maandag 10 mei 2010

Leidt verlaging van de loonkosten op het minimumniveau voor werkgevers in Nederland tot meer werk en meer kansen voor werklozen?


Zie ook Mark Schonewille- Voor en nadelen van het minimumloon. 

In Buitenhof van 9 mei 2010 was er een discussie tussen Emile Roemer, lijsttrekker van de SP bij de komende verkiezingen en Barbara Baarsma, directeur SEO Economisch Onderzoek en hoogleraar 'marktwerking'. Het debat ging over het verkiezingsprogramma van de SP. Hierbij had Barbara de volgende kritiek, waarbij zij duidelijk uitging van het in termen van marktwerking modelmatig beschouwen van de werkelijkheid. Er zou een tegenstrijdigheid in het SP programma zitten. Enerzijds is er de doelstelling van de SP de 'sociaal zwakkeren" te willen beschermen en hen nieuwe kansen te bieden. Anderzijds is er de bescherming van de zittende werknemers, de grote groep die werk heeft, en die een vast inkomen en enige bestaanszekerheid wil. Dat is tegenstrijdig. Want als je die sociaal zwakkeren kansen wilt geven, moet je de arbeidsmarkt flexibiliseren, het ontslagrecht versoepelen en de bruto loonkosten van de werkgevers tegelijkertijd verlagen. Mensen op het minimum kunnen dan hun koopkracht behouden door extra belastingvoordelen. En niet het minimumloon verhogen, zoals de SP wil. Die verlaging van loonkosten op het minimumniveau levert nieuw werk op, dus bevordert de werkgelegenheid, en bovendien hebben mensen die nu geen kans hebben dan wel een kans om 'ertussen' te komen, ook een baantje te vinden, want als het ontslagrecht wordt versoepeld en de loonkosten voor de werkgever naar beneden gaan zal hij ook bij mensen met een lagere arbeidsproductiviteit zeggen: nou, met jouw wil ik het ook wel eens proberen. En in de huidige situatie zegt de werkgever dat niet en neemt hij alleen de sterksten met een hoge arbeidsproductiviteit. Dus de SP komt op voor die sterke groep door hun positie te beschermen en niet voor de  'sociaal zwakkeren'  zoals ze in het TV programma werden genoemd. Op twitter ontwikkelde zich een felle discussie tussen voor en tegenstanders van deze redenering, waarbij in mijn ogen voorstanders er weinig van begrepen hebben. Dat zal ik in dit artikel uitleggen.

Lobby voor verlaging minimumloon

Ook de VVD wordt niet moe naar voren te brengen dat zij een sociale partij is, omdat zij door arbeid aan de onderkant van de arbeidsmarkt goedkoper te maken de kansen voor mensen die daarop aangewezen zijn wil vergroten. Tevens pleit de partij voor afschaffing van de huidige bijstand en vervanging door een ‘participatiewet’ om de prikkels voor werkzoekenden aan de onderkant van de arbeidsmarkt te vergroten. Dan komen de mensen aan het betaalde werk en dan hoor je erbij, je voelt je deel van de samenleving en je voelt je beter. Dit soort vaak in korte snelle bewoordingen geformuleerde uitgangspunten doen het goed in de media en politieke debatten. Daar is alleen tijd voor korte oneliners, waarbij op de argumenten niet wordt ingegaan. Op het eerste gezicht voor de hand liggende vanzelfsprekendheden van het dagelijks leven worden als absolute waarheden verkondigd zonder dat er in de televisiediscussie of bij een TV interview tijd is om het te weerleggen. Tegenstanders zijn dan gedwongen ook in dergelijke oneliners te vervallen, zodat de 'discussie' verzandt in een welles-nietes spel zonder argumenten. Emiel Roemer kwam er in die zin niet goed uit, dat hij de kaart van de belangengroepen speelde die hem wellicht electoraal gewin kunnen opleveren: de overgrote meerderheid van de werkende mensen wil enige bestaanszekerheid en bescherming en er zijn steeds meer werkende armen, die de eindjes niet aan elkaar kunnen knopen, dat is geen goede zaak. Mensen moeten wel van hun werk kunnen leven. Dus de bescherming van die groep is terecht. Wat betreft de kansen van mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt benadrukte hij dat de SP werkmaatschappijen op gemeentelijk niveau wil, waar mensen aangepaste arbeid kunnen verrichten onder redelijke voorwaarden en omstandigheden, en dat ze begeleid moeten worden naar de arbeidsmarkt. Maar de werkelijke betekenis van Barbara' s modeldenken bracht hij niet over het voetlicht. En Barbara staat niet alleen: ook de fameuze ambtelijke werkgroepen die de komende draconische bezuinigingen hebben voorbereid pleiten voor verlaging van het minimumloon (en dus van het sociale minimum).

Tweede argument

Baarsma had nog een tweede argument, waarbij ze kritiek uitte op een tweede uitgangspunt van de SP. Namelijk het uitgangspunt dat de SP de hogere inkomens een beetje meer wil belasten, om met de opbrengsten meer te doen voor mensen die van een uitkering moeten leven of voor de financiering van die werkmaatschappijen. En voor andere mooie doelen, natuurlijk. Daar zei Barbara van dat een dergelijke hogere inkomstenbelasting van de rijkeren leidde tot 'weglek' effecten: onderzoek zou hebben uitgewezen, dat per saldo de opbrengst van die hogere belasting gering of afwezig is. Nu voert het te ver om dit helemaal uit te werken, maar het argument komt er volgens mij op neer dat bij een sterke inkomensnivellering, dus overhevelen van inkomen van hogere inkomens naar lagere inkomens, de sociale welvaart in zijn totaliteit niet hoeft toe te nemen, omdat tegenover de inkomensverbetering van de minima een inkomensverslechtering van de rijken staat. Sterker nog, als je teveel nivelleert, kan dat een negatief effect hebben: de sociale welvaart neemt af en de economische groei wordt minder. Het wordt allemaal nog erger als de minima van dat meerdere inkomen gaan sparen, terwijl de hoge inkomens het geld over de balk smeten, want ze hadden toch geld genoeg. Dat spaargeld komt niet in de economie, er wordt geen koopkrachtige vraag mee uitgeoefend. Dus de sociale welvaart wordt in zijn totaliteit wat minder. So what, Barbara Baarsma? Het is wel een veel rechtvaardiger samenleving waarin iedereen een redelijk inkomen heeft. Wat de overheidsfinanciën betreft zal er dan wel bezuinigd moeten worden, om de rente op de schulden aan de kapitaalverschaffers te kunnen betalen (?) Maar daar valt genoeg op te bedenken. Heeft de SP ook gedaan.
Baarsma gaat dus uit van een model, waarbij wordt ingezet op zo maximaal mogelijke economische groei, een zo groot mogelijk nationaal inkomen in zijn totaliteit en zo laag mogelijke loonkosten voor werkgevers. Als daar grote inkomensverschillen voor nodig zijn dan moet dat maar.

Twee argumenten

Het was niet voor niets dat de econoom juist de twee bovengenoemde argumenten naar voren bracht, want ze hangen in mijn ogen in het modeldenken van Barbara Baarsma samen.
Verlaging van de loonkosten voor de werkgevers op het minimumniveau leidt tot meer banen, is de stelling. Daarbij moet je denken aan ongeschoolde arbeid in het huishouden of de bediening in de horeca, zoals café 's, restaurants en hotels. Of conciërges in grote flats en andere functies in de bewaking of in de schoonmaak. Nu is het minimumloon in Nederland te hoog om dat soort banen op grote schaal te scheppen. Een voorwaarde voor het ontstaan van dat soort banen is echter wel, dat er een relatief grote koopkrachtige groep uit de hogere inkomens is, die dit soort werkzaamheden kan uitbesteden. Ook bij een laag minimumloon blijft dat uitbesteden relatief duur. Vaak buiten de deur eten kost geld. Dus wil verlaging van de minimumloonkosten voor werkgevers effect hebben op de werkgelegenheid, dan moet er zo'n koopkrachtige groep zijn. Vandaar dat meer belasten van de hogere inkomens niet verstandig is. Dat vermindert de kansen van de mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt.
Er ontstaat dus een relatief kleine groep rijken, die bediend worden door een grote groep armen. Dat er nog heel andere modellen denkbaar zijn, waarin heel andere, socialere oplossingen worden bedacht voor het scheppen van een koopkrachtige vraag naar klusjesmannen en bedieningspersoneel, bewijst het door Barbara Baarsma bekritiseerde 'Nederlandse' model. In Nederland liggen de minimum marktlonen en CAO lonen voor een groot deel boven het absolute minimum. Ik kom daar nog op terug.
Een andere econoom, Heleen Mees, benadrukt in bijna iedere column in NRC Handelsblad dat in New York  voor de werkgevers relatief lage loonkosten bestaan aan de onderkant van de arbeidsmarkt en dat die lage loonkosten daar werken: er ontstaan banen  in de dienstverlenende sector die in Nederland niet bestaan en die vooral de vele nieuwe migranten naar de stad kansen en mogelijkheden bieden. Maar ook de andere mensen die op deze sector op de arbeidsmarkt aangewezen zijn. Dus als het hier werkt, waarom in Nederland dan niet? New York zou het ideale model zijn.

New York

New York is de metropool van de wereld. Niet alleen is de stad het financiële centrum van de wereld, er zijn ook op het gebied van kunst, theater, nieuwe technologieën, creatieve industrie en nog andere bedrijfstakken vele activiteiten. De mensen met talent en specifieke schaarse vaardigheden trekken op grote schaal naar New York, het centrum waar alles gebeurt. Daardoor is er in New York een relatief grote groep rijken die al die mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt kan betalen. De inkomenstegenstellingen zijn groot. Extreme rijkdom naast bittere armoede van mensen die twee baantjes moeten nemen en 60 uur per week werken om financieel het hoofd boven water te houden. Maar ze hebben werk! Dat geldt niet voor de duizenden, die ook bij de lage loonkosten voor de werkgevers nog niet voldoende arbeidsproductiviteit kunnen opbrengen om in overeenstemming met de marktsituatie  meer dan hun loon terug te verdienen. In New York is de bijstand afgeschaft, en het betekent voor deze mensen met een lage arbeidsproductiviteit dat ze in ellende gestort worden. Vandaar dat in New York de situatie bestaat van enerzijds de superrijken, die zich in dure restaurants laten bedienen door de werkende armen en anderzijds de ellende van de daklozen, die aangewezen zijn op de tientallen gaarkeukens om in leven te blijven. Alles voor een zo maximaal mogelijke economische groei en verhoging van het nationaal inkomen!.
Zodat er zoveel mogelijk banen worden geschapen. Maar wel te laag betaald en met als gevolg veel mensen in ellende zeg ik erbij. Maar New York bruist!

periferie

In gebieden die minder een centrumfunctie hebben wonen relatief minder rijken met een koopkrachtige vraag. Maar ook hier is in het model denken van Barbara Baarsma van toepassing. Juist in perifere armere gebieden waar relatief veel mensen dicht tegen het sociale minimum aanzitten zal verlaging van de loonkosten op het minimumniveau grote werkgelegenheidseffecten hebben. En zal de verlaging van de loonkosten veel mensen die nu aan de kant staan meer kansen bieden. Juist dan komen er meer laagbetaalde banen bij. In situaties, waar weinig mensen tegen het minimumloon zitten zijn de werkgelegenheidseffecten veel geringer. Hier stuiten we dus op een tweede randvoorwaarde van het model: er moeten relatief veel mensen zijn die tegen het minimum loon niveau aanzitten, wil men bij een (beperkte) verlaging van de loonkosten voor de werkgevers werkgelegenheidseffecten bewerkstelligen, een zo maximaal mogelijke economische groei nastreven en het nationaal inkomen in zijn totaliteit zo maximaal mogelijk laten zijn.  

Nederland

In Nederland is aan deze twee randvoorwaarden onvoldoende voldaan, in de ogen van de modeldenkers. In Nederland zijn er relatief minder grote inkomensverschillen, hoewel de belastingdruk, als je de indirecte belastingen meerekent, aan de onderkant van het inkomensgebouw even groot is als aan de bovenkant. En er zijn in Nederland maar weinig mensen die het minimumloon verdienen. De minimum CAO lonen liggen over het algemeen ruim boven het minimumloon.
Uiteindelijk verdient maar 4% van de werknemers hier het minimum(jeugd)loon. Werkgevers zitten dus helemaal niet te springen om een verlaging, anders zouden ze dit minimum wel vaker opzoeken. Modeldenkers als Baarsma en Mees zijn niet van deze tijd.
Het zou goed zijn als zij nog eens de Consumentengids van maart 2010 ter hand nemen. Daar is te vinden wat de klusjesman in Nederland kost. Voor een uurtje tuinieren bent u 14 euro zwart en 30 euro wit kwijt. De werkster doet het voor een tientje zwart en 14 euro wit en zit dus nog ruim boven het minimumloon. Alleen de kinderoppas, meestal een scholier die zijn of haar huiswerk komt maken bij de jonge buren, is bereid met 5 zwarte euro’s genoegen te nemen. Het hoogste in rang is de administratieve klusjesman en de bijlesleraar die met 25 euro zwart of 33 euro wit, op bezoek komen. (1)
In Nederland blijkt dus een heel andere oplossing te bestaan voor het scheppen van een koopkrachtige vraag naar (ongeschoolde) laagbetaalde arbeid: juist door minder grote inkomensverschillen, waardoor relatief veel mensen zich een tuinman kunnen veroorloven, en situaties als hypotheekrente aftrek en op de huizenmarkt de scheefwoners kunnen ook de flexibele klussers in de dienstverlening een redelijk uurloon verdienen- boven het minimumloon. De hoogte daarvan speelt in Nederland qua werkgelegenheidseffecten nauwelijks meer een rol; het kan best omhoog, zoals de SP wil. Maar in het denken van Barbara Baarsma moeten we een nieuwe weg inslaan, een ander model aan de werkelijkheid in Nederland opleggen.
Wil je in dat model ook In Nederland werkgelegenheidseffecten scheppen door verlaging van de loonkosten voor werkgevers op het minimumniveau, dan zul je iets aan die twee randvoorwaarden moeten doen. Bevorderen dat er een relatief grote groep rijken komt, en anderzijds juist bevorderen, dat er een relatief grote groep is die tegen het sociale minimum aanzit. Je kunt dan veronderstellen, dat verlaging van de minimumloonkosten voor de werkgevers betekent, dat het voor de vakbonden moeilijker wordt in de CAO onderhandelingen: de werkgever kan veel relatief goedkope arbeidskrachten krijgen, die alleen het minimumloon verdienen. Dus de minimum cao lonen zullen dan ook omlaag gaan. En je kunt natuurlijk ook hardere maatregelen nemen: CAO's niet algemeen verbindend verklaren, of een loonmaatregel nemen, etc. Je zult dus in de perifere gebieden over de gehele linie een zekere verarming van de bevolking moeten nastreven. Maar de mensen hebben werk! En ach, die groep uitvallers kun je wel in toom houden met voedselbonnen, strenge controles en gaarkeukens. Als superrijke geef je af en toe wat, dat leidt ook maar weer tot een sociaal gezicht, en voor bedrijven is het goed voor de PR om de gaarkeukens en voedselbanken te sponseren. Ook in Nederland wil men geheel in overeenstemming met het model- aan de bijstand sleutelen: hervormen heet dat. En de toegang zoveel mogelijk beperken.

Eindresultaat

Het bovenstaande maakt duidelijk waar het pleidooi van Baarsma op uitloopt: een bruisend mondiaal economisch centrum, waar van alles gebeurt, waar het booming bussiness is voor miljoenen mensen, die worden bediend door ook weer miljoenen werkende armen, waar de cultuur bruist en leeft, en waar de duizenden daklozen op straat rondzwerven. Een bruisende metropool, en wel te midden van een verarmde en langzaam verder ontvolkte periferie, waar een scherpe tegenstelling tussen arm en rijk groeit. En zal dat model de massawerkloosheid in Nederland oplossen? Economen zijn het er wel over eens, dat ook bij extreme toerpassing van het model de werkgelegenheidseffecten beperkt zijn: hooguit enkele procenten meer. Onvoldoende om de 2,5 miljoen mensen tussen de 18 en de 65 die in Nederland geen betaald werk hebben aan werk te helpen. Maar, zeggen de mensen die 'een beetje' voorstander zijn van dit model: nee, er moet natuurlijk wel een bijstand zijn voor mensen die het echt nodig hebben, nee, er moeten ook weer niet te extreme tegenstellingen tussen arm en rijk groeien, nee, wij willen de CAO's wel algemeen verbindend blijven verklaren, etc. Maar dan zijn de werkgelegenheidseffecten nog geringer. Want aan de randvoorwaarden wordt niet voldaan. Wel zal het model de economische groei bevorderen: er komt meer economische activiteit, meer welvaart, maar dan wel volgens een zeer bepaald organisatorisch, infrastructureel en sociaal model waarin voor miljoenen geen plaats is. Dat is de werkelijke uitkomst van het modeldenken van Barbara Baarsma, die wil opkomen voor de sociaal zwakkeren. Decennia van loonmatiging, invoering van minimumjeugdlonen (die geen snars extra betaald werk heeft opgeleverd) en jaren van economische groei hebben de werkelijke massawerkloosheid, het feit dat miljoenen tussen de 18 en 65 jaar geen betaald werk hebben, niet kunnen oplossen, hoezeer in statistieken ook met cijfers wordt gegoocheld  om naar voren te kunnen brengen dat Nederland in West-Europa de laagste werkloosheid kent. Laten we met zijn allen iets anders verzinnen en de positieve elementen van het 'Nederlandse' model koesteren en uitbreiden. Want dat is waar: ook het Nederlandse model is tot nu toe geen oplossing voor massawerkloosheid en verarming van grote groepen. We moeten echter meer in het verlengde van dat model denken in mijn ogen, zoals arbeidstijdverkorting en beperking van marktwerking in publieke diensten, en niet een geheel nieuw marktmodel van New York opleggen aan Nederland. Dat leidt tot alleen maar meer ellende.

Piet van der Lende

http://www.pluspost.nl/een-zwarte-pool-kost-al-twee-maal-het-minimumloon%E2%80%A6./33762

donderdag 4 maart 2010

Inleiding van Fernando Rodriguez op een bijeenkomst van D4 net aan de Bilderdijkstraat op donderdagavond 4 maart 2010


Let op! Dit is geen objectieve weergave van wat Rodriguez gezegd heeft. Als ik een bepaald punt opschreef en er schoot me iets te binnen van: o ja, dat is daarmee verbonden, dan vermeld ik dat daarbij. En ik heb alles subjectief in mijn eigen woorden geformuleerd. 'Gaten' in mijn geheugen over wat Rodrigues gezegd heeft heb ik opgevuld met een interpretatie van wat hij wellicht bedoeld heeft. Al met al is het vind ik toch wel een aardige weergave van het besprokene in het kort.

Hij is bezig met een promotieonderzoek naar de rol en functie van pensioenfondsen en de studie is bijna afgerond. Hij begint zijn betoog met de volgende stelling:
Het probleem is nu veel groter dan in 1929. Denk maar aan de dreigende energieschaarste, de geo-politieke spanningen en andere dreigende crises. We kunnen de huidige periode volgens hem dan ook vergelijken met de periode voor de Eerste Wereldoorlog, meer dan met de beurskrach van 1929 en andere financiele crises.

De vraag is hoe het zover heeft kunnen komen

Daarvoor moeten we vaststellen, dat er sprake is van financialisation van de economische productie. Wat houdt dit in het kort in?
  • Desegmentatie. In het verleden was er een scala aan verschillende spelers in de financiele bussiness, die allemaal hun specifieke functies en taken hadden in afzonderlijke organisaties. Banken, verzekeringsinstellingen, beursvloer werkers, etc. Door een proces van schaalvergroting en het samenvoegen van functies in de financiele wereld zijn er een beperkt aantal grote spelers ontstaan, die allerlei functies in elkaar verenigen. Een bank is geen bank meer in de klassieke betekenis van het begrip, maar tevens verzekeringsmaatschappij, opereert op de beurs, valutahandel, etc. Er ontstaat zo in die instituties een onoverzichtelijke brei van activiteiten.
  • Privatisering van regulerende instituties. Allerlei clubs die moeten toezien op de financiele sector zijn geprivatiseerd. Wie ziet toe op de accountancy standaarden bijvoorbeeld? Daarover worden tegenwoordig afspraken gemaakt door particuliere organisaties. Vaag herinner ik mij, dat ik daarover een tijd geleden een artikel gelezen heb in een juridisich blad over hoe de staten minder belangrijk worden en steeds meer afhankelijk worden van een soort particuliere 'overheid' die op mondiaal niveau opereert, waarbij in feite de 'ambtenaren' van die overheid de in snel tempo toenemende private advocatenkantoren zijn gevestigd in de financiele centra. Zij formuleren in het tijdperk van toenemende internationale handel en internationalisering van geldstromen contractuele en andere regels waaraan de private spelers op de wereldmarkt moeten voldoen. En dat geheel vormt een nieuwe macht tegenover de afzonderlijke staten.
  • Globalisering en glocalisering. De globalisering- de internationalisering van de geldhandel en de wereldhandel betekent dat de kapitaalsstromen steeds minder aan nationale grenzen gebonden zijn. Daar wordt nog op terug gekomen. Glocalisering betekent dat zich op sommige locale plekken een concentratie bevindt van bepaalde financiele instituties. Dat zijn de financiele centra van de wereld, waarbij er een hierarchie is ontstaan van belangrijke centra (Londen, New York) en minder belangrijke centra (Amsterdam bv). Saskian Sassen heeft die ontwikkeling in haar studies geanalyseerd.
  • Resultaat van die ontwikkelingen is de 'new diplomacy'. Het internationaal vrijlaten van het geld leidt tot een nieuwe diplomatie: daarbij staan niet staten tegenover elkaar, of ze werken samen of ze overleggen, maar een soort internationaal netwerk van grote spelers is ontstaan, die enerzijds zo onafhankelijk mogelijk van natiestaten proberen te worden door zich te vestigen in staten met de minste overheidsregels en de hoogste bonussen, terwijl ze anderzijds een soort nieuwe wereldorde creeren, die bij het punt van de privatisering aan de orde kwam. Daarbij ontstaan er echter ook nieuwe markt-staat coalities.
(Rodriguez heeft in zijn betoog het aspect van dat de private instituties hun eigen wereldregels maken om een geordend verloop van de transacties mogelijk te maken zoals dat bij punt twee en vier aan de orde komt niet zo expliciet genoemd, misschien is dat ook meer een ontwikkeling die in de juridische literatuur naar voren komt dan in de strikt economische)

We kunnen de ontwikkeling van de financialisation op nog een tweede manier benaderen. Daarbij gelden de volgende punten:

  • Er wordt meer gekeken naar de aandeelhouderswaarde. Terwijl 'vroeger' bedrijven nog wel aan een zekere lange termijnplanning deden, waarbij winsten op langere termijn werden nagestreefd, en soms op korte termijn met minder winst genoegen werd genomen, waarbij het voortbestaan van het bedrijf en het op langere termijn veroveren van markten voorop stond, is er een situatie ontstaan waarbij ten behoeve van de waarde van de aandelen op de beurs en de rendementen de korte termijn politiek op de voorgrond komt te staan. Zoveel mogelijk waardestijging van de aandelen en grote winsten op korte termijn.
  • Het ontstaan van een hedonistische cultuur. Daarbij speelt het paradigma van de financiele belangen een rol. Mensen hebben niet meer de mentaliteit dat ze eerst moeten sparen om iets duurs te kopen, nee, ze lenen tegen de klippen op geld om hier en nu zoveel mogelijk te kunnen consumeren
  • In het verlengde daarvan bouwen instituties, consumenten, steeds grotere schulden op, alles in het belang van grotere consumptie en voor de instituties grote winsten op korte termijn.
  • De grote financiele instituties zijn dominant op de wereldmarkt. De aspecten daarvan zijn bij de eerste opsomming van financialisation aan de orde gekomen.
  • Een kenmerk van de huidige situatie is ook, dat niet alleen steeds meer schulden aangegaan worden, maar dat daarbij steeds grotere risico's worden genomen en dat er voortdurend nieuwe financiele “producten' worden bedacht om grote winsten te kunnen maken. Producten staat hier tussen aanhalingstekens omdat het niet gaat om concrete goederen of zelfs geld, maar om vage (juridische) constructies van opties, aanspraken en rechten op uitbetaling in de toekomst onder bepaalde voorwaarden.
Kunnen we de 'financialisation' in bepaalde periodes indelen, waarbij bijvoorbeeld zou kunnen blijken, dat bepaalde ontwikkelingen in het kapitalisme steeds weer terugkomen? Daarvoor zijn verschillende theoretische benaderingen mogelijk.

  • De theorie van de accumulatiecycli. (De lange golven). Braudel, Arrighi. Er is een lange periode vanaf de Italiaanse stads staten tot nu toe waarin lange golven van op en neergaande economische ontwikkelingen kunnen worden onderscheiden. Rodrigues zegt daarbij dat deze theoretici zich onderscheiden van de marxistische theorien omdat ze een veel langere periode in de analyse betrekken, en niet alleen het kapitalisme. Braudel deelt dan de ontwikkelingen in zijn studies in door in iedere maatschappij drie niveau's te onderscheiden voor de analyse, maar welke die niveau's waren ben ik vergeten. Wat Rodriguez niet noemt is dat Braudel een grote invloed heeft uitgeoefend op Wallerstein, met zijn systeemteorie. Er is voor het overige een omvangrijke literatuur ontstaan onder historici, oa de Franse 'structuralisten”. Nazoeken. Overigens noemt Rodriguez ook niet Kondratieff, een marxist die ook lange golven onderscheidt, maar inderdaad vanaf zeg halverwege de 18e eeuw, dus de opkomst van het kapitalisme, cycli van 60 jaar. (De Kondratieff cyclus). Onder historici bestaat volgens mij overeenstemming over het feit, dat de cycli voor die tijd in de vooral agrarische maatschappijen in Europa een ander karakter hadden. (De seculiere trend). De golfbewegingen waren toen langer en werden door diverse andere factoren beinvloed. Na afloop van zijn inleiding ontstond een discussie over de invloed van rente op kapitaal in de economie, zoals die oa door Strohalm in Utrecht wordt uitgedragen, als verklaring voor de huidige crisis. Rodriguez is het er niet mee eens dat je een centrale oorzaak op die manier kunt aanwijzen. In dit verband kwam ook het Islamitisch bankieren ter sprake. Rodriguez merkte op dat ook bij deze methode het geld lenen niet voor niets is, en dat er momenteel studie wordt gemaakt van een uiterst stabiel financieel systeem in een of ander kalifaat in het Arabisch verleden, waarvan ik de naam vergeten ben.
  • Verschuiving in de machtsrelaties tussen staten en markten, de studie van de internationale politieke economie. Enkele aspecten daarvan zijn hiervoor ter sprake gekomen.
  • De “schoonheidswedstrijd” van Keynes. Wat weten mensen van elkaar, hoe denken ze te reageren op gedrag van anderen, kuddegedrag, etc. Voorbeeld is dat iemand in een stadion 'brand' roept terwijl er geen brand is. Als jij naast degene staat die dat roept en je weet, dat er geen brand is, moet je toch mee in de gehele stroom van mensen verderop in het stadion, die denken dat er na de oproep wel brand is, anders word je geplet onder de voeten van anderen. Basis voor de goed functionerende economie is vertrouwen. Als mensen denken, dat banken en medemensen niet te vertrouwen zijn, dan kan er een crisis ontstaan. Het begrip kritieke massa. Keynes had zelf ook een soort “hedgefonds' zegt Rodriguez, en hij wist heel goed hoe het spel werkte.
  • 'Fictief kapitaal' van Marx. In de marxistische economie bestaat de volgende analyse: Als we zeggen G= geld en M= goederen dan zijn er de volgende stadia.
G-M-G (Met goederen die je geproduceerd hebt krijg je geld op de markt en daarmee koop je weer goederen, die je zelf niet kunt maken of die je zelf niet hebt.)
M-G-M' (Met geld koop je goederen en die verkoop je dan weer, om meer geld te maken) (Hier gaan de drie delen van Das Kapital van Marx over). In het kapitalisme kunnen in dit stadium die goederen ook arbeidskrachten zijn, die minder krijgen dan ze aan waarde produceren. (arbeidswaardeleer)
M-M-M'. M-G-M'en M-M-M' zijn vormen van kapitaalsaccumulatie. We zijn nu in M-M-M'gekomen. Met geld geld kopen en daar meer geld mee maken.
  • Reguleringsschool van Boyer. Dit is een neo-marxistische Franse school. Zij hebben geanalyseerd hoe het mogelijk was dat de Amerikanen hun huidige schuldpositie konden opbouwen. Zij analyseerden, dat sinds de jaren zestig de lonen in de Westerse landen gelijk zijn gebleven en dat toch de consumptie geweldig is gestegen. Dit was mogelijk door de 'financialisation' van de maatschappij. Het feit dat arbeid niet meer werd beloond en dat daarmee dus niet meer geconsumeerd kon worden leidde ertoe dat er een kredietsysteem is ontstaan dat de grotere consumptie afdekte. Wanneer dat systeem niet meer functioneert, zoals nu gebeurt, wordt het weer zichtbaar. Er is door R. ook nog iets gezegd over deze reguleringsschool en de verzorgingsstaten van de zeventiger en tachtiger jaren. Je kunt dit verbinden met een analyse van de verhouding Amerika-China en het neutraliseren van verzetsbewegingen van verarmden in het neoliberalisme. R. noemt dit niet.

Rodriguez zoemt nu in op de geschiedenis van 1945 tot de jaren negentig.

  • 1929- Werden de Glass Steagall regels ingevoerd. Banken werden zwaar gestraft en aan strenge regels onderworpen
  • 1995-1971. Het Bretton Woods stelsel. Geld kon niet van het een naar het andere land, of zeer moeilijk.
  • Het dollarsysteem
  • 1958: ontstaan van de Eurodollar markten. Dit waren markten, waar in de dollar gehandeld werd buiten de Verenigde Staten om, waarbij landen en instituties in dollars onderling handelden. Deze markt was vooral geconcentreerd in Londen, waar een soort wild west tafereel ontstond omdat men zei: we gaan die handel niet aan banden leggen. Deze Eurodollar markt heeft in de loop der jaren een grote vlucht genomen en de 'cowboys' of de opvolgers van deze handelaren legden de basis voor het huisige systeem van financialisation.
  • 1971. Ontkoppeling van het goud en de dollar.
  • Vervolgens deregulering en steeds grotere kapitaalsmobiliteit.
  • Privatisering, groei van de staatsschulden.

Nader inzoemen op de voorgeschiedenis van de jaren negentig tot 2008.
  • Deze periode wordt gekenmerkt door de groei van het aantal institutionele beleggers. Bij de afbouw van de traditionele welvaartsstaten zijn de claims geprivatiseerd, in particuliere ziekenfondsen, in pensioenfondsen (kapitaaldekkingsstelsel in verschillende Noord-Europese landen vs het nog steeds bestaande premiedekkingsstelsel in Zuid-Europese landen, een van de bronnen van verdeeldheid tussen de West-Europese en Zuid-Europese vakbonden vakbonden in het EVV over de politiek die op Europees niveau gevoerd moet worden). Dit heeft gigantische hoeveelheden privaat kapitaal bijeen gebracht. De reserves van deze fondsen zijn veel groter dan de reserves van de olielanden en zo.
  • Groei van de securisatieschuld. Ik heb een aantekening gemaakt onder de punten dat volgens mij hierbij hoort. Centraal probleem is de grote schuldenlast van de Verenigde Staten in verhouding tot de economische productie. Ook Nederland heeft zeer grote schulden in relatie tot het Nationaal Inkomen.
  • opkomst van 'originate and distribute'. Bij dit punt hoort volgens mij het betoog over de 'Special Purpose Vehicles', brievenbus maatschappijen, die in Amsterdam bijvoorbeeld volop aanwezig zijn, en die vooral sinds 1998 een sterke groei kennen. Rodriguez laat een statistiek zien van de groei van deze ontwikkeling. Het gaat daarbij om het aantal emissies naar de beurs van obligaties. Tot 1998 volgt de emissieontwikkeling de uitgave van de Nederlandse staat van staatsobligaties. Daarna bestaat die relatie niet. De uitgifte van obligaties door brievenbusmaatschappijen waarbij Nederlandse banken Nederlands geld naar de beurs brengen stijgt dan zeer sterk. De grafiek gaat na 1998 recht omhoog. De waarde van deze emissies bedraagt nu 300 miljard euro. Rodriguez tekent twee schema's om de werking van deze brievenbusmaatschappijen uit te leggen. Eerst tekent hij het schema zoals in vroeger tijden een bank in principe werkte. Huishoudens en bedrijven zetten hun geld op een bank tegen rente. Andere huishoudens en bedrijven lenen geld van die bank tegen een hogere rente. Het verschil is de winst van de bank, die voor zijn operaties afhankelijk is van vele regels van de overheid. In de nieuwe situatie -tweede schema- schuiven banken als het ware zo'n brievenbusmaatschappij, die niet aan regels onderworpen is, en waarvan de banken zeggen: daar hebben wij niets mee te maken hoor, tussen de huishoudens en bedrijven die geld sparen en huishoudens die geld lenen. De banken stoppen dan bv 30 miljard euro in zo'n brievenbusmaatschappij met 3 medewerkers. In schema:
Huishoudens lenen geld (obligaties uitgegeven door de bank)
/
/
/
SPV---------Bank
/
/ SPV brengt obligaties naar de beurs
/
Institutionele beleggers (kopen obligaties op de beurs)

De bank brengt via de brievenbusmaatschappij 30 miljard euro aan obligaties naar de beurs, die gekocht worden door institutionele beleggers. Deze kunnen behalve van de rendementen profiteren van koerswinsten. Nederland is een van de grootste en meest vooruitstrevende spelers op deze financiele markten. IN Amsterdam bijvoorbeeld was voor constructies als de bovengenoemde van de SPV's reeds een (kennis)infrastructuur aanwezig van grote advocatenkantoren, die al tientallen jaren met het opstellen van contracten in de financiele sector en de wereldhandel bezig waren. De banken halen hun winsten uit oa deze SPV's door fees in rekening te brengen voor geleverde diensten. Daar halen ze inkomsten uit, die nu al groter zijn bij sommige banken dan inkomsten uit andere activiteiten.

Dan de situatie in Nederland.

Je zou kunnen zeggen (daarbij worden nieuwe grafieken getoond) dat de Nederlandse eigendomsrelaties 'transnationaliseren', dwz oa de pensioenfondsen als belangrijkste dragers van deze ontwikkeling beleggen steeds meer en het overgrote deel van hun reserves in buitenlandse ondernemingen. Daarbij neemt het toepassen van 'innovatieve'producten explosief toe. De Rabobank stelt zichzelf wel voor als een solide bank, die geen last heeft van de kredietcrisis, maar in werkelijkheid is zij een grote speler op deze financiele markten, vooral in Nederland, waarbij in feite veel te veel geld wordt uitgeleend en allerlei slechte hypotheken in de toekomst niet terugbetaald zullen kunnen worden. Er is veel te veel geld uitgeleend. Dit betekent, dat de crisis die in Amerika begon eigenlijk maar een klein stukje van de ontwikkelingen is, die nog tot grote problemen zal leiden. In tegenstelling tot Amerika zijn het hier vooral de hypotheken op de aanschaf van een huis die belangrijk zijn. In Amerika was het veel meer gespreid over ook andere hypotheken. In Amerika waren bijvoorbeeld de studentenleningen net zo groot als de hypottheken op huizen. Die hypotheken werden ook doorverkocht, waarbij de verkoper van de risico's af was. Ook veel autoproducenten maken gebruik van kredietsystemen om geld te verdienen, meer nog dan aan de verkoop van auto's. Veel bedrijven die zich officieel met het concreet maken van producten bezig houden halen hun werkelijk grote winsten uit dit kredietsysteem. (Hier noemen VU professor) Er is bij de inleiding een kort intermezzo over de opvattingen van rechts Amerika. Aan het verstrekken van leningen, waaraan nauwelijks voorwaarden werden gesteld en die weer werden doorverkocht wordt een racistische theorie verbonden. Het zou volgens sommige Republikeinen misgegaan zijn omdat ook leningen werden verstrekt aan negers, die door hun onverantwoorde gedrag en het ontbreken van verantwoordelijkheidsgevoel hun leningen niet kunnen terugbetalen en die dus de oorzaak zijn van de crisis.

Dan gaan we naar de vraag in welke fase van de ontwikkeling we zitten.

  • Je kunt qua fasen een onderscheid maken tussen Mania's, panics en crashes. De Mania was oa de situatie begin negentiger jaren, toen iedereen het had over de dotcom boom. Door de ontwikkeling van internet en een nieuwe netwerkmaatschappij zou het kapitalisme voortaan gevrijwaard blijven van crises en groeiden de bomen tot in de hemel. Volgens Rodriguez zitten we nu in de panics fase, dus de grote crash moet nog komen. In deze fase ontstaat er bij verschillende staten een onhoudbare schuldenlast en een liquiditeitscrisis, die een solvabiliteitscrisis wordt. Voorbeelden zijn Griekenland nu, Mexico in een verder verleden, Rusland, etc.

  • Er ontstaan grote wisselkoersfluctuaties zoals met Oost Europa, de ontwikkelingslanden, de PIGS. De Amerikaanse FED heeft een teorie van de “ring of fire” ontwikkelt, waaruit blijkt dat de machthebbers in de financiele wereld deze problemen wel op zich af zien komen. De theorie houdt in het kort in dat net als bij de bestrijding van brand even verderop een terrein wordt platgebrand, een 'ring van vuur'wordt aangelegd, zodat als de grote brand komt er geen materiaal voorhanden is dat in brand kan vliegen en de brand stopt. Men wil naar analogie hiervan dan bij grote problemen enkele of sommige landen bewust laten crashen, failliet gaan, om grotere problemen te voorkomen. Iedereen focust zich dan daarop en later kun je dan weer proberen die landen erbovenop te helpen.
  • Er zijn gevolgen voor de Macro economie. Dit is wat de afgelopen twee jaar is gebeurd met de recessie en krimp. Er ontstaat een discussie of er deflatie of hyperinflatie komt. R. zegt dat die ontwikkelingen dicht bij elkaar liggen, en wereldwijd naast elkaar kunnen voorkomen, en eigenlijk als bron dezelfde problemen hebben. Een chronische crisis heerst in Japan, waar al 20 jaar een vorm van deflatie bestaat. Ze slagen er niet in, weer uit te komen, de deflatie gaat gepaard met massawerkloosheid en grote staatsschulden. Het probleem is namelijk dat je in zo'n situatie geen 'Keynesaanse' politiek kunt voeren. Als je als staat geld in de economie pompt helpt dat niet, omdat de mensen dat geld gaan oppotten en niet uitgeven. Je weet immers bij wijze van spreken dat als je met het geld dat je hebt nog even wacht om een wasmachine te kopen, dat ie dan veel goedkoper is. Mensen gaan aanschaf van dingen dus uitstellen. Daardoor heeft Japan nu een grote staatsschuld en is niet uit de problemen. Een vand e aanwezigen merkt op dat hij in Japan is geweest en dat hij daar weinig armoede heeft gezien. Het is net zo'n land als Nederland. R. zegt echter, dat Japan 20 jaar geleden een zeer welvarend land was, dus op een hoog niveau is begonnen, en dat je er daarom nu misschien nog niet zoveel van merkt, maar dat dat in landen die armer zijn en die met dezelfde problemen zullen worden geconfronteerd dat wel het geval zal zijn. Reinier heeft de oplossing: je moet zoveel mogelijk geld bijdrukken, dan ontstaat er inflatie, worden de schulden minder waard. R. zegt dat het zo eenvoudig niet is. Tegenover die schulden staan partijen, die het geld geleend hebben, er zijn altijd twee partijen in het geding. Concreet betekent de strategie dat de gewone mensen geen inkomsten meer hebben. Zie Zimbabwe. De pensioenfondsen kunnen geen pensioenen meer uitbetalen, etc.
    Er ontwikkelt zich ook een discussie over de rol en betekenis van het IMF. Wanneer het IMF op een land afgestuurd wordt, zoals nu met Griekenland dreigt te gebeuren en bij de Baltische staten, dan zijn het in feite de technocraten van deze instelling die in dat land de macht overnemen. Zij zeggen dan: doe maar wat wij zeggen, qua bezuinigingen, ingrepen in de sociale zekerheid en andere belangrijke beleidsbeslissingen want ach, wij gevend e kredieten. Het zijn eigenlijk de het IMF financierende landen die de voorwaarden bepalen waarop kredieten aan landen verstrekt worden. Nederland is een belangrijke speler in het IMF en een van de strengste landen. Bos heeft bepleit dat het IMF op Griekenland afgestuurd zou worden, en heeft daar sterk voor gepleit, maar Duitsland heeft dat afgeremd. Er ontwikkelt zich een discussie over het karakter van het IMF. Het gaat er eigenlijk volgens R. niet om, dat de belangen van het land en de bevolking voorop staan, maar de belangen van de grote schuldeisers, de banken. Maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat die schulden betaald kunnen worden met voorbijzien aan andere belangen, de relatie schuldeiser schuldenaar moet verzekerd zijn. R. zegt dat de technocraten van het IMF dat eigenlijk zelf ook wel inzien en dat ze zelfs vanuit het IMF voorstellen hebben gedaan om de situatie te veranderen.

We komen in de discussie terug op een ander punt, nl de financiele stabiliteit in de wereld, als poging om een uitweg te vinden uit de huidige situatie. R. noemt het 'Financial Stability Forum', met hun website www.wis.org.Een ander punt wat in de discussie ter sprake kwam is de vraag, waarom moet er in het kapitalisme perse economische groei zijn? Dit heeft te maken met de onstilbare honger van de kapitaalsaccumulatie.  

zondag 29 november 2009

De economische achtergronden van het neoliberalisme. Een traditionele verklaring.


Om de oorzaken te achterhalen van de ‘neoliberale revolutie’ kunnen we terecht bij een verklaring van de economische crises. In absolute cijfers zijn de winsten van grote bedrijven enorm, maar als percentage van het geïnvesteerde kapitaal vertonen ook zij een neiging om gestaag te dalen. Door de onderlinge concurrentie worden bedrijven gedwongen steeds te investeren in nieuwe machines en productiemethoden. Er is steeds meer kapitaal nodig. Aangezien het in het kapitalisme draait om de winst die er met de investering van een bepaalde som kapitaal kan worden geboekt, leidt de gestage daling van de winstvoet tot stagnatie en crisis. Mensen gaan hun kapitaal bij een lage winstvoet steeds minder beleggen in productieve ondernemingen en veel meer in speculatie, in vaste waarden of men zet het vast op de bank.
Sinds ongeveer midden jaren zeventig van de vorige eeuw is er voor het kapitaal in het Westen bijna geen mogelijkheid meer, dagelijks opnieuw te investeren in verdere ontwikkeling, dus verbetering en uitbreiding van de bestaande kapitaalgoederen voorraad. Er zijn sinds die tijd verminderde mogelijkheden om tot de uitbreiding van de winstgevende investeringen te komen. Dit had tot gevolg, dat het kapitaal uitwegen zocht om nog wel winstgevende investeringen te kunnen doen. De jaren ’70 en ’80 zien we een verplaatsing van productie naar lage lonen landen en als gevolg daarvan hogere winsten. De cijfers van de kapitaalexport geven dat aan. Er is een explosie in buitenlandse investeringen in een periode waarin in West-Europa de groeivoet lager was dan daarvoor. In de jaren van ’45 tot ’75 was de groei 5% per jaar, daarna was hij minder dan 3%, terwijl China een groei kende van 10%. Ook de groei van de arbeidsproductiviteit is veel lager na ’75. Dit zijn empirische bewijzen voor de stelling dat we in een fase van relatieve overaccumulatie zitten, hetgeen betekent: grote hoeveelheden kapitaal die in het Westen niet winstgevend kunnen worden geïnvesteerd in uitbreiding van de productieve investeringen. [1].

Hiervoor werd gezegd dat delen van de productie werden verplaatst naar lage lonen landen. Een tweede mogelijkheid voor het kapitaal om een vluchtweg te zoeken is investeringen doen buiten de productiesector, dus speculatieve mogelijkheden om winst te maken.
Men hangt aan deze ontwikkelingen wel het label van de ‘financialisation’ wat een patroon is in de ontwikkeling van de kapitaalaccumulatie waarbij winsten gemaakt worden in de financiële sector en niet in de concrete goederenproductie. Zo zie je in de loop van de tijd een ontwikkeling, dat financiële ondernemingen zich een groter deel van de winstmarges toe-eigenen ten koste van de industrie.
In 1960 werd in Amerika 16% van de winsten behaald in de financiële sector, nu is dat 30%. In 1960 werd 46% van de winsten behaald in de industrie, nu is dat 17%. Het gaat daarbij om Amerikaanse bedrijven in Amerika. Er zijn dus grote verschuivingen opgetreden. De cijfers zijn ook wel voor Europese landen terug te vinden, maar berekeningen daar zijn moeilijker vanwege de vele landen die allemaal hun eigen gegevens hebben.
Verder is het zo, dat ook binnen het industriële kapitaal een steeds groter deel van de winst gemaakt wordt door financiële transacties, wat dan niet hun core -businness is. Bijvoorbeeld door met valuta te speculeren of het kredietsysteem van de autofabrikanten en verkopers. Dit betekent overigens ook, dat dit belangrijke criteria zijn geworden in de strategische besluitvorming van die ondernemingen. De doelstellingen en het strategisch beleid worden steeds meer afgestemd op de mogelijkheden om met speculatieve transacties geld te verdienen.
In de Verenigde Staten is de verhouding tussen financiële transacties en niet-financiële transacties toegenomen van 10% vs 90% begin jaren ’50 tot begin 2000 50% vs 50%. Resultaat is dat een vorm van kapitalisme is ontstaan van het piramidespel, vooral als je ook kijkt naar de positie van een land als Amerika in de wereld. Dit land maakt steeds meer schulden om het systeem in gang te houden. De twee bovengenoemde punten- vlucht van kapitaal naar goedkope lonen landen en financialisation- betekenen een mogelijkheid om de voorwaarden voor verdere accumulatie van kapitaal te herstellen en tegelijkertijd de mogelijkheid deels het dilemma op te lossen dat de arbeidskosten in de westerse landen moesten worden verlaagd terwijl tegelijkertijd de voorwaarden voor reproductie van de arbeidskracht, dus hogere lonen, in de westerse landen in stand moesten blijven. (Alleen al vanwege het eventuele verzet dat bij rechtstreekse verlagingen van de lonen in die landen te verwachten was) Het betekende een nieuwe verdeling van de arbeiders langs internationale scheidslijnen en een tijdelijke oplossing van de overaccumulatie, die met de kredietcrisis aan een einde lijkt te zijn gekomen.

We bevinden ons thans aan het einde van een lange golfbeweging. Je zou kunnen zeggen dat het industrieel-technische complex dat zich vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw in West-Europa, Japan en de Verenigde Staten heeft ontwikkeld en dat gebaseerd was op de automobielindustrie, de petrochemische industrie en de vliegtuigbouw in een crisis verkeert en ophoudt de drager te zijn van andere sectoren. Dit betekent dat zij niet de drager kunnen zijn van een nieuwe fase in de kapitalistische expansie maar dat eerder andere sectoren naar voren zullen komen, die zoeken naar een kapitalistisch antwoord op de klimaatcrisis. In dit verband zijn de discussies over de mogelijkheden van groen kapitalisme belangrijk.

Zoals gezegd bevinden we ons aan het einde van een lange golfbeweging. Er vallen in de economische ontwikkeling opgaande en neergaande golven te onderscheiden die zich over een langere periode uitstrekken. Die markeren als het ware verschillende historische perioden in het de geschiedenis van het kapitalisme. De Rus Kondratieff deed in de jaren twintig van de twintigste eeuw onderzoek naar de lange golven in de economie, waarbij hij onder andere de goederenprijzen en het investeringsgedrag van ondernemers onderzocht. Hij kwam tot het inzicht dat zich vanaf ongeveer 1780 constant golfbewegingen voordeden, met een volledige cyclus van ongeveer 50 tot 60 jaar. Men spreekt bij deze golfbewegingen ook wel van de Kondratieff-cyclus. Een golf verdeelde Kondratieff in vier perioden, die hij aanduidde met seizoensnamen. De lente is de opbouwfase, de zomer de consolidatiefase, de herfst is de plateau of stabilisatiefase en de winter is de liquidatie of afbraakfase. Wat de prijsontwikkeling betreft zien we achtereenvolgens inflatie in de lente, stagflatie in de zomer, desinflatie in de herfst en deflatie in de winter.  

Belangrijke winterperiodes waren de Grote Depressie vanaf ongeveer 1870 en de crisis van de dertiger jaren van de twintigste eeuw. Na 1945 waren het de drastisch veranderde krachtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal, als gevolg van fascisme en wereldoorlog, alsmede de toepassing van nieuwe in de oorlogsindustrie ontwikkelde technieken die leidde tot een dusdanig herstel van de winstvoet dat er een nieuwe periode van opgang mogelijk was. Deze opgaande periode eindigde ongeveer halverwege de zeventiger jaren van de twintigste eeuw. We lijken thans in een nieuwe ‘winterperiode’ te zijn aangekomen.

De vraag is, of  een ‘winterperiode’ in de lange golfbeweging, waarin we nu lijken te zitten, vanzelf weer leidt tot een nieuwe opgaande fase. Uit studies van de lange golfbeweging blijkt dat een lange periode van opgang op den duur als het ware vanzelf leidt tot een periode van stagnatie, maar dat het omgekeerde niet het geval is. Het lijkt erop, dat in tegenstelling tot de korte conjuncturele golf een lange golf in zijn neergaande fase niet vanzelf de voorwaarden creeert voor een nieuwe periode van opgang. Enige tijd werd gedacht, en gehoopt, dat de internet economie gecombineerd met de nieuwe markten van de landen van het voormalige Oostblok zouden leiden tot een nieuwe opgaande lange golf. Inmiddels is het duidelijk dat dat niet het geval is. De economische crisis van dit moment toont aan, dat we nog steeds ‘naar beneden’ gaan. De gemiddelde winstvoet staat sterk onder druk en er wordt koortsachtig gezocht naar mogelijkheden om die ontwikkeling tegen te gaan.




[1] De bovenstaande gegevens zijn ontleend aan een toespraak van Henk Overbeek op een conferentie ‘voor de verandering’.

zaterdag 28 november 2009

Het neoliberalisme als politiek project


We kunnen vanaf ongeveer 1975 de ontwikkeling van het neoliberale beleid zien als een algemeen kader om een politiek antwoord te formuleren op de neergaande fase in de lange golf. (Zie hier voor de uitleg daarvan) Men probeert de ontwikkelingen tegen te gaan door een winstverhoging na te streven op basis van het terugdringen van de variabele kosten van ondernemingen. En dat zijn met name de kosten van de factor arbeid. Lonen, kosten voor arbeidsvoorwaarden van de eigen werknemers, maar ook kosten die de ondernemer indirect betaalt aan uitkeringen en belastingen die besteed worden aan algemene voorzieningen zoals onderwijs, gezondheidszorg, pensioenen en dergelijke. Zoveel mogelijk naar de winsten en zo min mogelijk naar de collectieve voorzieningen, dat is het streven. [1] Deze ontwikkeling heeft de afgelopen decennia in verschillende landen geleid tot pogingen, te bezuinigen op de collectieve voorzieningen en de sociale zekerheid. De arrangementen van de welvaartsstaat, die in de vijftiger jaren en zestiger jaren werd opgebouwd, werden weer afgebroken. 

Een ander kenmerk van de huidige ontwikkelingen is wat men wel ‘globalisering’ noemt: het is een soort verzamelbegrip waarin verschillende ontwikkelingen bij elkaar worden genomen. Men gebruikt de term wel om aan te geven dat de massamedia, luchtvaart en de ICT en het internet de wereld in vele opzichten kleiner hebben gemaakt. Je kunt nu heel goedkoop op verschillende manieren communiceren met andere mensen waar ook ter wereld. De massamedia maken het mogelijk, dat je kennis neemt van gebeurtenissen die zich vandaag hebben afgespeeld in een heel ander deel van de wereld. Reizen wordt goedkoper en hoge snelheidstreinen of vliegtuigen maken het mogelijk dat je je in korte tijd over grote afstanden verplaatst.

 Maar de term ‘globalisering’ wordt ook wel gebruikt om economische veranderingen aan te duiden. Mede door technologische ontwikkelingen zijn allerlei veranderingen in de productie van goederen en diensten mogelijk geworden. Productieprocessen zijn steeds meer internationaal georganiseerd. Onderdelen van een auto, televisie of computer worden in verschillende continenten geproduceerd en ergens anders weer in elkaar gezet. Er is sprake van de ontwikkeling van wereldwijd georganiseerde productieketens, van grondstof tot eindproduct, waarbij de productie in verschillende fasen van het proces in vele verschillende landen kunnen plaatsvinden. Of deze ontwikkeling werkelijk mondiaal is over de hele linie of dat er sprake is van een schaalvergroting en een internationalisering waarbij de wereld meer verdeeld is in enkele grote economische en politieke machtsblokken, staat ter discussie. De in- en uitvoer van de EU bijvoorbeeld naar de rest van de wereld bedraagt ongeveer 10% van het BNP in dat gebied. Duidelijk is echter wel, dat er voor steeds meer producten sprake is van een wereldmarkt.
De rol van de grote multinationale ondernemingen is enorm toegenomen. Zij beheersen een steeds groter deel van de wereldproductie en wereldhandel. Kapitaal stroomt steeds makkelijker en in steeds groter hoeveelheden van het ene deel van de aardbol naar het andere. Regels en beperkingen op de in en uitvoer, die in vele landen in de zeventiger jaren nog bestonden, zijn uit de weg geruimd. Dit heeft het vrije verkeer van kapitaal en goederen mogelijk gemaakt. We kunnen echter stellen, dat het bij deze economische veranderingen niet gaat om onontkoombare gevolgen van een soort immanente ontwikkeling, waarop we geen invloed hebben zoals de technologische ontwikkelingen. Het is een gevolg van politieke keuzes. Het feit dat het technisch mogelijk is om in een supermarkt dagelijks groente, fruit en snijbloemen van de andere kant van de wereld aan te bieden betekent nog niet dat dit ook hoeft te gebeuren.

De theorie van de vrije concurrentie

Het neoliberalisme is ook een opvatting over hoe meer marktwerking kan en moet worden ingevoerd. Deze opvatting houdt in essentie het volgende in. Door concurrentie tussen ondernemingen op een vrije markt, dus zonder tolmuren en andere beperkingen, leidt het spel van vraag en aanbod tot een prijs van goederen en diensten die voor evenwicht tussen die twee zorgt en op die wijze wordt via een zelfregulerend prijsmechanisme, als het waren buiten de wil van individuele aanbieders en vragers om, alles waar ook ter wereld geproduceerd op de meest efficiente en effectieve manier. Dit leidt tot de stijging van welvaart, welzijn en rijkdom voor iedereen, althans op die manier worden de voorwaarden daartoe geschapen.
We hebben hiervoor gezien, dat het terugdringen van de loonkosten voor de ondernemers en bezuinigingen op de collectieve uitgaven van de staat naast het bevorderen van globalisering belangrijke maatregelen zijn die onderdeel uitmaken van het neoliberalisme als politiek project. De zich wijzigende rol van de staat ten opzichten van de economie op basis van de neoliberale doctrine leidt ook tot pogingen meer marktwerking in te voeren op terreinen, die voordien het exclusief terrein van de staat waren. Dus privatisering van overheidsdiensten en ook weer afbouw van de collectieve sector. De afbouw van de collectieve sector  betekent overigens niet altijd, dat in de verschillende landen de uitgaven van de staat als percentage van het BNP afnemen. Er vindt eerder een verschuiving plaats van collectieve arrangementen die het leven en de bestaanszekerheid van de burgers moeten beschermen naar uitgaven die –ten behoeve van grote ondernemingen- noodzakelijk zijn om de productie van die ondernemingen soepel te laten verlopen, met name investeringen in de infra-structuur.

Een ander aspect van de zich wijzigende rol van de staat in het neoliberalisme is de wijze, waarop omgegaan wordt met mensen die in de ratrace van de economie niet mee kunnen komen. Het nastreven van het ideaal van de vrije markt blijkt namelijk allerminst te leiden tot meer welvaart en welzijn voor iedereen. Er is in de voormalige welvaartsstaten van het westen sprake van een chronische massawerkloosheid, waarbij door de afbouw van de collectieve arrangementen in de sociale zekerheid miljoenen geen baan hebben en ook geen uitkering, waardoor ze een beroep moeten doen op de charitas, familieleden, partners of het informele circuit’, criminaliteit inbegrepen. De negatieve ontwikkelingen leidden vooralsnog niet tot een fundamentele herziening van de neoliberale doctrine en van het vrije marktdenken, integendeel, men ging ervan uit dat de ‘vrije marktwerking nog niet rigoreus genoeg was doorgevoerd, en dat het feit, dat velen niet meekunnen in de concurrentiestrijd van allen tegen allen die tot meer welvaart leidt, aan henzelf te wijten is. Van deze mensen moet dus het gedrag worden gewijzigd, door hen onder druk te zetten en te dwingen de flexibele arbeid in de nieuwe economie te vervullen. Dit leidt tot de gigantische uitbreiding van het gevangenissysteem en andere disciplinaire maatregelen, zoals in Europa aan het begin van de negentiger jaren het principe van het sociale panopticum. Elders ga ik aan de hand van een boek van Kurt Wyss nader in op de achtergronden van deze ontwikkeling. Waarom gaan de bestuurders door met het beleid, terwijl de doelstellingen die ze zeggen na te streven niet worden gehaald?

Zo zien we dat het neoliberalisme een combinatie is van invoering van nieuwe technologien, terugdringen kosten factor arbeid, globalisering, een herdefiniering van de rol van de staat, opvoering van concurrentie tussen mensen, ondernemingen en andere organisaties, verdedigd op basis van een bepaalde doctrine, nl die van de vrije marktwerking, die men overal wil invoeren. Doel van dit beleid is het verhogen van de winstvoet in een neergaande periode van de lange golf in de economie. We hebben hiervoor gesteld, dat het kapitaal een vluchtweg zocht in investeringen buiten de productiesector, dus speculatieve mogelijkheden om winst te maken. Hierbij zie je, dat het politieke project van het neoliberalisme en de economische ontwikkelingen in elkaar grijpen. Het neoliberalisme zorgde voor deregulering van de kapitaalmarkten, die het kapitaal een vluchtweg bood.




[1] Zie voor een korte beschrijving van het neoliberalisme en de rol van Europa daarin ook ‘ Hun Europa en het onze’ blz 16/17

vrijdag 27 november 2009

Het begin van de neoliberale revolutie

Waar ligt het begin van de neoliberale revolutie?. Net als veel andere schrijvers positioneert Richard Sennett het begin van de neoliberale revolutie in de zeventiger jaren van de twintigste eeuw, toen er een einde kwam aan het zogenaamde Bretton-Woods systeem.[1] De Overeenkomst van Bretton Woods was een akkoord in 1944 gesloten tussen 44 landen dat getekend werd in het dorp Bretton Woods in de Verenigde Staten. Dit leidde tot de oprichting van het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en het opnieuw invoeren van de goudstandaard. Het Bretton-Woodssysteem bestond er onder andere uit dat de waarde van alle nationale valuta gekoppeld werd aan die van de dollar en de dollar op zijn beurt gekoppeld werd aan het goud tegen een vaste pariteit (35 dollar per ounce). Hiermee werd de dollar dan nu ook officieel de belangrijkste munt ter wereld. Tijdens de Vietnam oorlog verloren veel landen echter het vertrouwen in de Amerikaanse economie; zij gingen hun munteenheden weer koppelen aan het goud, door goud op te kopen. Daarbij maakten ze de vaste koers van hun valuta ten opzichte van de dollar ongedaan. In maart 1973 zagen de Amerikanen zich genoodzaakt de goudstandaard los te laten, waarmee een einde kwam aan het systeem van Bretton-Woods, en landen gingen over op koersen de los van elkaar konden fluctueren. Gigantische speculaties met valuta werden mogelijk. Verder werden allerlei barrières voor de investering van nationaal kapitaal over de grenzen opgeruimd.
            Er kwam daardoor een enorm surplus aan investeringskapitaal vrij. Kapitaal dat in lokale of nationale ondernemingen en banken had vastgezeten kon veel gemakkelijker over de wereld worden verplaatst. In de olierijke landen in het Midden Oosten, bij banken, en bij de nieuw opkomende economiën in Zuid-Oost Azie popelde men om te investeren in nieuwe winstgevende activiteiten. In de jaren tachtig en negentig werd dit gevolgd door de activiteiten van grote pensioenfondsen en kleine investeerders, die eveneens op zoek waren naar nieuwe investeringsmogelijkheden.  
      
Andere signaleringen van het begin

Dat de oorsprong van de hier genoemde ontwikkelingen in de zeventiger jaren ligt blijkt ook uit andere gegevens. In 1977 verscheen in Nederland een boek naar aanleiding van de bedrijfssociologische studiedagen in dat jaar. [2] In dit boek wordt geconstateerd, dat er toen al een toenemende tendens was van industriële ondernemingen flexibele productieketens op te zetten, dus producten niet meer zelf te produceren maar onderdelen in te kopen, fabrieken en machines niet te kopen maar te huren, externe planningsbureau’s in te schakelen, arbeidskrachten te leasen middels onderaannemers, uitzendbureau’s, contract arbeid e.d. Deze ontwikkelingen deden zich het eerst voor in bedrijfstakken, die in  Nederland inmiddels zijn afgebouwd, zoals de textielindustrie, de schoenindustrie en de scheepsbouw. In deze bedrijfstakken volgde op deze flexibilisering uiteindelijk het verdwijnen ervan uit Nederland. Door de genoemde organisatorische wijzigingen in de productie waarbij men taken en functies liet uitvoeren door externe ondernemingen kon men bezuinigen op de loonkosten omdat de toeleverende bedrijven in een moordende concurrentie waren verwikkeld die ze afwentelden op slecht georganiseerde werknemers door hen lagere lonen uit te betalen en was het makkelijker, het bedrijf te sluiten. Men hoefde dan in feite alleen een sociaal plan met de vakbonden af te spreken voor de kernwerknemers, terwijl de contracten met externe partners eenvoudigweg werden opgezegd. De ontwikkelingen zouden wat dit betreft zelfs al zijn begonnen in de zestiger jaren, tijdens de periode van hoogconjunctuur toen de ‘herstructurering’ van die oude industrietakken op gang kwam. In het boek gaat men er nog van uit, dat de overheid door een geplande ‘sector-structuur politiek’  de ontwikkelingen in het bedrijfsleven direct kan beinvloeden. Dit hield in, dat de overheid een beleid voerde, waarbij verliesgevende ondernemingen werden gesteund wanneer men dat van belang achtte voor een samenhangende industriële structuur.

             Ook Lois Wacquant situeert het begin van de neoliberale revolutie, of eigenlijk wat hij noemt de 'neoliberale strafstaat' aan het einde van de zestiger jaren, begin van de zeventiger jaren. Hij noemt daarbij weer een ander aspect. Wacquant zegt dat de neoliberale strafstaat een reactie was op de burger-rechten beweging van Martin Luher King die in de zomer van 1966 begon in Chicago. Bij deze campagne werd ernaar gestreefd, de zwarten in de getto's meer rechten te geven en van Chicago een 'open' stad te maken zonder getto's. Deze pogingen om van Chicago een stad te maken zonder segregatie werd in de kiem gesmoord door repressie van de kant van de staat door de inzet van 4000 man 'National Guards' en woede uitbarstingen van een blanke menigte, en door aanvallen en aanklachten in de gevestigde media zoals de Chicago Tribune. Maar er was ook verbeten verzet van het gemeentebestuur, het gerechtelijk apparaat en de vastgoedsector. [3] De liberale blanken die King hadden gesteund bij zijn verzet tegen de segregatie in het zuiden keerden zich nu tegen hem. Zij verweten hem dat hij in de getto's onverantwoord en provocerend te werk ging. Dit alles veroorzaakte een heftige tegenreactie, die de daaropvolgende twee decennia steeds sterker zou worden en die uiteindelijk de brandstof zou opleveren om het welfare-systeem in de Verenigde Staten af te bouwen (met name veel afro-amerikanen in de getto's waren noodgedwongen op dit systeem aangewezen), de steden aan hun lot over te laten en het lokale en federale strafapparaat sterk uit te breiden. Het effect van deze ontwikkelingen was, dat de bevoorrechte positie van de blanken in de steden werd gehandhaafd en de getto's de functie bleven behouden van leverancier van goedkope ongeschoolde arbeidskrachten in de zich flexibiliserende economie, op basis van maatschappelijke discriminatie van een groep paria's. 
Dit zou de basis zijn van de neo-conservatieve revolutie, die eerst Nixon en later Reagan aan de macht bracht.
            Aan het begin van de zeventiger jaren van de twintigste eeuw kunnen verschillende historische feiten worden genoemd die het begin van de neoliberale ontwikkelingen lijken te markeren. Het eerste praktijkexperiment met de neoliberale politiek vond plaats in Chili, na de bloedige staatsgreep van 11 september 1973. Het nieuwe regime onder leiding van generaal Pinochet voerde een heftige repressie tegen politiek links en de arbeidersbeweging. Politieke partijen en vakbonden werden verboden en duizenden activisten werden gevangen genomen vermoord of verdwenen. Een groep Amerikaanse economen onder leiding van Milton Friedman werden door Pinochet als adviseurs aangenomen en kregen de kans om hun neoliberale opvattingen in praktijk te brengen. De politieke en sociale omstandigheden waren natuurlijk ideaal om de winsten te verhogen en de internationale concurrentiepositie van de Chileense bedrijven (en de daar gevestigde multinationale ondernemingen) te verbeteren. Effectief verzet ertegen was onmogelijk. Zie Naomi Klein, de shockdoctrine.
Uit het bovenstaande blijkt, dat zich tal van politieke en economische ontwikkelingen hebben voorgedaan die het begin van de opkomst van het neoliberalisme lijken te markeren.






[1] Zie voor de relativerende opmerkingen over het beginpunt van de ontwikkelingen voetnoot 3. 
[2] A.W.M. Teulings (red) Herstructurering van de industrie. Praktijk, beleid en perspectief. Samson reeks arbeidsverhoudingen.
[3] Lois Wacquant - Straf de armen. Het nieuwe beleid van de sociale onzekerheid. blz 232 e.v.

donderdag 26 november 2009

De doorbraak van de neoliberale revolutie en de eerste ontwikkelingen daarna naar de neoliberale strafstaat.

Begin jaren tachtig

Aan het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw kwam een ware doorbraak in de doorvoering van de neoliberale politiek op gang, toen in Amerika Ronald Reagan en in Engeland Margret Thatcher aan de macht kwamen. In Nederland wordt dit gemarkeerd door de parlementaire enquete over de scheepsbouw, die leidde tot een fundamenteel andere industriepolitiek. Actief overheidsingrijpen in de economie werd een taboe, de staatssteun aan bedrijven die in een periode van laagconjunctuur de concurrentie met bedrijven uit het buitenland niet konden volhouden werd volledig afgebouwd. De ‘markt’ moest bepalen wat waar en wanneer werd geproduceerd.  Men kan verder denken aan  het historisch 'akkoord van Wassenaar' over de flexibilisering van de economie tussen vakbondsleider Kok en werkgeversvoorzitter Van Veen. In deze tijd waren er ook de 'commissies Wagner'. De heer Wagner was topman van de Shell en de commissie die naar hem genoemd is heeft een reeks rapporten uitgebracht over de hervorming van de economie.

De voorstellen van de commissie Wagner II waren goed getimed. In juni 1982 kwam een tussenrapport in de publiciteit nadat het kabinet PvdA, D’66 en CDA was gevallen. In september 1982 zouden er weer verkiezingen zijn. Van Agt en Lubbers verklaarden de conclusies van het rapport te onderschrijven. Zij stelden meteen maar, dat de uitgangspunten van de commissie Wagner de basis moesten vormen voor een regeerakkoord na de verkiezingen. En dat is gebeurd. In 1982 trad het kabinet Lubbers I aan. In november van dat jaar presenteerde Lubbers zijn eerste voorstellen. Het kabinet Lubbers stelde bezuinigingen op de overheidsuitgaven centraal in het te voeren beleid. Daarnaast streefde men naar lastenverlichting voor de bedrijven, een beperking van de arbeidskosten door loonmatiging en een vermindering van de bureaucratie. Men zegde ook te streven naar de spreiding van het werk over meer mensen, zonder dat dit echter mocht leiden tot kostenverhoging voor de bedrijven. In het regeerakkoord werd afgesproken jaarlijks zeven miljard gulden ter grootte van twee procent van het nationaal inkomen te bezuinigen bij een veronderstelde loonmatiging van twee procent per jaar. Tot 1986 moest de lastendruk worden gestabiliseerd en het financieringstekort worden teruggebracht met 1% van het nationale inkomen per jaar. Loonmatiging in het bedrijfsleven speelde een belangrijke rol. Toen in de loop van de rit tegenvallers bij de uitgaven optraden, kwamen er meer bezuinigingen. Het neoliberale beleid werd in de steigers gezet.

          In Nederland was er in de eerste fasen van de invoering van de neoliberale politiek  verzet tegen de sluiting van fabrieken en een strijd voor behoud van de Keynesiaanse welvaartsstaat: Dat is de periode tot ongeveer 1983. In de oude industrietakken die werden afgebouwd, zoals in de scheepsbouw, waren de arbeiders erg goed georganiseerd. De organisatiegraad van de vakbonden onder deze arbeiders was zeer groot. Om de protesten te kanaliseren werd de Wettelijke Arbeids Ongeschiktheids verzekering (WAO) gebruikt als afvoerputje, vakbonden en werkgevers kwamen sociale plannen overeen, waarbij vele oud-vakarbeiders in de WAO terechtkwamen. De afbouw van deze en andere regelingen zou pas later beginnen. Hun posities op de arbeidsmarkt werden ingenomen door jongeren en vrouwen, die de minder betaalde flexibele deeltijdbanen gingen vervullen in de opkomende diensteneconomie.  Zij hebben zich slechts in beperkte mate in vakbonden georganiseerd. Omstreeks 1980 werden de werkloos of arbeidsongeschikt geworden arbeiders en bijstandsvrouwen verdeeld over verschillende sociale verzekeringen, voorzieningen en uitkeringen. Door het verschil tussen die regelingen gingen mensen die een beroep deden op een bepaalde regeling zich in organisaties verenigen, die vooral opkwamen voor mensen in een specifieke regeling. Zo zien we werklozen komitees, komitees vrouwen en de bijstand, wao-komitees en samenwerkingsverbanden van de projecten van mensen zonder werk ontstaan.  Zij herkenden zich niet meer in de algemene vakbonden en politieke partijen, die een groot aantal verschillende groepen en hun belangen in zich verenigden. In deze tijd zien we ook de opkomst van de eerste migrantenorganisaties, die in deze jaren veel van zich deden spreken en voor wie ook gold, dat meer algemene Nederlandse organisaties naar hun mening te weinig opkwamen voor hun specifieke belangen.

Een nieuwe verscherping van het beleid

In Nederland zien we gedurende de jaren tachtig belangrijke stelselwijzigingen in de sociale zekerheid. Verschillende sociale zekerheidswetten, zoals de Algemene Arbeidsongeschiktheids Wet (AAW) werden afgeschaft. Begin jaren negentig lijkt er een nieuwe verscherping in het beleid op te treden.

Wacquant onderscheidt na 1990 bij de verbreiding van een nieuwe recht en orde ideologie vanuit de Verenigde Staten over de rest van de wereld drie fasen. In de eerste fase was er de planning, ombouw van het beleid en het zichtbaar maken ervan in verschillende steden van de Verenigde staten, bijvoorbeeld in New York  waar men begon met het ‘zero tolerance’ beleid omstreeks 1994, toen de republikein Roberto Guiliani burgemeester werd. In de verbreiding van de nieuwe ideologie speelden conservatieve denktanks als het Manhattan Institute, de Heritage Foundation en The American Enterprise Institute een beslissende rol. De instellingen begonnen met het opstellen van het begrippenapparaat, dat later door bestuurders, uitvoerders en wetenschappers in vele landen overgenomen zou worden, zoals het principe van ‘Work First’ bij de benadering van werklozen.
In een tweede fase werden de denkbeelden en het nieuwe begrippenapparaat van de Amerikaanse denktanks overgenomen door verwante instellingen in andere landen, die op hun beurt een propagandatocht voor de nieuwe denkbeelden begonnen. In Nederland kunnen we hierbij denken aan het particuliere onderzoeksinstituut Nijfer onder leiding van Eduard Bomhoff, die eind jaren negentig (ongeveer in 1997) met zijn propagandatocht begon en die later nog kortstondig minister van economische Zaken zou worden voor de Lijst Pim Fortuin in een van de kabinetten Balkenende. Maar de ideologische grondslagen voor de neoliberale strafstaat werden in Nederland al gelegd begin jaren negentig vlak voor en tijdens het kabinet Lubbers-Kok. Het begrippenapparaat van de ‘recht en orde’ theorie dat door Amerikaanse onderzoeksinstituten werd ontwikkeld viel hier in goede aarde.

Neoliberale strafstaat

Er werd een controle en beheersingsprogramma opgetuigd, met politieagenten en andere controleurs permanent aanwezig in ‘arme buurten’, en de uitbouw van een gevangenissysteem en in plaats van opbouwwerkers, sociale hulpverleners of hulpverleners in de gezondheidszorg de uitbreiding van een strafrechtsysteem met rechters voor ‘gevaarlijke’ jeugdigen.

Wacquant stelt voor verschillende Europese landen de volgende tendenzen vast. Er is de uitbreiding van het aantal preventieve hechtenissen, die volgen op arrestaties op de plaats van het misdrijf. Men gaat harder om met veelplegers die uit het hulpverleningscircuit zijn gevallen of daar geen toegang toe hebben middels opvangmogelijkheden en men gebruikt tegenover buitenlanders zonder verblijfsvergunning bij controles en bestraffing van afwijkend gedrag de methode van het opsluiten op basis van het feit dat ze geen papieren hebben waarbij het in feite gaat om het omzeilen van de normale rechtsgang in het strafrecht.

Arbeidsbureau’s, in Nederland Centra voor Werk en Inkomen genoemd, en uitkeringsinstanties kregen een actieve rol in de disciplinering en het uitdelen van straffen aan de armen, want zij beschikten over de informatie en het personeel voor een fijnmazige bewaking van ‘problematische bevolkingsgroepen’. Wacquant noemt dit sociaal panoptisme. 

Nederland lijkt tezamen met Engeland een belangrijk land te zijn geweest voor de verbreiding van de denkbeelden over de opzet van de neoliberale strafstaat. Wacquant noemt dat in Engeland achtereenvolgens door verschillende instituten  de kortingen op de bijstand, bijstand alleen in ruil voor een tegenprestatie in de vorm van arbeid (workfare) en nul-tolerantie werden verdedigd en overgenomen. Wacquant spreekt in dit verband van ‘acclematiseringszones’ voor de verbreiding van het nieuwe begrippenapparaat. In Nederland lijken oa Amsterdam en Rotterdam als ‘acclematiseringszone’ gefunctioneerd te hebben. Dit idee van ‘acclematiseringszones’ en de verbreiding van de nieuwe denkbeelden middels de opzet van wat kleinschaliger projecten waarin volgens de nieuwe methoden werd gewerkt is een bewuste politiek geweest. De propagandisten van  ‘work first’ methoden en de ombouw van het bijstandssysteem benadrukten, dat je niet met een reeks van maatregelen of voorstellen daartoe naar de (centrale) regering moest gaan om te stellen dat die moesten worden doorgevoerd. Dat zou veel publiciteit, misschien een grote maatschappelijke discussie en blokkades van oa de vakbonden oproepen. Je moest kleine projecten voorstellen, die dan vervolgens zo succesvol zouden zijn dat ze daarna door steeds meer mensen zouden worden overgenomen. Het ging er dan om, dat van deze projecten uiterst succesvolle uitstroomcijfers werden gepubliceerd, waarbij middels tevredenheidsonderzoeken onder de uitkeringsgerechtigden ook daar  het succes werd vastgesteld.

Met behulp van deze methoden hebben Bomhoff met zijn instituut Nijfer en een harde lobbyist als Dick Vink een veelheid aan begrippen en ideologische uitgangspunten in navolging van Amerikaanse denktanks in Nederland ingevoerd. Wacquant onderscheidt bij de doorvoering van de nieuwe werkmethoden, ideologie en begrippenapparaat nog een derde fase, waarbij de academische wereld een veeg uit de pan krijgt. Onderzoekers uit universitaire kringen overgoten de reactionaire Amerikaanse ‘Law en Order’ ideologie met een wetenschappelijk sausje, waarmee ze ‘ spontaan’ het estaffettestokje van de oorspronkelijke propagandisten overnamen. Wacquant zegt de de truc overal heeft gewerkt: ‘de conservatieve kat werd in een criminologische zak verkocht’ . In een later stadium zijn al deze voorstellen in de vorm van wetgeving en andere maatregelen werkelijkheid geworden. In de eerste plaats pleitte het instituut Nijfer van Bomhoff voor het ‘loodsmodel’ in de uitvoering van de bijstand. De gemeenten zouden er budgettair belang bij moeten hebben om zoveel mogelijk mensen uit de bijstand te krijgen. In de tweede plaats de invoering van workfare en work first, en in de derde plaats nieuwe samenwerkingsvormen tussen arbeidsmarkt-toeleidingsorganisaties en uitkeringsinstanties, in de vierde plaats privatisering van de arbeidsbemiddeling, in de vijfde plaats begeleiding van uitkeringsgerechtigden door een klantmanager die alle ins en outs van de uitkeringsgerechtigde kent en een centrale machtspositie inneemt. Al deze voorstellen zijn werkelijkheid geworden in de nieuwe Wet Werk en Bijstand, die in 2004 werd ingevoerd.

Uit het bovenstaande moet men echter niet afleiden, dat  de politionele en strafrechterlijke maatregelen ter vervanging van de bijstand naar Amerikaans voorbeeld in Europa zonder meer overgenomen of geïmiteerd werden. Men wilde dus niet slaafs een systeem kopieren, dat uitging van een brutale vervanging van het systeem van armoede bestrijding middels een welvaartsstaat door een strafrechterlijk systeem van wegsluiten. In de Europese landen met hun traditioneel sterke, katholieke, christen-democratische of sociaal-democratische tradities en de daarbij horende opvattingen over de taken van de staat wilde men een minder scherpe overgang naar de strafstaat, meer als een aanvulling om de armoede op een nieuwe manier te bestrijden. Men zocht, met gebruikmaking van inzichten, organisatiemethoden en sociale technieken uit Amerika en de daarbij behorende begripsvorming naar een eigen ‘Europese weg’ naar de neoliberale strafstaat, die aangepast zou zijn aan de verschillende politieke en culturele tradities van Europa. Enerzijds werden in verschillende landen maatregelen genomen op het gebied van gesubsidieerde arbeid, reintegratie van werklozen gepaard gaande met verscherping van de sollicitatieplicht en in sommige landen zoals Frankrijk zelfs een beperkte uitbreiding van het bijstandssysteem; Verder was er de handhaving van collectieve stelsels voor de ziektekostenverzekering, al werden die vaak wel hervormd. Naast de invoering van de strafstaat handhaafde men dus gedeeltelijk de welvaartsstaat van de jaren zeventig.


woensdag 25 november 2009

De controlemaatschappij en de neologistieke orde in relatie tot het waardensysteem van het kapitalisme

De oorspronkelijke kapitalistische waarden van omheining, afbakening en toe-eigening (Zie voor uitleg van de begrippen hier) worden uitgewerkt in controlesystemen, standarisering van procedures, rationalisering  en bureacratisering . De ondernemer die bij de processen van toe-eigening op basis van rationalisering en automatisering een concurrentievoordeel ontwikkelt, wordt machtiger en groter en krijgt meer invloed. Dat bedrijf verovert een groter marktaandeel. Alles moet verder meetbaar, kwantificeerbaar zijn. Omdat op die wijze een gemeenschappelijk kenmerk van kwalitatief verschillende goederen en diensten kan worden vastgesteld en ze in geld kunnen worden uitgedrukt. En op die wijze kunnen kwalitatief verschillende goederen worden geruild omdat ze allen in geld worden uitgedrukt. Een van de kenmerken van de ontwikkeling is verder, dat bedrijven onder concurrentieverhoudingen veel investeren in nieuwe technologien en nieuwe manieren van produceren, om zo te proberen te besparen op de factor arbeid. In dit artikel gaan we die organisatorische veranderingen en in samenhang daarmee de technologische veranderingen in de afgelopen jaren behandelen. Joep Schrijvers is andragoloog (veranderdeskundige), en auteur van verschillende boeken. In zijn boek ‘Het wilde vlees. De tomtomisering van de passionele mens’ beschrijft hij hoe onze samenleving een groot logistiek imperium is geworden en de gevolgen daarvan voor het privéleven van mensen.

Hij laat helder zien, hoe de toenemende controle in  de maatschappij op het doen en laten van individuen een proces van  'monitoring' is  dat noodzakelijkerwijs in een productiesysteem hoort, dat zowel in het bedrijfsleven als bij de overheid wordt toegepast,  en dat kan worden omschreven als een  cyber-regiem van een logistiek imperium, de neo-logistieke orde. Alles wordt opgedeeld in een voorstuwingsproces van productieketens,  en dat proces mag nooit tot stilstand komen.  Ook moeten deze processen voortdurend worden 'gemonitord'  dwz gecontroleerd en bijgestuurd. Van bewakingscamara's tot het onderscheppen van email verkeer. Wat betreft het ‘monitoren’ van de mensen op de onderste treden van de sociale ladder wordt een zeer specifieke vorm van monitoren  ingevoerd door de staat, de techniek van het sociale panopticum. Processen van afbakening en toe-eigening en omheining vergen ene voortdurende controle op: dit is van mij, dit is van jouw, hier mag jij komen hier niet, want dat is van een ander.
Dankzij de ontwikkelingen in de moderne technologie, met haar computersystemen, nieuwe vormen van automatisering, de opkomst van internet en de mogelijkheden op afstand productieprocessen te sturen en via de moderne communicatie op elkaar af te stemmen kunnen onderdelen van het productieproces op verschillende plaatsen worden uitgevoerd en toch aan elkaar worden gekoppeld waarbij het totaalproces en haar onderdelen voortdurend wordt gecontroleerd.

Monitoren en gegevensuitwisseling

Met behulp van de moderne technologie kunnen alle bewegingen van mensen in de toekomst worden gevolgd middels een chip in je paspoort, dat iedereen verplicht altijd bij zich moet hebben. Globalisering leidt tot grenzeloze gegevensuitwisseling. Wereldwijd komt alles met elkaar in verband te staan. Het moderne productieproces wordt opgesplitst in deelprocessen die zich over de gehele wereld afspelen. Om dat proces vlot te laten verlopen, moet elk stukje dus gemonitord worden. Alles moet worden gezien, gemeten, geregistreerd en wordt vervolgens aan elkaar gekoppeld. Daarbij staat alles in het kader van veiligheid en efficiency.  Al die controlemomenten en momenten van monitoring zijn ook weer middelen om geld te verdienen. Overal in de productieketens worden tolpoortjes, toegangspoortjes en drempels geplaatst: die maken een onderscheid tussen wie er wel door mag en wie niet. En wie erdoor wil, moet vaak betalen of moet aan bepaalde voorwaarden en/of kenmerken voldoen. Dit proces speelt zich af zowel in het bedrijfsleven als bij de overheid.

Tomtomisering van de consumenten

Op zijn website zegt Schrijvers: 'de samenleving is een groot logistiek imperium geworden, dat zelfs haar invloed uitoefent op het privéleven, de dromen en vooral de hartstochten van mensen. Iedereen is gestoord bezig met het rondpompen van geld, goederen, informatie en sperma. Vele passiestrategieën zijn werkzaam om de emoties van mensen op te poken, te dempen of te kanaliseren. Iedereen staat onder controle en toezicht. De ‘tomtomisering’ is definitief doorgedrongen. Mensen moeten nuttig en doelgericht blijven'.   Schrijvers zegt dat in het bedrijfsleven de 'emonorm' is ontwikkeld, waarbij er via reclame, manipulatie van informatie, controle en het toedienen van prikkels en straffen naar wordt gestreefd dat bij de consumenten een zodanige onderlinge verhouding tussen de basis-emoties ontstaat dat deze het meest efficient en effectief is voor het productie-systeem. De zes basisemoties zijn angst, walging (afschuw, afkeer), woede (boosheid, agressiviteit), blijdschap (vreugde), verbazing (verrassing) en verdriet (droefheid). Groepen mensen worden vervolgens ingedeeld in 'consumentenprofielen' waarop verschillende manipulatietechnieken losgelaten kunnen worden.

monitoringsprocessen

Wat voor gevolgen heeft de neo-logistieke orde voor de burgers? Vele burgers worden soms tot wanhoop gedreven door de vele wachtwoorden, nummers, toegangscodes, pasjes, die ze moeten managen. Monitoringsprocessen vinden niet alleen plaats door middel van nieuwe technieken maar ook door allerlei andere vormen van informatieverzameling volgens traditionele methoden. (Consumenten thuis opbellen) Marketingdeskundigen willen zoveel mogelijk van de consumenten weten. Wat willen ze, hoe zijn ze beinvloedbaar? Reageren ze op bepaalde reclamecampagnes? Waarom wel of waarom niet? Hebben ze klachten over de voortgang van de productie in een van de vele op elkaar afgestemde productieketens? Etc. Daarom worden vele consumenten bijna platgebeld, vooral onder etenstijd, zodat men er zeker van is dat de mensen in het gezin allemaal thuis zijn. De callcenters doen dit in de eerste plaats om wat te verkopen maar het kunnen ook telefoontjes zijn van enquetebureau’s die de mening willen weten. Zo maken deze belsessies deel uit van de monitoringprocessen. Dat mensen daarop geprikkeld of geirriteerd reageren is vaak niet van belang. Het gaat om informatie verzamelen. Het wordt zelfs zo erg, dat de overheid van plan is een wet te maken waarmee dit opbellen van consumenten kan worden ingeperkt.
Uit de dromen van Hoofdcommissaris Welten blijkt echter wel, dat de bestuurders vaak meer willen en dromen van nog uitgebreidere controles, meer dan volgens de actuele stand van de technologie mogelijk is. Men streeft naar een zo totaal mogelijke controle en naar perfectionering van de neo-logistieke orde die Schrijvers beschreven heeft.

Gebrekkig geprivatiseerd controlesysteem

Maar er zijn ook andere gevolgen van de neo-logistieke orde. Schrijvers benadrukt enigszins eenzijdig de nagestreefde perfectie van dit systeem. Ontsnappen is nauwelijks mogelijk. Maar dit logistieke systeem werkt echter allerminst perfect. Zodra in een van de ketens van een productiecyclus een stagnatie optreedt, kan dit grote gevolgen hebben voor grote delen van de samenleving. Die stagnaties treden op door ongelukken, of uitvallen van automatiseringssystemen, menselijke fouten, maar ook moedwillige onverschilligheid of sabotage. Treinen die in een groot gebied niet meer rijden als ergens een spoor tijdelijk geblokkeerd raakt, lange wachttijden bij allerlei instellingen bij stagnatie in een van de ketens, etc. Menselijk gedrag is toch altijd weer onvoorspelbaar en vaak irrationeel.

Maar er is meer. Je zou kunnen zeggen, dat de hierboven beschreven neo-logistieke orde tegenstrijdig is. Aan de ene kant gaat het om nieuwe vormen van samenwerking, taakverdeling en gecontroleerde organisatie van productieketens op basis van de nieuwste technologien. Aan de andere kant gebeurt dit echter in het kader van het kapitalisme. En dat betekent organisatie van de maatschappij op basis van het concurrentieprincipe en de toe-eigening van organisaties en bedrijven op basis van het particulier winstbejag. Mensen moeten met elkaar concurreren om een deel van de koek. Dit betekent dat veel van de hierboven genoemde controlerende instanties zijn geprivatiseerd. Er vormt zich als het ware een uitgebreid netwerk van virtuele private wachttorens die onderling relaties onderhouden, om het voortdurende proces van de productie goederen, diensten en informatie in de productieketens te managen, maar tegelijkertijd zijn die wachttorens ook elkaars concurrenten. Instanties werken elkaar vaak tegen. Tegelijkertijd is het hele controlesysteem een middel om op de markt geld te verdienen. Overal zijn controlepoortjes, fysiek en virtueel, en worden voorwaarden opgesteld, wanneer je bepaalde (virtuele) poorten mag passeren en wanneer niet. Daarbij kan de voorwaarde zijn dat je eerst moet betalen om te kunnen passeren. De onderlinge relaties tussen al die geprivatiseerde instellingen worden steeds ingewikkelder, waarbij allerlei coordinatieproblemen ontstaan, die de toegang tot voorzieningen frustreren.

Allerlei diensten werden in het kader van de neoliberale politiek verzelfstandigd, zoals de spoorwegen, de telecomsector, vervoersbedrijven, in de gezondheidszorg. Privatisering betekent echter niet altijd, dat bedrijven bij de verzelfstandiging volledig privebezit worden en onderworpen zijn aan de wetten van de concurrentie-economie. Om toch nog greep te houden op het doen en laten van dergelijke bedrijven worden op basis van compromispolitiek diensten wel verzelfstandigd, maar blijven ze een monopoliepositie houden, of behoudt de staat de meerderheid in de aandelen. Privatisering betekent ook de oprichting van zelfstandige bestuursinstellingen ‘op afstand’ die niet meer onder de directe controle vallen van de gekozen bestuurders en die middels budgetteringstechnieken alleen verantwoording hoeven af te leggen over de financiële aspecten van hun werkzaamheden, niet over hoe zij de dienst die zij verrichten organiseren. Vaak krijgen deze bestuursinstellingen ‘op afstand’ de bevoegdheid mee, heffingen op te leggen aan de burgers, meer in zijn algemeenheid is er in de Europese staten een verschuiving van directe belastingen naar indirecte belastingen. Er zijn in zijn algemeenheid steeds verder vervagende grenzen tussen publiek en privaat. Aansluitend op wat gezegd werd over de bestuursinstellingen op afstand zijn de verdeling van verantwoordelijkheden, bevoegdheden en werkwijze tussen markt en privebezit enerzijds en staat anderzijds in de praktijk nauwelijks meer te ontdekken of nauw met elkaar vervlochten.

Twintig jaar geleden al werd een rapport door de Algemene Rekenkamer gepubliceerd, waarin getracht werd deze vervlochtenheid in kaart te brengen.  Ten aanzien van vele beleidsterreinen is het onderscheid nauwelijks meer te maken en uit het rapport van de Rekenkamer bleek, dat dergelijke instellingen nauwelijks verantwoording hoeven af te leggen aan de gekozen bestuurders. Zo is een particuliere garage, die auto’s verkoopt en repareert en daarop winst maakt als particuliere onderneming, tevens uitvoerder van APK keuringen, door de staat ingesteld om te voorkomen dat er gevaarlijk slechte auto’s op de weg rijden. Voorzover die garages zich met APK keuringen bezig houden is de Algemene Wet Bestuursrecht van toepassing, de wet die ingesteld is om het voor de gewone burger mogelijk te maken bij de rechter te protesteren tegen besluiten van de overheid.

Sindsdien is de vervlechting van markt en staat alleen maar toegenomen. De vervlechting betekent, dat er juist steeds ingewikkelder regels komen om de verhoudingen te regelen, maar ook dat  er steeds meer juridische conflicten voorkomen bij de onoverzichtelijke situaties die ontstaan. Het wordt ook door de desocialisatie van de arbeid steeds moeilijker  als consument of als klant eventuele meningsverschillen met een instantie te regelen, omdat het sociaal kapitaal uit organisaties verdwijnt. Er zijn te weinig ervaren medewerkers over waarmee je bij knelpunten in contact kunt treden.  Deze twee oorzaken- de steeds ingewikkelder verhouding tussen instanties en het verdwijnen van sociaal kapitaal in die organisaties leidt ertoe, dat alleen de formele juridische weg- bezwaarschrift en beroepsprocedures kan worden bewandeld. Het aantal advocaten in Amsterdam is het drievoudige van tien jaar geleden.


Er ontstaan duizenden instellingen en organisaties, die deels privaat zijn en deels een publieke taak uitvoeren. Het kapitalisme heeft sowieso als kenmerk, dat een minderheid besluit over de aanwending van de productiemiddelen. Deze vervlechting van markt en staat en de onderwerping aan de wetten van de markt betekent, dat deze omstandigheid wordt uitgebreid en dat de weg voor de burger invloed uit te oefenen wordt verminderd. De oprichting van zogenoemde zelfstandige bestuursinstellingen leidt tot een afbrokkeling van de democratie. Deze instellingen vallen niet meer onder de directe controle van de gekozen organen. Ze hoeven alleen verantwoording af te leggen over de financiële aspecten van hun werkzaamheden, niet over hoe zij de dienst die zij verrichten organiseren. Vaak krijgen deze bestuursinstellingen ‘op afstand’ vergaande bevoegdheden en kunnen ze bijvoord heffingen of andere sancties opleggen aan burgers. Zo vervagen de grenzen tussen het publieke en private terrein. Zo ontstaan er duizenden instellingen en organisaties, die deels privaat zijn en deels een publieke taak uitvoeren. Deze vervlechting maakt dat er steeds meer en ingewikkelder regels komen om de verhoudingen en bevoegdheden te regelen. Belangentegenstellingen worden steeds meer juridische conflicten. Sociale tegenstellingen worden steeds minder in de politieke of maatschappelijke arena uitgevochten en steeds meer in de rechtzaal. De weg voor groepen burgers om op basis van zelforganisatie en sociale strijd voor hun belangen op te komen wordt steeds moeilijker.