zondag 11 januari 2004

Hoe verhouden groepen in de samenleving zich tot de samenleving als geheel?

Discussie in de Balie op zondag 11 januari 2004 om 13.30 uur.

Inleiding Aafke Komter

Het thema van de discussie is ‘wij en zij’. Hoe verhouden groepen in de samenleving zich tot de samenleving als geheel? De vraag is hoe combineren we de groep en het opgaan van mensen in groepen met de samenleving als geheel. Welke rol speelt solidariteit daarin en wat is solidariteit?

Solidariteit is het vermogen daadwerkelijk hulp en zorg te bieden met een belangeloze inzet van gemeenschapsdoelen. De definitie was nog uitgebreider, maar dat heb ik niet genoteerd.
Solidariteit heeft echter ook schaduwzijden. Solidariteit bindt mensen maar verdeeld ook. Je kunt bijvoorbeeld niet  veel zorg aan je ouders besteden en misschien ook aan enkele andere mensen en niet dan ook nog aan andere mensen. Je hebt maar beperkt energie en tijd dus zorg besteden aan je ouders betekent automatisch dat anderen min of meer worden uitgesloten. Solidariteit is selectief: meestal tonen de mensen het gemakkelijkst solidariteit met de groep van de eigen verwanten en is solidariteit met vreemdelingen een schaars goed (geworden)

Solidariteit is dus selectief en uitsluitend. Daarnaast staat tegenover de onderlinge groepssolidariteit dat je deze in stand houdt en versterkt door je af te zetten tegen anderen en een negatief beeld te vormen van die anderen.
Aafke Komter
Hoe meer dit proces van groepen die zich tegen elkaar afzetten plaats vindt, hoe kleiner de bereidheid zal zijn om wederzijds te integreren.
Dus je zou kunnen zeggen dat groepen op basis van etnische, nationale of religieuze grondslag hun vijanden nodig hebben om hun identiteit vorm te geven. Joegoslavië is een bekend recent voorbeeld van hoe dit werkt. De verschillende etnische groepen hebben naast de vijandschap ten opzichte van anderen een sterke onderlinge solidariteit in de eigen groep. Maar anderen uitsluiten is de ontkenning van de menselijkheid van de ander.

Een sterke interne groepssolidariteit noemt Putnan bonding. Een andere vorm van solidariteit is bonding waarbij je je  solidair voelt met mensen met een verschillende identiteit. Dit wordt bridging genoemd. Bridging is solidariteit tussen verschillende groepen een kans geven. Dit is echter niet eenvoudig, want men wil erg toe naar een interne solidariteit, dus bonding. Je zou kunnen zeggen dat er een proces van bonding samengaat met een vorming van de onderkant van de samenleving van laaggeschoolden en kansarmen, dus segregatie. Bridging is een voorwaarde om kansarme groepen en andere te verbinden en dus voor de sociale cohesie van de samenleving als geheel.

Voorwaarden om bridging een kans te geven:
1.      De sociale afstand tussen de bevolkingsgroepen moet kleiner zijn, dus mensen moeten sociaal dichter bij elkaar leven. Grote sociaal-economische verschillen bestendigen het benadrukken van de interne groepssolidariteit, waarbij je je afzet tegen de ander.
2.      Er moet een mogelijkheid zijn om je te identificeren met de ander als die ook dicht in de buurt is. Er moet zich een identificatie en een loyaliteit met mensen buiten de eigen groep kunnen ontwikkelen.
3.      Dürkheim zei al dat de manier waarop je de samenleving organiseert van invloed is op de sociale verbanden die mensen met elkaar maken. In de huidige samenleving met zijn grootschalige organisatie van de productie en stedelijke projecten heerst een groot gevoel van anonimiteit en is de bevolking onderling niet solidair. Juist bij kleinschaliger organisatie vormen kan er juist wederkerig een identificatie en een onderlinge afhankelijkheid ontstaan die bindend werkt. We moeten de homogeniteit doorbreken door organisatievormen in te voeren die tot heterogeniteit leiden/bepalen?
We moeten dus nadenken over de condities waaraan voldaan moet worden om de groep met de samenleving te verbinden.

Daarna vindt de discussie plaats. Voorzitter is Arjan Visser, deelnemers aan de discussie zijn Cor Ofman, theoloog en werkzaam bij het open deur project op het Begijnhof als pastor en medewerker van de Hervormde Diakonie. Iedereen kan bij het Open deur project binnenlopen en hij werkt daar  in direct individueel contact met illegalen en asylzoekers. Verder nemen deel Bahaeddin Budak, hij is imam in Arnhem, af en toe, maar ook medewerker van het Islamitisch pedagogisch Centrum, alwaar hij godsdienstmateriaal ontwikkeld voor islamitische scholen. Hij maakt deel uit van Milli Gorüs Zuid. Verdere deelnemer: Ben Vocking. Hij behoort tot de orde van de Dominicanen en werkt onder Surinaamse katholieken in Rotterdam.

Cor Ofman

De voorzitter stelt een vraag aan de orde. Uit de inleiding bleek, dat religieuze groepen een vijandigheid jegens anderen cq een vijandbeeld nodig hebben ten opzichte van andere groepen?
Cor Ofman zegt dat hij als 5 –jarige overtuigd was van de eigen waarheid en dat er in het dorp waar hij opgroeide een strijd was tussen de rooien en de gereformeerden. Elk leefde in zijn eigen groep. Je kocht je brood bij de gereformeerde cq de rooie bakker. Als je in een geïsoleerde groep zit zul je in het begin een vijandbeeld nodig hebben om je eigen identiteit te bevestigen cq te bewijzen. Maar hij moet constateren dat bij de huidige kerk waar hij werkt en bij islamitische organisaties en zelfs bij de fundamentalistische christelijke kerken dit niet meer herkent. Daar gaat de stelling niet meer op. Wel merkt hij op dat bijvoorbeeld de witte illegalen, de Turkse en Marokkaanse mensen niet bij de moskee terecht kunnen om ondersteuning, of althans in beperkte mate. Hij stelt vast dat men er bij de moskeën van uitgaat dat deze mensen een bepaald stempel opgedrukt hebben gekregen en dat deze kwalificatie niet past bij de mensen die de moskee bezoeken. Ditzelfde geldt voor drugsverslaafden.
Meneer Budak erkent wel wat Ofman zegt. Maar dat heeft te maken met de geschiedenis van de moslims in Nederland. Ze komen oorspronkelijk in het land van herkomst van het platteland, dat een geheel was, waar de grote stadsproblemen niet voorkwamen. Dus er kwamen ook geen drugsverslaafden naar de moskee. Ze hebben niet geleerd ermee om te gaan. Het zal een kwestie van tijd zijn alvorens de moskeen wel meer op dit onderwerp zullen inspringen. Het opleidingsniveau van de moskeegangers speelt ook een rol. Vanuit de theorie van de islam moet je iemand die in moeilijkheden is helpen. Maar nogmaals we weten nog niet zo goed hoe om te gaan met deze grote stadsproblemen. Verder komen in de moskee waar hij imam is ook wel drugsgebruikers; ze drinken er thee maar er is niet een beleid van hen als specifieke groep benaderen, ze komen thee drinken maar veel meer ook niet.
Verder wil hij opmerken dat andere instituties en instanties in Nederland helemaal niet meer praten over de oorzaken van waarom iemand drugs gebruikt. Men gaat dan hulp bieden bijvoorbeeld bij gemeentelijke instanties waarbij ze gratis heroïne of andere faciliteiten krijgen. Dat is niet een preventief beleid; men gaat ervan uit ze zijn zoals ze zijn en ze blijven zo, dat is een andere benadering dan wij voorstaan.
Verder wil hij nog een opmerking maken over het voorbeeld van Joegoslavië van de inleidster. Wat er in Joegoslavie gebeurde had niets met noties van solidariteit te maken. Solidariteit is dat je met iemand anders een bepaald gevoel hebt/deelt en in Joegoslavië was er rivaliteit, geen solidariteit.
Aafke Komter: maar ik heb het erover gehad, dat er in Joegoslavië een sterke interne groepssolidariteit was, geen bridging.
Antwoord van meneer Budak: nee, er was geen sprake van solidariteit, men was niet solidair, want de mensen hadden een kortzichtig uitgangspunt. Solidariteit is dat we het samen beter hebben en als dat niet wordt nagestreefd is het geen solidariteit meer. Solidariteit is ook, dat je de duurzame toekomst van de eigen groep in het oog houdt en dat deden de groepen in voormalig Joegoslavië niet.

Ben Vocking gaat ook antwoord geven op de stelling. Het wij en zij denken speelt volgens hem een zeer prominente rol, ook bij migrantengroepen onderling. Enige tijd geleden was er een bischoppelijke brief waarin dit wij-zij denken sterk tot uiting kwam. Hij merkt bij de Surinamers waarmee hij werkt dat er een sterk gevoel van wij-zij is naar Turken en Marokkanen toe. We zullen dat moeten doorbreken. Wij zullen er met elkaar aan moeten werken dat de samenleving een plek wordt waar we met z’n allen kunnen leven.
Meneer Budak zegt dat het op zich wel goed is dat de mensen een eigen plek hebben waar ze zichzelf kunnen zijn en waar men elkaar weerbaar kan maken, maar dan wel om verder te komen, dus we moeten nadenken hoe onze gezamenlijke toekomst eruit ziet. Wij zijn hier als migranten om verschillende redenen gekomen maar we ontdekken nu dat we erg vastzitten aan deze samenleving en daarom engageren we ons ook met het lokale niveau en bemoeien we ons daar met kwesties als onderwijs en huisvesting. Dat is bridging. Dit is een langzaam op gang komend proces. In de geschiedenis van de Turkse en Marokkaanse moslims was het eerst zo, dat we ervan overtuigd waren dat we terug zouden gaan. Daarbij ontwikkelden onze gemeenschappen zich door een vasthouden aan de identiteit van de eigen groep waarbij we ons hebben afgezet tegen de omgeving. 

Nu weten we dat we hier zullen blijven. Dus zullen we ook anders moeten omgaan met de omgeving. Dus er was in onze ontwikkeling eerst bonding, de ontwikkeling van de eigen groep, maar omdat we nu weten dat we niet zullen terugkeren moeten we omschakelen. De moskees in de negentiger jaren, daar hebben ontwikkelingen plaatsgevonden. Men richt zich meer op eigen scholen, voorzieningen en er worden bedrijven opgericht waarbij een intensief contact met de omgeving noodzakelijk is. Ook zijn er vertegenwoordigers van moskeebesturen en organisaties die een bepaalde plaats hebben in bijvoorbeeld wijkplatforms en er zo een dialoog ontstaat met anderen.
Ofman herhaalt echter dat de samenwerking tussen kerken en moskeen moeizaam verloopt en dat ze niet samenwerken bij de opvang van bijvoorbeeld drugsverslaafden en illegalen.

Meneer Budak herhaalt dat de eerste generatie nu langzaam terugtreedt, uitsterft, dat een tweede generatie het roer overneemt en dat er al een derde generatie is die hier is geboren. Het is een langzaam proces.
Vraag hoe snel gaat het eigenlijk, zal het ooit zover komen dat ook illegalen, weggelopen meisjes en drugsverslaafden worden geholpen?
Meneer Budak: in de toekomst wel want de islam staat er theoretisch gezien voor open. Het is een missiegeloof. Iedereen is welkom en moet geholpen worden. Maar wat u noemt is een nieuw fenomeen waarvan we niet weten hoe ermee om te gaan. Ik heb een voorbeeld van een Antwerpse Imam, die een scholier geld voor drugs gegeven heeft om te voorkomen dat hij zou gaan roven en stelen.
Ofman schrikt een beetje van het antwoord. Moeten we de drugsgebruiker zien als de verloren zoon, die weer terugkeert in de schoot?. Hij haalt het voorbeeld aan van de herdenking van Anja Joos. Daarbij werd in een toespraak zowel aandacht besteed aan de dader als aan het slachtoffer. Het gaat erom, leg je de nadruk op wat ons scheidt of op wat ons bindt.

Er wordt de opmerking gemaakt dat ook in de eigen groep bonding voorkomt, de tweede generatie die zegt: we moeten de eerste generatie afschrijven. Dat is ook eng en dat gebeurt in eigen kring.
Meneer Budak legt nog eens de uitgangspunten van de islam uit. Wij moeten ons opstellen zoals de profeet Mohamed tegenover een prostituee. Er was eens een prostitiuee die op pad ging en nog een lange weg had te gaan. Ze kwam toen ze dorstig was bij een put met water. Daar tapte ze water uit en dronk ervan. Toen kwam er een hond aan en ze zag dat de hond het vochtige zand likte waar wat water op gevallen was. Daarop trok de prostituee een schoen uit en vulde die met water voor de hond. Mohamed zei daarop dat deze prostituee in de hemel zal komen, en niet in de hel. Hij zegt ook niet dat de prostituee goed is, maar dat iedereen de kans heeft om goed te worden.
Meneer Budak erkent nogmaals dat illegalen maar beperkt worden geholpen. Maar de kerken willen meer actionistische activiteiten. We moeten wel beseffen, dat de moskeen in Nederland betrekkelijk jong zijn en nog steeds een vreemde eend in de bijt van de Nederlandse samenleving. De kerken daarentegen hebben een historisch gegroeide plaats in de Nederlandse samenleving op basis van een ontwikkeling van eeuwen. Als deze kerken illegalen opnemen of actie voor hen voeren kunnen zij gebruik maken van hun gezag en hun plaats in de historische traditie. Maar wat, als wij als moskee dezelfde actie voeren? De reactie zou wel eens een heel andere kunnen zijn. Zou een moskee die illegalen opneemt worden gesloten? Wij weten het niet. Wij zijn er bang voor dat als we illegalen helpen dat we dan niet op dezelfde manier behandeld zullen worden.
Ofman zegt dat het dan goed is om zo’n experiment eens te doen als testcase of er sprake is van gelijke behandeling. Het zou goed zijn als de broeders en zusters van de moskee als daar ook de standpunten worden ingenomen voor de illegalen dat dat wordt verkondigd, ook dat voorbeeld van de profeet. Zo’n testcase zou goed zijn. We verwachten als kerk dat als we illegalen opnemen dat ze als spelregel niet zomaar uit de kerk worden gehaald.
Meneer Budak brengt nog een ander argument naar voren. En dat is de economische situatie van de moskee. Zo ’n actie kost geld. En de eerste moskeën zijn vaak gevestigd in oude panden die eerst een andere bestemming hadden en de moskeën worden financieel gesteund door minder draagkrachtigen dan de autochtonen. De kerken zijn rijker dan de moskeën. Dat is ook een reden.

Ofman uit kritiek op minister Verdonk. Er is een verharding van de samenleving. We hebben als diakonie een solidariteitsnetwerk met ongedocumenteerden gesteund waar op de bijeenkomsten wel vertegenwoordigers van KMAN en HTIB komen maar slechts een vertegenwoordiger van een moskee. De moskeën zouden toch meer kunnen doen/zich actiever kunnen opstellen.
Iemand merkt nog op dat de redenen die meneer Budak geeft te mager zijn. Hij antwoordt dat er in Arnhem ook wle het een en ander gebeurt maar dat het beperkt is. Hij vindt het jammer, maar wat kan hij er verder van zeggen. Hij noemt ook nog als factor dat de meeste bestuurders van moskeën nog steeds geen Nederlands spreken. Theoretisch religieus moedigt de islam die samenwerking en inzet aan. Iemand vraagt zich toch af of de bridging in alledrie de religies aan tafel wel even sterk is. Het is jammer dat er in Amsterdam op het hiervoor genoemde initiatief geen reactie kwam van de moskeen.

Ben Vocking brengt naar voren, dat we ook moeten signaleren, dat ook de hervormden en de katholieken het laten afweten, want als daar meer zou gebeuren, de opvang en de acties breder gedragen zouden worden we de regering en zo meer onder druk konden zetten. Men zegt wel we helpen die groepen, maar het is ook een soort alibi. Hij noemt een voorbeeld. Bij de dood van Fortuin schreven de migranten pastores een brief aan de kerken in Rotterdam waarin men zich zorgen maakte over de positie van de migranten. Met als boodschap: kerkbezoekers doe es wat. We hebben tot nu toe geen antwoord ontvangen. De christelijke kerken doen ook te weinig.
Ofman antwoord dat beperkende geluiden ook binnen de diakonie hebben geklonken. Men zei we hebben nu die witte illegalen geholpen, dat project loopt nu af, we gaan ons minder met die hulp bezig houden van nieuwe groepen en zo. Zelfs vanuit een behoudende hoek van de Gereformeerde Bond kwamen toen geluiden van: ho eens even, dat gaat zomaar niet. Trek je consequenties uit het geloof. De diakonie geeft nu per jaar 1 miljoen euro uit aan de ondersteuning.
Ofman stelt, dat er enkele duizenden illegalen zijn in Amsterdam. Het gaat in totaal om 1% van de Nederlandse bevolking. Dat moet met onderlinge solidariteit te managen zijn, maar het gebeurt niet. De diakonie helpt vanuit de noties van barmhartigheid en rechtvaardigheid. Dit betekent helpen onder protest omdat de overheid een vangnet moet bieden en een schild voor de zwakken zijn. Wij hebben een komitee voor de rechtvaardigheid van ongedocumenteerden opgericht die aanvankelijk met 250 witte illegalen in de Mozes en Aäronkerk zouden trekken, maar dit ging niet door. Toen is wel het comité ontstaan. Het is bedoeld als een gezamenlijk initiatief om de strijd voor de illegalen te versterken. We hebben veel brieven met uitnodigingen verstuurd waaronder een naar Milli Gorüs. De bekende woordvoerder van die groepering in de zaal zegt dat als het gaat om actie voeren voor illegalen in de zin van ene hongerstaking, dan voelen moslims zich daar niet prettig bij. Wij stellen het aan de orde bij onze preek op vrijdagmiddag en in de discussie die daarna volgt maar verder niet. 

Ofman vraagt of ze mee willen doen aan het netwerk voor ongedocumenteerden. Antwoord: nou dat is voor ons geen probleem, maar ik moet eerst meer dingen erover weten, ik weet niets van de uitnodiging/brief die is verzonden. Iemand uit de zaal stelt dat het niet op de hoogte zijn van elkaars activiteiten en uitnodigingen natuurlijk wederzijds is. Weet Ofman eigenlijk wel, wat Milli Gorüs doet?
Ofman: wij hebben op een gegeven moment de illegale migranten bij elkaar gebracht en wij hebben toen bij Milli Gorüs gegeten en we hebben toen gepraat, maar dat heeft geen vervolg gehad in de zin van deelname van Milli Gorüs aan het netwerk.

Brigitte de Jong werkt in een project in Amsterdam Zuid-Oost waarbij de contacten tussen de verschillende kerken worden bevorderd. Zij beaamt dat de westerse kerken een eeuwenlange traditie in Nederland hebben en dat er aan de andere kant een jonge islamitische kerk in Nederland is. Daar zijn ze nog met bonding bezig. Er is sprake van asymetrie in de solidariteit. We hebben het hier over ene wij-zij relatie met machtsongelijkheid. Is dit niet hypocrite solidariteit? Kan mevrouw Komter meer hierover zeggen, de relatie is niet symetrisch.
Mevrouw Komter zegt dat het waar is dat er een ongelijkheid bestaat. Ook van financiele middelen. Maar dit hoefte betrokkenen er niet van te weerhouden een bijdrage te leveren. De Nederlandse kerken hebben wel macht en mogelijkheden, maar toch kunnen de anderen in beperktere mate ook ene bijdrage leveren.
Imam Budak springt hier op in. In het klein gebeurt er al heel veel in moskeeën, en er komen bijvoorbeeld in Arnhem twee of drie mensen iedere week die dakloos zijn en dan daar overnachten omdat er in Arnhem en naar blijkt ook in Amsterdam een regeling voor daklozen bestaat dat ze maar een beperkt aantal nachten achter elkaar in daklozencentra mogen verblijven. Om de tussenperiode dan te overbruggen verblijven ze bij ons. Het is een klein voorbeeld maar er zijn andere voorbeelden. Het is niet de voortdurende hulp die we zien bij de kerken, maar toch. De economisch-sociale redenen waarom dit zo is heb ik al genoemd.
Iemand uit de zaal merkt op dat hij een wetenschappelijk onderzoek heeft verricht onder dertig Rotterdamse Moskeen naar bridging. Twee derde van de moskeen houdt zich bezig met inter-religieuze activiteiten. Er zijn open dagen voor buurtbewoners, en een maaltijd programma gedurende de Ramadan.

Iemand uit de zaal zegt: Milli Gorus moskeen krijgen veel daklozen en drugsverslaafden binnen maar dat is meer in anonieme zin. Als je je teveel richt op een specifieke doelgroep dan krijg je ze niet binnen.

De vorige spreker legt uit dat er daarnaast ook een grote solidariteit is met de landen ven herkomst. Er zijn in moskeeën verschillende programma's die daaraan voldoen. Hij heeft ook daarnaar wetenschappelijk onderzoek verricht. Uit 112 moskeen in het onderzoek is de helft bezig met zulke activiteiten. Bijvoorbeeld een kledingactie, acties met medicijnen en geld verzamelen voor slachtoffers van natuurrampen, zoals een aardbeving in Iran. Er gebeurt heel veel maar het is niet zo zeer zichtbaar in de Nederlandse samenleving.
Tita Veldman heeft onderzoek gedaan naar de gezondheidszorg voor aylzoekers bij het COA. We moeten het dynamische aspect benadrukken. Er gebeurt voortdurend iets. Wat zij wil zeggen is dat ook het maatschappelijk debat invloed heeft op of mensen naar bridging toegaan. Een goede en rechtvaardige gezondheiedszorg leidt tot bridging, een slechte gezondheidszorg heeft negatieve effecten. Het maatschappelijk debat heeft invloed op de manier waarop mensen met elkaar omgaan. Als mensen negatieve verhalen tegen elkaar houden over slechte ervaringen in de gezondheidszorg, dan bevorderd dat niet de bridging.

Iemand is werkzaam in een project in Zuid-Oost om inter-religieuze ontmoetingen te organiseren. Zij bevestigd de asymetrische relaties. Vanuit de gereformeerde kerken is er ook een noodzaak tot samenwerking. Ze hebben te maken met een afnemend kerkbezoek en ledental. Van daaruit proberen ze bridges te maken naar andere gemeenschappen toe. Die anderen zijn echter in een opbouwfase, het zijn nieuwe kerken. Wat ze doen, blijft vaak onzichtbaar, ook al omdat ze vaak illegaal zijn gehuisvest, 30 kinderen in een klein zaaltje om onderwijs te geven? Het mag niet. Dus ze kunnen ook niet teveel in de publiciteit treden. Om die reden verkiezen ze zelf om in de anonimiteit te blijven.

Ofman beaamt dat voor de witte kerken het helpen onder protest een historische traditie is, die is gegroeid in de jaren ’50 en ’60 en dat zich daar een zeker zelfbewustzijn in dat opzicht heeft ontwikkeld om de hulp neer te zetten op de kaart van protest. Overigens is er in Zuid-Oost een kerkhuis opgericht voor de jonge kerken met de bedoeling dat ze dat over drie jaar zelf kunnen overnemen. Hij beaamt dat er ook veel in stilte wordt geholpen.


Lezing van Jagdish Bhagwatti

De Balie kondigt op haar affiche de lezing van Jagdish Bhagwati, die op zondag 11 januari 2004 om 15.00 uur werd gehouden  als volgt aan. ‘ De Indiase ontwikkelingseconoom Jagdish Bhagwati, professor aan Colombia University (NY) en inspirator van Johan Norberg, houdt een hartstochtelijk pleidooi voor arbeidsmigratie. En bekritiseert de ‘anders-globalisten’. De professor hield zijn betoog in het Engels met soms enigszins binnen ’s monds gemompel en doorspekte dit betoog met jiddische moppen, humoristische opmerkingen over het hindoeisme, levenservaringen in zijn gezin, etc. en dit gevoegd bij de beperkte kennis van het Engels van de notulist maakte het niet eenvoudig van zijn betoog verslag te doen.
De professor begin met te zeggen dat hij in economische zin veel over de globalisering kan zeggen, maar hij wil vanmiddag praten over migratiestromen. Hij heeft in dit verband een boek geschreven, ‘ In Defense of Migration’.

Hij wil bij migratie een onderscheid maken tussen twee vormen:
1.      De deels illegale migratie in Europa en de Verenigde Staten van voornamelijk minder of ongeschoolden
2.      De braindrain van geschoolden en hoger opgeleiden vanuit de ontwikkelingslanden

Jagdish Bhagwatti
Daarbij zitten er volgens hem aan migratie 6 dimensies. 3 dimensies hebben betrekking op doellanden en 3 op de vertreklanden. Eerst de doellanden.

1.      De economische dimensie. In de fabrieken voor 1973 was er een economische noodzaak om migranten, de ongeschoolde gastarbeiders, te laten komen. Ze waren nodig in de fabrieken. Maar aan deze fabrieksarbeid is in het westen minder behoefte. Door robotisering van de productie staan er aan het eind van de lijn twee ongeschoolde mensen die het productieproces in da gaten houden. Er zijn nu juist mensen nodig die goed geschoold zijn om machines te ontwerpen en om eventuele problemen met de robot te kunnen oplossen. Dus de vraag is veranderd van ongeschoolde arbeid naar geschoolde arbeid (skilled labour). Nu zijn ongeschoolden vaak werkzaam in de restaurantservice, bij het schoonmaken en allerlei ongeschoolde functies op vliegvelden, etc. Je zou kunnen zeggen dat de lonen te laag liggen (hij gebruikte een specifieke Engelse economische term) en dat die prijs voor de witte mensen te laag ligt om hen ertoe te brengen dat werk te doen. Je zou kunnen zeggen dat voor de zwarte mensen in Amerika hetzelfde geldt. En het geldt ook voor de een-oudergezinnen. Het is ook zo, in getto’s in Amerika kunnen de jongeren en anderen in de criminaliteit en de drugs snel veel meer geld verdienen, dat is rendabeler dan een onderbetaald schoonmaakbaantje. Dus ze doen het niet. Ook op het gebied van huishoudelijk management is er in de doellanden een duidelijke vraag. Er is dus nog wel vraag naar ongeschoolden, maar de situatie is totaal anders dan bij de traditionele gastarbeid. Een ander punt zijn de hooggeschoolden. Landen beconcurreren elkaar om deze hooggeschoolden, dus er is een redistribution of needs. Bush heeft nu regulariserings maatregelen genomen. Er zal een nieuwe vraag naar ook ongeschoolden ontstaan door de terugval van het geboortecijfer. Er zijn allerlei projecties in dit verband naar de toekomst. Men is bang voor situaties als in Duitsland en Italië. Dus als je de beroepsbevolking in stand wilt houden heb je migranten nodig, Je hebt jonge mensen nodig die premies betalen.

2.      De tweede dimensie heeft betrekking op de zekerheidsdimensie. In de Europese landen worden maatregelen getroffen om de toestroom in te perken cq te reguleren. Denk maar eens aan de Schengen akkoorden. Deze maatregelen en pogingen beïnvloeden het migratiedebat. Zou je kunnen stellen dat er meer onzekerheid ontstaat, dus onhoudbaarheid van de verzorgingsstaat door migratie? Die stelling is niet bewezen.

3.      De derde dimensie heeft betrekking op de sociale implicaties zoals die bijvoorbeeld in de Verenigde Staten bestaan. De democraten zeiden: de influx van illegalen gaat tot een onderklasse leiden die concurreert met de zwarte bevolking. Zij voerden een ‘ distribution policy’. Denk aan de zwarte socioloog Julius Wilson. De democraten zeiden over de migratie: die illegalen moeten min of meer tegengehouden worden. Ze sloten daarbij in feite een soort monsterverbond met rechtsen/conservatieven die tegen immigratie waren. Maar dan de Amerikaanse vakbonden. De AFCIO was eerst tegen de immigratie, maar heeft haar standpunt totaal omgekeerd. De Republikeinen zeiden ook: je kunt de migratie niet stoppen. De illegalen blijven hier toch. We zullen ermee moeten leven in plaats van steeds maar te proberen ze weg te krijgen. We moeten midellen bedenken (constructing models) om hen te legaliseren en de vakbonden zeiden in dat model moet ook zitten dat ze lid van de vakbond worden en dan verbeteren we onze eigen en hun positie. Dat is een complete ommekeer in het denken van de vakbonden. De Democraten weten dit. De Europese situatie is hetzelfde. Kijk naar Duitsland met zijn oude gastarbeidsers systeem, waar Bhagwati een studie van heeft gemaakt. Hij was enige tijd geleden op een demonstratie in Duitsland waar de vakbonden zeiden: het gaat om hun en onze rechten. Hun strijd is onze strijd. Vervolgens maakt hij half in het Duits en half in het Engels een witz over: Mein Kampf. De migratie heeft verregaande sociale implicaties: wat gebeurt er met onze werkers en armen en met hen.

Vervolgens zijn er drie dimensies die betrekking hebben op de zendende landen.

1.      Er is een brain drain van geschoolde arbeid. Daarbij kun je twee groepen van landen onderscheiden: allereerst landen als India, Argentinië, Zuid-Korea. Daar is de emigratie van geschoolden, de brain drain een grote kans en zo beschouwd men het ook. Er worden zelfs instituten en universiteiten gedeeltelijk opgericht om bijvoorbeeld hooggeschoolde verpleegsters naar het buitenland te sturen. Het is duidelijk dat die instituten speciaal voor dat doel werden opgericht. De policy is maximale access tot deze instituten. Bij de Afrikaanse landen ligt dit geheel anders. Deze landen verliezen veel te veel geschoolde arbeidskrachten (skilled manpower) en in de landen met vroeger koloniale regiems en de burgeroorlogen is er een groot gebrek aan getrainde mensen. Zonder skills is ontwikkeling van die landen niet mogelijk. De middengroepen verdwijnen uit die landen, er is een gebrek aan geschoolden en dit hangt samen met de burgeroorlogen die daar worden gevoerd. Relatie vrijhandel/ protectionisme met outflux dus market access heeft negatieve gevolgen.

2.      De illegale migratie van ongeschoolden. Iedereen is gelukkig. De migranten sturen geld naar huis, dus dat is goed. De hooggeschoolde migranten doen dat veel minder. Hij zegt dat grote sociale ongelijkheid ook een zegen kan zijn. Beter 1 biljonair dan 100 miljonairs. Bij niet al te grote beloningsverschillen wordt de luxe goederen industrie van overbodige producten bevorderd. Want mensen die een klein beetje meer hebben, die gaan dat gebruiken om luxe goederen te kopen zoals plezierjachten. Als er veel mensen zijn die wat minder verdienen en een kleine groep die zeer veel heeft, dan is dat niet zo'n probleem, want die zeer rijken hebben ook wel een plezierjacht, maar ze hebben zoveel geld, daar kunnen ze niet alleen maar plezierjachten van kopen dus ze zullen met dat vele geld iets moeten en dan wordt het gewoon geherinvesteerd in nuttige productie. Dit soort sociologische noties cq bestudering ten aanzien van sociale ongelijkheid en de economische gevolgen ervan zou meer bestudeerd moeten worden.

3.      De derde dimensie heeft betrekking op de mensenrechten en op de sociale gevolgen van het verblijf van illegalen en in hun leefsituatie. Over mensen rechten zegt hij het een en ander maar met name over de gevolgen van de migratie op het gebied van taal en talen. In de Verenigde Staten heeft de illegale migratie, waarbij men mensen in de illegaliteit hield, tot gevolg dat de Verenigde Staten een multi-talen gemeenschap aan het worden zijn, vooral ook door de komst van Latino’ s met Spaans naast Engels. Maar ook in andere opzichten een meertalige samenleving. Het isolement waarin illegalen leven en de noodzaak bijvoorbeeld Spaans te kennen om je in de eigen groep cq de onderkant van de samenleving overeind te houden heeft grote gevolgen op taalgebied. In dit verband haalt hij een jiddische witz aan. Een Pakistaanse man, die alleen een voor anderen onverstaanbaar Pakistaans dialect sprak begaf zich illegaal naar Amerika en kwam terecht in de winkel van een Joodse man in New York en vroeg of die werk voor hem had. Dat was het geval. Dat duurde enige tijd en toen werd een van de joodse klanten door de Pakistaanse man in het jiddisch aangesproken toen hij een bezoek bracht aan de winkel. De bezoeker was blij verrast en sprak de eigenaar van de winkel erop aan. Wat geweldig dat deze Pakistaanse man jiddisch spreekt en.. de winkeleigenaar schrok en bracht zijn wijsvinger naar zijn lippen. ‘Sshht, he thinks I am learning him English’.


Dan volgt de discussie. De notulist heeft daarvan het volgende genoteerd: professor Bhagwati zegt dat er twee vormen van globalisering zijn, de economische en die van de Civil Society. Hij wil een mondiaal migratie-instituut dat als eerste taak heeft om migratie politieken te inventariseren en ‘ best practices’ naar voren te brengen. Dit naar analogie van de ILO waarbij de twee vormen van globalisering samenkomen en er overleg kan plaatsvinden. Er moet niet op basis van theoriën van bovenaf gewerkt worden maar gekeken worden naar de best practices, die elkaar beïnvloeden. Hij heeft kritiek op het mondialiseringsconcept van allerlei analytici en de anders globalisten waarbij alle onrechtvaardige toestanden in de wereld worden teruggebracht tot het mondialiserings verschijnsel. Alles wordt aan dat fenomeen toegewezen. In dit verband haalt hij aan dat hij als adviseur van Kofi Anan bij de VN steeds maar weer rapporten onder ogen kreeg waarin stond als gevolg van de mondialisering… en dan werd een of ander verschijnsel genoemd. Hij zei tegen Kofi Anan: ‘ what the hell has this to do with mondialisation’. Verder blijkt kort uit de discussie dat hij over de samenhang verzorgingsstaat vs migratie meningen heeft die tegenovergesteld aan die van Entzinger zijn, die ook in de zaal zit. Maar hij zegt erbij dat hij van de Nederlandse situatie niet veel weet.


vrijdag 9 januari 2004

Migratie en verzorgingsstaat

Vrijdag 9 januari 2004. 20.00 uur. Presentatie van twee boeken en lezing van Abram de Swaan met debat na afloop tussen Minister van Sociale Zaken Aart Jan de Geus, Abram de Swaan en Han Entzinger, hoogleraar. Natasja Kuit heeft de leiding van de discussie.

Jelle van der Meer, een van de auteurs van de boeken en hoofdredacteur van het Groen Links Magazine, opent de avond met een korte inleiding waarin hij de probleemstelling neerzet. De verzorgingsstaat komt steeds meer onder druk te staan omdat er een steeds toenemende migratie is, of constante migratiestromen, waarbij een deel van die mensen een beroep doet op de voorzieningen die niet meer te bekostigen is. Hij constateert dat solidariteit altijd aan grenzen is gebonden. Zij voltrekt zich in de vorm van steeds wijder wordende kringen. Eerst de eigen omgeving, familie of buren en geliefden, dan een wat groter verband, en uiteindelijk de nationale staat. We zullen op zoek moeten gaan naar nieuwe grenzen, zoals privatisering of charitas. Dit om te voorkomen dat bij doorgaande migratie de grenzen worden getrokken waar we ze niet willen, waarbij hij als voorbeeld de Rotterdamse plannen noemt.

Dan volgt de inleiding van De Swaan. Hij begint met een vergelijking van Europa en Amerika en zegt dat Amerika misschien wel een sociaal land is omdat ze daar geen verzorgingsstaat hebben. Er is dus ook geen druk op met de migratie en dus kan Bush zeggen dat hij 8 miljoen illegalen tijdelijk wil legaliseren.

De migranten hebben volgens hem een Januskop, zoals ook uit de twee boeken blijkt. In het ene boek zijn ze uitkeringstrekkers, in het andere boek zijn ze de gevers. Ook zegt hij dat de toenemende migratie het zichtbare externe effect is van de armoede in de Derde wereld.

Vervolgens gaat hij eerst in op de oorzaken voor het ontstaan van de verzorgingsstaat. Dit heeft hij in zijn boek ‘de staat van Nederland’ geanalyseerd. De verzorgingsstaat is niet ontstaan door de acties en emancipatiebewegingen van de armen, maar de rijken hadden last van die armen. Je ziet in de geschiedenis een steeds verdere uitbreiding van de verzorgingsstaat om dit tegen te gaan. De rijken waren ook min of meer gedwongen om zich te organiseren, een staat in stand te houden, etc, om ervoor te zorgen dat de onderlinge solidariteit van de rijken zou voorkomen dat rijken zich zouden onttrekken aan de financiële lasten die het optuigen van de verzorgingsstaat met zich mee zou brengen. Welke last hadden de rijken nu van de armen? Er zijn vier soorten.
  1. Ze stelen, roven en zijn crimineel
  2. Ze komen collectief in opstand in hongeroproeren, etc.
  3. Ze zwerven rond en verzorgen zo overlast. Je zou kunnen zeggen dat de migratie de moderne vorm is van dat rondzwerven
  4. Ze worden ziek door de slechte leefomstandigheden en besmetten de rijken.
 De cholera heeft de aanzet gegeven tot de stedelijke vernieuwing. Men geloofde, dat de cholera veroorzaakt werd door een klein beestje dat je kon inademen, en dat in modder leefde. En dat als men door woningbouw etc de leefomstandigheden van de armen verbeterde dit zou verdwijnen. Zo zijn de voorzieningen steeds verder uitgebreid.

De grote vraag is nu: zou die schaalvergroting in de geschiedenis van de verzorgingsstaat, die de rijken hebben nagestreefd, zich nu op boven- nationaal niveau gaan voortzetten?
Na het boek dat hierboven werd genoemd heeft De Swaan zich bezig gehouden met de Den Uyl lezing uit 1986 waar die vraag, die aan het eind van het boek wordt gesteld, verder wordt uitgewerkt. Zal er een collectieve actie komen van de rijke landen in dat opzicht? Is dat voor hen noodzakelijk? Of zullen de milieuproblemen er misschien als externe factor toe leiden?
De Swaan zou bijna zeggen als het gaat om de externe factoren die de rijken triggeren iets te doen misschien is een zegenrijke cholera epidemie wel noodzakelijk. Artsen/medici kunnen dan verklaren, het komt van de armoede.

Laten we de verschillende factoren van de armen waar de rijken last van hebben eens langs lopen.
Misdaad en rebellie zijn tot nu toe regionaal beperkt, dus daar hebben de rijken geen last van. De enig merkbare overlast is de migratie. Zal dit leiden tot veranderingen? En inderdaad hebben de rijke landen vormen van inkomensoverdracht, ontwikkelingshulp en opzet van ontwikkelingsprojecten in de herkomst landen cq de derde wereld opgezet om de immigratie in het westen te verminderen. Maar de huidige discussie is, dat ontwikkelingshulp niet helpt. De Swaan was enige jaren geleden in gesprek met zijn tandarts en die zei: ja ik zeker betalen voor ontwikkelingshulp, dat betekent betalen voor het gouden bed van een minister in Ghana. Toen dat gesprek plaatsvond kreeg De Swaan het schaamrood op de kaken en verdedigde hij de ontwikkelingshulp. Nu denkt hij er bijna net zo over als die tandarts. Ontwikkelingshulp, hebben we ervaren, werkt niet. 

Daarentegen de inkomensoverdracht die plaats vindt omdat migranten geld naar het land van herkomst sturen en hun familie en dorpsgenoten steunen is veel effectiever en ook uitgebreider. In die zin is migratie positief voor de ontwikkelingslanden en ook nog beter dan ontwikkelingshulp. In het ene boek wordt dit moreel entrepreneurschap verder uitgewerkt. (Zie ook Marja Vuijsje). De Swaan legt uit hoe dit werkt. Het is in de sociale relaties een voortdurend duwen en trekken op een subtiele manier om geld los te krijgen cq geen geld te hoeven geven. Hij noemt het Nederlandse voorbeeld van een vader die met zijn studerende zoon in gesprek is en waaruit de kracht van het zwijgen bij de potentiële ontvanger blijkt. Hoe gaat het jongen. Nou, eh, eh och het gaat wel. Je eet toch wel goed, jongen? Nou, eh och…En uiteindelijk geeft de vader geld. Dit zwijgen van de persoon die geld nodig heeft zie je ook bij de in stille armoede levende mensen in het land van herkomst tegenover de migranten. En er zijn nog meer van dit soort sociale processen. We zouden een onderzoeksproject moeten opzetten over hoe deze processen van sociale overdracht plaatsvinden. De effecten van deze overdrachten zouden beter moeten worden onderzocht als alternatief voor de huidige ontwikkelingshulp dus dergelijke vormen vanuit een zeker bevorderen van migratie.

Dan gaat de Swaan in op de andere kant van de Januskop, de migrant niet als gever maar als uitkeringstrekker en ontvanger. Immigratiestroom, ½-1/2 vs ½ -1/2 dus argument sans papiers uit Frankrijk.
Bij het reguleren van de migratiestroom worden we geconfronteerd met morele dilemma’s. Er zijn morele grenzen aan het indammen. We kunnen theoretisch een politiestaat vestigen, waarbij we voortdurend op willekeurige plaatsen binnenvallen en in huizen controleren op illegalen en hen uitzetten. Ook kunnen we aan de grenzen met scherp schieten op illegalen. We kunnen ze ook hier op straat laten sterven. Maar dat willen we niet, dat gaat te ver, dus er zijn voor een politiestaat waarmee je theoretisch de toestroom zou kunnen stoppen morele grenzen waar we niet overheen willen. Hij benadrukt nogmaals dat Amerika wel sociaal is. Er worden allerlei regelingen in stilte toegepast waar men niet teveel over praat. Ook heeft men daar een combinatie van migranten tegenhouden en toelaten. Dus Amerika is wel een moreel land.

Dan volgt de discussie tussen de Geus, Entzinger en De Swaan. De Geus wil nog wel eens ingaan op de theorie van De Swaan. Gaat het om het eigenbelang van de rijken, zullen SARS en Aids de ontwikkeling op gang brengen van schaalvergroting van de verzorgingsstaat. Hij denkt van niet. Ze zijn daarvoor niet bedreigend genoeg. Iemand noemt het terrorisme. 

Minister A.J. de Geus
Er zijn drie redenen waarom het terrorisme volgens De Geus niet als katalysator zal werken. De eerste is dat de meeste terroristen zich niet richten op het vraagstuk van de kloof tussen arm en rijk. Ze hebben andere thema's. De tweede reden is dat het vaak niet gaat om een tegenstander die je kent of die je zou kunnen kennen en waarmee je op termijn tot overeenstemming kunt komen. Je kunt er niet mee overleggen. Dus het terrorisme zal ook niet als katalysator werken. (De notulist heeft de derde reden gemist)
De Geus denkt ook, dat het huidige stelsel niet houdbaar is op den duur. Hij denkt echter net andersom als Jelle van der Meer wat de solidariteitskringen betreft. De solidariteit is juist georganiseerd op nationaal niveau, vanuit een nationaal besef van normen en waarden en het gevoel zoals dat na de Tweede Wereldoorlog in Nederland bestond, nl om het land op te bouwen en samen de economische ontwikkeling te bevorderen. De solidariteit is in dat proces juist weggehaald uit de kleinere kringen dus de bedrijven en op lokaal niveau. De discussie over solidariteit en sociale zekerheid zal meer op Amsterdams niveau gevoerd moeten worden, je zou kunnen zeggen dat deze discussie op landelijk niveau failliet is. De ontwikkelingen in de vijftiger jaren en daarna waren alleen maar een klein toevallig bergje in de ontwikkeling van solidariteit. We moeten het weer in kleine kring organiseren, dus wijzen op de eigen verantwoordelijkheid van de burgers hetgeen betekent kringen van solidariteit opbouwen op lokaal niveau en vanuit die kringen moet een verdergaande solidariteit ontstaan. 

Er wordt een vraag gesteld over de missers van De Geus bij het Robin Hood fonds, zoals dat was voorgesteld door Groen Links. De Geus: ik heb me daar inderdaad vergist. Ik dacht eerst het is een particulier initiatief van mensen die geld over hebben en die daar iets mee willen doen, als de overheid daarmee gaat samenwerken is niks mis mee. Maar de solidariteit is ook een eigen verantwoordlijkheid van de overheid, dat moet je niet vermengen met het particulier initiatief. Dat model van mij van lokale solidariteit en in bedrijven geldt voor het ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, maar ook voor de migratie.
De Geus: de houdbaarheid staat of valt niet met de druk van de migratie er is geen rechtstreeks verband. De onhoudbaarheid ontstaat door de erosie van de stelsels. We hebben de solidariteit te ver van de mensen af georganiseerd, iemand betaalt anoniem belasting, zonder concreet iemand op het oog te hebben die ervan profiteert, en aan de andere kant is het aanspraak maken op voorzieningen, op een bijstandsuitkering ook een anonieme zaak geworden als een abstract recht, waar je aanspraak op maakt los van dat het moet worden opgebracht. In tegenstelling tot wat zou moeten wordt belasting betalen of het feit dat je leeft in een verzorgingsstaat als onplezierig ervaren. De erosie komt van binnenuit, niet van buitenaf. Er zullen ook geen grote stromen migranten naar Nederland komen die de financierbaarheid in gevaar brengen. We moeten mensen meer aanspreken op hun verantwoordelijkheden en het model kantelen. 

Het gaat altijd zo, eerst ontwikkelt zich een bepaald bewustzijn, dan komt er een politiek besluit en daarna wordt het in de praktijk gebracht, dat gaat langzaam, het is moeilijk op dat niveau dingen te veranderen. Dit blijkt wel, als we het hebben over: we gaan in het vervolg eerst kijken wat voor banen er zijn en die moeten de mensen dan  nemen, als uitwerking van de verantwoordelijkheid, en je hebt dan dat het bewustzijn er is, dat het politiek besluit genomen is maar dat het nog niet algemeen ook wordt uitgevoerd. Wat betreft de uitbreiding van de Europese gemeenschap, als de Polen komen, de Geus is voorstander van een open markt, ook op de arbeidsmarkt, dus ook een vrij verkeer van werknemers, dat kan binnen het huidige stelsel. Maar hoewel hij er geen voorstander van is proberen landen als Duitsland toch al is het tijdelijk beperkende maatregelen te nemen. Dat kan betekenen dat Nederland dat ook tijdelijk moet doen al is hij er geen voorstander van.
Naar aanleiding van een vraag merkt hij op dat hij er geen voorstander van zou zijn om althans wat de arbeidsvoorwaarden betreft een differentiatie aan te brengen voor verschillende groepen werknemers. Dus niet: als Nederlandse bouwvakker moet je –worden er voor je premies door de werkgever betaald en bij de Polen niet, en dan is de Pool goedkoper. Daar zou hij geen voorstander van zijn. Als de Polen voor de halve prijs gaan werken dat is slecht voor de verhoudingen. De Cao’ s moeten gelden voor alle bouwvakkers. En de Nederlandse bouwvakkers moeten dan wel concurreren met de Polen, dat wel. Ze zijn even duur, maar de reden dat de Polen in de land en tuinbouw werken is oa dat ze wel zeer gemotiveerd zijn en hard werken. Dat zullen die Nederlanders dan ook moeten. 

Maar nogmaals een duurzame arbeidsmarkt politiek gaat uit van een vrij verkeer van werknemers.
Professor Entzinger neemt en ander standpunt in. Hij wil wel een onderscheid maken tussen twee soorten burgers en niet de Polen behandelen zoals de Nederlanders. Het is de reflex van het gelijkheidsbeginsel. In het boek worden verschillende manieren van gedifferentieerde behandeling naar voren gebracht. Dat zijn allemaal opties. In de Verenigde Staten is een constante migratiestroom en het is geen bedreiging en dat kan, omdat men daar andere opvattingen over risico-beleving en individuele verantwoordelijkheid heeft. En bovendien is het nu ook al zo, dat veel mensen niet gelijk behandeld worden, hier. De buitenlanders met AOW hebben onvolledige rechten opgebouwd, we hebben de koppelingswet en er zijn illegalen. Dus er is nu ook ongelijkheid. Waarom zou je niet een vorm van ongelijkheid regulerend invoeren als die er toch is, om er invloed op te houden.

Uit het boek blijkt, dat als je naar de op basis van premies gefinancierde sociale zekerheid kijkt, dus de arbeidsgerelateerde uitkeringen, dan is er niets aan de hand, dus de WW en de WAO. Daar zijn de percentages van alochtonen en autochtonen in relatie tot hun aantal ongeveer gelijk. Zowel de Nederlanders als bij de allochtonen is het 10%. Maar als je naar de bijstand kijkt, daar bestaat 40% van de ontvangers uit de allochtonengroep. Kan dit doorgaan? Moet dat zo? Dus dat zijn de uitkeringen niet op basis van wederkerige solidariteit zoals bij de werknemersverzekeringen maar de sociale voorzieningen op basis van de belasting die rijken betalen wat hetzelfde is als eenzijdige solidariteit. 

De Geus vraagt zich af deze cijfers een probleem van migratie weerspiegelen of dat het een probleem van integratie is. Professor Entzinger gaat door met zijn betoog. Nu als is het zo, dat de AOW gekoppeld is aan het aantal jaren dat je in Nederland woont. En bijstand heb je pas recht op als je minimaal 5 jaar in Nederland verblijft. Maar er zijn veel nieuwkomers, vluchtelingen, die veel eerder een beroep doen op die regelingen omdat ze in echtscheiding liggen. Dat zijn de achterdeurtjes. Als dit proces doorgaat, zal het sociale stelsel steeds verder onder druk komen te staan. Hij gaat nog eens in op de gelijkheidsreflex. Illegalen hebben nu ook al veel minder rechten. Dus men heeft als reflex probeer alle mensen zoveel mogelijk gelijk te behandelen, schermt het gebied vervolgens af en handhaaf zodoende tegelijkertijd langdurige verschillen tussen autochtonen en nieuwkomers, juist omdat men uitgaat van het gelijkheidsbeginsel. Een sociale optie zou ook kunnen zijn: versober het huidige stelsel sterk en kijk naar Amerika. Dan is het wel mogelijk een ruimer migratiebeleid te voeren want collectieve voorzieningen zijn er maar in beperkte mate dus daar kunnen de mensen ook geen beroep op doen, maar de migranten in Amerika hebben vaak werk en sturen grote sommen naar het land van herkomst. Is dat geen goede zaak voor die landen en het is ook veel socialer. 

De Swaan merkt op dat Amerika wel degelijk ook goede sociale arrangementen kent, maar dat men er niet te veel over praat, het probleem in Amerika is dat er een grote barst doorheen loopt, en dat is het onderscheid zwart vs blank. Het is een land met een slavernij verleden.
Het merkwaardige is ook dat ondernemend rechts in Amerika voorstander is van vrije migratiestromen omdat deze vrijheid als onderdeel van de totale economische vrijheid een loondrukkend effect heeft. Daarbij wordt een soort monsterverbond gesloten met allerlei vertegenwoordigers van migrantengroepen. (Er wordt de naam van een zwarte socioloog genoemd).
De Geus zegt dat hij het er niet mee eens is. In Amerika is een ander basic instinct, hier willen wij een verzorgingsstaat op basis van solidariteit, in Amerika is dat niet, daar moet je jezelf maar zien te redden. Er is in het groot geen solidariteit om de kleinere solidariteit te handhaven. Maar als je het mondiaal bekijkt is dat bij ons ook niet. Buiten de EG grenzen houdt het voor ons ook op. De andere kant van de medaille, dat van de stille gevers, waarvan uit veel gebeurt in Amerika naar de landen van herkomst toe, dat is het vrije spel van maatschappelijke krachten. Mensen die zich niet op eigen kracht redden zijn ten dode opgeschreven. Dat voelt niet goed. Professor Entzinger vraagt zich af wat eigenlijk het verschil is tussen Amerika en het beleid dat De Geus voert cq wat hij doet. De Geus antwoordt, dat bij ons de eigen verantwoordelijkheid verbonden moet zijn met collectieve arrangementen. We moeten wel solidair blijven met mensen die geen werk kunnen vinden of die niet kunnen werken en hen niet aan hun lot overlaten.


Wat betreft de mensen die geen werk kunnen vinden komt vervolgens het bekende verhaal van de loonkosten om de hoek kijken. De Swaan wijst erop dat de lonen met alles eromheen veel te hoog zijn. Haal die arbeidsmarkt beschermende maatregelen weg en de mensen kunnen aan het werk. De Geus is het hiermee eens. 

maandag 13 oktober 2003

De egalitaire samenleving, de Derde Weg en het nationalisme

Uitgangspunt is het artikel van Michaël Zeeman. Wat ons bindt. De ingrepen in de verzorgingsstaat zijn niet alleen een kwestie van geld. Minder dan voorheen zijn burgers bereid voor elkaar te betalen....in: De Volkskrant van 11 oktober 2003.

De theorie over de egalitaire Nederlandse samenleving is onder historici bediscussieerd oa bij de waterstaatsgeschiedenis en bij het meer recente poldermodel als typisch Nederlands product. Daarbij kwam de theorie naar voren dat dit egalitaire oa zou zijn ontstaan omdat de Nederlandse boeren op het platteland en de meer arme en rijkere bevolking gedwongen was tot samenwerking vanwege de strijd tegen de zee en overstromingen meer landinwaarts bij de grote rivieren. Het zou reeds een rol gespeeld hebben bij de kolonisatie van de veengebieden omstreeks 1200-1300 toen alleen ontginning van nieuwe gebieden en droogmaking van veengronden door samenwerking in groepen (vaak onder leiding van een klooster dat over de know how en de organisatiestructuren beschikte) mogelijk was. Men moest in een samenwerkingsverband afwateringskanalen graven en dijken aanleggen om het moerassige land bruikbaar te maken, grote werken die voor een individuele boer niet mogelijk waren. Vervolgens werden –een typisch Nederlands verschijnsel- waterschappen opgericht. Deze dwang tot samenwerking leidde tot een overleg- en wederzijdse plichtencultuur die vanwege de noodzaak om gezamenlijk te overleven niet doorbroken werd door tegenstellingen tussen arm en rijk of andere tegenstellingen. Hierover is onder historici veel gediscusseerd. De empirische basis van deze theorie is zwak. Vaak werkten boeren bij de opbouw van dijken helemaal niet samen omdat de boeren die verder landinwaarts woonden en geen last hadden van overstromingen niet wilden bijdragen. Tal van verlammende belangentegenstellingen en conflicten kwamen op het platteland voor, zodat de overheid zich begin 19e eeuw genoodzaakt zag de oprichting van waterschappen van bovenaf op te leggen. 

Michaël Zeeman heeft nu een artikel in de Volkskrant geschreven, waarin hij pleit voor een hernieuwd soort nationalisme om de samenleving bij elkaar te houden en waarbij hij zich onder andere baseert op bovengenoemde theorie over het ontstaan van een egalitaire samenleving. De theorie van Zeeman lijkt aan te sluiten bij de ‘Derde Weg’ die gepropageerd wordt door oa Tony Blair en Clinton, toen hij nog president was (en die de bijstand in de VS heeft afgeschaft) Een van de grote ideologen van deze stroming is volgens mij de Britse socioloog Anthony Giddens. Hij heeft in 1998 een boek geschreven, The Third Way. In het boek figureren dezelfde begrippen figureren als in het stuk van Zeeman en de stroming wordt zo genoemd, omdat Giddens zoekt naar wat volgens hem het beste is van de sociaal-democratie en het neoliberalisme, waarbij hij zich tegelijkertijd tegen die stromingen afzet. Het is dus een poging tot een sociaal-democratisch antwoord op de globalisering en haar gevolgen en op de overheersende neo-liberale ideologie waarbij de oude sociaal-democratische uitgangspunten verouderd zouden zijn.  
Oud links is uit. (Zeeman: het is een kwestie van cultuur dat al die weee linkse sprookjes hun tijd hebben gehad) Dit zich tegelijkertijd afzetten tegen oud links en het neo-liberalisme, wat Zeeman ook doet, is kenmerkend voor de Derde Weg. De discussie over de Derde Weg speelde dus al in 1997/1998 (waarbij Wim Kok op een bijeenkomst van de Derde Weggers als Clinton en Blair in New York als het schoolvoorbeeld van een Derde Wegger naar voren werd gebracht) en wat in de analyses toen opviel was de tegenstelling tussen de ‘Atlantisch’ georienteerde landen (Engeland, Nederland, de Verenigde Staten) en de ‘continentale’ landen zoals Duitsland en Frankrijk, waar de sociaal-democratie de Derde Weg niet omarmde. Giddens wijdt daar in zijn boekje ook een analyse aan. Wat Giddens in zijn boek nog niet doet, maar Zeeman wel, is de sterke benadrukking van het begrip cultuur, hoewel allerlei culturele elementen ook wel in het boek van Giddens voorkomen. 

Het stuk van Zeeman en ook het boek van Giddens heeft als onderliggende probleemstelling m.i. nog altijd de klassieke probleemstelling van de sociaal-democratie: hoe is een kapitalisme met een menselijk gezicht mogelijk, dwz hoe kan een samenleving, waarin desintegrerende tendenzen, toenemende tegenstellingen tussen arm en rijk, etc. voorkomen in een kapitalisme, dat qua grondstructuur niet te beinvloeden is, (handhaven van een ‘vrije’markt) toch meer rechtvaardigheid tot stand komen door bijsturen van de overheid cq de culturele elite zodat een situatie van meer gelijkheid wordt gecreerd die rechtvaardig is en waarin niemand wordt buitengesloten of aan zijn lot overgelaten overeenkomstig allerlei universele waarden.

De kritiek op het kapitalisme en de gevolgen daarvan is echter niet meer het uitgangspunt bij het zoeken naar oorzaken. Het woord kapitalisme komt in hele stuk van Zeeman niet voor. De onhoudbaarheid van de verzorgingsstaat en de integratie problematiek van allochtonen is een cultuurprobleem. Wat dit betreft is er een verschuiving te zien ten opzichte van de meer klassieke en oudere sociaal-democraten zoals Den Uyl. Daartegen zetten de Derde Weggers zich ook af. Hoewel Den Uyl zich rekende tot het ‘zondige ras der reformisten’ dacht hij nog na over organisatorische veranderingen in de productie en Keyenesiaanse bijsturing van de ekonomie om crises te voorkomen. Giddens analyseert de globalisering en constateert, dat de staten, zoals in Europa steeds minder speelruimte hebben om een eigen ekonomisch beleid te voeren. Hij analyseert de globalisering, wat Zeeman niet doet, en constateert dat dus op een andere manier een beleid moet worden gevoerd. Omdat Zeeman alles terugbrengt tot een cultuurprobleem, is ook zijn oplossing cultureel: het gaat om het historisch solidariteitsbegrip, dat de mensen moet worden bijgebracht via het onderwijs. De begrippen die centraal staan in zijn betoog staan ook centraal in het boekje van Giddens: de poging tot vernieuwing van het nationalisme (door Giddens kosmopolitisch nationalisme genoemd) , civil society (burgerschap) de tot inactiviteit leidende verzorgingsstaat, gevaar voor tribalisme (dat begrip gebruikt Giddens ook), de plaats van het individualisme, etc.

Het betoog van Giddens komt echter wat minder reactionair over: hij gebruikt zoals gezegd de term kosmopolitisch nationalisme. Als ik het goed begrijp betekent dit dat hij enerzijds wil dat mensen in de gemondialiseerde wereld centrale waarden delen (democratie, burgerschap, solidariteit, plichtsbesef, etc.) maar dat mensen tegelijkertijd ook hun identiteit kunnen ontlenen aan de regio waar zij wonen. Nationalisme is uitdrukkelijk niet meer gebonden aan de (soevereine) staat die in de geglobaliseerde eknomie een andere plaats krijgt. Het is gebonden aan regio’s en KAN samenvallen met de grenzen van een staat maar dit hoeft volgens Giddens beslist niet. Hij refereert hierbij oa aan de situatie in Engeland. (Noord-Ierland, Schotland, Wales) De verschillende regio’s zullen zich opnieuw rekenschap moeten geven van hun Duitse, Nederlandse, Engelse identiteit, maar anders dan vroeger. Dit is ook wat Zeeman wil doen. Door kosmopolitisch nationalisme kunnen Joegoslavische toestanden worden voorkomen. (Dus tribalisme) Het gaat erom, dat er een inhoudelijke verbinding wordt gelegd tussen Amsterdammer of Nederlander zijn, of je zo voelen en de universele waarden die je als wereldburger met andere wereldburgers deelt. Dus: plichtsbesef, democratie en tolerantie of een egalitaire samenleving, etc. is typisch Nederlands zegt Zeeman. Het historisch solidariteitsbegrip, waarin universele waarden tot uiting komen legt een verbinding tussen die waarden en de Nederlandse geschiedenis, oftewel Nederlander zijn. Als Zeeman een Engelsman was geweest, had hij in de geschiedenis dezelfde waarden in de Engelse geschiedenis opgezocht en gezegd dat ze ‘typisch Engels’ zijn. Hier wreekt zich, dat de verbinding tussen nationalistische of chauvinistische gevoelens enerzijds en universele waarden anderzijds als typisch tot een nieuw-nationale groep behorende, dat die verbinding niet empirisch is te funderen. Je kunt volgens mij in de geschiedenis van iedere cultuur, natie, land, regio positieve en negatieve ontwikkelingen vinden. Het nationale is een subjectief gevoel dat qua waarden niet goed of slecht is.

Kritiek op het kosmopolitisch nationalisme

Op zich is een gevoel van verbondenheid met een bepaalde regio, stad, land, cultuur, buurt of huis een heel natuurlijk gevoel, volgens mij. Je hebt er herinneringen liggen, kent de straten, waaraan ook weer herinneringen zijn verbonden, er is een bepaalde vertrouwdheid met de omgeving en de mensen die er wonen en waar je misschien een groot aantal van kent en/of die familie van je zijn. Zij delen misschien met jou een gemeenschappelijke taal, die je van jongsaf aan is bijgebracht. In deze taal kun je je gevoelens en gedachten het beste uitdrukken. Anders wordt het als je die buurt, regio of land en de mensen die er wonen gaat verbinden met het wel of niet voorkomen van universele waarden als tolerantie, vrijheidsbesef, plichtsbesef jegens de naaste, etc. Je stelt dan dat deze positieve waarden een typisch kenmerk zijn van de mensen die in een bepaalde streek wonen waarmee jij je verbonden voelt. Er zijn in het verleden serieuze sociologische studies verschenen waarin dit het uitgangspunt is. (Bv het boek ‘de oude plattelandsbeschaving’ van Wiggers, die op basis van ‘marxistische’ analyses een verbinding poogt te leggen tussen bv een meer of minder feodale geschiedenis en het ‘volkskarakter’in een streek in Nederland. Friezen hebben geen feodalisme gekend en hebben dus een minder onderdanig karakter dan mensen uit Brabant. )
Dergelijke redeneringen komen in het dagelijks spraakgebruik veel voor, waarbij het beslist niet alleen gaat om nationale, aan de staat gebonden redeneringen. Een veelheid van groepsidentiteiten speelt daarbij door elkaar. Ook binnen radikaal links is bv wel de analyse dat er verschillen zijn tussen Rotterdammers en Amsterdammers. Als linkse Rotterdammers vergaderen, gaat het heel anders dan wanneer linkse Amsterdammers vergaderen. Rotterdammers zeuren, niet, ze hebben hun werk, zijn gewend hard te werken, zeggen de Rotterdammers. Amsterdammers hebben altijd wat te zeuren, vergaderen inefficient, doen hun werk niet, etc. Typerend voor dit soort theorien is, dat wel degelijk wordt gepoogd de redenering, het toekennen van eigenschappen aan bevolkingsgroepen een empirisch karakter te geven. Rotterdam is de stad van de grootste haven, waar hard gewerkt moet worden, Amsterdam is de stad van de handel en de banken, waar dat minder het geval is. Ook Zeeman poogt zijn analyse van de noodzaak van een nieuw nationalisme een basis te geven, hoewel hij in tussenzinnen toegeeft dat even gemakkelijk het tegendeel bewezen kan worden. Daarbij komt hij uit op het historisch solidariteitsbesef.
Er zijn dus drie elementen in deze theorien:
  1. Het gevoel van verbondenheid met de stad, regio of land waar je woont
  2. de universele waarden
  3. de materiele empirische basis of de suggestie ervan op basis van kenmerken van de stad of regio, haar geschiedenis, de ekonomische activiteiten die er zijn, etc.
De verbinding van deze drie elementen leidt tot wat men ‘typisch Nederlands’, of typisch Amsterdams’ noemt. Op zich is het naast elkaar bestaan van een veelheid van groepsidentiteiten geen probleem, zolang de individuen die deze identiteiten dragen (vaak draagt een individu verschillende identiteiten in een bepaalde rangorde) maar niet gaan denken dat zij het uitdragen  van universele waarden moeten verbinden met het uitdragen cq opleggen aan anderen van een bepaalde groepsidentiteit, omdat immers universele waarden nauw met die identiteit verbonden zijn, het geen automatisch betekent dat  als ‘de anderen’ ook maar de Nederlandse, Marokkaanse, Arabische, Amsterdamse cultuur overnemen, ook
de universele waarden worden overgenomen die een ‘typisch’ kenmerk zijn van die cultuur. Daarbij kunnen groepen met verschillende identiteiten op een agressieve manier tegenover elkaar komen te staan, als op basis van de bovengenoemde drie elementen aan de ‘andere groep’ negatieve kenmerken worden toegekend. Dit noodzaakt des te meer, de andere groep de eigen groepsidentiteit op te leggen.
Wat Zeeman nu doet, is een soort herschikking, modernisering van bovengenoemde drie elementen, die een soort ‘over all’ groepscultuur wordt, de Nederlandse. In deze Nederlandse ‘ over all’ cultuur wordt dan de verbinding gelegd tussen de universele waarden en je gevoel van verbondenheid met Nederland, op basis van empirische waarnemingen. (De egalitaire Nederlandse plichtencultuur als inhoud van het ‘ historisch solidariteitsbesef’ )
De vraag is of Zeeman langs een omweg doet wat hij zegt te bestrijden nl het ontstaan van tribalisme of nog erger, een burgeroorlog. Ook hij wil in feite een bepaalde identiteit die verbonden is met bepaalde waarden opleggen aan mensen met een andere groepsidentiteit. Individuen in de Nederlandse samenleving kunnen dan wel een onderling verschillende rangorde van identiteiten hebben, als de Nederlandse met haar universele waarden maar bovenaan staat. Maar het blijft een beetje in het duister of Zeeman ook echt wil dat men een Nederlandse identiteit aanneemt, of dat ze alleen maar bepaalde waarden daarvan moeten overnemen. In dit verband komt het begrip ‘ burgerschap’ om de hoek kijken en de inhoud daarvan. Zeeman lijkt echter nadrukkelijk een kosmopolitische Nederlandse cultuur te willen die samenvalt met de grenzen van de staat.

Hiermee komen we middenin de discussie over wat nationalisme eigenlijk is en hoe en wanneer het ontstaan is. Dit is geen gemakkelijk vraagstuk. Globaal bestaan er twee stromingen. De ene stroming, waarvan de cultuurhistoricus Johan Huizinga de grondlegger is, zegt dat het nationalisme op een geleidelijke, ‘natuurlijke’ manier aan het eind van de middeleeuwen ontstaan is en zich verder heeft ontwikkeld. Er is niet een bepaalde elite of staat, die het heeft opgelegd, wel hebben staten en elites van die ontwikkeling gebruik gemaakt om hun macht te vestigen cq via de staat oorlogen te voeren met andere staten.
De andere theorie wordt oa verdedigd door Hobsbown, die daar recent een boek over heeft geschreven en die zegt dat het nationalisme pas is opgekomen in de 19e eeuw, toen de natie-staten ontstonden en de machthebbers een ideologie nodig hadden om hun macht en hun strijd tegen andere machtsgroepen (staten) te rechtvaardigen. Nationalisme is dus een door een elite geconstrueerde ideologie, met in de tijd van de Romantiek opgekomen legenden en ficties over de nationale identiteit. Deze legenden en het ontbreken van een empirische basis ervoor worden door Hobsbown bestreden.

Ik kan me gemakkelijk van Zeeman afmaken door een soort cultuur-relativisme aan te hangen en te zeggen dat er geen enkel logisch verband bestaat tussen het gevoel ergens bij te horen, een bijzondere verbondenheid met een groep, streek, land, stad en universele waarden die in een meer omvattend burgerschap tot uiting moeten komen. En hetzelfde pad op te gaan als Hobsbown, die alle nationalismen en daarmee verbonden mythische identiteiten naar de prullebak verwijst met een beroep op een historische analyse waaruit blijkt dat er niets van klopt en er sprake is van geschiedvervalsing. 
Enerzijds is er in mijn manier van denken een groot cultuur-relativisme, anderzijds een analyse van het kapitalisme en de plaats van groepen daarin. (arbeiderklasse) Ik wil helemaal geen groepsidentiteit opleggen aan anderen. Ik wil links democratisch pluralisme. 

Al met al kom ik op de volgende probleemstelling: Hoe kunnen we het politiek, cultureel en democratisch pluralisme vorm geven en overeind houden op weg naar verandering van de kapitalistische samenleving,  met een bepaalde ‘stootkracht’ waarbij de moeilijkheid is, dat groepen met verschillende identiteiten voortdurend trachten een exclusief verband te leggen tussen bepaalde waarden en hun groepsidentiteit, zodat:
1.      Men zich terugtrekt en opsluit in isolement of
2.      Op agressieve wijze de eigen groepsidentiteit tracht op te leggen aan anderen
3.      Groepen gescheiden blijven strijden voor verschillende doelstellingen cq deeleisen.

Enkele schrijvers die zich ermee bezig hebben gehouden

In het voorjaar van 2002 slaagde de vertegenwoordiger van de Lique Communiste Revolutionaire uit Frankrijk erin bij de presidentsverkiezingen 4,3 procent van de stemmen oftwel 1.200.000 stemmen te halen. Daarna heeft de presidentskandidaat van de LCR een boek geschreven, ‘100 mots pour changer le monde’ waarin hij de slogan van de andersglobalisten ‘ een andere wereld is mogelijk’  een revolutionair karakter probeert te geven. Veel andersglobalisten en andere mensen geloven niet meer in de mogelijkheid van een revolutie. Daarover wil de schrijver van het boek ‘dromen’. Olivier Besancenot probeert het begrip revolutie een nieuwe inhoud te geven. Besancenot is van mening, dat een kritische kijk op Lenin noodzakelijk is. De vergissing van de Bolsjewieken bestaat erin dat ze de demokratische kwestie onderschat hebben. Zaken als zelforganisatie, zelfbeheer, algemene staking en democratie moeten centraal staan. De leidende rol van de partij bestaat niet. De partij mag zich niet in de plaats van de sociale bewegingen opstellen. Politiek pluralisme is noodzakelijk. Niet de partij maar de meerderheid van de bevolking moet de macht grijpen en zich de macht toe-eigenen in volle respect voor onderlinge verschillen.[1]

Wallerstein. Ook hier de vraag: hoe een anti-systeem beweging kan worden opgebouwd, die afscheid heeft genomen van oud-links (communistische en socialistische partijen) die streefde naar een overname van de staat. De moeilijkheid is, dat pluralisme, democratie en vrijheid gehandhaafd moeten worden, terwijl tegelijkertijd delen van de progressieve bourgeoisie (ik bedoel technologisch en qua monopoliepositie de meest winstrijke) ernaar kunnen streven net als in het tijdperk van de overgang van landadel naar bourgeoisie een geheel nieuw wereldsysteem op te bouwen, waarbij de (machts) ongelijkheid en de sociale ongelijkheid in de wereld wordt gehandhaafd en zij een soort verlichte fascistische dictatuur kunnen vestigen, gebruik makend wel van verwerpelijke dictatuurmethoden. Is zo’n pluralistische beweging die zichzelf in stand houdt mogelijk, of is dat per definitie uitgesloten, wordt je dan net als Allende vernietigd?




[1] Dit staat in een interview met Olivier Besancenot in Le Monde van 3 februari 2003. In dit nummer ook een lovende recensie over het boek. (Tekst 3)

dinsdag 12 december 2000

Bent u al een fictieve werknemer?

Gepubliceerd in vakbondsmagazine Solidariteit

Steeds meer werklozen gaan uitzendwerk doen of nemen een of ander flexibel baantje. Het arbeidsbureau gaat steeds meer met commerciele uitzendburo;s samenwerken en zet de werklozen onder druk om alles maar te accepteren. Door de grote werk­loosheid kunnen werkgevers altijd wel iemand vinden voor tijdelijk rot werk dat slecht betaalt. De arbeidskracht als wegwerpartikel. Een korte beschouwing over de commer­cialise­ring van de arbeidsbemiddeling in Amster­dam en de opmars van de fictieve werknemers.

Eerst iets over de aantallen uitkeringsgerechtig­den in de bijstand die in Amsterdam naast hun uitkering uitzendwerk of ander flexibel werk verrichten. Er zijn momenteel in Amsterdam ongeveer 65.000 bijstandsgerechtigden. 7000 van hen verrichten naast hun uitkering betaald werk. Dus ongeveer 1 op de 10. Het gaat hier om part-time banen, meestal tijdelijk, waarbij de inkomsten onvoldoende zijn om van te leven. Hoeveel uitzen­dar­beid daar bij is, is niet bekend. In de oude bijstandswet was er een bijverdiensteregeling, waarbij je 25% van wat je verd­iende mocht houden tot een maximium van ongeveer 280,- Geen vetpot, maar bij de schrale bijstandsuitkering een welko­me aanvulling. In de nieuwe bijstandswet hebben de gemeenten de vrijheid, een eigen regeling in te vullen. In Amsterdam bete­kent het, dat voor grote groepen de 25% regeling is afge­schaft. Daarvoor in de plaats is -in combinatie met bezuini­gingen- een ingewikkeld stelsel van scholings- en activerings­premies gekomen, waar bijna niemand iets aan heeft. Nu zou je misschien verwachten, dat door de slechtere regeling minder mensen erbij gaan werken. Maar dat is niet zo. Twee jaar geleden werkten op 70.000 bijstandsge­rechtigden nog 3500 naast hun uitkering, en nu zijn dat er dus 7000. De hele diskussie over de noodzaak van een groot ver­schil tussen minimum cao-lonen en bijstand om de werklozen financieel te prikkelen aan het werk te gaan is dus onzin. De markt voor flexibele arbeid wordt steeds omvangrijker, en als er werk is, zijn er heel andere veel belangrijker motieven voor werklozen om te gaan werken.
Naast die 7000 is er nog een omvangrijke categorie die dan weer een poosje werk heeft en dan weer niet. Dat kunnen mensen zijn die een tijdje WW afwis­selen met betaald werk, maar er zijn ook mensen die weer in de bijstand terechtkomen (free-lancers). In Amsterdam zijn er bij de sociale dienst per maand 1500 mutaties: mensen die instromen omdat ze werkloos worden, en mensen die uitstromen omdat ze werk hebben gevon­den. Hoe­veel mensen dan weer terugkomen in de bijstand is niet bekend. Ik heb wel eens pogingen gedaan, erachter te komen hoe groot de groep is-naast de min of meer permanente groep werk­lozen- die jarenlang afwisselend een uitkering en werk heeft. Bij de bedrijfsver­enigingen geeft men echter geen antwoord op schrij­ftelijke vragen dienaangaande. En bij de sociale dienst heeft men, voorzover mij bekend, de gegevens niet. 

additionele arbeid

En tenslot­te is er de 'additionele arbeid' de banen­pools en de Melkertbanen. De banenpool is sowieso een vorm van uitzen­darbeid: je bent in dienst van een werkgever, een soort ge­meentelijke pool, die je tijdelijk uitleent aan een andere instelling. De inlenende organisatie heeft vrij veel mogelijk­heden om je weer aan de dijk te zetten. In 10% van de gevallen werkt de banenpooler bij een inlenende organisatie, die de inleen-premie niet kan betalen. Deze mensen worden binnenkort weer aan de dijk gezet en je moet maar afweachten, waar je dan terecht komt. In de Melkert 2 rege­ling komt uitzendarbeid ook voor, bv de pool voor het midden en klien bedrijf in het Westerpark. In advertenties worden werkgevers als volgt aange­sproken: "MKB-pool voor al uw klussen. Werkjes waar­aan u niet toekomt. Of pieken met extra drukte. Te weinig werk om iemand in dienst te nemen. Maar af en toe iemand inhuren voor kort, flexibel werk, dat zou de oplossing zijn. De MKB-pool neemt mensen in dienst en leent die uit aan diver­se bedrijven. Per dag, of zelfs een paar uur". De bedoeling is, voorlopig 50 werklozen op die manier aan het werk te zetten, wie niet mee wil doen riskeert een strafkorting. En Manpower, het uitzend­bureau dat het organiseert heeft grootse landelijke plannen met deze formule. De werknemers verdienen het wette­lijk mini­mumloon (fl 2234,- bruto per maand). Maar... de inlenende middenstander betaalt slechts fl 5,- per uur, dank­zij 
18.000,- Melkertsubsidie per arbeidsplaats, waar de gemeente nog eens fl 14.000 bijlegt. Dat hier verdringing van bestaande betaalde arbeid zal optreden, hoeft geen betoog. Zlefs de partijen in het paarse kabinet hebben hun bedenkingen bij deze werkwijze. "De arbeidsmarkt moet geen De Slegte worden" zei het kamerlid Bakker (D'66). En concurrent Randstad ziet niets in het project: " De betrokkenen hebben geen betere kans op de arbeidsmarkt" en: "lagere loonkosten helpen in doorsnee sle­chts een klein beetje".
Al met al kunnen werkgevers voor het invul­len van hun op­roep-uitzend- en andere flexibele arbeid in toenemende mate putten uit een groot reser­voir aan werkzoekenden, die geen andere mogelijkheden hebben om aan het werk te komen. Voor de werkge­vers die hun aantallen flexibele arbeidskrachten willen uit­breiden is zo,n groot reservoir aan vaak wanhopige werkzoeken­den maar wat nuttig.

spreekuurvragen

Als het gaat om het vraagstuk van flexibele arbeid en uitzen­darbeid in combinatie met een uitkering komen er twee soorten vragen op ons spreekuur:
1. Uitzendbureau's worden in toenemende mate ingeschakeld in het systeem van arbeidsbemiddeling. De arbeidsbemiddeling wordt steeds meer een commerciele zaak. Handel in adressen en privegegevens van consumenten/clienten wordt steeds meer een miljoenenbusi­ness, waar enkele handige jongens en meisjes veel geld mee verdienen, zonder dat de gemiddelde werkzoekende er wat aan heeft. De krenten worden uit de pap gevist, de wat moei­lijker bemiddelbare werkzoekenden kunnen barsten. Hun gegevens komen ook terecht bij commerciele instellingen en bedrijven; solliciteren naar betaald werk waarbij je jezelf van je beste kant laat zien heeft dan helemaal geen zin meer. Hierbij komt het vraagstuk van de privacy om de hoek kijken. Clienten van de sociale dienst worden onder druk gezet zich in te schrijven bij uit­zendbureau's en daar hun hele hebben en houden op tafel te leggen. De vraag is dan in hoe­verre ze je daartoe kunnen ver­plichten, net als bij het ar­beidsbu­reau. Een nieuwe ontwik­keling is, dat arbeidsbu­reau's die dossiergege­vens van de ingeschrevenen doorsturen naar uitzendbureau's. Dit gebeurt landelijk en op grote schaal. Het arbeidsbureau stuurt je een briefje dat je dossiergegevens aan het uitzend­bureau worden gegeven tenzij je via een bijgevoegd formulier­tje bezwaar maakt. Nergens staat vermeld wat ze gaan doorgeven en aan welke uitzendbureau's. Ze vragen om een vrijbrief. Je moet zelf reageren als je het niet wilt. Dat heet negatieve optie. Volgens de privacy-wetgeving mag dat niet. In Utrecht, Amsterdam en Leeuwarden hebben belangenorganisaties stappen ondernomen tegen deze gang van zaken. Er is oa geprotesteerd bij de Registratiekamer. 
2. De tweede categorie problemen heeft betrekking op het feit, dat de nieuwe vormen van tijdelijk, flexibel werk en uitzen­darbeid totaal niet aansluiten op het huidige arbeids­recht en sociaal-zekerheidsrecht. In het arbeidsrecht kent men maar twee smaken: werknemers en ondernemers/werkgevers. Om te bepalen of iemand werknemer is, zijn allerlei criteria ontwik­keld. Er wordt loon betaald, je hebt een gezagsverhouding met je baas, etc. Maar op flexibel werk is die definitie vaak niet van toepassing. Staat een oproepkracht in een gezagsverhouding met zijn/haar baas? En wanneer dan? Juridisch gezien gaat het bijvoorbeeld bij free-lance werk om een over­een­komst tot het verrichten van enkele dien­sten. Maar is de opdrachtgever dan werkgever en de free-lancer werknemer? Dat is vaak ondui­de­lijk. Met alle gevolgen van dien. Heb je recht op een uitke­ring bij werkloos­heid of arbeidsongeschikt­heid? Ben je verze­kerd? Is er een cao van toepassing? Daarom hebben de bedrijfs­verenigingen en de belas­ting­dienst het begrip 'fictieve ar­beidsovereenkomst' ingevoerd. Dat wil zeggen: voor de belas­tingen en het arbeids­recht ben je een zelfstandige, maar voor de sociale verzeke­ringen ben je een werknemer, omdat ze iets verschillende definities hanteren.
Ach, vroeger was alles duidelijk. Je had arbeiders, die in loondienst waren bij kapitalisten. Tegenwoordig ben je 'fic­tieve werknemer'. Daar kun je hooguit een fictieve identiteit aan ontlenen en dat zal ook wel de bedoeling zijn. Of is er niets nieuws onder de zon?


Piet van der Lende

woensdag 4 oktober 2000

Zelfbeheer binnen het kapitalisme



Verschenen in Kwerk nr 3 jaargang 6 herfst 2000

Er zijn na de opkomst van het kapitalisme vanuit allerlei ideologiëen vele zelfbeheerprojecten geweest die tot doel hadden concrete alternatieven te bieden door de productie van goederen en diensten zelf ter hand te nemen. In dit artikel worden die pogingen kort opgesomd. Uit de geschiedenis van dergelijke projecten blijkt, dat je wel een alternatief kunt proberen te bieden, maar dat je toch leeft binnen het kapitalisme. Zodat vroeg of laat, langs ideologische weg of gewoon omdat je voor het voortbestaan van het project niet anders kan, de negatieve aspecten van het kapitalisme ook in het project binnensluipen. 

We hebben deze KWERK nu wel gewijd aan "eigen initiatieven van bur­gers", "zelfbeheer", "doe het zelf groepen", "burgers zelf vorm laten geven aan hun omgeving of aan zichzelf", maar om wat voor soort initiatieven en aktiviteiten gaat het hier eigenlijk? In mijn ogen gaat het om activiteiten, die in één of meerdere opzichten het tegenbeeld zijn van het kapitalisme, waarbij (groepen) mensen concrete alternatieven proberen te ontwikkelen door de productie van goederen en diensten zelf ter hand nemen op basis van idealen als solidariteit, gelijkwaardigheid in de beslissingen, kleinschaligheid, milieuvriendelijkheid, afschaffing van loonarbeid, doorbreking van de scheiding tussen hoofd- en handarbeid, etc.

Groepen die een alternatief proberen op te zetten hoeven zich volgens mij niet altijd volledig bewust te zijn van hun anti-kapitalistische daad. Het grote verschil met politieke partijen, vakbonden en sociale bewegingen van uitkeringsgerechtigden of bijvoorbeeld op het gebied van milieu is, dat deze sociale bewegingen primair gericht zijn op afschaffing of omvorming cq modificatie van de kapitalistische productiewijze: er worden eisen gesteld aan overheid en ondernemers om in de kapitalistische productie met bepaalde maatschappelijke doelstellingen rekening te houden. Het verschil is niet absoluut: ook in sociale bewegingen kan men een combinatie maken van zelf goederen en diensten produceren en eisen stellen aan het systeem, zoals in de kraakbeweging.

Kapitalisme

Omdat zelfbeheer-groepen vaak één of meer aspecten van het kapitalisme bestrijden, ga ik eerst kort de nadelen van het kapitalisme in haar zuivere vorm noemen en daarna opsommen, welke aspecten daarvan in zelfbeheer groepen worden bestreden.

Het kapitalisme is een productiesysteem, waarbij een kleine minderheid het overgrote deel van het kapitaal en de daaraan verbonden productiemiddelen (grond, machines, gebouwen) in bezit heeft en als enig criterium voor deze groepen geldt: rendement op het kapitaal. De grote kapitaalbezitters en banken eigenen zich een vast aandeel in de winst of de omzet toe. Kenmerk van het kapitalisme is, dat arbeid voornamelijk wordt verricht in loondienst: in ruil voor het beschikbaar stellen van hun arbeidskracht krijgen mensen een loon, zonder dat zij mede-eigenaar zijn van de productiemiddelen en zonder dat zij daar zeggenschap over hebben. In het marxisme zegt men: loonarbeid is diefstal. De eigenaar van de productiemiddelen eigent zich een deel van de waarde toe, die door de arbeiders in loondienst wordt geproduceerd.

De gevolgen van dit blinde productiesysteem zijn bekend: milieuvervuiling en armoede, omdat op basis van concurrentie maatschappelijke kosten worden geëxternaliseerd, monopolievorming, waarbij één of enkele aanbieders de markt beheersen en buiten de marktwerking om de prijzen bepalen, vervreemding door de scheiding tussen hoofd- en handarbeid en de scheiding van de werkenden van de productiemiddelen, etc. Dit kapitalisme bestaat althans in Europa niet in haar zuivere vorm; door ingrijpen van de staat maar ook door initiatieven van burgers zelf tracht men de nadelige gevolgen van het productiesysteem te bestrijden.

alternatieven

In het verleden zijn er vanuit een veelheid van ideologiëen pogingen geweest, projecten op te zetten, waarbij verschillende aspecten van het kapitalisme werden bekritiseerd en praktische alternatieven geboden door het zelf organiseren van de productie. Daarbij hoeft men er niet altijd naar te streven, het kapitalisme te vernietigen.

--- In de eerste plaats is er de bestrijding van de monopolievorming: vanuit liberale hoek werden in de negentiende eeuw vanuit de kleine middenstand die haar positie ondermijnd zag door de grote monopolistische ondernemingen, coöperaties opgezet, vooral landbouwcoöperaties, zoals de RABO bank, coöperatieve zuivelfabrieken en verzekeringsmaatschappijen of aankoopcoöperaties.

--- In de tweede plaats is er de kritiek op de loonarbeid en het kapitalisme als geheel: vanuit anarchistische hoek werden productieve associaties opgericht. Doelen waren vanuit een kritiek op de loonarbeid organisaties op te zetten, waarin dit principe was afgeschaft: door uitbreiding van deze associaties zou het kapitalisme langzaam maar zeker afsterven. Voorbeelden zijn aan het begin van de twintigste eeuw de Vereniging Gemeenschappelijk Grondbezit (GGB) en in onze tijd de Vereniging Solidair.

Een beetje een aparte tak van de productieve associaties zijn de pogingen, (landbouw)kolonies te stichten, waar de ideale maatschappij door leefgroepen of communes in practijk moest worden gebracht. Aan het begin van de twintigste eeuw was dat Frederik van Eeden met Walden en in onze tijd de vereniging NELK, Landelijk Netwerk Ecologische Kernen.

--- In de derde plaats zijn er pogingen de negatieve gevolgen van het kapitalistisch distributiesysteem te bestrijden: vanuit sociaal-democratische hoek werden vooral verbruikerscoöperaties van consumenten opgericht. Doel was door machtsvorming van consumenten het distributiesysteem te omzeilen. De leden van de coöperatie waren als consumenten eigenaar van het bedrijf, en ze konden zo lagere prijzen bedingen bij de groothandelaren. Deze consumentencoöperaties waren onderdeel van de politieke strijd van de sociaal-democraten, waartoe andere onderdelen behoorden, zoals de vakbonden en de politieke partij. Men wilde het kapitalisme niet afschaffen, maar omvormen.

In feite gaat het hier om de categorie, die de oorzaken van het feilen van het kapitalisme ziet in het distributiesysteem: de sociaal-democraten wilden op den duur het kapitalisme hervormen door in te grijpen in de distributie van de rijkdom waarbij via de staat een herverdeling van de rijkdom werd bewerkstelligd. Zo zou een kapitalisme met een menselijk gezicht mogelijk zijn. Ook bijvoorbeeld woningbouwverenigingen kunnen worden gezien als een poging, de verdeling van woonruimte niet geheel aan de markt over te laten.

In deze categorie past ook de recente stroming voor de invoering van LETS-systemen. Er bestaan in een stad als Amsterdam verschillende ruilsystemen, zoals LETS (Local Exchange Trade System), Het Gilde en de stichting Over en Weer. Aan het LETS-systeem ligt een hele filosofie ten grond­slag, die vooral uitgedragen wordt door de Aktie Strohalm in Utrecht. Principe is, dat je tegen een geringe vergoeding lid kunt worden van het systeem, en dat er eigen ruilmiddelen zijn, in Amsterdam de Noppes, waarmee diensten over en weer kunnen worden betaald. Dit kan van alles zijn, zoals het ruilen van tweedehandsgoederen, ter beschikking stellen van deskundigheid, etc. Uitgangspunt is, dat iedereen, ook bij­voorbeeld arbeidsongeschikten, wel iets hebben aan te bieden en dat in het systeem de armoede wordt bestreden, omdat tegen een geringe vergoeding in de vorm van noppes diensten en goederen kunnen worden verkregen.

Je hebt verder gewoon een rekening bij de noppesbank, waar op staat hoeveel noppes je hebt verdiend en hoeveel je schuldig bent aan anderen. Het is in feite buiten de geldeconomie om zelf een ruilsysteem opzetten, met eigen geld, waarin men geen rente krijgt op het kapitaal en ook mensen met weinig geld hun arbeid ' te gelde' kunnen maken.

--- In de vierde plaats zijn er initiatieven, die de nadruk leggen op het praktisch zelf-doen, waarbij de scheiding van hoofd- en handarbeid wordt doorbroken en die overigens kunnen plaatsvinden in het kader van allerlei sociale bewegingen. Zoals biologische tuingroepen van de Vereniging voor Ekologische Leef- en Teeltwijze (VELT). VELT is een van oorsprong Belgische belangenorganisatie van biologisch telende amateurtuinders, maar ook een soort alternatieve consumentenbond en een milieu-actiegroep zoals Milieudefensie. In Nederland zijn deze verschillende functies bij verschillende organisaties terecht gekomen.

--- Daarnaast zijn er vele groepen, die de gevolgen van de milieuvervuiling bestrijden door een deel van de productie, die maatschappelijk noodzakelijk is, zelf uit te voeren: groepen die zich bezig houden met arbeid op het gebied van milieu. Zoals natuurbeheerprojekten opge­zet door Stichting het Noord-Hollands Landschap, waarbij tientallen vrijwilligers en beroepskrachten in het Ilperveld de natuur in stand houden. Dit kunnen ook half of geheel professioneel werkende groepen zijn, die zich bezig houden met biologisch (dynamische) landbouw.

--- Alternatieve media richten zich op het weerleggen van de informatievoorziening in het kapitalisme, die vaak zeer éénzijdig is en waarbij kritiek op het systeem maar in beperkte mate doordringt. Dit zijn er vele, zoals de MUG, verschil­lende organisaties die uitzenden via SALTO, de Digitale Stad, alternatieve bladen zoals de NN, Solidariteit, Kwerk, etc.

In deze categorie horen ook de alternatieve archiefprojekten die zich bij het verzamelen van informatie ten doel stellen andere feiten in hun onderlinge samenhang naar voren te brengen dan gewoon­lijk in de reguliere media gebeurt. (AMOK, Kafka, Jansen en Janssen, het Staatsarchief).

--- Belangrijk is ook de alternatieve hulpverlening, zoals in Amsterdam de Witte Jas, spreekuren voor uitkeringsgerechtigden, allochtonen en andere doelgroepen (Info-Buitenland Oud-West, Autonoom Cen­trum, WBVA, Bijstandsbond, Komitee Vrouwen en de Bijstand, St. Baan, BBS, AMSOSA, KMAN, spreekuren in de buurten).

--- Er zijn nog vele andere voorbeelden te noemen, zoals derde wereld projekten, bijvoorbeeld Gered Gereedschap waar men gereedschap voor de Derde Wereld maakt. Tenslotte zou ik nog willen wijzen op buurtgroepen, zoals de bewonersgroep Hackfort-Huigenoort, die één van de flats in de Bijlmer met z'n 150-en hebben opgeknapt en die een zwartboek hebben geschreven 'Getto in wording'.

Wanneer je de wortels nagaat van het idee, een coöperatieve vereniging op te richten, als alternatief voor de op kapitalistische leest geschoeide productie, dan valt- naast het feit, dat vanuit vele ideologiëen pogingen werden ondernomen- op, dat de wortels van dergelijke coöperatieve verenigingen soms teruggaan naar voor-kapitalistische tijden. Ze zijn rechtstreeks terug te voeren op leefgemeenschappen, waarin begrippen als socialisme en anarchisme of communisme nog helemaal niet bestonden, maar waar men op basis van gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen en regelingen daarvoor, organisatievormen ontwikkelde om de samenleving te 'reguleren'. Voorbeelden zijn de vele begrafeniscoöperaties in ons land, waarvan de geschiedenis vaak teruggaat op pre-industriële burenhulpsystemen, waarbij de dorpsgenoten of de buren afspraken hadden gemaakt om elkaar in tijden van nood te helpen. Soms werd bij het begin van deze eeuw, tijdens de opkomst van het kapitalisme, de reeds eeuwen bestaande mondelinge afspraken tussen de buren vastgelegd in de statuten van een coöperatieve (begrafenis)vereniging. Blijkbaar zit het verlangen van de mens naar 'mutual aid', wederkerige hulp, zoals Kropotkin dat geanalyseerd heeft, minstens even diep als het concurrentiemechanisme.
Moeilijkheden die de groepen tegenkwamen

Een van de grootste moeilijkheden, die een groep tegenkomt als men vanuit kritiek op één of meer principes van het kapitalisme een project wil opzetten, is het gebrek aan (start)kapitaal. De opzet van ecologische leefgemeenschappen die door de vereniging NELK worden gepropageerd stagneert bijvoorbeeld omdat de aanschaf van een bepaalde hoeveelheid grond met huizen niet kan worden gefinancierd.

Bovendien duurt het enige tijd voor je voldoende producten op de markt hebt gebracht om ervan te kunnen leven, of om het kapitaal terug te verdienen. En in die tussentijd moet je toch leven, eten, heb je kosten. In het kapitalisme is het productiekapitaal in handen van zeer grote ondernemingen, die door diepteinvesteringen zeer goedkoop kunnen produceren omdat wordt afgezien van principes op het gebied van het milieu, zoals gebruik van bestrijdingsmiddelen en kunstmest. Het is moeilijk daar tegenop te boksen en een stukje markt te veroveren. 

De 'baanlozenbeweging' is een poging, dit dilemma op te lossen: met behoud van uitkering toch producten maken in een eigen project. Je hebt dan voor de lopende kosten een inkomen.

In onze tijd is kapitaalsgebrek ook vaak opgelost door je eenvoudigweg een deel van de productiemiddelen toe te eigenen. Een voorbeeld daarvan is de kraakbeweging: huizen, kantoren, gebouwen bezetten. Voor een deel werd deze beweging ingegeven door de woningnood: mensen wilden een huis om in te wonen. Voor een ander deel werd dit ook ingegeven door de behoefte aan een alternatieve maatschappij voor het kapitalisme: zelfbestuur, tegen cityvorming, etc.

De kraakbeweging is er nauwelijks meer, maar haar invloed is tot op de dag van vandaag groot. Er zijn vele woon-werk gemeenschappen uit ontstaan. In Amsterdam kan gedacht worden aan Tetterode. Principe van bijvoor­beeld Tetterode en het WG-terrein is, dat een woningbouwver­eniging het casco van een groot gebouw verhuurd aan een vereniging van gebruikers/onderhuurders tegen een lage prijs, die dan vervolgens zelf de inrichting van het gebouw, het beheer en het toelatingsbeleid bepalen.[i] Ook komt het echter wel voor, dat krakers gezamenlijk het pand hebben gekocht.

Deze principes zijn uitgebreid door meer van dergelijke projecten op te zetten: in Amsterdam het WG-terrein, het Y-tech gebouw aan de van Diemenstraat en de vereniging Archipel. Deze projecten zijn echter vaak gefinancierd door woningbouwverenigingen of de overheid middels subsidies. Je krijgt dan te maken met geldschieters of eigenaren van de machines en gebouwen waarmee je werkt, die hun eigen doelstellingen hebben.

inkapseling

En hiermee komen we ook op een tweede moeilijkheid die groepen tegenkomen: de principes van zelfbeheer op basis van sociale gelijkheid vanuit een kritiek op het kapitalisme, waarbij men op basis van solidariteit niet-commerciële projecten opzet, verwateren vaak. Wanneer het woon-werk pand is gelegaliseerd gaat iedereen een eigen project, bedrijfje of belangengroepje beginnen. Vaak volgens de beste kapitalistische principes, men wil met niemand meer wat te maken hebben en niemand werkt meer aan het gemeenschappelijke project: het woon-werk pand.

Als je wilt dat je project goed van de grond komt, moet je of volgens de principes van de 'baanlozenbeweging' werken, of een marktaandeel veroveren. En dat marktaandeel moet je veroveren op ondernemingen die volledig kapitalistisch werken en die dus wel kapitaal hebben om dure machines te kopen, en zeer goedkoop te produceren. Dus……

In de LETS-systemen ontstaat bijvoorbeeld in Amsterdam een koersverhouding tussen de Noppes en de gulden. 1 noppes is zoveel cent. En er ontstaan rijke en arme bezitters van Noppes. Sommigen hebben veel, bijvoorbeeld omdat ze de Noppesbank beheren, en anderen hebben weinig. Dus er zijn in het LETS-systeem mensen die veel guldens hebben en mensen die weinig hebben. Terug bij af.

Het bovenstaande geeft aan, dat je met je project/organisatie/groep niet in een vacuüm opereert: je opereert binnen het kapitalisme. In het verlengde van bovenstaand verhaal ligt de tendens tot oligarchisering en bureaucratisering: bestuurders van belangenverenigingen, coöperaties en projecten zijn gericht op het voortbestaan ervan en worden dus eerder met de inbedding in het kapitalisme geconfronteerd. Zij zien de instorting van het idealisme en de solidariteit in het woon-werkpand, of ze willen een concessie doen aan het kapitalisme om te overleven, maar de achterban wil het misschien niet, etc. Er komt een formele of informele hiërarchie in de organisatie, er komen gespecialiseerde functies, een hernieuwde scheiding tussen hoofd- en handarbeid, de herinvoering van loonarbeid door betaalde secretaresses, of andere functies, etc.

De teloorgang van coöperaties in de landbouw is een schoolvoorbeeld van het lot van dergelijke organisaties. De landbouw-coöperaties werden met de twee bovenstaande moeilijkheden geconfronteerd: gebrek aan kapitaal en oligarchisering. Daardoor hebben zij zich ontwikkeld tot pure kapitalistische ondernemingen.

Is deze inbedding in het kapitalisme te voorkomen? Is er een soort eeuwige strijd van steeds weer nieuw opkomende 'basis' bewegingen die weer voor zichzelf beginnen en dan weer… etc.? Mijn conclusie luidt in ieder geval dat bij projecten waarin men goederen en diensten poogt te produceren buiten het kapitalisme om, zonder politieke strijd gericht tegen de machthebbers, er geen geleidelijke vernietiging van dat kapitalisme volgt, hooguit een modificatie (aanpassing) van de markteconomie.

Piet van der Lende