstok hebben, een centrale probleemstelling en een theoretische onderbouwing. Dat bepaalt de selectie van de feiten en gebeurtenissen en de interpretatie ervan. Nu wordt in het boek nergens een theorie expliciet gemaakt. Toch is die theoretische onderbouwing er wel degelijk, maar die komt alleen tot uiting in een voortdurende vermenging van de beschrijving van concrete historische gebeurtenissen en zij opmerkingen over theoretische begrippen.

Centrale probleemstelling

Uitgangspunt van het boek is de analyse van de shockdoctrine, die door fanatici van verschillende extreme politieke richtingen in de wereld is toegepast. Bij de shockdoctrine gaat men ervan uit, dat de volkeren in de wereld, of de bevolking van een bepaald land alleen bereid zijn drastische hervormingen van hun maatschappij te aanvaarden, wanneer er een soort crisis heerst, wanneer iedereen of althans een groot deel van de bevolking in paniek is en de economie op instorten staat. Dat is het moment waarop de aanhangers van die doctrine ingrijpen. Ze stellen wetten, parlementen, vakbonden, of andere maatschappelijke organisaties buiten werking, en ontwikkelen in korte tijd een blauwdruk van de toekomstige samenleving en voeren die rigoreus door, voordat de bevolking weer op adem begint te komen. Bestaande maatschappijstructuren (wet en regelgeving, concrete ondernemingen en andere organisaties) worden daarbij eerst vernietigd. Klein stelt, dat een dergelijke blauwdruk leidt tot verdere ontwrichting van de samenleving. Meestal wordt de democratie met parlement etc gewoon afgeschaft en een dictatuur van een minderheid ingevoerd, die de in armoede gestorte middenklasse en de hongerende onderklasse in toom houdt door bloedige repressie. Het boek is een beschrijving van de opkomst en ontwikkeling van de shockdoctrine in de afgelopen 20 jaar in de wereld. De fanatici van de shockdoctrine gaan uit van de schone lei theorie: vernietiging van maatschappelijke structuren leidt tot een schone lei, die volgeschreven kan worden met de blauwdruk van het mooie plan dat de fanatici hebben, en dan zal het eerst slecht gaan (de vernietiging) maar aangezien hun mooie theorie het beste, het mooiste en het waarste is, zal daarna een ideale samenleving vol rechtvaardigheid, welvaart en keuzevrijheid uit de as herrijzen. Klein toont aan, dat de economen en fanaten van de vrije markt economie van de Chicagoschool waaronder Milton Friedman, met behulp van de macht van de Verenigde Staten en internationale instellingen als het IMF en de Wereldbank de shockdoctrine hebben toegepast in vele landen en hoe de techniek steeds meer werd verfijnd.

Klein is zelf in feite een aanhanger is van een soort Derde Weg. En dat volgens haar de bevolking dat ook altijd is. Ze noemt Gorbatsjow, Walensa, Mandela, En de met hun werkende organisaties. De grote vijand voor de Chicagoschool is deze Derde Weg en de daarmee in strijd zijnde belangen van Amerika. (Dus Amerika gaat uit van behoud van haar internationale macht in de wereld, die ze niet wil delen). Overigens zeggen de aanhangers van de Chicagoschool dat ze technocraten zijn, dat ze technische adviezen geven, ‘objectief’analyserende economen zijn die zich baseren op de positivistische wetenschap die ‘objectieve ‘waarheden produceert.

Slecht of blind?

De manier van werken van de uitvoerders van de shockdoctrine roept de vraag op, of de mensen die de shockdoctrine uitvoeren bewust slechte mensen zijn of alleen maar verblind door hun eigen bedachte mooie theorie die kost wat kost moet worden ingevoerd tegen de wil van de meerderheid van de bevolking omdat de theorie goed is. 

Waarom werkte de theorie van de Chicago-school niet? Ze hadden toch een mooie theorie ontworpen, waarin vraag en aanbond op volmaakte wijze telkens weer met elkaar in evenwicht komen, op een markt van vele aanbieders? Waarom leidde de rigorueze doorvoering van de theorie middels de shockdoctrine en de schone lei niet tot een volmaakte toestand, waar de theoretici van de Chiocagoschool op hoopten? Voor het antwoord op die vraag gebruikt Klein een ander nieuw begrip, namelijk het nieuwe corporatisme. Ze beschrijft niet het oude corporatisme als tegenstelling ermee, maar corporatisme is altijd een vorm van samenwerking geweest tussen de elite van de staat, het bedrijfsleven en machtige (sociaal-democratische) vakbonden. Corporatisme betekent, dat functionarissen van de staat, politici, hoge ambtenaren, samenwerken met grote multinationals en andere bedrijven om gebruikmakend van de macht van de staat (bijvoorbeeld middels belasting heffing) opdrachten aan die bedrijven te geven in ruil voor een grote verrijking van die functionarissen. Klein toont middels historische beschrijvingen van de ontwikkelingen in vele landen aan, dat er soms zelfs geen onderscheid is tussen functionaris zijn van een overheid of in dienst zijn van een multinational. Sommige bestuurders stappen gemakkelijk over van de een naar de ander, of bewegen zich in een vaag schemergebeid van ‘adviseur’ waarin ze de belangen van grote bedrijven dienen. Omvangrijke lobby-apparaten moeten de belangen van de grote bedrijven ondersteunen. De meeste landen die werden gedwongen de shocktherapie van de Chicago-school te aanvaarden, voerden tot dat moment een soort ‘derde weg’, een politiek van prijsbeheersing, importheffingen, subsidies van voedselverstrekking en bescherming van voor een deel industrien in handen van de overheid om de welvaart te verdelen. 

Na de shocktherapie werden deze staatsbedrijven in de uitverkoop gedaan, en voor een appel en een ei verkocht aan buitenlandse multinationals, die vervolgens de macht in de economie overnamen, de rijkdom van het land plunderden, de winsten volledig naar het buitenland overhevelden en de bevolking in bittere armoede achterlieten. Klein toont aan, dat de theorie van de Chicago-school niet klopt, omdat zij niet strookt met de werkelijkheid van de menselijke praktijk, concreet historisch. De fanatici van de Chicago school zelf, en ook anderen, gebruikten of liever gezegd misbruikten de theorie om de rijkdommen van achtereenvolgende landen in de uitverkoop te doen aan vooral Amerikaanse multinationals en daar zelf ook flink beter van te worden. Klein toont aan dat uiteindelijk de Amerikaanse politiek van George Bush en haar functionarissen geen onderscheid maakt tussen de belangen van de Amerikaanse staat en haar buitenlandse politiek en de belangen van de multinationals. 

Wat Klein ook probeert aan te tonen is dat de shockdoctrine, de schone lei teorie en de daaruit voortvloeiende corporatistische staat onverenigbaar zijn met democratie. Hoewel de Chicago boys zeggen de vrijheid over de wereld te willen verspreiden, doen ze dat niet. Het volk of delen ervan komt na aanvankelijke desorientatie altijd in verzet tegen de rigoreuze maatregelen die de rijkdom toedeelt aan een elite. De schone lei teorie veroorzaakt een ontwrichting van de samenleving die de mensen in verzet doet komen. Daarom staan aanhangers van die theorie altijd voor de keus: toegeven aan het verzet, en een soort ‘derde weg’opgaan, of de bevolking bloedig onderdrukken.

zondag 7 oktober 2007

Recensie van het boek ‘straf de armen’


De liberale strafstaat

zondag, 07 oktober 2007 13:13

De bijstand en het gevangenissysteem zijn twee communicerende vaten






Lezing van het boek ‘straf de armen’ van de Frans/Amerikaanse socioloog Loic Wacquant en van enkele publicaties van Nederlandse criminologen leidde tot onderstaand discussiestukje.
In de afgelopen decennia is geleidelijk aan de liberale strafstaat ingevoerd. Wat is de liberale strafstaat? Dit is een overheidsbeleid, waarbij sterk wordt bezuinigd op de sociale voorzieningen en strafmaatregelen worden ingevoerd om de onderste lagen van de maatschappij te disciplineren en op hun plaats te houden. Zij moeten de in toenemende mate gedesocialiseerde loonarbeid verrichten die als gevolg van de flexibilisering van de arbeid ontstaat. (Het begrip gedesocialiseerde loonarbeid wordt onderaan uitgelegd) Aan deze arbeid kun je in toenemende mate geen materiele en immateriele bestaanszekerheid ontlenen. Wie rebelleert tegen deze situatie of ontsnappingsroutes zoekt wordt opgesloten en uitgesloten. In Nederland en Amerika is er een explosie van het aantal gedetineerden.
Het Work First principe is komen overwaaien uit Amerika, waar het als straf en disciplineringsmaatregel is ingevoerd na de afschaffing van de bijstand onder president Clinton. Werklozen die niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien worden in ruil voor voedselbonnen gedwongen arbeid te verrichten. Mensen die rebelleren tegen het systeem, of om andere redenen uit de boot vallen, zijn aangewezen op de informele sector en de illegale straathandel om in hun levensonderhoud te voorzien. En daarvoor worden ze ook weer gestraft. Er is een explosie van het gevangenissysteem in de Verenigde Staten qua aantallen gevangenen, vooral uit de getto’s. De situatie in Amerika is geanalyseerd door de Frans/Amerikaanse socioloog Loic Wacquant, die een ook in het Nederlands vertaald boek heeft geschreven getiteld ‘straf de armen’, waarin hij aantoont dat de bijstand en het gevangenissysteem twee communicerende vaten zijn: wanneer de bijstand wordt afgeknepen, gaan mensen naar de informele sector om in levensonderhoud te voorzien, als ze geen andere mogelijkheden zien, en daarvoor worden ze gestraft met opsluiting. Nederland is wat dit betreft het enige Europese land dat met de VS kan worden vergeleken. In ons land is het aantal civielrechtelijke detenties tussen 1985 en 2005 verviervoudigd. Dit zijn detenties dus van mensen die geen criminelen zijn zoals uit huis plaatsingen, jeugdinrichtingen, ter onderscheiding van strafrechtelijke detenties. Criminologen beargumenteren, dat dit een rechtstreeks gevolg is van bezuinigingen op de jeugdzorg en de opvang van psychiatrische patienten. Bovenstaande gegevens haal ik uit een artikel van de criminologen M. Boone en M. Moerings, de cellenexplosie; voorlopig gehechten, veroordeelden, vreemdelingen, jeugdigen en tbs in Justitiele verkenningen van het WODC hier te downloaden.
De Raad voor Maatschappelijke ontwikkeling heeft onlangs de redenen onderzocht voor het toenemend aantal psychiatrische patienten in de strafrechtsector (Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling: straf en zorg, een paar apart; passende interventies bij delictplegers met psychische en psychiatrische problemen. Amsterdam, SWP 2007) Zij komen tot dezelfde conclusies als Boone en Moerman.
Waarom wordt de neo-liberale strafstaat ingevoerd?
Een belangrijke vraag voor iedere samenleving is hoe de samenleving bij elkaar wordt gehouden, hoe een situatie kan ontstaan dat groepen en individuen vreedzaam naast elkaar leven. Het liberalisme bevordert de concurrentie van allen tegen allen en de overheid bezuinigt sterk op de sociale voorzieningen, dus de bestaansbasis van de mensen die niet door middel van reguliere betaalde arbeid in hun levensonderhoud kunnen voorzien. De concurrentie tussen mensen wordt dus scherper. Tegelijkertijd leidt migratie tot een veelheid aan verschillende groepen met een cultureel verschillende achtergrond. Wie om wat voor reden dan ook niet meekan in de concurrentie race komt langdurig aan de kant te staan. Tegelijkertijd zijn steeds weer nieuwe mensen nodig met kant en klare nieuwe kennis en vaardigheden. Naast structurele werkloosheid ontstaan grote tekorten op de arbeidsmarkt. Dit bevordert weer de migratie. Kant en klare arbeidskrachten worden uit het buitenland gehaald. Werkgevers willen niet voor de opleiding van nieuwe arbeidskrachten betalen, tenzij de overheid hen subsidie geeft.
Er is een veralgemeende en geestelijke onzekerheid, die door het liberalisme wordt opgeroepen en die nog versterkt wordt door de verspreiding van de gedesocialiseerde loonarbeid.
Om de mensen onder deze omstandigheden bij elkaar te houden en de mensen te dwingen ondanks de desocialisatie van de arbeid mee te blijven draaien in de caroussel van de flexibele arbeid is de neo-liberale strafstaat ontwikkeld. Dit is in feite een politiek van uitsluiting, waarbij de economisch overbodigen uitgesloten worden van de maatschappij en ‘onschadelijk’gemaakt. Het strafsysteem heeft een drieledige functie:
Ten eerste dienst onderaan de sociale ladder dient straf om de overtollige delen van de bevolking op te slaan en fysiek te neutraliseren, met name leden van gestigmatiseerde groepen die in de armoede zijn beland en volharden in de sociale rebellie tegen hun sociale omgeving.
Een sport hoger op de maatschappelijke ladder vervult het netwerk van sociale diensten, politie, inburgeringsorganisaties en het gevangenissysteem een functie dat ze de discipline oplegt aan de betere lagen van de bevolking en die delen van de middenklasse, die het moeilijk hebben en in bestaansonzekerheid leven. De prijs die ze betalen voor een ontsnappings en verzetsstrategie wordt alsmaar hoger.
Op een derde meer symbolisch niveau vervult het strafinstituut de functie van een hernieuwde bevestiging van het gezag van de staat en de hervonden wil van de politieke elite om duidelijke grenzen af te bakenen en er respect voor af te dwingen door in haar uitsluitingspolitiek een onderscheid te maken tussen verdienstelijke burgers en groepen met afwijkend gedrag, tussen ‘goede’en ‘slechte’armen, tussen hen die het verdienen ‘geintegreerd’ te worden in het circuit van de precaire loonarbeid en degenen die op een index terechtkomen en worden uitgesloten of opgesloten. De conclusie van Boone en Moerman is duidelijk:
‘Nederland is van een land dat bekend stond om zijn tolerantie ten opzichte van afwijkend gedrag, verworden tot een land dat zijn problemen met minderheidsgroepen en probleemgroepen oplost door hen op te sluiten’
Wat is de desocialisatie van de loonarbeid?
Afname van zeggenschap in je werk. Door de groei van de communicatie-technologie kunnen opdrachten en andere informatie op een veel directere en nauwkeuriger manier worden doorgegeven van de top naar de basis van de bureaucratische hierarchien, de administratieve of productieorganisatie van grote bedrijven. Prestaties van het personeel kunnen daarbij op een veel directere manier worden gecontroleerd. Er is dus een nieuw soort centralisatie van de macht in handen van weinigen. Personeel krijgt steeds minder speelruimte om een eigen invulling te geven aan het werk dat ze doen.
Structurele werkloosheid naast tekorten op de arbeidsmarkt. Automatisering leidde ertoe, dat de bureacratische pyramides in organisaties ingrijpend veranderden. De basis van de pyramide hoeft niet meer groot te zijn. Zowel bij hand arbeid als op kantoor kon routinewerk worden opgeheven door innovaties als barcodelezers, stemherkenningstechnologie, en micromachines die het werk van de vingers overnemen. De omvang van het personeel kon worden beperkt door de onderste functielagen op te heffen. Dit heeft tot gevolg, dat veel personeelsleden overbodig werden en er in de westerse landen een permanente, structurele werkloosheid heerst.
Toename flexibele arbeid.
De overheid bevordert flexibele arbeid door afschaffing van rechtsbescherming voor werkenden, het mogelijk maken van tijdelijke contracten en het bevorderen van uitzendwerk door de oprichting van uitzendbureau’s.
Geen mogelijkheden meer een netwerk van sociale relaties op te bouwen. In de bureaucratische productiestructuren van vroeger hadden mensen voor langere tijd een vaste functie, waarbij ze de tijd kregen sociale relaties op hun werk op te bouwen en een sociaal netwerk te ontwikkelen. Daarbij ontwikkelden ze een bepaalde binding aan het bedrijf en hadden ze een zij het vaak beperkte zeggenschap over de inrichting van hun werk wanneer ze tenminste niet aan de lopende band stonden. Ze waren trots op de organisatie waar ze werkten en het werk dat ze deden. Bij de flexibele arbeid is deze binding en deze trots geheel verdwenen terwijl het veel moeilijker is geworden via je werk een netwerk van sociale relaties op te bouwen.
Het ‘sociaal kapitaal’ verdwijnt uit de productie-organisaties. De voortdurende organisatorische veranderingen, waarbij hele afdelingen gesloten kunnen worden en niemand zeker is van zijn werk, de flexibele arbeid waarbij mensen ergens niet lang werken leiden tot een groot verloop onder het personeel, geringe institutionele loyaliteit, afname van het informele vertrouwen onder werknemers en verzwakking van de institutionele kennis.
————————
Straf de Armen, Het Nieuwe Beleid van de Sociale Onzekerheid: isbn: 9789064454028 · 2006 · paperback (15 x 22,5 cm) â 360 p. Oorspr.titel: Punir les pauvres. Le nouveau gouvernement de l’insecurite sociale – uit het Frans vertaald door Wim de Neuter
Dit bericht is geplaatst in controlestaat. Bookmark de permalink

woensdag 3 oktober 2007

Centraal Planbureau onder vuur

Wouter Bos levert in de Volkskrant van 2 oktober 2007 kritiek op de modellen van het Centraal Plan Bureau. (CPB). Kort gezegd komt het erop neer, dat het CPB een ‘ smal’ welvaartsbegrip hanteert, waarin allerlei kwalitatieve aspecten van het leven die moeilijk te kwantificeren zijn niet tot uiting komen. Bos pleit voor een breed welvaartsbegrip. Om zijn beleid als minister van Financien te verdedigen hanteert hij de redenering, dat volgens de modellen van het CPB verhoging van de koopkracht voor de burgers meer materiele welvaart oplevert dan investeringen in de economie via de belastingen (dus in publieke voorzieningen) Daarmee blijven immateriele aspecten, zoals toegankelijk onderwijs en een goed functionerende zortgsector echter buiten beschouwing. Het kabinet Balkenende IV zou voor het laatste kiezen. Hoewel Bos met zijn kritiek op het CPB een punt heeft, blijven in zijn artikel verschillende aspecten buiten beschouwing. Met name de ver doorgevoerde marktwerking en privatisering in verschillende sectoren, die volgens de modellen van het CPB voordelig zijn vanwege verslechteren van de kwalitatieve dienstverlening in de zorg en in onderwijsnen die niet door dit kabinet worden teruggedraaid. Ook baseert dezelfde Bos zich bij koopkrachtberekeningen (velen gaan er volgend jaar een klein beetje op achteruit) juist op de modellen van het CPB. Die achteruitgang voor de burgers- in kwalitatief en kwantitatief opzicht- zou wel eens groter kunnen zijn dan de modellen suggereren. Hieronder een overzicht van recente kritiek in dit en andere opzichten
Het CPB heeft een grote invloed op de economische besluitvorming van de Nederlandse regering en het parlement. De Macro Economische Verkenningen – MEV spelen een belangrijke rol bij het opstellen van de jaarlijkse nationale begroting. Het biedt een bepalend kader voor de begroting als totaal, bijvoorbeeld de verwachte opbrengsten van belastingen, en voor allerlei beleidsonderdelen zoals het beleid over lonen en uitkeringen. (koopkrachtberekeningen) Daarnaast berekent het CPB op grond van dezelfde gegevens de effecten van de tegenbegrotingen van oppositiepartijen. Enige tijd geleden werd bekend dat het Centraal Plan Bureau op initiatief van verschillende economen onder vuur ligt bij de modellen die zij gebruikt om alternatieven voor en de gevolgen van het huidige regeringsbeleid door te rekenen. Men stuurde daartoe een petitie naar het parlement. Het blijkt, dat er meer wetenschappers zijn die het CPB onder druk proberen te zetten.
In december 2005 leverde oud-staatssecretaris Van Eijck kritiek op de berekening van de koopkracht door het CPB. Zijn kritiek is onder meer dat de koopkrachtcijfers geen rekening houden met huishoudkenmerken en inkomensbron en dat huishoudens dubbel meetellen in de presentatie. Het CPB ontkende de aantijgingen. Maar, zegt het CPB: ‘natuurlijk hebben de koopkrachtcijfers beperkingen. Het CPB benadrukt dat zelf herhaaldelijk in publicaties’. Volgens het CPB is het nodig om meer dan zeven groepen huishoudens te onderscheiden bij de berekening van de koopkrachtontwikkeling en de groepsindeling aan te passen aan de aard van de maatregelen die relevant zijn voor de koopkracht. Voor wie het nader wil bestuderen zie de reactie van het CPB, waarin ze ook uitleggen wat er aan hun berekeningen niet klopt. http://www.cpb.nl/nl/pub/cpbreeksen/memorandum/132/
Basisinkomen of niet?
In maart 2006 publiceerde het Plan Bureau een studie getiteld ‘Reinventing the Welfare State’. De studie is in het engels, dus niet voor iedereen toegankelijk. Een voorstudie in het Nederlands is te vinden op http://people.few.eur.nl/demooij/artikel%20tpe.pdf (Dat is een pdf bestand!) Voor wie het rapport wil lezen het is te vinden op de website van het CPB.
Wat betreft de alternatieven wordt in sectie 3.3. ‘Efficiente administratie/bestuur’ het effect van een basisinkomen berekend. Hoe je verder ook over een basisinkomen denkt, het blijkt dat een geindividualiseerd basisinkomen van 550 euro per maand zijnde 50% van het netto-minimumloon gefinancierd kan worden met een vlaktax (een overall tarief in de inkomstenbelasting) van 50%. Daarbij teken ik wel aan dat in feite natuurlijk het sociale minimum geen 50% van het minimumloon is, maar met toeslagen in bv de bijstand 70%. Maar je kunt in plaats van een vlaktax ook een progressief belastingsysteem invoeren lijkt mij. Kortom, financieel alleszins haalbaar. En dit alles nog wel binnen het kapitalistische marktdenken en de modellen van het CPB. De resultaten van het CPB onderzoek zijn gebaseerd op het evenwichtsmodel geheten MIMIC, waarbij rekening wordt gehouden met institutionele ontwikkelingen zoals onderhandelingen en akkoorden over lonen, het Nederlandse belasting en sociale zekerheidsstelsel, etc.
Afwijzing basisinkomen en kritiek daarop
Maar in de CPB studie wordt dit alternatief toch afgewezen. Het is volgens de studie geen doelmatige vorm van herverdeling. Om het te kunnen financieren moet de overheid namelijk de belastingdruk opschroeven. Dit betekent dat iedere extra verdiende euro netto minder inkomen oplevert. De prikkel om te werken of te scholen wordt daardoor aangetast. Dit geldt vooral voor vrouwen.Volgens de berekeningen zou de participatiegraad van vrouwen met 10% teruglopen. Voor mannen zijn de verstoringen kleiner, maar ook zij worden door hogere tarieven aangemoedigd minder uren te werken en te scholen of hun heil te zoeken in het informele circuit. De participatiegraad van hoger opgeleiden zou teruglopen met 5%. Voor mensen met midden- en hoge inkomens vormt het basisinkomen in samenhang met een hoge belastingdruk een sigaar uit eigen doos die slechts tot gevolg heeft dat de prikkels voor arbeidsdeelname worden beperkt.
Wetenschappers die een of andere vorm van basisinkomen propageren trokken op vrijdag 19 mei 2006 boos naar het CPB om de officials aldaar hun kritiek voor te leggen. Onder hen waren spraakmakende wetenschappers als Paul de Beer en Robert van der Veen. Kern van hun kritiek: Veel factoren zijn in de modellen niet opgenomen, zoals de mate van bescherming van de privacy in verschillende uitkeringsstelsels en de ziekmakende aspecten van strenge controles, huisbezoeken, ondoorzichtige bureaucratie en zeer uitgebreide formulieren. Ook leidt een basisinkomen tot minder grote inkomensverschillen dan in andere stelsels.
Kritiek al eerder
Ook als je geen voorstander bent van een basisinkomen, kun je de kritiek van bovengenoemde wetenschappers toch steekhoudend vinden. Belangrijke moeilijk te kwantificeren factoren en hun invloed op de ekonomie zijn niet in aanmerking genomen. Dit was ook al de kern van de kritiek van een team van wetenschappers die in 2001 een rapport maakten met de titel ‘Met beleid te werk – Rapportage van de Commissie Beleidsgeoriënteerde Toetsing van het Centraal Planbureau’. Uit een persbericht van het CPB zelf: ‘belangrijke inhoudelijke aanbevelingen betreffen de gewenste verschuiving in het werkprogramma naar meer micro-economische thema’s en institutionele vraagstukken. (In feite in bedekte termen dezelfde kritiek als van Van Eijck, die zei dat de berekeningen van de koopkracht niet fijnmazig genoeg waren, pvdl) In het bijzonder vraagt de commissie het CPB om meer aandacht te schenken aan de invloed van Europa op de Nederlandse economie. Met betrekking tot de analyse van verkiezingsprogramma’s beveelt de commissie aan om meer aandacht te besteden aan niet te kwantificeren elementen en aan de onzekerheden rond de gekwantificeerde resultaten’. Einde citaat.
Op Prinsjesdag gaat iedereen uit van de cijfers van het CPB als de absolute waarheid. Gezien de kritiek die er op het Planbureau is, nu weer van Wouter Bos, moeten we die berekeningen, modellen en cijfers van het Planbureau echter met een flinke korrel zout nemen. Maar ook de redeneringen van Wouter Bos om de terechte kritiek op de modellen van het Planbureau op een handige manier naar zich toe te trekken bij de verdediging van het kabinetsbeleid.

maandag 31 oktober 2005

Massawerkloosheid is goedkoop voor werkgevers

Enkele rekensommetjes van het CPB die laten zien wat de motieven zouden kunnen zijn voor het in stand houden van de massawerkloosheid en zelfs uitbreiding ervan (met name vrouwen moeten minder in deeltijd gaan werken en een volledige baan nemen en je moet doorwerken tot je 65ste). Aardig zou zijn om eens uit te rekenen of het opheffen van de massawerkloosheid misschien wel duurder is voor de werkgevers dan het in standhouden ervan door afname van de arbeidsproductiviteit en toename ziekteverzuim…..Commentaar op www.nu.nl : bedrijven wisten het al, maar nu heeft het CPB de cijfers erbij geleverd…

*CENTRAAL PLANBUREAU*
Onderwerp: persbericht
Nummer: 43
Datum: 31 oktober 2005
Gunstige conjunctuur leidt tot meer ziekteverzuim
Bij een gunstige economische ontwikkeling melden meer werknemers zich
ziek. Een daling van de werkloosheid met 1%-punt leidt naar schatting
tot een stijging van het ziekteverzuim met 0,25%-punt. Naast de
conjunctuur hebben ook beleidsmaatregelen en wijzigingen in de
samenstelling van de beroepsbevolking voor veranderingen in het
ziekteverzuim gezorgd.
Dit concludeert onderzoeker Hans Stegeman van het Centraal Planbureau
(CPB) in het vandaag verschenen CPB Document ‘/De
conjunctuurgevoeligheid van het ziekteverzuim/’.
*Kosten ziekteverzuim 6 mld euro*
Het ziekteverzuim is vanaf 1980 trendmatig gedaald. In 1980 werd ruim 9%
van de beschikbare werkdagen verzuimd. Medio jaren negentig was dit
percentage nagenoeg gehalveerd; zowel structurele als conjuncturele
factoren hebben hieraan bijgedragen. In de economisch gunstige periode
daarna is het verzuimpercentage echter weer wat opgelopen.
Het ziekteverzuim vormt een kostenpost voor werkgevers. Zo betalen
bedrijfsleven en overheid in 2005 circa 6 mld euro loon door aan zieke
werknemers, ongeveer 3% van de totale loonsom.
*Het verband tussen conjunctuur en ziekteverzuim*
Bij hoogconjunctuur melden werknemers zich eerder ziek. Dit blijkt zowel
uit een analyse met jaargegevens over de periode 1980-2003 als uit een
analyse van kwartaalcijfers op bedrijfstakniveau voor de jaren
1996-2003. Een daling van de werkloosheid met 1%-punt leidt naar
schatting tot een stijging van het ziekteverzuim met 0,25%-punt. Dit
verband geldt ook bij een stijging van de werkloosheid.
Ook literatuuronderzoek wijst overwegend op een positief verband tussen
conjunctuur en ziekteverzuim. Vermindering van de werkdruk door
laagconjunctuur kan bijvoorbeeld leiden tot een betere gezondheid en
daarmee tot minder ziektegevallen. Daarnaast kan de werkinstelling van
werknemers een rol spelen: een grotere kans op ontslag kan resulteren in
minder verzuim. Ook het aanname- en ontslagbeleid van werkgevers kan van
invloed zijn. Werknemers die in het verleden relatief vaak ziek zijn
geweest, zullen misschien minder snel een baan krijgen of bij
reorganisaties eerder worden ontslagen. Hierdoor is vooral het gezonde
personeel werkzaam als de economie zich in een conjunctureel dal bevindt.
*Structurele invloeden: beleid en samenstelling beroepsbevolking*
Naast de conjunctuur hebben ook beleidsmaatregelen een effect gehad op
de ontwikkeling van het ziekteverzuim. De verlaging van de uitkeringen
bij ziekte en arbeidsongeschiktheid in de jaren tachtig en tal van
instroombeperkende maatregelen in de WAO hebben er aan bijgedragen dat
het verzuimpercentage in Nederland nu structureel lager is dan tien tot
twintig jaar geleden. Het gaat onder meer om de Wet Uitbreiding
Loondoorbetalingsverplichting Bij Ziekte (WULBZ) uit 1996 waarbij de
loondoorbetalingsverplichting van werkgevers eerst tot zes weken werd
verlengd en later tot een jaar. De loondoorbetalingsperiode is overigens
recent nog eens verlengd tot 2 jaar; dit is nog niet in het onderzoek
meegenomen.
Demografische ontwikkelingen, zoals de toegenomen arbeidsparticipatie
van vrouwen en ouderen, hebben de daling van het ziekteverzuim echter
getemperd. Het ziekteverzuimpercentage van vrouwen (exclusief
zwangerschaps- en bevallingsverlof) ligt ruim 1%-punt hoger dan dat van
mannen, terwijl ook ouderen meer verzuimen dan jongeren. Nu vrouwen en
ouderen een groter deel van de beroepsbevolking vormen, komt het
ziekteverzuim hierdoor hoger uit dan het geweest zou zijn bij de
vroegere verhouding tussen ouderen en jongeren en tussen mannen en vrouwen.
CPB Document 99, ‘/De conjunctuurgevoeligheid van het ziekteverzuim/’,
ISBN 90-5833-239-X, is te bestellen bij:
Bibliotheek Centraal Planbureau
Postbus 80510
2508 GM Den Haag
Telefax: 070-3383350
e-mail: bibliotheek@cpb.nl
Prijs: 9,- euro
CPB Document 99 is tevens
(gratis) beschikbaar als PDF-bestand op de website van het CPB
(www.cpb.nl).