vrijdag 10 april 2009

Foto van de mobiele picknicktafel voor het oppimpen

Experimentele fase (3)

Nu een foto opgestuurd met bijbehorende tekst in de onderwerpregel, die boven de foto komt. De tekst in de body van de email komt onder de foto.

zondag 22 maart 2009

Enkele opmerkingen over de economische crisis, de controlemaatschappij en het verzet ertegen

Je zou kunnen stellen dat we in een doorgeschoten controlemaatschappij leven. Koppelingen van databanken, uitbreiding van het politieapparaat, uitdijende gevangenissen en een zwerm van controleurs moet de burgers in het gareel houden. De bevoegdheden van al die instanties worden steeds meer uitgebreid. Onaangekondigde Huisbezoeken waarbij het recht op huisvrede wordt omzeild bij bejaarden en bijstandsgerechtigden, opname van hele huisgezinnen in een strak begeleidingsprogramma en geavanceerde signaleringstechnieken moeten gedetailleerde informatie verschaffen over wat de mensen doen en hoe ze leven. Het controlesysteem moet de mensen in het gareel houden, waarbij stigmatisering van bepaalde bevolkingsgroepen onvermijdelijk lijkt te zijn. Criminologen tonen keer op keer aan, dat in feite de criminaliteit en fraude niet is toegenomen en dat het gevoerde beleid ineffectief is. Maar men gaat door op de oude voet.
Sociologen gebruiken voor de beschrijving van de ontwikkelingen in de moderne controlemaatschappij wel de metafoor van het sociale panopticum. Dit is een voortdurende controle op het doen en laten van specifieke groepen in de maatschappij middels zoals hierboven reeds gezegd moderne technieken (bewakingscamera’s, koppeling van databanken, registratie van individuele kenmerken middels vingerafdrukken, etc). Dit wordt aangevuld met controle door allerlei overheids- en particuliere organisaties met een stoet van bewakers in dienst, zoals conducteurs, stadswachten en buurtvaders. De mensen moeten daarbij het gevoel krijgen, dat ze voortdurend worden waargenomen en dat door de autoriteiten als afwijkend gedefinieerd gedrag zal worden bestraft. Dit wordt gecombineerd met een ideologisch offensief dat de ontwikkeling en invoering van het panopticum moet rechtvaardigen. Men streeft naar illegalisering en criminalisering van gedrag dat de bedoeling heeft aan het panopticum te ontsnappen of om vorm te geven aan het samenleven van mensen buiten de principes van de kapitalistische markteconomie om. Dit geillegaliseerde en gecriminaliseerde gedrag wordt vervolgens streng bestraft.

Neoliberalisme

De doorgeschoten controlemaatschappij is opgekomen met de invoering van de neo-liberale politiek, gekenmerkt door rigoureuze invoering van het marktdenken in alle sectoren van de maatschappij. Dit marktdenken ging gepaard met een afbraak van de oude welvaartsstaat en bezuinigingen. Men kan deze neo-liberale politiek zien als een antwoord op de neergaande conjunctuur sinds midden jaren zeventig van de 20e eeuw. Een van de uitgangspunten die in de neo-liberale politiek opgeld doet is dat ieder individu op de markt zijn of haar eigenbelang moet nastreven. Het marktmechanisme zal de welvaart en het welzijn van iedereen het grootst maken. Dit geldt voor de mondige consument, die de stroom informatie met keuzemogelijkheden die op hem afkomt efficiënt kan managen en de meest rationele keuzes maken. Dit geldt voor de arbeidskracht, die zich op de flexibele arbeidsmarkt als de verkoper van het product arbeidskracht opstelt. Het individu dient zich te gedragen als ‘homo economicus’ die efficiënt reageert op prikkels (sancties en beloningen) van buiten. Het marktmechanisme regelt de organisatie van de productie, de verdeling van goederen en de inrichting van de maatschappij.
Qua uitgangspunt wil het principe van de homo-economicus echter twee tegenstrijdige dingen verenigen. Enerzijds moeten mensen zich gedragen als een individuele ondernemer of mondige consument die op de markt in een verder organisatorisch voor hem of haar ongestructureerde omgeving zelfstandig als ‘vrij’ individu zijn bestaan organiseert. Maar sommige mensen gaan in een ongestructureerde omgeving ‘doelloos rondzwemmen’ of  hun handelen blokkerende redeneringen opzetten, of de verkeerde organisatorische argumenten gebruiken. Voorzover ze deelnemen aan organisatorische en sociale verbanden zien ze zichzelf vaak als te belangrijk en zijn ze bang dat ze zelf uit beeld verdwijnen. Sommigen streven ernaar een eigen winkeltje op te zetten en niet samen te werken met anderen die hetzelfde doen. En ze anticiperen niet op mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Dit waren eigenschappen die sommige mensen altijd al hadden, maar de neo-liberale politiek heeft dit verergerd. Door de privatiseringen van allerlei hulpverleningsinstanties, particuliere verzekeringen en het verdwijnen van sociale verbanden gebaseerd op solidariteit komt een stroom informatie op het individu af van allerlei elkaar beconcurrerende instellingen. Daarbij moet men steeds opnieuw keuzes maken en een steeds uitgebreidere administratie bijhouden. Sommige mensen lukt dat niet. En soms is het ook niet te doen. Burgers hebben in strijd daarmee vaak van jongsaf op school geleerd te werken aan een omschreven deeltaak in een organisatie op basis van discipline van buitenaf. In dit verband wordt de maatschappij steeds tegenstrijdiger, want aan de ene kant wordt die discipline nog steeds gevraagd, doen wat je baas zegt, en zijn woorden voor zoete koek slikken, in een gestructureerde omgeving. Anderzijds betekent een flexibele arbeidsmarkt en de projectmatige en tijdelijke opzet van allerlei projecten waarin je tijdelijk kunt meedraaien dat je vanuit jezelf geredeneerd, in een ongestructureerde omgeving, 'de maatschappij', je eigen bestaan moet organiseren. Daarbij moet je de informatie die verkopers of anderen ter beschikking stellen in twijfel trekken en dus niet voor zoete koek slikken. Daarom zijn de work first projecten en andere disciplineringtrajecten ook zo verkeerd. Mensen leren daar de verkeerde dingen. Ze leren discipline, van buitenaf opgelegd, en gehoorzamen daaraan, verrichten op vaste tijden eenvoudige routinearbeid. Maar die discipline komt niet uit henzelf, ze leren niet hoe op een flexibele arbeidsmarkt die veel onzekerheid met zich meebrengt hun eigen bestaan in vrijheid te organiseren, met alle kennis en vaardigheden -ook van je eigen functioneren- die daarbij behoren. Daarom werken die projecten ook niet.

Nieuw revolutionair subject?

De vraag is, of vanuit de bovenomschreven tegenstrijdigheid de mensen die als vrije ZZP-ers of flexibele ondernemers en free-lancers in de soms kunstzinnige (media) sector opereren kunnen worden gezien als een betrekkelijk nieuw revolutionair subject dat rebelleert tegen de disciplinerende controlemaatschappij. Daarbij bronnen aanborend en benuttend die- bij solidarisering met uitgeslotenen- de mogelijkheid bieden voor massaal verzet. Ik denk van niet. Het grote probleem waar we voor staan is daarmee niet opgelost. Dit probleem is de blokkade van het handelen in sociale verbanden en collectieven vanuit bepaalde kritische opvattingen over de maatschappij. Ik kom daar nog op terug. Verschillende onderzoekers hebben in de huidige ontwikkelingen- de herstructurering van sociale relaties- de opkomst van nieuwe revolutionaire subjecten gezien. Hardt en Negri hebben betoogd, dat ‘immateriële arbeid’ steeds belangrijker wordt en zij ontwikkelden het concept van de ‘multitude’ waarbij de strijd niet meer zou gaan tussen kapitaal en arbeid maar tussen ingeslotenen en uitgeslotenen. Het zou te ver voeren, hier in te gaan op de discussies die het afgelopen decennium gevoerd zijn rond de begrippen ‘multitude’ of  ‘arbeidersklasse’ in vaak theoretisch ingewikkelde boeken voor een kleine minderheid.
Het gaat mij in dit discussiestuk om pragmatische argumenten geredeneerd vanuit de praktijk die de huidige blokkade tussen opvattingen (waarden) en actief handelen in sociale verbanden kunnen doorbreken. Daarbij zijn processen van insluiting en uitsluiting in mijn ogen nauw verbonden met de ontwikkeling van het kapitalisme.

Gemeenschapsdenken in sociale verbanden op basis van solidariteit

De innerlijke tegenstrijdigheid tussen gedisciplineerde ondergeschikte enerzijds en vrije mondige burger anderzijds is slechts oplosbaar door vormen van gemeenschapsdenken in de organisatie van de maatschappij waarin solidariteit tussen mensen de basis is voor overleg en samenwerking. Daarbij kunnen mensen door uitwisseling van niet-commerciële informatie en onderlinge taakverdeling bewust afwegen wat de gevolgen zijn van individuele keuzen voor de gemeenschap als geheel. Het welbegrepen eigenbelang moet soms opzij geschoven worden voor het groepsbelang en bewuste democratische keuzen van de groep bepalen dan wat geproduceerd of gedaan wordt. Het marktmechanisme speelt daarbij een ondergeschikte of geen rol. In feite proberen mensen dit voortdurend te realiseren ondanks de bovengenoemde moeilijkheden die ze daarbij ten aanzien van hun eigen functioneren en dat van anderen tegenkomen. Voortdurend proberen mensen gemeenschappen en groepen te vormen op basis van normen en waarden die afwijken van het marktdenken om een antwoord te geven op de innerlijke tegenstrijdigheden van dat markt denken in het kapitalisme. En voortdurend pogen overheden en ondernemers vanuit dat kapitalisme aanpassingen tot stand te brengen aan dit marktdenken. Voor wie er oog voor heeft zie je in dit opzicht voortdurend botsingen en spanningen op vele sociale niveaus. In feite is de doorgeschoten controlemaatschappij een methode om deze spanningen te managen en te beheersen en mensen ertoe te brengen zich als ‘homo economicus’ te gedragen. Verschillende sociale verbanden, organisaties en gemeenschappen worden daarbij niet gesteund of tegengewerkt of onschadelijk gemaakt. Met name gaat het daarbij om groepen waarbij een fundamentele kritiek op het kapitalisme of uitwassen daarvan wordt geformuleerd en waarbij die gemeenschappen dienen om verzet te organiseren en de innerlijke tegenstrijdigheden te politiseren. Andere sociale en organisatorische verbanden worden geïncorporeerd in het kapitalisme door middel van ‘governance’. Op dit begrip kom ik nog terug. De controlemaatschappij in het kapitalisme met de van buitenaf opgelegde discipline waaraan men moet gehoorzamen, reproduceert echter de tegenstrijdigheid in de benadering van het menselijk gedrag.

Structurering van sociale relaties in het neoliberalisme

De bovengenoemde ontwikkeling heeft de sociale relaties tussen mensen op een ingrijpende manier geherstructureerd. Het zou te vervoeren al de kenmerken daarvan te noemen.
Enkele punten wil ik naar voren brengen.
  1. Vaak zijn traditionele gemeenschappen met niet op marktdenken gebaseerde waarden en normen uit elkaar gevallen, zoals familie en buurtverbanden. Dat is een proces dat al bij de ontzuiling van Nederland is ingezet en een gevolg van moderniseringen, die niet alleen aan de ontwikkeling van het neoliberalisme zijn toe te schrijven. Tegelijkertijd moet worden gezegd dat veel van deze traditionele verbanden nog steeds springlevend zijn, denk maar aan de ‘bible-belt’. We zien echter in de jaren zestig, zeventig en tachtig nieuwe sociale bewegingen opgekomen, naast een hernieuwde bloei van de arbeidersbeweging, waarbij op basis van solidariteit tussen mensen burgers zichzelf politiek organiseerden en vanuit eigen organisaties hun emancipatie nastreefden. Met het naar voren komen van het geatomiseerde, mondige individu in het neoliberalisme zijn ook deze sociale bewegingen nagenoeg verdwenen. Daarvoor in de plaats kwam de politiek van ‘governance’. Staten en grote bedrijven zochten overleg met NGO’s die vaak wel ontstaan zijn in sociale bewegingen van onderop, maar die zich ontwikkeld hebben tot door machtige instituties en staten gesubsidieerde instellingen, waarbij de legitimatie voor hun optreden niet meer voortkomt uit het actieve optreden van de leden. De leden zijn in plaats van actieve burgers die hun emancipatiedrang politiseren passieve consumenten geworden, die deelnemen aan van bovenaf opgezette zwaar gesubsidieerde projecten. Ook de vakbeweging gaat in feite de kant op van een consumentenorganisatie op basis van ‘governance’.
  2. In het neoliberalisme waarbij de onderlinge concurrentie tussen individuen wordt bevorderd zijn er winnaars en verliezers; wie de ratrace om de schaarse hulpbronnen en bij grote massawerkloosheid de race om de schaarse banen niet kan volhouden komt terecht in de uitzichtloze positie van een onderklasse. Daarbij speelt etnisering van de achtergestelden een rol. Hierdoor zijn nieuwe tegenstellingen ontstaan tussen middengroepen die tijdelijk geprofiteerd hebben van het casinokapitalisme en degenen, die daar niet van geprofiteerd hebben. Deze tegenstellingen zijn geglobaliseerd. Niet alleen komen ze voor in 1 land, maar ze zijn wereldwijd. In feite stonden de architecten van de neo-liberale politiek voor de vraag: hoe de lonen te bevriezen, loonkosten te drukken, bezuinigen op uitkeringen te realiseren en toch in de westerse landen de voorwaarden voor de reproductie van de arbeidskrachten in stand te houden en het verzet te kanaliseren. Dit is gebeurt door de nieuwe internationale arbeidsverdeling: productie van massagoederen werd verplaatst naar lage lonen landen door het openbreken van markten in de derde wereld en structurele aanpassingsprogramma’s waardoor massagoederen werden geproduceerd die de arbeiders in het westen goedkoop konden aanschaffen. Bij de verlaging of het achterblijven van hun koopkracht kon de financiering van hun consumptie worden gerealiseerd door de ontwikkeling van een schuldeneconomie. Mensen konden in het casinokapitalisme lange tijd geld lenen (met bijvoorbeeld de waarde of overwaarde van hun huis als onderpand en voor de gepensioneerden de waarde van de aandelen waarin de pensioenfondsen belegden). Met dat geleende geld kon de consumptie op peil blijven. Het is overigens voor mij de vraag of dit wel een van te voren opgezet plan is. Het is meer een gevolg van trial and error in de ontwikkeling waarbij men al experimenterend in een bepaalde richting probeerde te werken.
  3. Met de opkomst van de controlemaatschappij zijn op vele terreinen de mogelijkheden voor de burger om invloed uit te oefenen ingeperkt. De bewegingsvrijheid om het eigen leven, de eigen baan of het eigen gedrag naar eigen keuzen vorm te geven is afgenomen. Dit geldt ook voor de mensen die betaald werk hebben. De sociale relaties in bedrijven zijn sterk veranderd. Er is niet alleen een flexibilisering van de arbeidsmarkt, waarbij verschillen ontstaan tussen kernarbeiders in vaste dienst en flexibele uitzendkrachten zonder binding aan het bedrijf. Bedrijven hebben de commandostructuren anders gereorganiseerd. Door de groei van de communicatietechnologie kunnen opdrachten en andere informatie op een veel directere en nauwkeuriger manier worden doorgegeven van de top naar de basis van de bureaucratische hiërarchieën zoals de administratieve of productieorganisatie van grote bedrijven. Prestaties van het personeel kunnen daarbij op een veel directere manier worden gecontroleerd. Er is dus een nieuw soort centralisatie van de macht in handen van weinigen. Personeel krijgt steeds minder speelruimte om een eigen invulling te geven aan het werk dat ze doen. De ruimte om in organisaties een eigen invulling te geven aan je baan en de taken daarbij wordt geminimaliseerd. Automatisering leidde ertoe, dat de bureaucratische piramides in organisaties ingrijpend veranderden. De basis van de piramide hoeft niet meer groot te zijn. Zowel bij handarbeid als op kantoor kon routinewerk worden opgeheven door innovaties als barcodelezers, stemherkenningtechnologie en micromachines die het werk van de vingers overnemen. De omvang van het personeel kon worden beperkt door de onderste functielagen op te heffen. Dit heeft tot gevolg, dat veel personeelsleden overbodig werden en er in de westerse landen een permanente, structurele werkloosheid heerst. De flexibilisering van de arbeid en allerlei organisatorische veranderingen leiden tot wat Wacquant noemt de 'sluipende desocialisatie' van de arbeid. In de bureaucratische productiestructuren die tot de zeventiger jaren overheersend waren hadden mensen voor langere tijd een vaste functie, waarbij ze de tijd kregen sociale relaties op hun werk op te bouwen en een sociaal netwerk te ontwikkelen. Daarbij ontwikkelden ze een bepaalde binding aan het bedrijf en hadden ze een zij het vaak beperkte zeggenschap over de inrichting van hun werk. Ze waren trots op de organisatie waar ze werkten en het werk dat ze deden. Bij de flexibele arbeid is deze binding en deze trots geheel verdwenen terwijl het veel moeilijker is geworden via je werk een netwerk van sociale relaties op te bouwen. Richard Sennett wijst ook op de desocialisatie van de arbeid. Het 'sociaal kapitaal' verdwijnt uit de productieorganisaties. De voortdurende organisatorische veranderingen, waarbij hele afdelingen gesloten kunnen worden en niemand zeker is van zijn werk, de flexibele arbeid waarbij mensen ergens niet lang werken leiden tot een groot verloop onder het personeel, geringe institutionele loyaliteit, afname van het informele vertrouwen onder werknemers en verzwakking van de institutionele kennis. 
  4. De ontwikkelingen onder punt 3 hebben grote gevolgen voor de relaties tussen de gemiddelde burger cq consument en die organisaties. Als je een (administratief) probleem hebt, krijg je iemand van een call-center aan de telefoon, of directe medewerkers van de organisatie, die alleen antwoord kunnen geven op een beperkte set van te voren opgestelde standaardvragen. In het verleden konden professionele hulpverleners van mensen met problemen in de bureaucratieën een sociaal netwerk opbouwen van contacten met functionarissen, die er al jaren werkten, die een grote kennis hadden van de besluitvormingsprocedures in de organisatie en die ook antwoord konden geven op meer specifieke vragen. Dit bevorderde, dat mensen toch uiteindelijk hun rechten konden effectueren via overleg. Deze situaties zijn in de flexibele productieorganisaties steeds minder te vinden waardoor het voor mensen met problemen en hun hulpverleners steeds moeilijker wordt tot een oplossing te komen. In het verlengde hiervan ligt weer, dat burgers noodgedwongen in plaats van via overleg met een instantie tot een oplossing te komen steeds meer een beroep moeten doen op de rechter om hun gelijk en hun rechten te halen. Het aantal advocatenkantoren is het laatste decennium explosief gestegen.
  5. De sociale relaties tussen mensen worden ook beïnvloed door het streven, met behulp van de mogelijkheden die de automatisering biedt als het ware consumenten delen van het productieproces te laten uitvoeren. Je haalt je kontante geld al sinds jaar en dag uit de automaat, terwijl je vroeger naar de balie moest om het geld op te halen bij een medewerker van het postkantoor die de mensen en de problemen van de buurt kende. De kleine ondernemer die dezelfde functie had is voor een groot gedeelte al uit het straatbeeld verdwenen.  In supermarkten is men bezig systemen te ontwikkelen, waarbij het afrekenen aan de kassa tot het verleden behoort. (Oa bij de Vomar) De consument scant zelf zijn of haar artikelen die in de supermarkt zijn opgehaald met behulp van een scanapparaat dat de barcodes leest die op de producten staan. Er zijn dan veel minder caissières nodig. Contact met medewerkers van het bedrijf heb je als consument niet meer. Er zijn alleen enkelen die meer een bewakingsfunctie hebben om te kijken of alles vlot verloopt. Dit principe- de consument het productiewerk laten doen wordt op vele manieren ingevoerd. Schiphol is bezig met een geautomatiseerd systeem om de passagiers zelf te laten inchequen. Vaak betekent dat ook een extra administratieve belasting voor de burger cq consument, die steeds nieuwe kennis en vaardigheden moet ontwikkelen om een zelfstandig bestaan te organiseren zonder daarbij een beroep te kunnen doen op medewerkers van een bedrijf voor ondersteuning. Dit sluit aan bij wat hiervoor werd gezegd over mensen die het niet meer lukt hun bestaan te managen.
  6. Vooral voor de zogenaamde ‘onderklasse’ is de bewegingsvrijheid en van daaruit een handelingsperspectief afgenomen door de invoering van de controlemaatschappij en het sociaal panopticum: je hebt voortdurend het gevoel te worden waargenomen en gecontroleerd, ook al is dit feitelijk niet het geval. Foucault bracht naar voren, dat een automatisch functioneren van de macht bij het sociale panopticum is verzekerd. Als gevolg van constante bewaking en de surveillance van de bewakers  raken individuen verstrikt in een onpersoonlijke machtsrelatie met de abstracte institutie die tegelijkertijd de machtsrelatie zelf niet-individueel maakt en die degenen, die aan het sociale panopticum zijn onderworpen individualiseert en losmaakt van collectieve verbanden.  Foucault zag deze techniek als een essentiële ontwikkeling bij de toenemende controle, hiërarchiesering, disciplinering en classificatie van mensen in de moderne maatschappij, door middel waarvan het gedrag van individuen voortdurend gereguleerd en gecontroleerd wordt door onpersoonlijke instituties.
Belangrijk bij het functioneren van het sociale panopticum is, dat de mensen die bewaakt worden niet voortdurend in de gaten hoeven te worden gehouden. Zij hoeven alleen maar het gevoel te hebben, dat dit wel zo is, dat ze op ieder moment ineens kunnen worden waargenomen. De gevolgen van deze ontwikkeling zie je bij bijvoorbeeld bijstandsgerechtigden en bejaarden. Wie een uitkering aanvraagt, krijgt een huisbezoek. Daarbij moeten zowel vrijwel de gehele administratie als de leefomstandigheden zichtbaar gemaakt worden. Ook mensen die al een uitkering hebben kunnen eventueel een huisbezoek verwachten. Daarnaast moet maandelijks een werkbriefje ingevuld worden, waarmee wijzigingen in de leefomstandigheden moeten worden aangegeven, je moet zo’n briefje ook invullen als er niets gewijzigd is. Verder zijn er routinematig de periodieke heronderzoeken, waarbij alle privé-gegevens over leefomstandigheden, bankrekeningen, uitgavenpatroon, sociale relaties, eventueel vrijwilligerswerk, etc, steeds opnieuw op tafel gelegd, ‘zichtbaar’ gemaakt moeten worden. Verder wordt iedereen die zegt niet te kunnen werken wegens arbeidsongeschiktheid onderworpen aan een keuring. Daarnaast worden mensen, die nu niet geschikt zijn voor de arbeidsmarkt maar dat in de toekomst wel zouden kunnen zijn, onderworpen aan allerlei vormen van trajectbegeleiding middels vaak particuliere reintegratieinstituten.
Mensen zijn zich er over het algemeen zeer van bewust dat ze voortdurend worden waargenomen, dat ze voortdurend ‘zichtbaar’ zijn. Wat dit betreft klopt de waarneming van Foucoult, dat zij het symbool van de anonieme macht, de sociale dienst, in Amsterdam de DWI altijd in hun gedachten hebben, dat zij vanuit zichzelf vanwege die constante zichtbaarheid, of beter gezegd je kunt ieder ogenblik volledig zichtbaar gemaakt worden met je privé-leven, iedere dag wel aan de sociale dienst denken. Dat men in werkelijkheid weinig werkelijk contact heeft met die dienst is daarbij niet van belang. Ook veel uitkeringsgerechtigden die maar eens in het half jaar een her controle hebben en voor de rest met rust worden gelaten, denken vaak iedere dag aan de sociale dienst. Men ‘verinnerlijkt’ de anonieme macht van de sociale dienst. Bij de gedachtegangen die uitkeringsgerechtigden dan hebben gaat het dan voortdurend over de grenzen van de sociale techniek van het panopticum die op hen wordt toegepast. Mag je een huisbezoek weigeren? Moet ik echt alle giroafschriften van de laatste drie maanden laten zien, moet ik de originelen laten zien, mag ik uitgaven voor de boodschappen en zo ook afplakken en dan een kopie maken, want met mijn dagelijks leven hebben ze niets te maken? Is een medische keuring verplicht? De arbeidsbemiddelaar heeft mij een aanbod gedaan voor bemiddeling. Mag ik dan weigeren? Wat kan ik verwachten als ik op gesprek ga bij de Dienst Werk en Inkomen en wat niet? Etc.
Angst voor de anonieme macht van de sociale dienst speelt een belangrijke rol. Klanten malen door hierover en vermengen dit met fantasieën over hoe aan het sociale panopticum te ontsnappen. De mensen definiëren hun situatie in dit verband, en schatten wat dit betreft hun eigen mogelijkheden en onmogelijkheden in. Sommige mensen definiëren zich als ziek Ik kan er niet meer tegen, ik kan die druk niet hebben ik denk er voortdurend aan, wat kan ik doen om met rust gelaten te worden? Weer anderen willen dit helemaal juist niet. Zij denken aan andere ontsnappingsmogelijkheden zoals illegale activiteiten. Of betaald werk zoeken als dat mogelijk is. Wat ook benadrukt wordt in de gesprekken met mensen op de Bijstandsbond is de absurditeit van de techniek van het sociale panopticum. Mensen zijn zich op het uitvoeringsniveau vaak scherp bewust van de tegenstrijdigheden in het systeem. In een dergelijke situatie is het zeer moeilijk mensen tot collectief, openlijk verzet te brengen in organisatorisch verband.

Onoverbrugbare tegenstellingen en individualisering?

Uit het bovenstaande moet in mijn ogen niet worden afgeleid, dat de wereld in het algemeen en de westerse maatschappijen in het bijzonder alleen maar vaten vol onoverbrugbare tegenstellingen zijn geworden. In Nederland is er weliswaar bijvoorbeeld een niet te verwaarlozen groep Wilders aanhangers, die zich behoorlijk roeren in de media en internet.  Maar wat betreft haar opvattingen lijkt de meerderheid van de Nederlandse bevolking zelfs toleranter en kritischer te worden. Dit blijkt oa uit een onderzoek van Motivacion. (Geloof jij dat je betrokken bent? Sociale kwesties in de samenleving. Onderzoek door Motivaction in opdracht van het Leger des Heils. Amsterdam, oktober 2008)
Conclusies van het rapport:
Voor wat betreft de wijze waarop mensen met elkaar omgaan, worden geen/weinig respect
en individualisme, egoïsme en desinteresse als de belangrijkste problemen ervaren. Deze problemen worden herkend en erkend (waargenomen of zelfs persoonlijk ervaren), de confrontatie gaan de Nederlanders echter vaak uit de weg.
Ook weten de Nederlanders beter dan voorheen van de problematiek rondom kwetsbare groepen in de samenleving die risico lopen om buitengesloten te worden. We zien het, we weten het, maar we kijken steeds liever de andere kant op wanneer deze problematiek te dichtbij komt. Dit duidt op normatieve betrokkenheid (volgens de meetlat) en afnemende actieve betrokkenheid (met het hart).
Nederlanders weten dat eenzaamheid een groot probleem is in de huidige maatschappij. Deze eenzaamheid heeft impact op hoe wij in het leven staan. In vergelijking met voorgaande jaren geven meer mensen aan zich eenzaam te voelen en geven minder mensen aan tevreden te zijn met hun huidige leven.
Tegelijkertijd maakt de gemiddelde Nederlander zich over het algemeen minder zorgen
om diverse kwetsbare groepen zoals eenzamen en mensen die door ouderdom niet meer
meedoen in de samenleving. De betrokkenheid is afgenomen. In vergelijking met eerder onderzoek blijkt ook dat Nederlanders de schuldvraag minder bij de kwetsbare groepen zelf leggen. Dit kan duiden op het erkennen van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Nederlanders relateren dit echter niet aan het eigen leven en de eigen verantwoordelijkheid. Als het erop aankomt zelf een actieve rol hierin te spelen en de (gedeelde) verantwoordelijkheid hiervoor te dragen, kijken Nederlanders liever weg. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een afname van het aantal Nederlanders dat aangeeft dat we met ons allen de verantwoordelijkheid dragen dat iedereen voldoende geld heeft om rond te komen. Het zijn vooral de Nederlanders van 50 jaar en ouder, die aangeven dat wij met zijn allen die verantwoordelijk dragen.
We wéten dus als Nederlander meer over deze maatschappelijke problematiek, maar we
dóen er minder mee.
Uit het bovenstaande blijkt waar volgens mij de crux ligt: we zijn nog steeds tolerant en kritisch over de maatschappij, al willen de media en bepaalde groepen in de maatschappij ons anders doen geloven, maar het handelingsperspectief om in sociale verbanden collectief op te treden voor een rechtvaardiger maatschappij en het organisatorisch vermogen om dat tot op lokaal niveau te organiseren is gedeeltelijk verdwenen. Mensen hebben het gevoel dat ze er toch niks aan kunnen doen en dat het geen zin heeft je als burger, arbeider, te organiseren om collectief in verzet te komen. Af en toe komt de kritische mening boven water, wanneer daar de ruimte voor bestaat, zoals bij het referendum over de grondwet. Maar mensen kiezen vaak voor het individuele perspectief in hun overlevingsstrategie. Ik moet zelf zien te overleven, en schakel individueel allerlei hulpbronnen in (individuele hulpverlening, particuliere verzekeringen) om dat doel te bereiken. Het kader dat eens de kern van sociale bewegingen vormde en ervaring had in het organiseren van acties is deels verdwenen of opgenomen in de politiek van ‘governance’.

Wat moet er gebeuren?

Natuurlijk kan ik geen ultiem antwoord geven op wat er moet gebeuren. Niemand kan de toekomst voorspellen, en we praten allang over een gehoopte opleving van sociale bewegingen en hoe dat te realiseren, zonder dat de antwoorden gegeven zijn.
De economische crisis biedt wat betreft verzet tegen het neoliberalisme en varianten daarvan ook kansen. Het marktdenken en de graaicultuur zijn van hun voetstuk gevallen. Veel mensen die dachten, ik heb niets te vrezen en die dachten dat ze een vakbond niet nodig hadden zijn in de problemen gekomen en velen zullen nog volgen. Wil echter de ontmaskering van het neo-liberale denken met als alternatief een hernieuwde waardering voor de organisatie van de maatschappij op basis van gemeenschapsdenken  een nieuwe kans krijgen, dan moeten we met verschillende dingen rekening houden. We kunnen niet eenvoudigweg de antwoorden kopiëren die in andere crisissen gegeven zijn. We hebben 30 jaar neo-liberale politiek van herstructurering van sociale relaties tussen mensen achter de rug. Dit heeft mensen gevormd en een diepgaande invloed gehad op de sociale relaties tot op de dag van vandaag. De scheiding tussen opvattingen en gedrag, tussen handelen en opvattingen is daarbij zeer sterk.
Om dit te doorbreken moeten we ons richten op een verbinding van verschillende bevolkingsgroepen, die langs verschillende scheidslijnen zijn verdeeld en die op verschillende momenten op verschillende manieren door de neo-liberale politiek zijn getroffen. Daarbij moeten we voor wat betreft de speerpunten ons niet alleen richten op de traditionele punten, zoals de loonstrijd, de inkomenspolitiek en het werkgelegenheidsbeleid. Het gevaar bestaat dan meer dan vroeger dat mensen zich daarbij zullen opstellen als passieve consumenten die in massademonstraties opkomen voor hun materiele rechten zonder dat de organisatie van het verzet de hele maatschappij doordringt tot op lokaal niveau waarbij mensen zich actief opstellen en nieuwe vaardigheden ontwikkelen om het verzet een duurzaam karakter te geven. We moeten ons ook richten op de organisatorische blokkades die de scheiding tussen opvattingen en handelen als mondige burger in stand houden en die de mensen ruimte om te handelen ontnemen. Dus een verzet tegen en een ontmaskering van de doorgeschoten controlemaatschappij. Daarbij moeten we aansluiten bij initiatieven van (kleine) gemeenschappen die de blokkades proberen te doorbreken en die tegelijkertijd ondanks alle moeilijkheden telkens weer worden georganiseerd. Daarbij is de wederopbouw van hulpdiensten met vrijwilligers, lokale actiecomités en andere organisatorische vormen nodig die praktische solidariteit organiseert in het verzet tegen de controlemaatschappij en de verdere afbraak van materiele en immateriële rechten. Dit betekent in mijn ogen naast de traditionele vakbondsstrijd tevens een nieuwe min of meer overkoepelende beweging voor burgerrechten, vrijheid en democratie die de afbraak ervan ter discussie stelt en verbindt met een kritiek op het kapitalisme en het neoliberalisme als samenlevingsvorm.

PvdL  22/03/2009




zondag 1 februari 2009

Het aloude Rijnlandse model, een oplossing voor de crisis?

In de discussies naar aanleiding van de kredietcrisis hebben vertegenwoordigers van politieke partijen in Nederland het steeds meer over varianten van het Rijnlandse model, die een antwoord zouden moeten geven op de economische problemen. De SP heeft een rapport gepubliceerd over dit model, Paul Kalma van de Partij van de Arbeid pleit er ook voor en premier Balkenende heeft een artikel geschreven in het Financieel Dagblad waarin hij nader op dit model ingaat. Ook een vertegenwoordiger van het wetenschappelijk bureau van het CDA schreef over dit onderwerp een artikel in NRC-Handelsblad. Daarnaast waren er ingezonden brieven en opiniestukken van CDA-ers in enkele regionale kranten waarbij op de ins en outs van dit model wordt ingegaan. Is dit Rijnlandse model een oplossing voor de problemen en welke variant van het model is men voorstander van?

Eerst iets over wat het Rijnlandse model inhoudt. Er is een website geheel aan het model gewijd. Eigenlijk zou je het Rijnlandse model een meer omvattende benaming kunnen noemen van de verzorgingsstaten, die in de zestiger en zeventiger jaren in Noord en West europa werden opgebouwd. Men hanteert de term in tegenstelling tot het zogenaamde Angelsaksische model dat vooral in Engeland en Amerika zou zijn opgebouwd. Dat laatste model legt de nadruk op een beleid, waarbij de korte termijn winsten, het geeft niet op welke manier, en de rendementsbelangen van de aandeelhouders voorop staan. Bij dit model hoort een zich terugtrekkende staat, die zoveel mogelijk overlaat aan de vrije markt en de staat grijpt zo weinig mogelijk in in de economie. Geredeneerd vanuit dit model was er een scherpe kritiek op de verzorgingsstaten van het Rijnlandse model, waarbij op betrekkelijk grote schaal uitkeringen werden verstrekt aan mensen, die door arbeidsongeschiktheid of werkloosheid niet via betaalde arbeid in hun onderhoud konden voorzien. Het stelsel van uitkeringen zou mensen inactief maken en leiden tot een rigide arbeidsmarkt, waarbij naast structurele werkloosheid tekorten op de arbeidsmarkt ontstonden. Het grote aantal uitkeringen en het ingrijpen van de staat in de economie zou geleid hebben tot grote overheidstekorten, hetgeen leidde tot grote lasten voor het bedrijfsleven die tezamen met de rigide arbeidsmarkt de concurrentiekracht van de ondernemingen aantastte waardoor een spiraal naar beneden dreigde te ontstaan.  Dit zou de belangrijkste oorzaak zijn van het feit, dat halverwege de zeventiger jaren dalende bedrijfswinsten, een lagere economische groei en een toenemende massa-werkloosheid opgeld deden. Het Angelsaksiche model is als antwoord op deze analyse overal in de Westerse staten ingevoerd. Men spreekt daarbij ook wel van een neoliberaal model. Dit is behalve een bepaald economisch beleid ook een politiek project, een manier om vanuit de politiek de groeiende verarming, het ontstaan van een onderklasse en toenemende maatschappelijke tegenstellingen te managen.  Om de werkloosheid te bestrijden en een flexibele arbeidsmarkt na te streven werden de oorzaken van werkloosheid en de daarbij te nemen maatregelen eenzijdig bij het individu gelegd. Grootschalige werkgelegenheidsprogramma's zijn uit den boze, je moet alleen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt op elkaar afstemmen door arbeidsbemiddelingsprogramma's en de 'inactiviteit' van uitkeringsgerechtigden bestrijden door hen met sancties op hun uitkering of andere strenge maatregelen te confronteren wanneer ze geen baantje op de flexibeler arbeidsmarkt accepteren. Dit stelsel van maatregelen werd uitgebreid naar iedereen die op de onderste treden van de maatschappelijke ladder verkeert. Huisbezoeken, intensief volgen van gezinnen en hen controleren werd op vele terreinen ingevoerd, in het onderwijs, de gezondheidszorg, het welzijnswerk, etc.

Antwoord

In feite zijn zowel het Rijnlandse model als het Angelsaksische model antwoorden op economische crises: het Rijnlandse model werd na de Tweede Wereldoorlog ingevoerd als antwoord op oorlog, massawerkloosheid en een neergaande economie in de dertiger en veertiger jaren, het Angelsaksische model werd vanaf halverwege de zeventiger jaren van de vorige eeuw ingevoerd als antwoord op de economische neergang die zich toen ontwikkelde. Nu -na enkele decennia van lagere economische groei dan in de periode daarvoor en de komst van de economische recessie en het ineenstorten van de financiele sector het neoliberale model ook niet het definitieve antwoord op de problemen blijkt te zijn zoekt men naar nieuwe wegen. En daarbij komt het aloude Rijnlandse model weer in beeld.
Want dit model heeft niet alleen als kenmerk een uitgebreid sociaal zekerheidsstelsel, maar wordt ook gekenmerkt door intensief overleg tussen belangengroepen in de maatschappij, met name de 'sociale partners', vakbonden, werkgeversorganisaties en overheid. En de staat ontwikkelt een beleid waarbij intensiever dan in het neo-liberale model wordt ingegrepen in het functioneren van de economie. Meer in zijn algemeenheid wordt grote waarde toegekend aan het 'maatschappelijk middenveld', het geheel van kerken, belangenorganisaties en andere particuliere organisaties op wetenschappelijk, milieu en andere gebieden waarbij voor het functioneren van bedrijven althans in woorden meer naar een evenwicht wordt gestreefd tussen de bedrijfsbelangen en die van andere groeperingen. In dit kader passen begrippen als 'duurzaam ondernemen' en in het stuk van Balkenende wordt genoemd, dat er een 'moraal' moet worden ingebracht in het ondernemen. De 'graaicultuur' van de managers en het korte termijn rendementsbelang van ondernemingen moeten ondergeschikt worden gemaakt aan een 'evenwicht' tussen staat en markt.

Wat Balkenende in zijn essay naar voren brengt noemt hij het ‘activerende Rijnlandse model’. Daarbij moeten normen en waarden (de moraal) ingebracht worden in de economie. Deze benadering voldoet aan de ‘omkering van Polyani’. De economie maakt geen deel uit van de samenleving, waarbij de eerste zich moet aanpassen aan de tweede, nee, de werkelijke situatie wordt op zijn kop gezet: de samenleving moet worden ingebracht in en aangepast aan de economie, waarbij de kapitalistische economische verhoudingen stilzwijgend als ‘normaal’ en niet ter discussie staand worden gepostuleerd. Hernieuwde aanpassing dus van de samenleving aan de economie, oftewel de creatie van nieuwe voorwaarden voor de accumulatie van het kapitaal. Aangezien ik wantrouwend ben over de goede bedoelingen van de leiders, kun je het ook anders zeggen|: het activerende Rijnlandse model houdt in, dat er een sterke middenklasse wordt geschapen. De vaklieden, deskundigen, mensen die voor de markt essentiele kennis en vaardigheden hebben die noodzakelijk zijn bij de productie van goederen en diensten krijgen nieuwe carriere mogelijkheden en om op te klimmen in de kernbedrijven. Terugkeer van middenkader in bedrijven ook, dat middels allerlei overlegstructuren een (beperkte) zeggenschap als zogenaamd gelijkwaardige partner krijgt in de beslissingen over wat waar onder welke voorwaarden wordt geproduceerd. Koppeling van deze mensen aan de tucht van de markt op een nieuwe manier. 

Maar Balkenende spreekt niet over het Rijnlandse model maar over een ‘activerend’ Rijnlands model. Werknemers moeten gestimuleerd worden lees: gedisciplineerd, om mee te draaien in het nieuwe model. En wat dit activerend arbeidsmarktbeleid betekent voor grote groepen aan de onderkant van de samenleving en de projectiemechanismen die daarbij een rol spelen hebben we gezien in het artikel over de creatie van een onderklasse. 

zondag 14 december 2008

De mobiele picknicktafel bij de miljonairsfair

In 2008 en 2009 organiseerden kunstenaars van het 'moving arts project' en de Bijstandsbond het project de mobiele picknicktafel. De geschiedenis van de mobiele picknicktafel vind u op de website die nog in de lucht is. http://www.mobielepicknicktafel.nl Voor de website schreef ik onderstaand stukje naar aanleiding van de eerste actie.

Alles moet stromen, stilstaan mag niet

Zondag 14 december begaf het team van de Mobiele PicknickTafel zich naar de Miljonairsfair. Wij wilden middels een flashmob voor de ingang van de beurs letterlijk stilstaan bij het verschil tussen arm en rijk. We begaven ons naar de ingang van de beurs en kwamen onderweg een met spreuken behangen propagandist van het vrije marktdenken tegen die de miljonairs welkom heette. ‘Welkom, welkom, links en de buitenlanders, in het bijzonder de Marokkanen, zijn de oorzaak van de economische en kredietcrisis. Voor de oplossing moeten we terug naar de VOC- mentaliteit’. Toen we bij de ingang aankwamen, blies iemand op een fluitje en wij verstarden in onze houding. In onze handen een tegel met een vraag. Sta stil bij het verschil. Maakt geld gelukkig?. Wie is het kind van uw rekening?. Wat levert het u op?. In welke crisis verkeert u? Was het een rijke dag vandaag?
Maar het stilstaan duurde niet lang. Om ons heen posteerden zich leden van een particuliere bewakingdienst met grommende en blaffende grote herdershonden. Een bloednerveuze agent die zichzelf nauwelijks in de hand had, in burger, stormde op ons af. Hij werd vergezeld door twee collega’s. ‘Wilt u zich hier onmiddellijk verwijderen, achter de hekken, anders arresteer ik u”. Overleg met hen was niet mogelijk. Hij herhaalde steeds dezelfde zin, wat we ook zeiden. Wij stonden tenslotte op de openbare weg alleen maar stil, niemand hinderend, zonder agressie. Met een andere agent –in uniform- leek eerst overleg wel mogelijk, maar de stillen begonnen tijdens het overleg te duwen en te trekken. Na enige schermmutselingen begaven we ons naar een plaats wat verder weg van de ingang en vervolgden onze flashmob. Maar het was duidelijk. Stilstaan roept agressie op bij de verdedigers van de rijken.
Tenslotte moet in het kapitalisme alles voortdurend stromen, kapitaal en economie moeten groeien, in beweging zijn, de eeuwige cyclus van steeds meer koop en verkoop moet altijd zonder onderbreking doorgaan. Iedereen is steeds gestoorder bezig met het rondpompen van geld en goederen, bezig met het oplossen van coördinatie en communicatieproblemen. Lees het boek ‘de tomtomisering van de passionele mens’ van Joep Schrijvers er maar op na. Een moment van (zelf)reflectie, stilstaan bij het verschil tussen arm en rijk, dat mag niet te dichtbij komen, geen tijd nemen om na te denken, het kan de mensen alleen maar op gevaarlijke ideeën brengen. Stel je voor dat mensen zich gaan afvragen wat er mis is met het huidige kapitalisme. Iets verder van de ingang verwijderd leverde de flashmob toch nog de nodige reacties op. Er werden foto’s gemaakt en er werd gefilmd. Het materiaal gebruiken we voor de verdere ontwikkeling van het project ‘de Mobiele PicknickTafel’.

dinsdag 9 december 2008

Kredietcrisis II

Op 8 december schreef ik, dat de economische conjunctuur in een neergaande fase is beland. Het gaat hard naar beneden. Gisteren kwamen de bijgestelde cijfers van het Centraal Plan Bureau (CPB) naar buiten. Het CPB voorspelt, dat de wereldhandel in 2009 zal krimpen met maar liefst 2,75 procent en de Nederlandse economie zal krimpen met 0,75 procent. Maar voor 2010 verwacht het CPB dat de Nederlandse economie weer zal stijgen met een kleine 1 procent. Ik geloof er niets van. De bovengenoemde voorspellingen zijn bijgestelde ramingen sinds september, dus nog maar kort geleden, toen het CPB een lichte groei voor 2009 voorspelde. De ramingen veranderen dus momenteel iedere 3 maanden. Ik wil geen zwartkijker zijn, maar een van de redenen waarom ik denk dat het nog verder naar beneden zal gaan en waarom de recessie zal omslaan in een langdurige depressie is dat de afgelopen plus minus 30 jaar een reorganisatie van de productiestructuren in de samenleving heeft plaatsgevonden, waarbij bedrijven onder concurrentieverhoudingen over de gehele linie naar sterke interne kostenreducties streefden. Die kostenreducties hadden in organisatorisch opzicht vele kenmerken, en het zou te ver voeren die hier nu allemaal te behandelen. Maar het komt er onder andere op neer, dat organisaties en bedrijven kosten die voortvloeien uit de organisatie van de productie op het bordje van de samenleving legden. Met alle coördinatieproblemen van dien. Ze sneden functionele taken weg uit hun organisatie, het vaste personeel werd vervangen door tijdelijke uitzendkrachten die een gedeelte van het werk van ervaren krachten konden overnemen. Dit omdat men functies die een bepaalde inhoud hadden splitste in routinematige deeltaken op basis van rationalisatie. Deze taken konden uitgevoerd worden door op zich onervaren flexibele uitzendkrachten en tijdelijke werknemers zonder al te veel interne instructies. Zo kon men bezuinigen op de loonkosten. Op het uitvoerende niveau verdwenen de ervaren krachten, die al jarenlang in de organisatie werkten en die op basis van hun ervaring knelpunten in de productie waarin de protocollen en voorschriften niet voorzagen toch konden oplossen. Met andere woorden: het sociaal kapitaal verdween uit de organisatie. Daarbij werden bepaalde dienstverleningstaken eenvoudigweg wegbezuinigd. Het energiebedrijf in Amsterdam dat werd overgenomen door de NUON had in de stad verschillende kantoren, waar de klanten terecht konden om ingewikkelde knelpunten in de dienstverlening op te lossen. Dergelijke knelpunten ontstaan altijd, door menselijk falen of omdat bij de organisatie van de productie met bepaalde onvoorziene aspecten geen rekening is gehouden. Nu heeft de NUON in Amsterdam geen enkel kantoor meer, waar je met je papieren naartoe kunt om er eens rustig over te praten. Je moet een telefoonnummer bellen, waarvoor je moet betalen en je krijgt een flexibele arbeidskracht aan de telefoon van een Call-Center, die alleen routinematige standaardvragen kan beantwoorden en die geen ingangen heeft in het bedrijf. Je zou het ook anders kunnen zeggen: bedrijven en organisaties hebben bepaalde kosten van de productie geëxternaliseerd, dat wil zeggen ze hebben er maatschappelijke kosten van gemaakt, die op het bordje van de overheid en de individuele consumenten terecht zijn gekomen. Die kunnen de eventuele knelpunten in de productie oplossen, als ze dat al kunnen. Omdat bedrijven en organisaties zich steeds meer beperkten tot steeds smallere kerntaken ontstonden op het niveau van de maatschappij als geheel steeds meer coördinatieproblemen. Tegenwoordig is iedereen een groot gedeelte van de dag gestoord bezig communicatieproblemen en misverstanden of de gevolgen van onvoorziene gebeurtenissen op te lossen, wat uiteindelijk weer zeer veel energie en tijd kost en dus ook weer terugkomt op het bordje van de ondernemingen en organisaties, die hun kosten wilden reduceren. De manier van reorganiseren die in de afgelopen decennia werd doorgevoerd bracht dus uiteindelijk veel economische schade en kosten met zich mee. De bovengenoemde manieren van reorganiseren maken deel uit van de overheersende neo-liberale denktrant van de afgelopen decennia, waarop ik later terugkom. Deze denktrant is bepalend geweest voor de manier waarop onze samenleving nu in elkaar zit. Maar nu is zij op haar grenzen gestoten. De maatschappelijke materiele en immateriële kosten die de externalisering van kosten met zich mee heeft gebracht kunnen niet meer worden opgevangen. Een neergaande economische lijn is het gevolg. Miljardeninvesteringen in mensen en organisaties zullen nodig zijn om de coördinatieproblemen op het niveau van de samenleving als geheel terug te dringen. En het gaat daarbij om investeringen in de sociale en economische structuur van de samenleving als geheel en om investeringen in mensen die op het eerste gezicht op korte termijn geen winsten, uitgedrukt in geld opleveren. Of dat inzicht doorbreekt? Bij Marc Rutte, leider van de VVD in ieder geval niet. Hij blijft hangen in de neo-liberale denktrant aangezien hij in een reactie op de cijfers van het CPB zei, dat de overheid moet snijden in taken en kosten, die niet direct productief gezien efficiënt zijn en geld opleveren. En de neo-liberale denktrant komt niet alleen voor in commerciële bedrijven, maar ook bij de overheid en semi-overheidsorganisaties. Zij blijven volharden in het kortzichtige beleid, ook al is het failliet van die politiek door de gebeurtenissen van de afgelopen maanden wel aangetoond.

maandag 8 december 2008

Kredietcrisis I

Hoe lang is de kredietcrisis aan de gang? Wanneer is het begonnen? Wanneer dreigden de eerste banken en andere financiele instellingen om te vallen en gingen de beurskoersen sterk dalen? De voortekenen waren er al meer dan een jaar geleden, maar tot ongeveer twee maanden geleden bleven de economen zeggen, dat ze hoopten op een spoedig herstel, ze hoopten dat de kredietcrisis niet zou overslaan op de reeele economie. In bijna twee maanden tijd is die hoop de bodem ingeslagen. Het gaat nu hard naar beneden. Nu, ruim twee maanden nadat de paniek toesloeg is de crisis al in het straatbeeld merkbaar. De abri’s op de tramhaltes, waar om de zoveel tijd nieuwe reclameaffiches in gehangen worden, beginnen lege plekken te vertonen. Bij de tramhalte voor mijn deur hangt nog maar 1 affiche, terwijl er plaats is voor 2. Vorige week was ik in Ede op het NS-station. ‘De stationsrestauratie wordt per 5 december gesloten’. Ik vroeg de vrouw achter de balie waarom dat was. ‘De consumenten willen op het station niet meer in een restaurant zitten, ze hebben altijd haast en ze denken dat ze bij ons lang op een kopje koffie moeten wachten, daarom komen de consumenten niet meer’. Maar ze mompelde ook iets over de hoge huur die voor het huren van de ruimte betaald moet worden. ‘Meneer, binnen drie jaar worden in Nederland alle stationsrestauraties gesloten’. Naomi Klein heeft in haar boek ‘de Shock-doctrine’ uitgelegd, dat de (economische) machthebbers dergelijke crisisperioden gebruikt hebben om impopulaire maatregelen in hun eigen belang door te drukken, zoals privatiseringen (lees: uitverkoop) van de publieke sector, sterke belastingverlagingen voor grote bedrijven en de rijken, drastische bezuinigingen op de lonen, uitkeringen en arbeidsvoorwaarden. Mensen zijn in tijden van economische of politieke crises verward, geshockt, en voor ze het weten zijn de maatregelen doorgevoerd. In de huidige situatie faalt die strategie. De huidige crisis toont het failliet van de vrije markteconomie aan, ondernemers zijn gedwongen om hulp van de staat te vragen. Ze hebben veel krediet verspeeld. Niet alleen in geld uitgedrukt, maar ook qua vertrouwen in het liberale economische vrije markt model dat ze voorstaan.

donderdag 9 oktober 2008

Over proefballonnen en nieuwe voorstellen

Op 9 oktober 2008 verscheen de nota ‘fundamentele herbezinning WSW’. [1] De nota was samengesteld door de zogenaamde commissie De Vries. Conclusies van dit rapport komen terug in de voorbereiding van de Wet Werken naar Vermogen en de term ‘werken naar vermogen’ is  in eerste instantie ook van deze commissie afkomstig. Een van de conclusies van de commissie: het ineenschuiven van verschillende regelingen geeft een grotere eenduidigheid van verplichtingen en rechten. Het feit dat de bestaande regelgeving niet uitgaat van de vraag of van de ondersteuningsbehoefte van de persoon met beperkingen maar vanuit de met de uitkeringspositie samenhangende regels maakt dat niet die ondersteuning geboden kan worden die nodig is om de werkloze of gehandicapte met zijn beperkingen te ondersteunen richting arbeidsparticipatie. De commissie bepleitte dus reeds het ineenschuiven van verschillende regelingen. Daarbij adviseert de commissie iedereen die in een vergelijkbare positie zit en eenzelfde grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft ook dezelfde ondersteuning te bieden. In de nieuwe regeling moeten prikkels ingebouwd worden die er toe leiden dat het voor zowel de werknemer met functionele beperkingen als voor gemeenten aantrekkelijk is om inspanningen te verrichten die leiden tot een grotere arbeidsparticipatie. Tegelijkertijd wordt voorgesteld om prikkels die averechts werken te verminderen. Bovendien wordt geconstateerd dat de lage arbeidsparticipatie van deze groep een probleem is dat we als samenleving als geheel moeten oplossen en niet op het bordje kunnen leggen van de persoon met een functiebeperking of van de overheid. Vanuit dit perspectief, waarbij het uitgangspunt de cliënt met een beperking zou zijn, wordt later in wetenschappelijke sociologische betogen herhaald, oa van Romke van der Veen. Argument daarbij is verder volgens bijvoorbeeld Van der Veen ook, dat wanneer je de verschillende regelingen in elkaar schuift op voorhand niet te constateren valt welke beperkingen iemand heeft, je krijgt niet meteen een stempel opgedrukt, en dit betekent dat stigmatisering of discriminatie op voorhand wordt tegengegaan. Hierdoor worden de kansen van zo iemand op betaald werk vergroot. De ruwe contouren van de beleidsmatige doelstellingen bij het ineenschuiven van Wajong, WWB en WSW werden dus in 2008 al vastgesteld.


Budgettaire doorrekeningen

Een tweede nota die in de verdere discussie over de invoering van de Wet Werken naar Vermogen een rol speelt is de notitie van het Centraal Plan Bureau over de budgettaire effecten van de samenvoeging van WWB, Wajong en WSW. Deze CPB notitie is 18 augustus 2009 verschenen. De notitie zal een rol spelen bij een discussie in maart/april 2011 over de uitvoeringskosten van de Wet Werken naar Vermogen. De VVD had het CPB verzocht om een budgettaire doorrekening te verrichten van hun voorstel waarin de WWB, Wajong en WSW worden samengevoegd tot een decentraal uitgevoerde regeling. De VVD noemde het de Participatiewet. Volgens het VVD voorstel op dat moment werden de meeste uitkeringen en WSW-lonen voor personen onder 27 jaar afgeschaft, wat zou leiden  tot een forse besparing. De enige uitzondering betrof duurzaam en volledig arbeidsongeschikten, die volgens het voorstel nog wel een uitkering ontvangen. Het plan behelste voorts een verlaging van de uitkering, waardoor veel uitkeringsgerechtigden er op achteruit zouden gaan. Vooral de lonen voor huidige WSW
 ers werden fors verlaagd. Het budget voor re-integratie werd eveneens fors verlaagd, vooral bij personen die in het huidige systeem in de WWB zouden zijn gekomen (het huidige W-deel). De decentralisering van de huidige regelingen naar de gemeenten zou bovendien een sterkere prikkelwerking op uitkeringsgerechtigden hebben, zodat het aantal uitkeringen zou dalen. Het CPB constateerde, dat tegenover deze budgettaire besparingen hogere kosten staan voor de begeleiding naar werk en ondersteuning op de werkplek voor de huidige Wajongeren. Ook nemen de onderwijsuitgaven toe, omdat veel personen onder 27 jaar langer op school zullen blijven dan nu het geval is. De maatregelen zoals de VVD die voorstelde impliceerden bovendien forse inkomenseffecten voor bepaalde groepen uitkeringsgerechtigden. De inkomenseffecten worden in de CPB notitie niet nader gekwantificeerd. Deze notitie verschafte een budgettaire analyse van het VVD-plan. In de analyse wordt niet stilgestaan bij eventuele juridische complicaties. Abstraherend van deze mogelijke complicaties, genereert de maatregel volgens het CPB een uiteindelijke besparing op de overheidsbegroting van 1,25 mld euro. Deze besparing wordt pas op lange termijn bereikt. Welk deel binnen één jaar of kabinetsperiode gerealiseerd kan worden behoefde nadere studie. Daarmee was een volgende bouwsteen voor het ontwerp van de Wet Werken naar Vermogen geleverd.



[1] TK 2008-2009 29817, nr 40