zondag 22 november 2009

Getto's in Europa?


Vooral bepaalde etnische groepen worden door de structurele massawerkloosheid getroffen. Zij behoren vaak tot de stroom van migranten die ondanks de structurele werkloosheid als arbeidskracht tijdelijk in de economie nodig zijn waarbij zij zich met hun lage inkomen vestigden in wijken met goedkope huurwoningen. Loononveiligheid, bestaansonzekerheid en sociale onzekerheid als gevolg van de afbouw van het bijstandssysteem komt in de grote steden voor op bepaalde sterk geconcentreerde plaatsen en treft met name bepaalde bevolkingsgroepen, die verdeeld zijn langs etnische scheidslijnen. Bij de structurele, chronische werkloosheid is in deze wijken de bevolking meer dan gemiddeld werkloos en aangewezen op contracten voor werk van een bepaalde korte duur en concentreert het leven op of onder het bestaansminimum zich in deze wijken. Tijdelijke en flexibele aanstelling in een functie wordt de norm voor de arbeidsmarkt in deze wijken. 
Overigens ontkent een onderzoeker als Wacquant dat er in de Europese steden sprake zou zijn van gettovorming in de klassieke sociologische zin van het woord. Getto’s zijn territoriaal scherp van de rest van de samenleving afgebakende gebieden, waar een bepaalde etnisch homogene bevolkingsgroep woont, met een gemeenschappelijke taal en cultuur, die instituties ontwikkelt parallel aan de instituties van de omringende maatschappij. Communicatie tussen dit scherp afgebakende territorium en de omgeving vindt nauwelijks plaats. De omgeving ontwikkelt daarbij allerlei vooroordelen over het leven in het getto. Dergelijke getto’s kwamen voor in de zestiger jaren in de Amerikaanse steden. Wacquant wijst erop, dat het zwarte getto in de Verenigde Staten tegelijkertijd een instrument ter controle en van afweer was van de rest van de maatschappij, dus tegenover een kaste, die als minderwaardig ten opzichte van andere groepen mensen werd beschouwd.
In de grote Europese steden is de ontwikkeling anders. De stadswijken waar de armoede zich thans concentreert kennen een bevolking van een etnisch gezien zeer heterogene samenstelling. De mensen hebben geen gemeenschappelijke, van de omgeving afwijkende taal en etniciteit of cultuur. Er worden geen parallelle instituties ontwikkeld op basis van een gemeenschappelijke solidariteit, die het hele territorium van de gehele wijk bestrijken, zoals in getto’s vaak wel gebeurde. Er is meer sprake van diffuse klassenstructuren.

In Amerika heeft het gevangenissysteem de functies van controle en afweer van ongewenste groepen overgenomen. Of dat in Europa in toenemende mate ook het geval zal zijn is de vraag. Ook ontkent Wacquant dat termen als ‘de derde wereld in de Europese steden’ een adequate formulering zou zijn voor de situatie in die grote steden. De redenering is dan dat migranten uit andere, vaak meer achterlijke of pre-industriele culturen naar het Westen komen en dat deze achterlijke cultuur de problemen waarmee deze wijken kampen veroorzaakt. Een argument dat wel met het bovenstaande wordt verbonden is dat er sprake zou zijn van een terugval (regressie) naar premoderne vormen van samenleven en conflicten, die uitdrukking zouden zijn van eeuwig geldende en steeds weer terugkerende menselijke eigenschappen.

Het historisch specifieke karakter van de huidige ontwikkelingen wordt met deze argumenten ontkend. De arme wijken met hun specifieke problematiek, en de sociale ongelijkheid in de Europese steden zijn typische producten van het neoliberale beleid en komen daarom voort uit moderne ontwikkelingen. De problemen in deze wijken zijn veeleer het resultaat van de ontwikkeling naar sociale ongelijkheid in de meest ontwikkelde landen van de kapitalistische economien, waarbij er sprake is van desintegrerende tendensen. De aanwezigheid van ‘achterstandswijken’ zal dan ook niet spoedig verdwijnen. Juist de moderne samenleving produceert sociale ongelijkheid , achterstelling en stigmatisering en bestuurt die.

Slordige toepassing van termen als ‘gettovorming’ en ‘de derde wereld in Europa’ en daarmee verbonden redeneringen over het handhaven van veiligheid, openbare orde, en noodzaak tot integratie verhullen dat het er in feite om gaat dat juist in de arme wijken de gevolgen van de toenemende sociale en bestaansonzekerheid als gevolg van de flexibilisering van de arbeidsmarkt zichtbaar worden. Je ontkent daarmee ook de gerechtvaardigde eisen van de daar wonende bevolking op bepaalde rechten. 

De gedepriveerden worden verbannen naar mindere buurten waar publieke en private bronnen verdwijnen als gevolg van bezuinigingen op de collectieve voorzieningen terwijl tegelijkertijd de sociale degradatie van huishoudens uit de arbeidersklasse en de nieuwe migranten die zich juist in deze buurten vestigen de competitie voor toegang tot de zeldzame publieke goederen verscherpt.
In het verlengde van het bovenstaande is er een stigmatisering van deze buurten als bron van problemen. Waarbij in de analyse van deze problemen niet alleen een verband wordt gelegd met etniciteit maar ook met het feit, dat men in een ‘gedegradeerde’ buurt woont.

De leefomstandigheden in deze buurten leiden in het kader van permanente uitsluiting van de arbeidsmarkt tot een overlevingsstrategie, die wordt gekenmerkt door een mix van incidenteel betaald werk verrichten, een beroep doen op bijstand en deelnemen aan de informele sector in de economie. Dit leidt in de grote steden van Europa tot wat Wacquant in navolging van andere schrijvers een ‘overbodig arbeidsreserveleger’ noemt, voor wie de toenemende economische voortgang in de maatschappij zich vertaald in een regressie van de materiele bestaansvoorwaarden en een verminderen van kansen. Deze mensen zijn overbodig voor de reguliere economie. Veel van deze mensen zitten gevangen in een soort derde segment van de economie, buiten de reguliere, waar de beter gesitueerde proletariers werken en zeker buiten de kerneconomie.


De goeroes van de neoliberale revolutie beweren, dat door internet en andere  technologische vernieuwingen en het open gooien van markten de welvaart voor iedereen toeneemt. In onze open samenleving zou iedereen de kans hebben hogerop te komen. Er is een tendens tot welvaart voor iedereen. Het tegendeel is het geval. De neoliberale samenleving produceert steeds meer bestaansonzekerheid en sociale ongelijkheid. Deze ongelijkheden en onzekerheden worden niet bestreden maar ingepast in de neo-logistieke orde, ze worden in die orde met haar technologisch hoog ontwikkelde monitoringsysteem, toegangspoorten en controlepoorten bevestigd en gecontroleerd. De staat heeft in dit opzicht een belangrijke functie in de neoliberale orde. 

zaterdag 21 november 2009

Het beleid werkt niet. Waarom toch gehandhaafd?

Hoe effectief is de invoering van de neoliberale strafstaat en de techniek van het sociale panopticum als onderdeel van de machtsstrategie? Boone c.s. zetten vraagtekens bij de gevolgde strategie. Alleen opsluiten heeft geen zin en leidt tot zeer veel recidive. Er zou een preventief beleid moeten komen. Dat werkt effectiever. En daarna is zorg het meest effectief. Maar Boone c.s. schetsen niet hoe dit preventieve beleid verder moet worden uitgewerkt. De combinatie beperkte sociale zekerheid, uitbreiding van het civiel rechtelijk gevangenis-systeem en de techniek van het sociale panopticum laten onverlet, dat we leven in een neo-logistieke orde, die sociale ongelijkheden produceert en deze inpast in de orde. Zoals we reeds hebben opgemerkt worden door de politiek van uitsluiting in de neoliberale strafstaat en het ontbreken van reeele alternatieven velen in de arme wijken gedwongen te leven in een situatie waarbij er een combinatie is van bijstand, informele economie en flexibele, tijdelijke, witte of zwarte baantjes.  De weg naar de bijstand in combinatie met inkomen uit de informele sector wordt door de neoliberale strafstaat afgesloten. Mensen die in de drugscene of anderszins in hun levensonderhoud voorzien, worden steeds strenger gestraft en daarnaast worden mensen die niets hebben gedaan in civielrechtelijke detentie cq opvoedingsinrichtingen opgesloten. Dit betekent echter niet, dat deze informele sector verdwijnt. Zij verschuift alleen maar naar terreinen, waar het toezicht van de staat nog ontbreekt. Opgemerkt moet daarbij worden, dat de techniek van het sociale panopticum ook in de Verenigde Staten wel wordt toegepast- en dat principes daarvan ook door Europese landen zijn overgenomen, oa in de noodzakelijke samenwerking met maatschappelijke particuliere organisaties. Wacquant noemt dit ook in zijn boek straf de armen. De bijstand en een collectief stelsel van sociale zekerheid is echter rigoreuzer afgebroken. Bovendien lijkt wat de organisatie van het sociale panopticum betreft de invloed van de staat in Europa ook groter te zijn.
Bestuurders blijven vasthouden aan hun uitgangspunten. Bij politici van verschillende huize leeft de illusie, dat in het licht van de snelle veranderingen op de arbeidsmarkt, de flexibilisering ervan en de steeds veranderende eisen die aan arbeidskrachten gesteld worden het mogelijk moet zijn het aanpassingsvermogen van deze arbeidskrachten middels de sociale techniek van het sociale panopticum zo op te voeren, dat bijna iedereen blijft meedraaien in de carrousel van de neo-logistieke orde en dat ook kan. Zodat sociale uitsluiting en uitvallen  weinig optreedt. Men voert een overheidsbeleid om dat te bevorderen.
Uit de explosie van het aantal gedetineerden in Nederland voornamelijk de civielrechtelijke detentie, laat echter zien dat ook hier het gebrek aan het daadwerkelijk verbeteren van de levenskansen en arbeidsmogelijkheden van grote groepen uitloopt op een steeds directer repressief beleid.
Als je de bestuurders van gemeenten moet geloven werkt de techniek van het sociale panopticum wel. Het aantal bijstandsgerechtigden daalt in Nederland, ondanks de nog steeds bestaande massa-werkloosheid. Gemeenten publiceren juichend persberichten over de effectiviteit van het beleid. Weer zoveel bijstandstrekkers minder! Is dit een goed criterium om de effectiviteit van het beleid te meten? Het is immers van belang voor een evaluatie daarvan vast te stellen waar die bijstandsgerechtigden naartoe zijn gegaan, waar ze zijn gebleven. Het kan immers zijn, dat heel andere oorzaken aan de vermindering ten grondslag liggen. Bijvoorbeeld dat veel mensen in de bijstand tot groepen ouderen behoorden, die de AOW-gerechtigde leeftijd bereikten. Of die overgingen op een andere uitkering. Of die dakloos zijn geworden, of een beroep doen op alternatieve bronnen van inkomsten, of gaan verhuizen naar een andere gemeente. Wanneer je daarnaar vraagt, blijken de meeste gemeenten geen idee te hebben. Men weet niet waar die bijstandsgerechtigden zijn gebleven. En men doet er geen onderzoek naar. Er is een ziekelijke tendens in de maatschappij alles te willen weten en te willen meten, maar hier houdt het plotseling op.
Men blijkt niet over de managementinformatie te beschikken om de effectiviteit van het beleid werkelijk vast te stellen. Van waar die onwil? Blijkbaar kan het de politieke niet werkelijk iets schelen? Het blijkt, dat bij de uitvoering van de bijstand de client-volg systemen, en andere computersystemen toch niet zo volmaakt zijn als men wel graag zou willen. Er blijven vele witte vlekken op de kaart, mensen kunnen zomaar ‘uit beeld’ verdwijnen. Bij de Dienst werk en inkomen in Amsterdam heeft men jaren geleden geprobeerd een volmaakt computer volgsysteem in te voeren, het NUS-systeem. Het werd een fiasco. Dit geval staat niet op zichzelf. Van duizenden jongeren heeft men geen idee wat ze doen. Ze zitten niet op school, werken niet, hebben geen uitkering, maar staan wel ingeschreven in het bevolkingsregister, dus ze bestaan. In Amsterdam heeft men besloten geheel in de trend van het sociale panopticum, dan maar een huisbezoek bij deze jongeren af te leggen om te weten te komen wat ze doen. Dit kost echter veel geld en menskracht, en het kan lang duren voor men alle jongeren voortdurend in beeld heeft.

Waarom geen onderzoek naar de effecten?

De Zwitserse socioloog Kurt Wyss stelt de vraag hoe het kan dat er geen onderzoek wordt gedaan naar de effecten van de beleidsverandering als het gaat om de vraag wat er gebeurt met de mensen die uit het systeem vallen en zonder uitkering zitten als gevolg van de strenge maatregelen in het Workfare-systeem. En hij stelt de vraag waarom toch met het beleid doorgegaan wordt terwijl in alle landen keihard is aangetoond dat het beleid niet werkt en de uitstroom naar betaalde arbeid gering is. De beleidsmakers en een deel van de wetenschappers die –in dienst van de beleidsmakers- qua empirische basis aanvechtbaar onderzoek doen naar de effecten van workfare lijken doof te zijn voor alle argumenten en onderzoeken die de inefficientie en ineffectiviteit van het workfare concept aantonen. Men gaat stap voor stap gestaag door op de ingeslagen weg, waarbij de bestuurders steeds meer repressieve instrumenten ontwikkelen.

theorie

Wyss heeft daar een theorie over. De retoriek die de invoering van workfare moet rechtvaardigen is dat er een onderklasse dreigt te ontstaan en dat daarom de mensen die daarnaar dreigen af te zakken moeten worden geintegreerd in de maatschappij. Dat moet met enige dwang gebeuren op straffe van korting of zelfs stopzetting van de uitkering. Je moet de mensen echt helpen (de retoriek van de sociaal-democraten zoals Tony Blair) want mensen moeten zich middels betaalde arbeid kunnen ontplooien en zelfstandig worden. Maar hierboven werd aangegeven, dat het effect van workfare wat deze doelstellingen betreft gering is. Waarom gaat men ondanks alle kritieke stug door? Omdat het workfare systeem wel werkt, bedoeld of onbedoeld, maar op een andere manier. In plaats van integratie heeft de overgang naar een workfare-systeem  in werkelijkheid de bedoeling te komen tot de creatie, handhaving, stigmatisering en isolering van een afhankelijk gehouden minderheid, een onderklasse, die streng wordt behandeld. Door workfare stromen de leden van die groep niet uit, ze worden juist afhankelijk gehouden en er juist in vastgehouden en heen en weer geslingerd tussen het ene traject en het andere, tussen de ene hulpverlener en de andere, ze komen tot wat men noemt ‘recidive’, waarmee zij weer kunnen worden gestigmatiseerd. Legio zijn de voorbeelden van werklozen die een carriere van soms tien jaar achter de rug hebben waarbij ze zonder resultaat van het ene traject in de reintegratie-industrie in het andere terecht gekomen zijn.
Met de creatie van een onderklasse dient men twee doelen. Ten eerste leidt het tot disciplinering van de rest van de bevolking. Mensen die een conflict hebben met hun baas, of het hoge werktempo maar nauwelijks kunnen volhouden zullen zich wel drie keer bedenken voor ze ontslag nemen. Het workfare-systeem, met zijn mensonterende arbeid in de work first projecten staat de mensen als een schrikbeeld voor ogen. De tweede functie is, dat het afzonderen, zichtbaar maken en streng behandelen van een minderheid in een zogenaamde onderklasse de mogelijkheid biedt van projectie: de mondialisering, de flexibilisering van de arbeidsmarkt en de verhevigde concurrentie tussen arbeidskrachten, ook met arbeidskrachten uit andere (EU) landen leidt bij veel mensen tot een gevoel van bestaansonzekerheid waaruit onbestemde onlustgevoelens uit voortkomen. Een permanente onderklasse biedt de mogelijkheid van projectie: onlustgevoelens voortkomende uit de onzekerheid over het eigen bestaan, worden niet omgezet in kritiek op het maatschappijsysteem, het kapitalisme, dat tot de onzekerheid leidt, maar kunnen worden geprojecteerd en afgereageerd op de onderklasse, die voor een groot deel uit migranten bestaat. Op die manier blijven de werkelijke oorzaken van de onlustgevoelens buiten beeld. Zo probeert men ‘de boel bij elkaar te houden’ op een specifieke manier, waarbij een minderheid wordt geslachtofferd.
Hoewel het boek met vele historische sleutelteksten komt, ontbreken vooralsnog de historische documenten die zijn theorie kunnen staven. Het blijft onduidelijk of er sprake is van een bewust beleid, of dat bestuurders onbewust deze doelstellingen nastreven. Hij verwijt verschillende wetenschappelijke onderzoekers naar de effectiviteit van het workfare beleid wel, dat de empirische basis van hun onderzoeken zwak is, maar dat geldt althans in dit boek ook voor de empirische basis van zijn eigen theorien. Het wachten is op de klokkenluiders die de ware bedoelingen van de beleidsmakers en hogere uitvoerders onthullen.

Andere doelen

De creatie en handhaving van een onderklasse zou bedoeld of onbedoeld nog meer doelen kunnen dienen, die overigens slechts kort door Wyss worden behandeld.  Het is een middel om geld te verdienen. In de eerste plaats de omvangrijke reintegratie-industrie, met haar vele bemiddelings en adviesbureau’ s en organisaties. Maar ook in andere bedrijfstakken (schrijvers en journalisten, uitgevers van boeken, media zoals televisie) is het actuele thema van de integratie van de onderklasse en hoe die te realiseren een goed verkoopbaar product. Nog een andere functie: De beleidsmakers (politieke bestuurders en ambtenaren of sociale partners uit de hogere regionen) proberen middels de inzet van vele miljarden niet alleen de reintegratie-industrie te financieren, maar ook middels het mogelijk maken van subsidies voor werkgevers en werken met behoud van uitkering in diverse vormen de gecreeerde onderklasse weer direct een loondrukkende functie te geven. Mensen die op deze gesubsidieerde arbeid worden ingezet doen vaak regulier werk, waarbij mensen die dit werk eerst deden worden weggeconcurreerd, omdat de gesubsidieerd werkenden gratis of zeer goedkoop zijn. De vakbeweging verzet zich met name tegen deze laatste ontwikkeling, de verdringing van bestaande betaalde arbeid, omdat daarmee rechtstreeks de arbeidsvoorwaarden en omstandigheden in verschillende sectoren onder druk komen te staan en de positie van werknemers verzwakt bij CAO-onderhandelingen. De vakbonden verzetten zich minder tegen de andere bedoelde of onbedoelde gevolgen van workfare: het projectiemechanisme en het disciplineringsmechanisme. De reden daarvan is dat om daar kritiek op te leveren je een meer maatschappijkritisch standpunt moet innemen en een offensiever beleid moet voeren ten aanzien van de inrichting van de maatschappij waarbij je de maatschappelijke oorzaken van de toenemende bestaansonzekerheid naar voren haalt. Dit zet echter de positie van de erkende vakbonden als institutionele partner in de overlegmaatschappij van werkgevers, werknemersorganisaties en overheid onder druk. Binnen de bestaande kapitalistische verhoudingen hebben ook de vakbondsleiders en minstens een deel van hun achterban belang bij een niet al te omvangrijke onderklasse, die vervolgens onder controle wordt gehouden.

Schuld en boete

Een bepalend kenmerk van Workfare is, dat als het om de vraag van integratie en aansluiting bij de maatschappij van allerlei mensen gaat, het alleen maar van de goede wil van de desbetreffende persoon, zijn of haar optimisme, vermogen om zich te presenteren, geestelijke stabiliteit, etc. afhangt of dat gelukt. Het gaat er dus bij workfare en alle daarmee samenhangende cursussen op het gebied van scholing, empowerment-trainingen en andere cursussen om de wil van de betrokkenen in een bepaalde richting te dwingen. De mogelijkheden van integratie van individuen in de maatschappij hangt echter in sterke mate samen met de verdelingsmechanismen in het kapitalistisch systeem en is niet alleen afhankelijk van de wil van de betrokkenen. De meeste bedrijven zijn in een kapitalistische maatschappij onder concurrentieverhoudingen totaal niet geinteresseerd in langdurig werklozen. Zij hebben de keus uit arbeidskrachten die ‘beter’ zijn. Juist die andere oorzaken worden in het workfare systeem echter buiten beschouwing gelaten. Dit leidt ertoe, wat door empirische onderzoeken wordt bevestigd- dat de workfare-methoden falen om een werkelijke integratie te bewerkstelligen. Dit falen van het workfare systeem wordt echter uitgelegd als de schuld van degenen die ondanks de genereuze financiele middelen en inspanningen van de reintegratieconsulenten en andere hulpverleners niet toegeleid kunnen worden naar de betaalde arbeid. Zij verschijnen dan in de beeldvorming als de door eigen schuld in de bijstand of andere minimale regelingen verblijvende onaangepasten die weigeren hun kansen te grijpen.
Hierop reageren de beleidsmakers en hulpverleners met nog sterkere nadruk op de noodzaak van aanpassing van het individu aan wat de ‘normale’ norm in de maatschappij is, waaraan veel mensen weer niet kunnen voldoen, wat het schuldig zijn van het onaangepaste individu versterkt. Pogingen tot integratie van mensen die in armoede leven of gehandicapt zijn op wat voor manier dan ook zijn erop gericht mensen aan te passen aan de ‘normaal’ functionerende, mannelijke, blanke, gezonde arbeider, die weinig ziek is en geen gebreken kent. Daarbij blijven de bijzondere behoeften van menselijke individuen buiten beeld. Juist onder de vlag van gelijkheid- de betrokkenen moeten net zo ‘normaal’ worden als de meeste anderen- wordt ongelijke behandeling gepraktiseert.
Kritici die streven naar een integratie van gehandicapten in de maatschappij brengen vaak naar voren, dat men niet moet beginnen met de individuele aanpak, maar dat men moet kijken naar de verschillende sociale ruimten waar mensen functioneren zoals de prive sfeer, openbare ruimten, arbeidsplaatsen etc. om die zo in te richten, dat mensen zoals ze zijn dwz zonder ze te ‘normaliseren’ daarin kunnen meedoen. Daarvoor is een breed spectrum van aanpassingen op infra-structureel, arbeidsorganisatorisch en sociaal terrein noodzakelijk.
Het normaliseringsstreven van de workfare aanpak heeft echter tot doel, zoveel mogelijk mensen tijdelijk geschikt te maken als gestandariseerde, ‘normale’  kant en klare arbeidskracht voor de kapitalistische productie tegen een zo laag mogelijke prijs. Wie niet aan die norm kan voldoen of er niet in slaagt die norm te bereiken is schuldig.

Drietraps raket

Het door Wyss uitgebreid geanalyseerde brandmerken van de bijstandsgerechtigden en in zijn algemeenheid leden van een onderklasse wordt georganiseerd in ‘begeleiding’, onder controle houden en pogingen tot ‘normalisering’ op basis van een beleid met verschillende stadia van ontwikkeling. Het is een soort trap met verschillende hierarchisch ingedeelde treden, waarbij de bedoeling is dat de betrokkenen promoveren naar een steeds hogere trede. Op iedere trede worden andere beheersinstrumenten ingezet. In Amsterdam kent deze trap maar liefst vijf treden, waarbij de bovenste, zevende trede het betaalde werk is.
Wyss onderscheidt drie hoofdstadia. Op de onderste trede van de workfare-programma’s gaat het erom, de afwezige bereidheid tot werken en het onvermogen tot werken van de werkloze bijstandsgerechtigden te demonstreren en ten toon te spreiden. Daarvoor worden door de uitvoeringsinstanties bij de betrokkenen bepaalde beperkingen betreffende de bereidheid tot werken in een diagnose vastgesteld terwijl er tegelijkertijd bijzondere maatregelen worden genomen, waarmee die beperkingen overwonnen kunnen worden. In speciale scholings en arbeidsinzet programma’ s worden arbeidskrachten deugden als punctualiteit, op tijd komen, hoffelijkheid tegenover meerderen, bereidheid ingezet te worden etc. bijgebracht. Ook kan tot de eerste trap behoren dat men bepaalde therapien moet volgen om allerlei persoonlijke ‘zwakheden’ of gebrek aan motivatie te bestrijden. De kern van deze programma’s bestaat er dus uit de werklozen de schuld voor hun werkloosheid in de schoenen te schuiven. Natuurlijk ontdekken de betrokkenen zelf ook dat dit gebeurt. Daarom kent de benadering van de betrokkenen door de klantmanager een bepaald patroon. Zodra iemand niet van zijn of haar schuld overtuigd is, kritische opmerkingen maakt, aangeeft dat de voorgestelde maatregelen geen oplossing zijn, dan reageert de klantmanager keihard en scherp. En wanneer iemand dan akkoord gaat met de voorgestelde maatregel en zo te zeggen ingestemd heeft met het schuldig zijn aan het niet ‘normaal’ functioneren, wordt de klantmanager plotseling uiterst voorkomend en welwillend.
Op de volgende, tweede trede worden de betrokkenen gedwongen te gaan ‘werken’, in gesubsidieerde banen of met behoud van uitkering. In de verschillende landen worden daarvoor van elkaar afwijkende systemen ontwikkeld. 1 euro jobs, participatiebanen, etc. Feitelijk gaat het er ook in dit stadium om, te demonstreren dat de betrokkenen niet ‘normaal’ kunnen werken, cq als ‘onzelfstandige’ persoonlijkheden naar voren te brengen. Het gaat hier om arbeid die van betekenis ontdaan is omdat het ‘additioneel’, aanvullend moet zijn, en waarvoor geen overheidsbudgetten beschikbaar zijn en om arbeid die niet commercieel geexploiteerd kan worden. Het gaat om diverse werkzaamheden, zoals het schoonmaken van parken, graffiti verwijderen, recycling van afval. In Zwitserland noemt Wyss het voorbeeld van het timmeren van goedkope doodskisten voor mensen die niets hebben nagelaten en hun eigen begrafenis niet kunnen betalen. Kort door de bocht gezegd stelt Wyss, dat de als afval gestigmatiseerde mensen het afval van de maatschappij zo goedkoop mogelijk moeten opruimen.
In de derde fase- die moet leiden tot een ‘normaal’ gedrag in een ‘normale’ baan worden de bijstandsgerechtigden in het bedrijfsleven tewerk gesteld, waar ze echter ook niet als de andere werknemers worden behandeld, maar als een soort arbeider die tijdelijk ‘ingeleend’ wordt of tijdelijk tewerk gesteld met een fikse loonkostensubsidie. In de Verenigde Staten ontstaan hele overkoepelende netwerken van grote ondernemingen die op deze manier duizenden arbeidskrachten tijdelijk- voor een half jaar of een jaar- in dienst nemen, om dan weer over te schakelen op andere.
In de verschillende fasen worden in verschillende landen uiteenlopende regelingen getroffen, maar die zijn alle gebaseerd op dezelfde hierboven genoemde principes.

Tot slot

Wyss analyseert in het boek uitgebreid de ideologische achtergrond van de workfare ideologie. Beter is het niet te spreken van een bepaalde ideologie. Want het vervelende met de workfare maatregelen is, dat vanuit verschillende levensbeschouwelijke overtuigingen iets voor deze maatregelen te zeggen valt. Neo-conservatieven, neoliberalen en sociaal-democraten hebben uiteenlopende visies op workfare en bediscussieren die in de politieke arena, maar op de achtergrond werken ze nauw samen in de uitwerking omdat ze er allemaal belang bij hebben. Wyss analyseert uitgebreid de verschillen en overeenkomsten tussen die verschillende politieke stromingen.
Hiervoor heb ik al aangegeven, dat een hele onderzoeks en media industrie qua inhoud van hun media leeft van de discussie over ‘integratie’. Deze discussie komt gezien het bovenstaande in een bepaald daglicht te staan. Pleitbezorgers van de ‘Nederlandse identiteit’ en wat dat dan moet inhouden en analytici van ‘de noodzaak van integratie’ pleiten in feite voor een normaliseringsconcept, waarbij een aanpassing van de arbeidskrachten aan de vereisten van ondernemingen in de steeds meer in de mondiale economie opgenomen samenlevingen tot stand komt. Daarvoor is tegelijkertijd juist de creatie en in standhouding van een onderklasse noodzakelijk. Maar die moet echter ook weer niet te groot en dus onbeheersbaar worden.
Dus gaan de discussies over twee grenzen.Ten eerste de grens tussen deze onderklasse en de rest van de samenleving. Deze discussie wordt vooral gevoerd onder beleidsmakers, onderzoekers en in de media. Zie de recente discussies over de prachtwijken van Ellen Vogelaar, waar men wijst op het waterbed-effect: naast wijken die worden opgeknapt ontstaan andere wijken die verloederen.
Ten tweede de discussie over de grenzen van het sociale panopticum, het controle systeem waarmee de onderklasse in toom gehouden, zichtbaar gemaakt en gecontroleerd wordt. Deze discussie wordt vooral geinitieerd door mensen die eraan onderworpen zijn en kritische wetenschappers en journalisten



woensdag 11 november 2009

Nieuwe proefballonnen. Over een denktank en een snoepreisje naar Amerika

Op 11 november 2009 werd een Manifest geschreven door leden van De Baliegroep, een onafhankelijke denktank van personen uit de wereld van werkgevers en werknemers en de publieke sector. Het Manifest werd gepubliceerd in de Volkskrant. [1] Leo Hartveld van de FNV reageerde furieus. 'Balie-voorstel haalt solidariteit uit de samenleving' zei hij. Hij constateerde het volgende over de inhoud van het Balierapport. De arbeidsmarkt van nu, met zijn uitzendkrachten, deeltijdwerknemers en zzp’ers, vraagt om nieuwe arbeidsverhoudingen. Werkenden moeten zelf verantwoordelijk worden voor hun sociale zekerheid. De FNV vakcentrale ziet er echter niets in.
“Het enige dat je volgens dit voorstel overhoudt is een ministelsel sociale zekerheid. Alles dat boven dat minimum zit wordt losgelaten. Het is een ultra-individualistisch verhaal, dat haaks staat op de oplossing, namelijk collectiviteit en solidariteit. Aan zo’n ‘sociaal contract’ wil ik niet deelnemen”, zegt  Leo Hartveld.
“Wij komen niet tot de conclusie dat we dan maar alles individueel moeten regelen. Sparen kun je doen voor dingen waar je individueel voor kunt kiezen, zoals een sabbatical. Maar ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid heb je niet in de hand. Mensen die daardoor getroffen worden, zijn zo door hun individuele spaarpot heen. Zij vallen dan terug op dat ministelsel, een soort bijstandsuitkering. Je moet die risico’s dus verplicht collectief regelen.
“Ook de problemen van zelfstandigen en flexwerkers moet je oplossen in de collectiviteit en solidariteit. Dit Balie-verhaal leidt tot een ultra-liberaal individualisme, waarbij de sterken beter af zijn, maar degenen die met de risico’s worden geconfronteerd de sigaar zijn. Daar komt nog bij dat de sociale redzaamheid in veel risicogroepen klein is’.

Amerika

Eind november 2009/begin december bezoekt een Nederlandse delegatie de Verenigde Staten om zich te laten bijpraten over het Amerikaanse sociale stelsel. [2] De deelnemers, waaronder staatssecretaris Jetta Klijnsma (PvdA), zien aanknopingspunten voor Nederlands beleid. Veertien 'politieke en bestuurlijke kopstukken uit de wereld van uitkeringen en werk, met een hoog PvdA-gehalte', lieten zich informeren. René Paas, voorzitter van de belangenvereniging van sociale diensten: "Het zou wel eens kunnen dat hier de basis is gelegd voor de herziening van het sociale stelsel in de komende drie jaar.” In het Amerikaanse systeem hebben alleen kostwinnaars recht op bijstand, mits ze kinderen hebben. In de praktijk zijn dat met name alleenstaande vrouwen. Wie geen kind heeft, kan voor zo’n 200 dollar per maand voedselbonnen krijgen. Dat is de 'bijstand' waar zij van moeten rondkomen. Dit zijn meestal alleenstaande jonge mannen zonder werk, die vervolgens vaak in de criminaliteit belanden, schrijft Trouw.
Deze beperking is volgens Klijnsma en haar delegatiegenoten niet direct toepasbaar op de Nederlandse situatie, maar de tijdelijkheid van de bijstand (uitkeringen worden in de VS hooguit vijf jaar verstrekt) stuit wel op enthousiasme. Zo zegt Eric ten Hulsen, directeur van de Amsterdamse Dienst Werk en Inkomen, in Trouw: "Je gaat dan met een heel andere focus met die mensen aan de slag. Het idee is veel meer om mensen in hun eigen kracht te houden." Bewindsvrouw Klijnsma, die zelf met de sociale hervormingen in Nederland aan de slag moest, vult aan op Van Hulsen: "Die tijdelijkheid houdt wel de druk erop." Dat mensen in Amerikaanse projecten nog een tijdje worden begeleiden na het vinden van werk, spreekt haar ook erg aan:  "Uiteindelijk moeten mensen zelf verantwoordelijkheid nemen voor hun leven. Maar de begeleiding bij ons kan vaak echt een onsje enthousiaster. Als je ’s nachts ineens in een dikke depressie zit, moet je iemand kunnen bellen."



[1] Ondertekenaars oa Leni Beukema (De Onderlinge), Jeroen de Glas (voorzitter FNV-Jong), Hans Kamps (voorzitter ABU), Kick van der Pol (voorzitter Boaborea), Alexander Rinnooy-Kan (voorzitter SER), Doekle Terpstra (voorzitter HBO-raad), Tof Thissen (fractievoorzitter GroenLinks Eerste Kamer/oud voorzitter Divosa).
[2] Reportage in Trouw 03-12-2009.  Karin Zandbergen. ‘Warm worden van de Amerikaanse aanpak’. 

woensdag 21 oktober 2009

Enkele gedachten over internet

De laatste tijd ben ik bezig lid te worden van verschillende netwerken op internet, maar zo langzamerhand raak ik de weg een beetje kwijt. Ik heb een overzichtelijk uitgebreid schema gemaakt waar ik lid van ben, met wachtwoorden en inlogcodes.

Zo ben ik actief op twitter (http://twitter.com/pvdlende en http://twitter.com/bijstbond) en sinds kort actief in Facebook. http://nl-nl.facebook.com/people/Piet-van-der-Lende/1665157160

Men spreekt over de nieuwe ontwikkelingen wel over web 2.0: de ontwikkeling van sociale digitale netwerken op internet met behulp van nieuwe software en hardware die het voor iedere burger mogelijk maken niet alleen passief kennis of entertainment tot zich te nemen, maar zelf actief te publiceren en te discussieren met grote groepen. Ook is er een ware informatierevolutie aan de gang: steeds meer archieven worden gedigitaliseerd en zijn op internet beschikbaar. Niet alleen kranten, maar ook overheidsarchieven, databanken etc. Je kunt bij wijze van spreken van het kleinste dorp een complete geschiedenis samenstellen, gezeten achter je computer en zo zelf aan geschiedschrijving doen waarbij je archieven nog maar in beperkte mate hoeft te bezoeken. Maar web 2.0 heeft zo zijn nadelen.Ik merk dat ik wel erg veel tijd ga steken in het alleen al in technische zin bijhouden van dit alles en dan moet je ook nog bijdragen schrijven. Dan zijn er weer allerlei methodes om die verschillende netwerken aan elkaar te koppelen. Maar dat maakt het voor mij alleen maar ingewikkelder. Het lukt wel, maar er beginnen toch zo wat bedenkingen op te komen tegen al die handige tools. Steeds maar berichten schrijven op netwerken waar je vaak geen respons op krijgt en er komt steeds meer bij. Nu heeft iedereen het weer over Google waves wat eraan zit te komen. Dat schijnt plotseling nu weer je van het te zijn. En vandaag kreeg ik een email van Frank, dat in Belgie gediscussieerd wordt over de Euromarsen zichtbaar maken op internet. Want er zijn grootse plannen, in 2010 in het najaar en misschien al daarvoor een reeks van activiteiten organiseren in diverse landen, te beginnen op 3 en 4 november 2009 met een conferentie in het Europese parlement, en al die activiteiten moeten uitlopen op iets groots in oktober 2010, rond de wereldarmoededag. Hoe maken we al die activiteiten zichtbaar? De stelling wordt geponeerd dat we lid moeten worden van verschillende sociale netwerken, cq groepen ‘Euromarsen’ moeten oprichten op internet. Om zo de zichtbaarheid te vergroten. Ik weet het niet. Behalve de hierboven genoemde bezwaren (tijdvretend, weinig respons, ingewikkeld) is het ook zo, dat mensen enkele netwerken uitkiezen waar ze actief zijn. Dus al je kennissen en vrienden zitten op vele verschillende netwerken. Dus je kunt niet vanuit 1 centrum met hen communiceren. Er is sprake van een grote verbrokkeling daardoor. In een tweede bijdrage ga ik in op de gevolgen van die verbrokkeling en de tweedeling tussen generaties, arm en rijk en hoog of laagopgeleid. Bestaat die tweedeling wel, verdwijnt ie vanzelf, en hoe gaan verschillende groepen mensen met internet om? Daarbij zal ik proberen aan te geven wat ik in mijn omgeving hiervan zie.

P. vd Lende

maandag 12 oktober 2009

Verontruste vakbondsleden zeggen: NEE tegen het duivelspact FNV-PVV

>>>>> STUUR DOOR >>>>>

Als leden van de FNV zijn wij verontrust over de aankondiging van FNV-voorzitter Agnes Jongerius om te gaan praten met de PVV over samenwerking.

Wij zijn van mening dat de vakbondseisen tegen de verhoging van de AOW-leeftijd niet binnen gehaald mogen worden ten koste van `de buitenlanders´. Zo zei PVV-Kamerlid Fritsma onlangs nog bij De Wereld Draait Door dat `een AOW leeftijd van 65 jaar betaald kan worden door immigratie uit moslimlanden te stoppen´. Wij vinden dat de vakbeweging de PVV op geen enkele manier tegemoet mag komen om deze politiek van verdeel-en-heers mogelijk te maken.

Hoewel we ons kunnen voorstellen dat vakbondsleden uit verontwaardiging nu hun lidmaatschap willen opzeggen, denken we niet dat dit de juiste stap vooruit is. De FNV is niet van de vakbondstop, maar van de leden. De FNV heeft meer leden van allochtone achtergrond dan welke organisatie in Nederland dan ook. De FNV zou dan ook juist als eerste de handschoen moeten opnemen en de PVV op inhoud gaan bestrijden.

De PVV laat zich met regelmaat van de klok discriminerend uit over moslims en andere minderheden. Het is volgens de eigen beginselen van de FNV een taak van de vakbond om zich te verzetten tegen dit soort racisme. In plaats van te onderhandelen over `samenwerking´, zou de FNV juist luid protest moeten laten horen tegen de discriminerende standpunten van deze partij. Dat is de vakbeweging waar wij samen voor willen vechten.

Des te meer willen wij de alternatieven onderstrepen voor de bezuinigingen op de AOW, die de vakbeweging naar voren heeft gebracht. Onder de leus `de sterkste schouders, de zwaarste lasten´ maken die duidelijk dat de rekening voor de crisis niet bij gewone mensen, maar bij de rijken moet worden neergelegd. Met die koers moet nu de strijd worden aangebonden met het kabinet. De recente peilingen over de grote bereidheid onder de bevolking om de straat op te gaan, geven daarbij aan wat zowel nodig als mogelijk is.

Deze verklaring wordt onderschreven door:

Mo Achahbar, lid FNV Bondgenoten (Amsterdam) / Lot van Baaren, bondsraadlid ABVAKABO FNV (Rotterdam) / Michiel Bakker, lid AOB(Amsterdam) / Leo Benjamins, lid FNV Bondgenoten (Bovensmilde) / Gerko Buist, lid FNV Bondgenoten (Velsen) / Greet Cornello, lid FNV Bondgenoten, Chauffeursvrouwen-in-actie (Niehove) / Willem Croese,lid van FNV Bondgenoten (Zaandam) / Angela Ettema, lid FNV Kiem (Amsterdam) / Bart Griffioen, lid ABVAKABO FNV (Amsterdam) / Sieger Keuning, kaderlid en sectorraadslid FNV Bondgenoten Beroepsgoederenvervoer (Gerkesklooster) / Nuri Karabulut, lid FNV Bondgenoten (Amsterdam) / Patrick van Klink, lid FNV Bondgenoten (Rotterdam) / Martin & Marjolein Kuipers, lid FNV Bondgenoten / Johan Kwisthout, lid ABVAKABO FNV (Breda) / Andre van der Meer, lid FNV Bondgenoten (Hoofddorp) / Ans Nijman, lid ABVAKABO FNV (Heemskerk) / Marcel van Poppelen, lid FNV Bondgenoten (Vlaardingen) / Marcus van Ringen, kaderlid en sectorraadslid FNV Bondgenoten Beroepsgoederenvervoer (Kollumerzwaag) / Egbert Schellenberg, lid FNV Bondgenoten (Rotterdam) / Murat Sekercan, lid FNV Bondgenoten(Zaandam) / Klaas Strooker, kaderlid FNV Bondgenoten Corus (Velsen) / Ruud Stroombergen, kader en sectorraadslid FNV Bondgenoten (Hillegom)/ Piet de Vries, kaderlid sectorraadslid FNV Bondgenoten Beroepsgoederenvervoer (Oldeholtpade) / Bram Wanrooij, lid AOb(Amsterdam)

Steun zelf als FNV-lid deze verklaring ook door een mail naar:verontrustevakbondsleden@gmail.com

>>>>> STUUR DOOR >>>>>

zaterdag 10 oktober 2009

Ga niet met Wilders en de PVV de straat op

Op mijn weblog heb ik nu al enkele stukjes geschreven over de perikelen met betrekking tot de AOW. Het eerste artikel ging over een mogelijk monsterverbond tussen de PVV en de FNV of andere groeperingen die tegen verhoging van de AOW leeftijd zijn. Het tweede artikel ging over de standpunten van Groen Links. In het eerste artikel heb ik benadrukt, dat links van het midden en rechts van het midden op verschillende politieke strijdterreinen gedeeltelijk dezelfde conclusies delen. Niet alleen op het terrein van de AOW, maar ook op het terrein van protesten tegen de
verbureaucratiseerde controlemaatschappij. En dat deze situatie eerder is voorgekomen en wel bij het referendum over de Europese grondwet. Mijns inziens kun je uit deze ontwikkeling niet afleiden dat het onderscheid tussen 'links' en 'rechts' in de politiek niet meer zou bestaan of verouderd is. Bij het referendum over de grondwet kwamen de traditionele middenpartijen en Groen Links klem te zitten tussen links en rechts, die ieder geheel eigen en hemelsbreed van elkaar verschillende analyses en doelstellingen hadden, maar die toch de conclusie deelden: de Europese grondwet moest er niet komen, met het gevolg dat de meerderheid van de stemmers in het referendum de grondwet afwees. Als Euromarsen hebben wij in onze campagne samen met anderen of afzonderlijk benadrukt, dat wij weliswaar tegen deze Europese grondwet waren, maar dat wij voorstander waren van intensievere Europese samenwerking en niets moesten hebben van de populistisch nationalistische sentimenten die door rechts werden uitgespeeld. En dat wij internationale samenwerking toejuichten met andere uitgangspunten dan het verdrag van Lissabon, en dat wij juist tegen het liberale maatschappijmodel waren dat door rechts werd benadrukt. Wij hadden en hebben er verder geen enkele behoefte aan, de PVV en vergelijkbare groeperingen nog meer salonfahig te maken, hen politiek in het zadel te helpen door intensieve vormen van samenwerking, ook niet op afzonderlijke punten, door samen actie te voeren of de straat op te gaan. Althans zo heb ik het opgevat. Een ieder voerde dan ook zijn of haar eigen campagne tegen de Europese grondwet, waarbij wij de handen vrij hadden volledig vanuit onze analyse de grondwet af te wijzen. En propaganda te maken voor en te discussieren over een rechtvaardiger maatschappij zoals wij dat zien. De discussie over de Europese grondwet werd in dat opzicht door ons verwelkomt als een mogelijkheid om over alternatieven voor het huidige (Europese) beleid te praten. Er kwamen in dat opzicht geen nauwe vormen van samenwerking tot stand tussen alle tegenstanders van de Europese grondwet.

Wilders en de PVV

En nu ontstaat bij de AOW-discussie dezelfde situatie. En dit kan ook op andere punten gebeuren, ik schreef daar al over. Tot mijn verbijstering moet ik uit de Volkskrant begrijpen, dat Agnes Jongerius met Wilders en de PVV om de tafel wil gaan zitten. Samen proberen de verhoging van de AOW-leeftijd van tafel te krijgen en gezamenlijk optrekken. Waar is dit gesprek anders voor? Want ze sluit coalities met de duivel. (En met zijn moeder). Dit betekent dus dat wij in de campagne niet te sterk tegen de andere standpunten van de PVV moeten ageren, want dat zou het nieuwe 'eenheidsfront' verzwakken. Dus wij hebben onze handen niet meer vrij om onze eigen analyse van andere PVV standpunten naar voren te brengen. Wij werken eraan mee, dat de PVV, die samen met de FNV optrekt een 'sociaal' gezicht krijgt, een heel redelijke partij is, waar je best op kunt stemmen. Zo help je ze in het zadel. Dat betekent niet, dat ik niet met PVV-ers wil discussieren, er zijn heel wat vakbondsleden die PVV stemmen (het schijnt al 17% te zijn) en een discussie met hen over de onderwerpen die hen raken is hoogstnoodzakelijk. Maar in deze discussies moet wat mij betreft wel benadrukt worden, dat de PVV vele onjuiste standpunten heeft en helemaal niet de belangen van de man in de straat verdedigt.

Er waren in vakbondskringen vraagtekens over de strategie van de werkgevers, die het SER overleg opbliezen. Misschien wordt het nu iets duidelijker. Wellicht hebben ze een zeer doordachte of in ieder geval intuitief geslepen strategie, waarbij ze wat verder vooruit konden kijken dan misschien anderen. Want ze hebben het goed gezien: ik ben tegen verhoging van de AOW-leeftijd maar ik ga niet met de PVV de straat op.

Piet van der Lende

woensdag 7 oktober 2009

Femke Halsema de weg kwijt in de AOW-discussie.

In een artikel in de Volkskrant van 7 oktober formuleren de Tweede Kamerleden Halsema en Sap van Groen Links de volgende stelling: 'het is ook onrechtvaardig dat mensen die vroeg beginnen met werken, vaak in zware beroepen, langer moeten doorwerken dan hoogopgeleiden. Hoogopgeleiden betalen later (en minder) AOW-premie, maar mogen net zo snel met pensioen als de bouwvakker die op zijn 18^e op de steiger staat'. Vervolgens komt er een sneer naar de SP die dit sociale onrecht bewust in stand zou laten met de eis 65 blijft 65. Groen Links wil een 'flexibele AOW' op basis van het aantal gewerkte jaren. Iemand die veertig jaar heeft gewerkt gaat op zijn 63 ste met pensioen. Een hoger opgeleide of bevoorrechte werknemer zou tot zijn 67 of 68^ste moeten doorwerken. Nou werkt een bouwvakker bijna nooit veertig jaar in betaald werk, dus Halsema en Sap willen, dat ook bij mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering of die onvrijwillig werkloos zijn, de jaren in de uitkering meetellen voor die veertig jaar.

Halsema en Sap vergeten even, dat het tegenwoordig bijna onmogelijk is om in de WIA te komen, dat alle sociale zekerheidsregelingen worden afgeknepen, en dat dus velen met zware beroepen in de bijstand terechtkomen. Of de jaren in de bijstand ook meetellen wordt in het artikel niet vermeld. Ik kom daar nog op terug. Een groot deel van die mensen die vanuit hun werk arbeidsongeschikt worden hebben na hun werk geen recht op bijstand vanwege bv een verdienende partner of teveel vermogen in bv een huis, dat ze moeten opeten. Die mensen vallen dus buiten de regeling van Groen Links, want ze hebben geen eigen inkomen. In het voorstel wordt verder het onderscheid tussen lichte en zware beroepen vertaald met: onderscheid tussen lager opgeleiden en hoger opgeleiden die altijd meer bevoorrecht zouden zijn. Onderscheid tussen lichte en zware beroepen is sowieso onzinnig, want hoe moet je dat meten, wat zijn de criteria? Heeft een bouwvakker wel een zwaar beroep, en een advocaat die gestressed van de ene naar de andere rechtszaak loopt niet? Om het zo te regelen moet je weer een peperdure controlebureacratie in het leven roepen, die iedereen gaat indelen. Halsema en Sap willen dus het onderschied lichte en zware beroepen anders invullen.

Maar ook het onderscheid tussen hoger en lager opgeleiden en het aantal gewerkte jaren in het Groen Links voorstel is onzinnig. In feite schemert door het voorstel ook het onderscheid tussen hand en hoofdarbeid. Handarbeid is zwaar, hoofdarbeid licht. In feite zeggen Halsema en Sap, dat studenten niet werken. Ze hoeven met hun tempobeurs tegenwoordig helemaal niet voluit aan de bak. Dus die hoeven helemaal niet op hun 65 ste met pensioen. Hier wreekt zich de eenzijdige mainstream-fixatie van Halsema op wat werk is. Als het betaald wordt, is het werk, en anders niet. In feite brengen studenten ook al een inkomensoffer, omdat ze jarenlang van een lage beurs moeten leven. (Als ze geen rijke ouders hebben die schuiven). Mensen die vanaf hun 20ste werken hebben soms al een redelijk salaris op jeugdige leeftijd. En als ze later advocaat of bestuurder zijn, zeggen Halsema en Sap, werken ze met hun hoofd, dus dat is ook niet zwaar. Volgens mij kun je deze generieke regeling niet invoeren zonder onrechtvaardige gevolgen voor verschillende groepen burgers. Vergeten wordt verder dat de AOW een volksverzekering is, iedereen is vanaf zijn 18^e als inwoner van Nederland verzekerd, ongeacht of je premie betaalt of niet. Je kunt voor de AOW dus niet het argument aanvoeren, dat de een langer premie betaalt dan de ander. Als je dat invoert, schaf je de volksverzekering als zodanig af.

Helemaal een gotspe is de stelling van Halsema en Sap, dat door de AOW voor 'lichte' beroepen later te laten ingaan, bv op 67 of 68, alleenstaande en gescheiden moeders en vrouwen zouden worden gestimuleerd om in deeltijd of volledig te gaan werken. Waar zijn die banen dan? Het betekent alleen maar dat de concurrentie om de bestaande banen scherper wordt met een neerwaartse druk op arbeidsvoorwaarden en omstandigheden. De neo-liberale visie op de economie, en misschien ook wel een van de weinig ter sprake gekomen achtergronden van de AOW-discussie. Gezien dit stimulatie-argument voor alleenstaande en gescheiden moeders en vrouwen vermoed ik, dat Halsema een bijstandsuitkering niet wil laten meetellen voor die veertig jaar arbeid die je moet hebben verricht om op je 63ste voor AOW in aanmerking te komen. Dit maakt de groep die buiten de regeling valt nog groter. In Nederland hebben 2,5 miljoen mensen tussen 18 en 65 geen betaald werk. Daarvan hebben er ongeveer 1,5 miljoen een ander inkomen. Dus 1 miljoen heeft niets, is huisvrouw, renteniert, wat niet al. En de kansen op betaald werk is voor die grote groep erg klein. Halsema wil die groep geen recht geven op AOW op 65 jarige leeftijd. Een miljoen mensen wordt hun rechten ontnomen in het voorstel van Groen Links. En dat naast de ongetwijfeld grote groep die in de huidige crisis na inkomen uit werk zonder inkomen komt te zitten of die in de bijstand terecht komt.

Als je eigenlijk wilt, dat hoge inkomens in deze crisistijden belast moeten worden om de financieringstekorten te drukken zeg dat dan, en ga niet zulke voorstellen doen om dicht aan te schurken tegen de regeringsstandpunten, die in feite over de hele linie de AOW-leeftijd willen verhogen naar 67, met een paar uitzonderingen om zo de mensen met lagere inkomens mee te laten opdraaien voor de miljardensteun aan de banken en het financierskapitaal.